Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

Logo Eindhoven

 

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost (vierde wijziging)

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-de Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre.

overwegende dat:

 

  • ingevolge artikel 14 van de Wet publieke gezondheid de gemeenten zorgen voor de instelling en instandhouding van gemeentelijke gezondheidsdiensten;

  • het voor een optimale behartiging van deze taak wenselijk is dat zij samenwerken;

  • zij daartoe een openbaar lichaam hebben ingesteld;

  • zij aan dat openbaar lichaam de behartiging van de in deze regeling aan te geven belangen, taken en bevoegdheden hebben opdragen en middelen ter beschikking hebben gesteld;

  • er aanleiding is de gemeenschappelijke regeling te wijzigen;

  • die aanleiding gelegen is in achtereenvolgens de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 januari 2015, het herstel van enige technische onvolkomenheden en de bestuurlijke discussie in de regio over de kerntaken van de GGD;

  • uitgangspunt van de Gemeenschappelijke regeling blijft dat het bestuur en het beheer van het openbaar lichaam zo moeten zijn ingericht dat de gemeentebesturen zoveel mogelijk betrokken blijven bij die belangenbehartiging;

  • het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur daarbij het beleid van de GGD Brabant-Zuidoost gestalte geven en de uitvoering ervan controleren, waarbij de bedrijfsvoering bij de directie ligt;

  • de financiële risico's voor de gemeenten door een adequate bedrijfsvoering daarbij zo laag mogelijk moeten blijven.

 

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

BESLUITEN

De gemeenschappelijke regeling GGD Brabant- Zuidoost voor een vierde maal te wijzigen, waarna deze als volgt luidt: Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost

 

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Begripsbepalingen

Artikel 1  

  • 1.

    In deze regeling verstaat onder:

  • a.

    wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • b.

    regeling: Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant Zuidoost;

  • c.

    gemeente(n): aan de regeling deelnemende gemeente(n);

  • d.

    college: college van burgemeester en wethouders van een gemeente;

  • e.

    raad: raad van een gemeente;

  • f.

    werkgebied: gebied van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

  • g.

    Brabant-Zuidoost: de regio die bestaat uit het gebied van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-de Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre.

  • h.

    Gedeputeerde Staten: het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

  • i.

    geneeskundige hulpverlening: geneeskundige hulpverlening zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s;

  • j.

    gezamenlijke taken; een taak die door de GGD voor alle gemeenten uitvoert en die wordt gefinancierd op basis van de inwonerbijdrage;

  • k.

    contracttaken: taken die de GGD op contract- of subsidiebasis uitvoert voor individuele gemeenten, rijk of derden;

  • l.

    pijler: een inhoudelijk samenhangend pakket van GGD taken, waarbinnen in de begroting gezamenlijke taken en contracttaken zijn opgenomen.

  • 2.

    Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt in die artikelen in plaats van 'de gemeente', 'de raad', 'burgemeester en wethouders' en 'de burgemeester' respectievelijk gelezen: 'de GGD', 'het Algemeen Bestuur', 'het Dagelijks Bestuur' en 'de voorzitter'.

 

Algemeen

Artikel 2  

  • 1.

    Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd GGD Brabant-Zuidoost.

  • 2.

    De GGD Brabant-Zuidoost is een regionaal samenwerkingsverband van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten: Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-de Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid.

  • 3.

    Het openbaar lichaam is gevestigd in Eindhoven.

  • 4.

    Onderdelen van de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam kunnen in verschillende deelnemende gemeenten gevestigd zijn.

HOOFDSTUK 2 BELANG, DOEL, BEVOEGDHEDEN EN TAKEN

Belang en doel

Artikel 3  

De GGD heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de publieke gezondheidszorg en de Ambulancezorg, alsmede aan de bestrijding van onwettig schoolverzuim

Taken

Artikel 4  

  • 1.

    Het openbaar lichaam is belast met:

  • a.

    Het ontwikkelen en in stand houden van een dienst voor de uitvoering van de publieke gezondheidszorg en de ambulancezorg.

  • b.

    Uitvoering van taken welke bij of krachtens de wet Publieke Gezondheid zijn opgedragen aan de colleges en op grond van die wet bij de GGD dienen te worden belegd.

In het bijzonder is de GGD belast met:

  • het adviseren van gemeenten over hun beleid op het gebied van gezondheidspreventie, gezondheidsbevordering en –bescherming, waaronder het signaleren en monitoren van gezondheidsrisico’s in de fysieke en sociale omgeving en advisering over bestuurlijke beslissingen op andere beleidsterreinen;

  • gezondheidsbescherming door middel van Algemene infectieziekten bestrijding, TBC-bestrijding, SOA- preventie, SOA-curatie en Seksualiteitshulpverlening, Medisch-milieukundige zorg en Technische Hygiënezorg;

  • het bewaken van de publieke gezondheid bij rampen en crisis (crisisteam en crisisplan, psychosociale hulpverlening bij ingrijpende gebeurtenissen);

  • het bieden van gezondheidszorg aan personen boven de 65 jaar.

  • c.

    Uitvoering van taken welke bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift zijn opgedragen aan de GGD. In het bijzonder betreft dit het houden van toezicht op kinderopvang & peuterspeelzalen.

  • d.

    Uitvoering van wettelijk voorgeschreven taken die de colleges opdragen aan de GGD. Dit betreffen:

  • het bieden van gezondheidszorg aan jongeren van 0-18 jaar;

  • het uitvoeren van het rijksvaccinatieprogramma;

  • het uitvoeren van de ambulancezorg;

  • het leveren van sleutelfunctionarissen voor GHOR-functies bij rampen en crisis;

  • het verrichten van lijkschouwingen;

  • het afgeven van euthanasieverklaringen;

  • het toezicht houden op tattoo- & piercingshops.

  • e.

    Het houden van toezicht op en het registreren van leerplichtige leerlingen in de leeftijd van 5 tot 18 jaar, voortijdige schoolverlaters in de leeftijd van 18 tot en met 22 jaar die niet meer leerplichtig zijn, ter uitvoering van de Leerplichtwet 1969, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra.

Ten behoeve van de uitvoering van deze taken heeft de GGD toestemming van de colleges om de gegevens van de 0 tot 4 jarigen en de oudergegevens van de 0 tot en met 22 jarigen te raadplegen.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam kan daarnaast op verzoek van één of meer gemeenten en van niet aan de regeling deelnemende gemeenten dan wel van derden opdrachten aannemen voor de uitvoering of ondersteuning van taken mits die passen binnen de doelstelling van de GGD en dat gebeurt op een budgettair neutrale wijze voor de andere deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Wijziging van het takenpakket als benoemd in het eerste lid, onder d, ten gevolge van gemeentelijke besluitvorming, verplicht tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling.

  • 4.

    Er is ruimte voor lokale accenten in de uitvoering van taken door de GGD. Het Dagelijks Bestuur bepaalt de voorwaarden waaronder aan de lokale accenten invulling kan worden gegeven.

Bevoegdheden

Artikel 5  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur hebben uitsluitend verordenende en regelgevende bevoegdheden met betrekking tot de aangelegenheden die de bedrijfsvoering van het openbaar lichaam betreffen.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur respectievelijk het Dagelijks Bestuur kunnen afzonderlijk of te samen, ieder voor zover zij bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van het openbaar lichaam.

  • 3.

    Het Algemeen Bestuur is bevoegd te besluiten tot de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan op voorwaarde dat de raden van de deelnemende gemeenten vooraf in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorgenomen besluit aan het Algemeen Bestuur kenbaar te maken.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur is bevoegd met een of meer colleges van al dan niet deelnemende gemeenten of met bestuursorganen van andere openbare lichamen samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met betrekking tot ondersteunende dienstverlening voor taken waarmee het openbaar lichaam belast is.

  • 5.

    Voor zover nodig worden de collegebevoegdheden betreffende uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder a tot en met d, en het tweede lid, onder verantwoordelijkheid van de colleges opgedragen aan het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam op basis van een door elk college afzonderlijk vast te stellen extern mandaatbesluit.

  • 6.

    De colleges dragen met hun bevoegdheden die horen bij het uitvoeren van de taken als bedoeld in artikel 4 lid 1, sub e, alsmede alle voorbereidings- en uitvoeringshandelingen die daarmee gepaard gaan, met het vaststellen van de 3e wijziging van de gemeenschappelijke regeling, over aan het Dagelijks Bestuur(delegatie).

HOOFDSTUK 3 BESTUURSORGANEN

 

Organen

Artikel 6  

Het openbaar lichaam kent de volgende bestuursorganen:

  • a.

    het Algemeen Bestuur;

  • b.

    het Dagelijks Bestuur;

  • c.

    de voorzitter;

  • d.

    de door het bestuur ingestelde commissies.

HOOFDSTUK 4 ALGEMEEN BESTUUR

Samenstelling

Artikel 7  

  • 1.

    De colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten wijzen ieder uit hun midden een lid van het Algemeen Bestuur aan. Ook wijzen zij uit hun midden ieder een plaatsvervangende lid aan die het door hen benoemde lid bij ontstentenis vervangen.

  • 2.

    De leden van het Algemeen Bestuur worden aangewezen voor een zittingsduur van 4 jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraad een nieuw geïnstalleerd college een besluit neemt tot aanwijzing van het lid en plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.

  • 3.

    Wanneer het lidmaatschap van het college van burgemeester en wethouders eindigt, eindigt ook het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het Algemeen Bestuur.

  • 4.

    Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door mededeling aan het Algemeen Bestuur.

  • 5.

    Indien tussentijds de plaats van een lid vacant komt, wijst het daartoe bevoegde college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

  • 6.

    Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van één van de deelnemende gemeenten dan wel door of vanwege het Dagelijks Bestuur van het lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld zij die in dienst van één der deelnemers dan wel van het lichaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

 

Werkwijze

Artikel 8  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Dit reglement, en de daarin aangebrachte wijzigingen, worden aan de colleges van de deelnemende gemeenten gezonden. De artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 t/m 33 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur vergadert minimaal twee maal per jaar. Meerdere vergaderingen kunnen ingelast worden wanneer de voorzitter of het Dagelijks Bestuur dit nodig acht en wanneer ter voldoening aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid van deze regeling een of meer leden van het Dagelijks Bestuur moeten worden benoemd of wanneer tenminste 5 leden van het Algemeen Bestuur, onder opgave van redenen, dit schriftelijk verzoeken

  • 3.

    De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer ten minste 5 van de aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het Algemeen Bestuur hiertoe besluit. Voor het overige is ten aanzien van de openbaarheid artikel 23 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    In een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur kan niet worden beraadslaagd of worden besloten over:

  • a.

    de vaststelling en wijziging van de begroting;

  • b.

    de vaststelling van de rekening;

  • c.

    de vaststelling van het liquidatieplan;

  • d.

    de vaststelling of wijziging van verordeningen;

  • e.

    de vaststelling of wijziging van een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere openbare lichamen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling;

  • f.

    de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan.

  • 5.

    Op verzoek van de voorzitter geschiedt de in artikel 19 tweede lid Gemeentewet bedoelde openbare kennisgeving voor zijn vergaderingen op de gebruikelijke wijze.

  • 6.

    Derden kunnen worden uitgenodigd om als adviseur de vergaderingen van het Algemeen Bestuur bij te wonen.

 

Besluitvorming

Artikel 9  

  • 1.

    Bij het nemen van besluiten door het Algemeen Bestuur tot vaststelling van de jaarrekening en tot vaststelling van de begroting en begrotingswijzigingen geldt de volgende stemverhouding:

  • het lid aangewezen door de raad van gemeenten tot 20.000 inwoners heeft één stem;

  • het lid aangewezen door de raad van gemeenten vanaf 20.000 inwoners heeft twee stemmen;

  • het lid aangewezen door de raad van de gemeente Helmond heeft drie stemmen;

  • het lid aangewezen door de raad van de gemeente Eindhoven heeft vijf stemmen.

  • 2.

    Bij de overige besluitvorming door het Algemeen Bestuur vindt stemming plaats op basis van gewone stemwaardering (één stem per gemeente).

  • 3.

    De besluitvorming vindt plaats bij volstrekte meerderheid van stemmen. Het bepaalde in artikel 28 tot en met 32 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Het Algemeen Bestuur vergadert en besluit slechts indien meer dan de helft van het aantal stemgerechtigde leden van het Algemeen Bestuur aanwezig is.

  • 5.

    Jaarlijks wordt een vergaderschema vastgesteld van de data waarop begroting en rekening worden behandeld.

  • 6.

    Indien het vereiste aantal leden als bedoeld in het vierde lid niet aanwezig is bij een vergadering, kan de voorzitter een nieuwe vergadering beleggen, welke binnen twee weken dient plaats te vinden.

  • 7.

    Het Algemeen Bestuur kan bij toepassing van het zesde lid over alle onderwerpen met uitzondering van de begroting, een begrotingswijziging en de jaarstukken, beraadslagen en besluiten nemen ongeacht het aantal aanwezige leden.

 

Bevoegdheden

Artikel 10  

  • 1.

    Aan het Algemeen Bestuur behoren met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstelling van het openbaar lichaam alle bevoegdheden, die bij deze regeling niet aan het Dagelijks Bestuur of de voorzitter zijn opgedragen.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur kan de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen regels overdragen aan het Dagelijks Bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van:

  • a.

    het vaststellen en wijzigen van de begroting;

  • b.

    het vaststellen van de jaarrekening;

  • c.

    het stellen van regels over het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld, of de directe regeling van hetgeen verder de geldmiddelen van het openbaar lichaam aangaat;

  • d.

    het nemen van besluiten over het instellen van commissies, als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de wet;

  • e.

    het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 31a van de wet;

  • f.

    het benoemen van de directeur publieke gezondheid en de secretaris;

  • g.

    het regelen van de gevolgen van toetreding of uittreding van een college tot respectievelijk uit de regeling alsmede het verbinden van nadere voorwaarden daaraan;

  • h.

    het doen van een voorstel aan de colleges tot wijziging van de regeling;

  • i.

    het vaststellen van een liquidatieplan bij opheffing van het openbaar lichaam.

 

Geheimhouding

Artikel 11  

Het Algemeen Bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het Algemeen Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het Algemeen Bestuur haar opheft.

HOOFDSTUK 5 DAGELIJKS BESTUUR

Samenstelling

Artikel 12  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur bestaat inclusief de voorzitter uit acht leden.

  • 2.

    De leden van het Dagelijks Bestuur worden door en uit de leden van het Algemeen Bestuur aangewezen in de eerste vergadering van het Algemeen Bestuur in nieuwe samenstelling.

  • 3.

    De samenstelling is aldus dat de leden van het Dagelijks Bestuur qua stemgewicht nimmer de meerderheid mogen vormen in het Algemeen Bestuur.

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan het Algemeen Bestuur derden aanwijzen die deel uitmaken van het Dagelijks Bestuur. Derden mogen geen meerderheid vormen in het Dagelijks Bestuur.

  • 5.

    De zittingsperiode van de leden van het Dagelijks Bestuur is gelijk aan de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders. De leden kunnen opnieuw worden benoemd. Zij blijven hun functie waarnemen totdat voorzien is in hun opvolging.

  • 6.

    Het lidmaatschap eindigt zodra een lid ophoudt lid te zijn van het Algemeen Bestuur dan wel ontslag neemt als lid van het Dagelijks Bestuur.

  • 7.

    Het lid van het Dagelijks Bestuur dat ontslag neemt blijft in functie tot de eerstvolgende vergadering van het Algemeen Bestuur.

  • 8.

    Een lid kan worden ontslagen indien hij het vertrouwen niet meer bezit van het Algemeen Bestuur.

  • 9.

    Indien tussentijds een plaats van een lid openvalt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.

 

Taak Dagelijks Bestuur

Artikel 13  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur stelt in zijn eerste vergadering na zijn verkiezing een portefeuilleverdeling vast en deelt zijn besluit hierover mee aan het Algemeen Bestuur.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur stelt voor de uitvoering van zijn taken een reglement van orde vast. Op het houden van de orde van de vergadering van het Dagelijks Bestuur zijn de artikelen 52, 53 en 54 tot en met 60 van de Gemeentewet, voor zover daarvan niet bij of krachtens de wet wordt afgeweken, van overeenkomstige toepassing.

 

Bevoegdheden

Artikel 14  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur oefent de taken en bevoegdheden die in deze gemeenschappelijke regeling aan het Dagelijks Bestuur zijn opgedragen uit.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur is in het bijzonder belast met:

  • a.

    het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het Algemeen Bestuur hiermee is belast;

  • b.

    beslissingen van het Algemeen Bestuur voor te bereiden en uit te voeren;

  • c.

    regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam;

  • d.

    ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan, met uitzondering van de directeur publieke gezondheid;

  • e.

    tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a van de wet;

  • f.

    te besluiten namens het openbaar lichaam, het Dagelijks Bestuur of het Algemeen Bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het Algemeen Bestuur, voor zover het het Algemeen Bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

  • g.

    het voorstaan van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is;

  • h.

    de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam;

  • i.

    de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

 

Vergaderingen Dagelijks Bestuur

Artikel 15  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur vergadert minimaal vier maal per jaar en zo dikwijls de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste twee leden de voorzitter schriftelijk en met redenen omkleed hierom verzoeken. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden.

  • 2.

    Besluiten van het Dagelijks Bestuur vinden plaats op basis van gewone meerderheid van stemmen.

  • 3.

    Het bepaalde in artikel 28, eerste tot en met derde lid, 29, 30 en 59 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

 

Geheimhouding

Artikel 16  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het Dagelijks Bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen.

    Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens de vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het Dagelijks Bestuur haar opheft.

  • 2.

    Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter of een commissie, ten aanzien van de stukken die zij aan het Dagelijks Bestuur overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel het Algemeen Bestuur haar opheft.

HOOFDSTUK 6 DE VOORZITTER, PLAATSVERVANGEND VOORZITTER,

De voorzitter en plaatsvervanger

Artikel 17  

  • 1.

    De voorzitter van het openbaar lichaam wordt door en uit het Algemeen Bestuur aangewezen.

  • 2.

    De voorzitter wordt bij zijn afwezigheid vervangen door een door het Algemeen Bestuur aan te wijzen lid van het Dagelijks Bestuur.

  • 3.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur en draagt er zorg voor, dat de besluiten van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur naar behoren worden uitgevoerd.

  • 4.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging na overleg met het Dagelijks Bestuur in rechtsgedingen en bij buitengerechtelijke rechtshandelingen opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

  • 5.

    De voorzitter tekent samen met de secretaris de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan.

HOOFDSTUK 7 SECRETARIS.

De secretaris

Artikel 18  

  • 1.

    De secretaris wordt aangewezen door het Algemeen Bestuur uit de leden van het Dagelijks Bestuur.

  • 2.

    Het aangewezen lid is zowel secretaris van het Algemeen als van het Dagelijks Bestuur en wordt bij de uitvoering van zijn taken bijgestaan door een medewerker van het openbaar lichaam.

  • 3.

    Alle stukken uitgaande van het Algemeen of het Dagelijks Bestuur worden door de secretaris mede ondertekend.

  • 4.

    De secretaris wordt bij ziekte of ontstentenis vervangen door een door het Dagelijks Bestuur aan te wijzen medewerker van het openbaar lichaam, die als plaatsvervangend secretaris fungeert.

  • 5.

    Het bepaalde in artikel 12 is op de secretaris van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 8 COMMISSIES, WERKGROEPEN, OVERLEG, TEGEMOETKOMING

Bestuurscommissies

Artikel 19  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur kan, conform artikel 25 van de wet, commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het Algemeen Bestuur stelt vooraf de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen ter kennis van het Algemeen Bestuur te brengen.

  • 2.

    Een lid van het Dagelijks Bestuur is voorzitter van een commissie als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld:

  • a.

    de samenstelling;

  • b.

    de bevoegdheid of bevoegdheden;

  • c.

    de werkwijze;

  • d.

    de openbaarheid van vergaderingen;

  • e.

    het toezicht van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur;

  • f.

    de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur;

  • g.

    de verantwoording aan het Algemeen Bestuur;

  • h.

    wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt tevens de einddatum van de commissie geregeld.

 

Commissies van advies

Artikel 20  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur kan besluiten commissies van advies in te stellen ten behoeve van de uitvoering van de hen opgedragen taken conform artikel 24 van de wet.

  • 2.

    De instelling van commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het Algemeen Bestuur op voorstel van het Dagelijks Bestuur.

  • 3.

    Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld:

  • a.

    de samenstelling;

  • b.

    de bevoegdheid/bevoegdheden;

  • c.

    de werkwijze;

  • d.

    de openbaarheid van vergaderingen;

  • e.

    het toezicht van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur;

  • f.

    de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur;

  • g.

    de verantwoording aan het Algemeen Bestuur.

  • 4.

    Andere commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur of aan de voorzitter worden door het Dagelijks Bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

 

Werkgroepen, overleg

Artikel 21  

Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter kunnen werkgroepen en overlegvormen instellen.

 

Tegemoetkoming

Artikel 22  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur kan voor zijn leden, de leden van het Dagelijks Bestuur, de voorzitter bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. Deze verordening bevat regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten.

  • 2.

    De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke de bestuurder ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van een van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Ten aanzien van de werkzaamheden en de kosten van de leden van de commissies, ingesteld met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    De leden van commissies van advies die geen burgemeester, wethouder of raadslid zijn, kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen.

De artikelen 96 tot en met 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regelen, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, wanneer daarin sprake is van een onderverdeling in gemeenteklassen, het bepaalde voor de gemeenteklasse van 50 001-100 000 inwoners van toepassing is.

HOOFDSTUK 9 VOORHANGPROCEDURE

Artikel 23  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur kan aan een dossier de kwalificatie ‘majeur’ toekennen.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur kan besluiten de besluitvorming over een majeur dossier maximaal 3 maanden aan te houden teneinde de colleges in de gelegenheid te stellen hun gemeenteraden te consulteren.

  • 3.

    Het Algemeen Bestuur maakt geen gebruik van de mogelijkheden om de colleges om een reactie te vragen als bedoeld in het tweede lid indien, naar het oordeel van het Algemeen Bestuur, om redenen van spoed eerdere besluitvorming noodzakelijk is.

 

HOOFDSTUK 10 INFORMATIE EN VERANTWOORDINGSPLICHT

Interne inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid Dagelijks Bestuur

Artikel 24  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het Algemeen Bestuur verantwoording schuldig over het door het Dagelijks Bestuur gevoerde bestuur.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur geeft het Algemeen Bestuur alle inlichtingen die het Algemeen Bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

  • 3.

    Het Algemeen Bestuur regelt van welke besluiten van het Dagelijks Bestuur in ieder geval kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het Algemeen Bestuur.

    Daarbij kan het Algemeen Bestuur de gevallen bepalen waarin met ter inzage legging kan worden volstaan. Het Dagelijks Bestuur laat de kennisgeving of ter inzage legging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.

  • 4.

    Het Algemeen Bestuur kan een lid van het Dagelijks Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit, ontslag verlenen.

 

Externe Inlichtingenplicht

Artikel 25  

  • 1.

    Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt schriftelijk aan de colleges en de raden de door een of meer leden van die colleges en raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang.

  • 2.

    De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het Dagelijks Bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het Algemeen Bestuur of de voorzitter worden verlangd.

 

Externe verantwoordingsplicht lid Algemeen Bestuur

Artikel 26  

  • 1.

    Het lid van het Algemeen Bestuur is aan het college die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid.

  • 2.

    Een lid van het Algemeen Bestuur verstrekt aan het college die hem heeft aangewezen de door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang.

  • 3.

    De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van dat college of schriftelijk verstrekt.

  • 4.

    Het college kan een door hem aangewezen lid van het Algemeen Bestuur, indien dit lid het vertrouwen van dat college niet meer bezit, als zodanig ontslag verlenen.

  • 5.

    Het reglement van orde van het Algemeen Bestuur regelt de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.

  • 6.

    Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de raden.

 

Informatieplicht rekenkamer(commissies)

Artikel 27  

De rekenkamer(commissie)s van de deelnemende gemeenten afzonderlijk en in samenwerking met elkaar worden door het Dagelijks Bestuur in staat gesteld om alle informatie te verkrijgen die voor de wettelijke taakuitoefening nodig is, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 184 Gemeentewet.

HOOFDSTUK 11 AMBTELIJKE ORGANISATIE

De directeur publieke gezondheid

Artikel 28  

  • 1.

    Het openbaar lichaam heeft een directeur publieke gezondheid die onder verantwoordelijkheid van het Dagelijks Bestuur belast is met de algehele leiding van de het openbaar lichaam en zorg draagt voor een juiste taakvervulling door het openbaar lichaam.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur beslist over benoeming, schorsing en ontslag van de directeur in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio.

  • 3.

    Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur legt het Algemeen Bestuur vast in een instructie.

  • 4.

    De directeur publieke gezondheid staat de bestuursorganen en de commissies van het openbaar lichaam bij in de vervulling van hun taak en woont de vergaderingen van de bestuursorganen als adviseur bij. Hij kan medewerkers van het openbaar lichaam aanwijzen, die hem daarin bijstaan.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur wijst een waarnemer aan die de directeur publiek gezondheid vervangt bij ziekte of ontstentenis.

  • 6.

    De directeur publieke gezondheid is bestuurder inzake de WOR.

 

Organisatie

Artikel 29  

Het Dagelijks Bestuur regelt de taken, bevoegdheden en werkwijze van de ambtelijke organisatie en legt die vast in een organisatiebesluit.

Personeel

Artikel 30  

  • 1.

    Bij het openbaar lichaam is personeel werkzaam.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 28, tweede lid, geschiedt aanstelling, schorsing en ontslag van personeel door het Dagelijks Bestuur.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur kan de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden tot het aanstellen, schorsen en ontslaan van personeel van het openbaar lichaam mandateren aan de directeur publieke gezondheid met de bevoegdheid van ondermandaat aan leden van het Managementteam, tenzij het de controller en ambtenaren betreft die belast zijn met functies van leidinggevende aard die rechtstreeks onder de directeur ressorteren.

 

Rechtspositie

Artikel 31  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur stelt voor het personeel van het openbaar lichaam de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.

HOOFDSTUK 12 FINANCIELE BEPALINGEN

Financiële informatieplicht

Artikel 32  

Het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en het voorlopige jaarverslag aan de raden van de deelnemende gemeenten.

 

Begroting

Artikel 33  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting op van het openbaar lichaam overeenkomstig het bepaalde in artikel 186 tot en met 213 Gemeentewet, alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2.

    De ontwerpbegroting gaat vergezeld van een meerjarenraming en geeft inzicht in de kosten per pijler.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt, minimaal 8 weken voordat deze wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur, aan de raden van de deelnemende gemeenten gezonden om hen in de gelegenheid te stellen daarop hun zienswijze kenbaar te maken.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden.

  • 5.

    Het Dagelijks Bestuur stuurt de door het Algemeen Bestuur vastgestelde begroting vóór1 augustus van het jaar voorafgaand aan dat jaar waarvoor de begroting dient op aan het college van gedeputeerde staten.

  • 6.

    Op begrotingswijzigingen, die:

  • leiden tot aanpassingen in de inwonerbijdrage van gemeenten;

  • het Algemeen Bestuur om andere redenen aan de gemeenten wil voorleggen,

    is het bepaalde in het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

 

Rekening

Artikel 34  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur stelt elk jaar de ontwerp jaarrekening met een jaarverslag van het voorgaande jaar op.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast vóór 10 juli van het jaar volgend op het verslagjaar.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur stuurt de door het Algemeen Bestuur vastgestelde jaarrekening en jaarverslag vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de jaarrekening geldt op aan het college van gedeputeerde staten en aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur informeert de colleges tijdig over de gerealiseerde programmakosten en nadere informatie die noodzakelijk is voor de door de deelnemende gemeenten op te stellen jaarrekeningen.

 

Verdeling der kosten

Artikel 35  

  • 1.

    De kosten die verband houden met de taken zoals genoemd in artikel 4 worden bestreden uit:

  • a.

    inwonerbijdragen van de gemeenten voor het uitvoeren van de gezamenlijke taken;

  • b.

    algemene bijdragen van de gemeenten;

  • c.

    vergoeding van de gemeenten voor de uitvoering van de contracttaken;

  • d.

    vergoeding van niet deelnemende gemeenten en van derden voor de uitvoering van contracttaken;

  • e.

    rijksbijdragen;

  • f.

    overige inkomsten.

  • 2.

    De bijdragen van de deelnemende gemeenten als genoemd in het eerste lid, onder a, worden verdeeld naar rato van het aantal inwoners van iedere gemeente, per 1 januari van het direct voorafgaande kalenderjaar, overeenkomstig de aantallen zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek deze openbaar gemaakt heeft.Het Algemeen Bestuur kan besluiten in specifieke gevallen een uitzondering op het principe van verdeling naar inwoneraantal te maken. 

  • 3.

    De algemene bijdragen van gemeenten worden door het Algemeen Bestuur situationeel bepaald en met de betrokken gemeenten overeengekomen.

  • 4.

    De tarieven voor de vergoeding van uitvoering van contracttaken, als bedoeld in het eerste lid, onder c en d, worden vastgesteld door het Dagelijks Bestuur.

  • 5.

    De gemeenten betalen bij wijze van voorschot ieder kwartaal telkens een kwart van de verschuldigde jaarlijkse inwonerbijdrage en algemene bijdrage.

  • 6.

    Bij opzegging van de uitvoering van gezamenlijke taken of van langdurige contracttaken met een substantiële omvang, vergoedt de betrokken gemeente aan de GGD Brabant-Zuidoost het daaruit voortvloeiende financiële nadeel, zoals het Algemeen Bestuur dit situationeel vaststelt.

  • 7.

    Indien door het Dagelijks Bestuur besloten wordt tot het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst met een van de deelnemende gemeenten als bedoeld in artikel 5, vierde lid, dan geldt hierbij als uitgangspunt dat hiervoor door de betreffende gemeente enkel in rekening gebracht kunnen worden de toe te rekenen personeelskosten plus gemeentelijke overhead.

 

Verplichte uitgaven

Artikel 36  

Wanneer aan het Algemeen Bestuur blijkt dat de raad van een deelnemende gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 35, doet het Algemeen Bestuur aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot overeenkomstige toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet.

 

Financiële gegoedheid

Artikel 37  

  • 1.

    De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    Indien aan het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Algemeen Bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

  • 3.

    In geval van opheffing van het openbaar lichaam GGD-BZO zijn de deelnemende gemeenten gehouden alle financiële verplichtingen na te komen die voortvloeien uit het door het Algemeen Bestuur vastgestelde liquidatieplan als bedoeld in artikel 46.

 

Financiële voorschriften

Artikel 38  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

  • 2.

    Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over:

  • a.

    waardering en afschrijving van activa;

  • b.

    algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.

  • 3.

    Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

  • 4.

    Het Algemeen Bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 34 genoemde jaarrekening. Het hierover gestelde in artikel 213 van de gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het Algemeen Bestuur.

  • 6.

    Het openbaar lichaam verzekert zich tenminste tegen:

  • a.

    burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen;

  • b.

    wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade.

  • 7.

    Als de verzekering een voor rekening van het openbaar lichaam komende schade niet dekt wordt deze gedragen door het openbaar lichaam.

HOOFDSTUK 13 ARCHIEF

Archiefbescheiden

Artikel 39  

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Dit overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen regeling, de Archiefverordening, die aan het college van Gedeputeerde Staten moet worden medegedeeld.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur is tevens belast met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan het openbaar lichaam eventueel in de toekomst gedelegeerde taken.

  • 3.

    Voor de door deelnemende gemeenten gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten.

  • 4.

    Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de deelnemende gemeente(n).

  • 5.

    Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam is belast de streekarchivaris van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (RHCe).

  • 6.

    Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.

 

Archiefbewaarplaats

Artikel 40  

  • 1.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemende gemeente(n).

  • 2.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam is aangewezen de archiefbewaarplaats van het RHCe.

 

Ter beschikkingstelling archiefbescheiden

Artikel 41  

  • 1.

    Indien noodzakelijk voor de taakuitvoering van het openbaar lichaam, stellen de colleges van de deelnemende gemeenten, onder hen berustende archiefbescheiden ter beschikking.

  • 2.

    Terbeschikkingstelling geschiedt voor 5 jaar en kan, met telkens een aaneengesloten periode van maximaal 5 jaar, worden verlengd tot ten hoogste 20 jaar.

  • 3.

    Van de terbeschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste bevat een specificatie van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden. Een exemplaar van deze verklaring wordt bewaard door het overheidsorgaan waaronder de archiefbescheiden zouden berusten, indien zij niet ter beschikking waren gesteld.

  • 4.

    Het openbaar lichaam, dat de archiefbescheiden tot zijn beschikking krijgt, brengt slechts wijzigingen aan in de staat van ordening en toegankelijkheid van en vernietigt slechts uit de bescheiden na machtiging door het ter beschikking stellende overheidsorgaan.

  • 5.

    De kosten van het beheer van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden komen ten laste van het openbaar lichaam, dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gekregen. De zorgdrager voor de archiefbescheiden van het overheidsorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle andere aangelegenheden de zorgdrager voor de archiefbescheiden.

  • 6.

    Indien de ordening van de in het tweede lid bedoelde archiefbescheiden zich verzet tegen terbeschikkingstelling, is het openbaar lichaam te allen tijde bevoegd inzage te nemen van die archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen.

  • 7.

    Ten aanzien van de terbeschikkingstelling gelden de volgende nadere voorwaarden:

  • a.

    De ter beschikking gestelde archiefbescheiden worden door het openbaar lichaam in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard;

  • b.

    Uitlening van terbeschikkinggestelde archiefbescheiden is slechts toegestaan aan functionarissen binnen het openbaar lichaam die ambtelijk zijn belast met behandeling van een aangelegenheid waarvoor uitlening noodzakelijk is.

HOOFDSTUK 14 EVALUATIE

Artikel 42  

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur evalueert in het derde jaar van iedere bestuursperiode het functioneren van het openbaar lichaam en de dienstverlening aan de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur rapporteert aan de colleges het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies.

HOOFDSTUK 15 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, OPHEFFING

Toetreding

Artikel 43  

  • 1.

    Toetreding van een college tot de gemeenschappelijke regeling vindt slechts plaats naar aanleiding van de indeling van regio’s als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s of in geval van een samenvoeging van twee of meer regio’s .

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan hier nadere voorwaarden aan verbinden.

  • 3.

    Tenzij bij of krachtens enig wettelijk voorschrift anders is bepaald, vindt toetreding plaats met ingang van 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de voor toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden, het college van de toetredende gemeente daartoe heeft besloten en voldoet aan de eventueel door het Algemeen Bestuur aan de toetreding verbonden voorwaarden.

 

Uittreding

Artikel 44  

Op uittreding van een college uit de gemeenschappelijke regeling is artikel 43 van overeenkomstige toepassing.

 

Wijziging

Artikel 45  

  • 1.

    Een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling kan worden gedaan door het Algemeen Bestuur of door de colleges van ten minste zeven van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    De gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd indien de colleges van de deelnemende gemeenten daartoe, met toestemming van de raden, eensluidend besluiten.

 

Opheffing

Artikel 46  

  • 1.

    De gemeenschappelijke regeling kan slechts worden opgeheven voor zover de Wet publieke gezondheid hier niet aan in de weg staat.

    Een besluit tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt niet genomen voordat de colleges van alle deelnemende gemeenten na verkregen toestemming van de raden daarmee hebben ingestemd.

  • 2.

    Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en treft daarvoor de nodige afspraken. Bij dat besluit kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

  • 3.

    Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. Voor zover mogelijk wordt het liquidatieplan gelijktijdig met het voorstel tot opheffing, aan de bestuursorganen van de deelnemende gemeenten voor inspraak respectievelijk ter besluitvorming voorgelegd.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel.

  • 5.

    Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van het openbaar lichaam.

  • 6.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 7.

    De organen van het openbaar lichaam blijven ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid.

HOOFDSTUK 16 GESCHILLEN, KLACHTEN

Geschillen

Artikel 47  

  • 1.

    Voordat over een geschil, als bedoeld in artikel 28 van de wet, de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het Algemeen Bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De commissie, genoemd in lid 1 wordt als volgt samengesteld:

  • a.

    één lid aan te wijzen door de colleges van de deelnemende gemeenten die in geschil zijn;

  • b.

    één lid, aan te wijzen door het Algemeen Bestuur;

  • c.

    één lid, aan te wijzen door de leden, bedoeld onder a. en b., met dien verstande, dat bij het ontbreken van overeenstemming tussen hen gedeputeerde staten dat lid aanwijzen.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden om partijen tot overeenstemming te brengen.

 

Klachten

Artikel 48  

  • 1.

    Voor de behandeling van klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt door het Algemeen Bestuur een voorziening getroffen.

  • 2.

    Voor de behandeling van klachten in tweede aanleg, als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht, kan het Algemeen Bestuur een voorziening treffen. Bij gebreke daaraan is de Nationale ombudsman bevoegd.

HOOFDSTUK 17 SLOTBEPALINGEN

Inwerkingtreding

Artikel 49  

Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking met ingang van 1 januari 202. De bekendmaking van deze regeling geschiedt door het college van de gemeente Eindhoven.

 

Toezending

Artikel 50  

De bij de wet voorgeschreven toezending van de wijziging van deze regeling aan gedeputeerde staten geschiedt door het college van de gemeente Eindhoven.

 

Aanhaling

Artikel 51  

Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost”.

 

 

Vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-de Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre.

 

 

 

Gemeenschappelijke regeling GGD Brabant-Zuidoost - toelichting

De Wet publieke gezondheid (Wpg) verplicht de colleges van gemeenten die samen een Veiligheidsregio vormen, een gezondheidsdienst in te stellen en in stand te houden voor de uitvoering van taken genoemd in die wet. De colleges hebben daarbij geen vrijheid in de keuze voor de rechtsvorm. De Wpg stelt het verplicht een gemeenschappelijke regeling te treffen waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld.

De functies van de GGD - preventie en acute zorg - zijn bij uitstek overheidstaken, uit te voeren door de gemeentelijke gezondheidsdienst.

De gemeente formuleert zijn gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dat kader aan. De GGD moet dan ook genoeg keuzevrijheid bieden en voldoende flexibel zijn om aan te sluiten op de lokale wensen. Maar hij moet ook bedrijfsmatig optimaal kunnen opereren om daarmee de risico's voor de gemeenten te minimaliseren.

De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn dan ook:

  • gemeenten hebben een regierol. Daarnaast moeten zij de GGD zo nodig direct kunnen inzetten;

  • er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD zowel individueel als gezamenlijk aan te sturen;

  • de GGD functioneert binnen de (gemeentelijke) kaders als een zelfstandige, professionele organisatie;

  • gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert.

Van belang is dat de GGD een slagvaardige bedrijfsvoering kan voeren, die leidt tot het behalen van de door de gemeenten geformuleerde doelen. Daarbij kunnen de gemeenten inhoudelijke kaders stellen en op afstand toezicht houden op het beheer van de GGD.

Het Algemeen Bestuur richt zich vooral op de beleidskaders, de begroting en de rekening. Het Dagelijks Bestuur richt zich vooral op het toezicht op de directie.

In het najaar van 2015 is de Gemeenschappelijke regeling van de GGD Brabant Zuidoost grondig gewijzigd. Aanleiding voor het in procedure brengen van deze wijziging is voornamelijk een herziening van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In deze wet zijn per 1 januari 2014 enige duale elementen in de van oorsprong monistische verhouding tussen Dagelijks Bestuur en Algemeen Bestuur doorgevoerd. Ook is de positie van de gemeenteraden/staten ten opzichte van het bestuur van het openbaar lichaam versterkt.

De duale elementen vindt u terug in het opnemen van eigen bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur van de GGD in artikel 16 van de GR en in het vestigen van een actieve informatieplicht van leden van het Dagelijks Bestuur richting het Algemeen Bestuur in artikel 24. Ook het Algemeen Bestuur zelf heeft meer explicietere bevoegdheden gekregen.

De versterkte rol van de gemeenteraden komt tot uitdrukking in een uitgebreide inlichtingenplicht van het bestuur van het openbaarlichaam richting GS/colleges en staten/raden. De verantwoording die een lid van het Algemeen Bestuur aan het bestuursorgaan dat hem heeft aangewezen, dient af te leggen, kan in het uiterste geval bovendien resulteren in een ontslag als lid. Ook dat is nieuw in de GR.

Een ander instrument dat geïntroduceerd wordt in de GR om de positie van de raden bij de besluitvorming door het openbaar lichaam, te verstevigen is de voorhangprocedure. Bij dossiers die de kwalificatie majeur verdienen, bijvoorbeeld omdat er politieke implicaties aan verbonden zijn, kan het Algemeen Bestuur ervoor kiezen eerst het gevoelen van de raden/staten in te winnen voordat zij daarover een besluit neemt. Deze procedurestap is in ieder geval al verplicht bij het oprichten of deelnemen in privaatrechtelijke rechtspersonen door het openbaar lichaam en bij het instellen van een bestuurscommissie.

Tot slot is de invloed van de raden op het functioneren van het openbaar lichaam vergroot door een evaluatiebepaling in de Gr op te nemen. Het Algemeen Bestuur zal aan de hand van de reguliere planning en control cyclus nadrukkelijker dan nu het geval is het resultaat van uitgevoerde evaluaties rapporteren aan de deelnemers.

De overige wijzigingen van de GR dragen een min of meer technisch karakter. Deze wijzigingen zijn ook terug te vinden in de GR van andere openbare lichamen waaraan de colleges/raden deelnemen en die onlangs zijn gewijzigd. Wij noemen de GR van de Metropoolregio Eindhoven, de Veiligheidsregio en, in kleiner verband, van Peel 6.1.

De GR van de GGD is gemodelleerd naar de voorbeelden van die uitvoeringsorganisaties. Achterliggende gedachte daarbij is dat een eenduidige redactie van complexe regelingen zoals die van een openbaar lichaam bijdraagt aan een beter begrip van dit soort verbonden partijen.

De gelegenheid is tot slot te baat genomen om enige overige wetstechnische onvolkomenheden te herstellen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Algemeen

Het openbaar lichaam GGD heeft rechtspersoonlijkheid en kan uit dien hoofde zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen. Artikel 10 lid 3 Wgr. bepaalt dat in de regeling de vestigingsplaats benoemd moet worden. Het betreft de statutaire vestigingsplaats van het openbaar lichaam. Dit is onder meer van belang voor de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Artikel 3 Belang en doel

Doel, belang en taken van de GGD dienen in de GR beschreven te worden. De Wet GR laat gemeenten vrij hoe zij dat doen. Er geldt ingevolge de Wgr. slechts één beperking: het openbaar lichaam kan niet zelf besluiten om de taken en bevoegdheden uit te breiden. Hier moet dus altijd een besluit van de deelnemers aan ten grondslag liggen.

Het is belangrijk dat de omschrijving van doel en belang en taken afdekt waarvoor men de GGD in stand houdt en dat de omschrijving robuust is, d.w.z. dat de beschrijving enige jaren meekan.

Een te algemene beschrijving geeft te weinig sturing, daarentegen is het nadeel van een te concrete beschrijving dat de GR voortdurend moet worden aangepast door verandering in de werkelijkheid. Het gaat om het vinden van een goede balans.

Over het algemeen is er draagvlak voor het algemene doel van de GGD: een bijdrage te leveren aan de publieke gezondheidszorg en de ambulancezorg. Dit laatst genoemde doel is in het najaar van 2015 toegevoegd aan de algemene doelomschrijving. De deelnemers hebben hierover consensus bereikt. Het betreft de uitvoering van de ambulancedienst. Vergunninghouder is de Veiligheidsregio. Die organisatie is (bestuurlijk) verantwoordelijk voor het naleven van de vergunningvoorschriften. De onderlinge verhouding tussen GGD en Veiligheidsregio inzake de ambulancezorg is vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst. De vergunning expireert in 2018 af. Dan zal de situatie opnieuw worden bezien.

Het belang van de GGD kan worden gezien in het bundelen en beschikbaar stellen van (deskundige) menskracht en middelen om de doelstelling te realiseren.

Artikel 4 Taken

Bij de omschrijving van de taken is een onderscheid gemaakt in gezamenlijke taken en contracttaken. Gezamenlijke taken worden zoals het bijvoeglijk naamwoord al suggereert uitgevoerd voor alle deelnemers. In het eerste lid van artikel 4 worden de gezamenlijke taken onderverdeeld in drie categorieën:

  • 1.

    gemeentelijke taken die ingevolge de Wpg verplicht aan de GGD belegd dienen te worden;

  • 2.

    taken die op grond van andere, sectorale wetgeving, aan de GGD zijn toevertrouwd;

  • 3.

    aan gemeenten wettelijk voorgeschreven taken ten aanzien waarvan de deelnemers besloten hebben die aan de GGD op te dragen. Zij passen binnen de doelomschrijving van artikel 3.

De gezamenlijke taken worden overwegend gefinancierd uit de jaarlijkse inwonerbijdrage van de deelnemers en voorts uit algemene bijdragen en rijksbijdragen.

Naast de gezamenlijke taken voert de GGD op contractbasis andere taken uit voor de deelnemers. De taken dienen te passen binnen de algemene doelomschrijving van de GGD.

De afname van contracttaken is vrijwillig en deze worden individueel door de afnemende gemeenten gefinancierd. Het onderscheid in gezamenlijke taken en contracttaken is ook relevant voor de afspraken die men wil maken over het dragen van financiële risico’s en het dragen van frictiekosten. Als voorbeeld van een contracttaak kan worden genoemd het houden van toezicht op uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning door de Peelgemeenten.

Het is de GGD ook toegestaan contracten af te sluiten met niet deelnemende gemeenten of met derden over het uitvoeren van taken die passen binnen de doelstelling van de GGD.

Een voorwaarde voor het accepteren van contracttaken ten behoeve van niet deelnemers is dat de dienstverlening aan derde partijen niet ten koste mag gaan van de dienstverlening aan de vaste deelnemers.

Zo mag de GGD de taken alleen uitvoeren indien dat voor de deelnemers geen nadelige financiële consequenties heeft. Het spreekt voor zich dat in voorkomende gevallen ook rekening dient te worden gehouden met aanbestedingswetgeving.

In het derde lid is zeker gesteld dat de GGD niet eigenstandig het (gezamenlijke) takenpakket kan wijzigen. Hier dient besluitvorming van de deelnemers onder te liggen, in de vorm van een wijziging van de Gemeenschappelijke regeling. Voor die wijziging hebben de deelnemers toestemming nodig van hun raad.

In het vierde lid is tot slot vastgelegd dat bij de uitvoering van de (gezamenlijke) taken ruimte is voor maatwerk. De intensiteit van afname van gezamenlijke taken kan per deelnemer verschillen. Dit is mede afhankelijk van incidenten, door de GGD gepresenteerde keuze in het aanbod e.d.

Artikel 5 Bevoegdheden

In dit artikel is een algemene bevoegdheidsomschrijving gegeven. Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regeling is een verwijzing naar de oude Gemeentewet, dat wil zeggen de Gemeentewet zoals die gold voor 8 maart 2002, toen het duale stelsel werd ingevoerd, niet langer nodig. Om die reden keert artikel 33 niet meer terug in de Wgr. Die wet kent nu min of meer een eigen verdeling van bevoegdheden over de bestuursorganen van het openbaar lichaam. Gehandhaafd is de bepaling dat in de Gr beperkingen kunnen worden gesteld aan bevoegdheden die de deelnemers overdragen aan het openbaar lichaam. Het eerste lid van artikel 5 geeft daar uitvoering aan. De GGD heeft geen verordende bevoegdheid, behalve als het gaat om aangelegenheden die de eigen bedrijfsvoering betreffen. Voorbeelden zijn een archiefverordening of een regeling voor de rechtspositie van het personeel. Voor het overige is de GGD een uitvoerende dienst, waaraan alleen collegebevoegdheden kunnen worden toegekend. In de sporadische gevallen dat de GGD rechtens bindende besluiten moet nemen, doet zij dat, voor zover het gemeentelijke taken betreft, op basis van een expliciet mandaatbesluit. Dat is geregeld in het vijfde lid.

De leden 2 tot en met 3 benoemen een aantal die ingevolge de Wgr. aan het Algemeen Bestuur van een openbaar lichaam toevertrouwd kunnen worden indien de Gr die mogelijkheid biedt. Het vierde lid stelt zeker dat aan het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid toekomt om met andere publiekrechtelijke rechtspersonen een overeenkomst af te sluiten over het over en weer inzetten van personeel voor uitvoering van de zogenaamde PIOFRA-taken. De GGD kan mede op deze wijze voldoen aan de wens van de gemeenten om de ambtelijke organisatie volgens het ‘lean and mean’ principe in te richten.

Speciale vermelding verdient het uitvoeren van taken door de GGD op het gebied van leerplicht en voortijdig schoolverlaten. De colleges van de gemeenten hebben met toestemming van hun raden besloten deze taken over te dragen aan het Dagelijks Bestuur van de GGD.

De gemeenschappelijke regeling is met het oog hierop in 2017 voor een derde maal gewijzigd. In tegenstelling tot de taken die de GGD uitvoert op grond van artikel 4, eerste lid, onder a tot en met d, en het tweede lid, van de gemeenschappelijke regeling, is in dit geval sprake van taakoverdracht, dus van delegatie. De colleges hebben aan het Dagelijks Bestuur van de GGD al hun bevoegdheden overgedragen die hen op grond van de Leerplichtwet, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra. Concreet komt die overdracht neer op het uitvoeren van de volgende taken:

  • a.

    Het bespreken met de colleges van aangelegenheden die de coördinatie, planning en uitvoering van de taken op het gebied van de leerplichten voortijdig schoolverlaten betreffen;

  • b.

    Het uitoefenen van de bevoegdheden die de colleges toekomen op grond van de leerplichtwet, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra;

  • c.

    Alle voorbereidings- en uitvoeringshandelingen die met de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld onder b, gepaard gaan.

Meest in het oog springende handeling is het aanbesteden en inkopen van een geautomatiseerd systeem waarin de gegevens worden geregistreerd en geraadpleegd, als bedoeld in de Leerplichtwet en de overige genoemde wetten.

Artikel 6 Organen

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 7 Samenstelling Algemeen Bestuur

Onderwerp van deze gemeenschappelijke regeling is de uitoefening van collegebevoegdheden. Op grond van artikel 13 zesde lid Wgr. kunnen alleen leden van het college van burgemeester en wethouders lid zijn van het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam.

Elk college kan een lid voor het Algemeen Bestuur aanwijzen. Ook dient er per gemeente een plaatsvervangend lid aangewezen te worden. Op deze manier is men steeds verzekerd van de bestuurlijke betrokkenheid van de deelnemende gemeente bij het bestuur over het openbaar lichaam.

Artikel 8 Werkwijze Algemeen Bestuur

In artikel 22, eerste lid van de Wgr. is geregeld dat het Algemeen Bestuur een reglement van orde vaststelt. In het reglement van orde worden minimaal regels opgenomen met betrekking tot:

  • vaststellen vergaderschema;

  • opstellen agenda, uitnodiging c.q. kennisgeving vergadering en verslaglegging;

  • wijze van behandeling van voorstellen en besluitvorming;

  • handhaving van de orde tijdens de vergadering;

  • besloten- c.q. openheid van vergadering. In beginsel zijn de vergaderingen openbaar.

Onder voorwaarden kan besloten worden tot een besloten vergadering. De onderwerpen waarover niet in een besloten vergadering kan worden beraadslaagd of besloten, zijn limitatief opgesomd in het vierde lid.

De verwijzing naar de artikelen uit de Gemeentewet hebben betrekking op het functioneren van de gemeenteraad (b.v. ordehandhaving, onthouden van deelname aan stemmingen). In de Wgr. wordt de gemeenteraad gelijk gesteld aan het Algemeen Bestuur.

De vergaderfrequentie van het Algemeen Bestuur is gebonden aan het wettelijke minimum van twee keer per jaar. Bij die gelegenheden wordt over de begroting respectievelijk jaarrekening beraadslaagd. Het tweede lid kent een procedure voor het houden van meer vergaderingen. Doorgaans zal het bijeenroepen van het Algemeen Bestuur op instigatie van het Dagelijks Bestuur gebeuren.

Artikel 9 Besluitvorming

Het Algemeen Bestuur bestaat uit 21 leden. Dat is inclusief de stemmen van het Dagelijks Bestuur. Ingevolge de monistische opzet van de Wgr, behoren de leden van het Dagelijks Bestuur tot het Algemeen Bestuur.

Bij de besluitvorming geldt het principe van ‘one man one vote’. Uitzondering hierop is de besluitvorming over de begroting, begrotingswijzigingen en jaarrekening. Over die dossiers beslist het Algemeen Bestuur met gewogen stemmen.

Artikel 10 Bevoegdheden

In artikel 33 Wgr is bepaald dat de bevoegdheden bij de regeling worden overgedragen aan het Algemeen Bestuur tenzij bij de wet of in de regeling anders is bepaald. In artikel 33b van de Wgr zijn bevoegdheden opgesomd die in elk geval behoren bij het Dagelijks Bestuur. Met het toekennen van eigen bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur is een duaal element in de onderlinge verhouding van het geleed bestuur van een openbaar lichaam toegevoegd. Bij het toekennen van bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur heeft de wetgever zoveel mogelijk aangesloten bij de collegebevoegdheden zoals die zijn omschreven in artikel 160, van de Gemeentewet. Zo is het Dagelijks Bestuur nu bevoegd om regels te stellen over de organisatie van het openbaar lichaam en over de rechtspositie van de eigen medewerkers. Voorheen lagen die bevoegdheden bij het Algemeen Bestuur.

Artikel 11 Geheimhouding

Bepaling is gelijk aan bepalingen uit de Gemeentewet die gelden voor raadsvergaderingen (artikel 25, van de Gemeentewet).

Artikel 12 Samenstelling Dagelijks Bestuur

De gemeenten Eindhoven en Helmond hebben volgens gewoonterecht standaard een vertegenwoordiger in het Dagelijks Bestuur. Daarnaast heeft het Algemeen Bestuur ervoor gekozen dat de volgende clusters van gemeenten een vertegenwoordiger in het Dagelijks Bestuur hebben: De Peel, De Kempen, A2-gemeenten, Dommelvallei Plus en het cluster Best-Oirschot-Veldhoven.

Op grond van artikel 14 derde lid Wgr mogen de leden van het Dagelijks Bestuur nimmer de meerderheid uit maken in het Algemeen Bestuur. Met deze bepaling is uitdrukkelijk rekening gehouden bij de samenstelling van het Dagelijks bestuur en bij het toebedelen van stemgewicht. De ratio van deze bepaling is dat de verantwoordingsplicht van het Dagelijks Bestuur aan het Algemeen Bestuur anders volkomen illusoir zou worden.

Artikel 13 Taak Dagelijks Bestuur

Naast de vaste portefeuilles van voorzitter en plaatsvervangend-voorzitter is er tenminste een portefeuillehouder financiën. Daarnaast kunnen er meer portefeuilles worden gevormd. Combinatie van portefeuilles is mogelijk.

Artikel 14 Bevoegdheden Dagelijks Bestuur

Dit artikel behoeft door de letterlijke vertaling van de wettelijke bepalingen ter zake geen toelichting. Verwezen wordt naar het gestelde bij artikel 10.

Artikel 15 Vergaderingen Dagelijks Bestuur

De bepalingen in de Gemeentewet betrekking hebbende op stemmingen en het functioneren van het college van burgemeester en wethouders zijn van overeenkomstige toepassing.

De vergadering van het Dagelijks Bestuur vinden plaats achter gesloten deuren.

Het Dagelijks Bestuur stelt een regelement van orde op dat aan het Algemeen Bestuur wordt toegezonden.

Artikel 16 Geheimhouding

Identiek aan het gestelde onder artikel 11, met dien verstande dat de bepaling een analoge toepassing is van artikel 55, van de Gemeentewet.

Artikel 17 Voorzitter, plaatsvervangend-voorzitter

De voorzitter wordt door en uit het Algemeen Bestuur aangewezen op grond van het bepaalde in artikel 13 negende lid Wgr. Het aanwijzen van een externe voorzitter is onder vigeur van de gewijzigde WGR niet langer mogelijk. De voorzitter van het Algemeen Bestuur is tevens voorzitter van het Dagelijks Bestuur (artikel 13 lid 9 juncto artikel 14 lid 1 Wgr). Vervanging geschiedt door en uit het Algemeen Bestuur.

Artikel 18 Secretaris

Uitgegaan wordt van de situatie dat het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur worden bijgestaan door een bestuurlijk secretaris met als aandachtsgebied de bewaking van de bestuurlijke, juridische en financiële kaders waarbinnen het openbaar lichaam moet functioneren. De secretaris is afkomstig van een van de deelnemende gemeente en maakt deel uit van het Dagelijks Bestuur.

De secretaris ondertekent mede de stukken die van het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur uitgaan.

Artikel 19 Bestuurscommissies

Omwille van korte heldere bestuurlijke lijnen dient terughoudend omgegaan te worden met het instellen van het zware instrument van bestuurscommissies. Voor de volledigheid is deze optie toch in de regeling opgenomen

Het Algemeen Bestuur dient ingevolge artikel 25 eerste lid Wgr het voornemen om een functionele bestuurscommissie in het leven te roepen te melden bij de raden van de deelnemende gemeenten en hen in de gelegenheid stellen hun wensen en bedenkingen ter kennis te brengen van het Algemeen Bestuur.

Artikel 20 Commissies van advies

Raadsleden kunnen in een collegeregeling geen lid zijn van een adviescommissie. De instelling van vaste commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur en aan de voorzitter geschiedt door het Algemeen Bestuur. Andere commissies van advies aan het Dagelijks Bestuur of de voorzitter worden ingesteld door het Dagelijks Bestuur respectievelijk de voorzitter.

Artikel 21 Werkgroepen, overlegvormen

Het gaat hier om informele overlegvormen, die als zodanig niet zijn benoemd in de Gemeentewet. Genoemde overlegvormen kunnen een rol spelen bij de beleidsvoorbereiding of beleidsuitvoering. Bekend voorbeeld zijn de portefeuillehouders overleggen.

Artikel 22 Tegemoetkoming

Uitgangspunt is dat zo min mogelijk bestuurskosten ten laste van het openbaar lichaam worden gebracht. Denkbaar is dat in incidenteel gevallen een uitzondering gemaakt moet worden op deze hoofdregel. In een op te stellen verordening zal dit uitgewerkt moeten worden.

Artikel 23 Voorhangprocedure

De gemeenschappelijke regeling is een collegeregeling. Bewust is er voor gekozen om geen bevoegdheden van de gemeenteraden in te brengen.

Om de inhoudelijke betrokkenheid van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten te borgen is een voorhangprocedure opgenomen met betrekking tot dossiers die het predicaat majeur verdienen. Het gaat dan over dossiers met een grote politieke of bestuurlijke impact. Te denken valt aan een andere opzet van de financiële of bestuurlijke structuur van de GGD. Voor zover die binnen de grenzen van de Gemeenschappelijke regeling gewijzigd kunnen worden, verdient het aanbeveling dat de colleges vooraf het gevoelen van hun gemeenteraad inwinnen alvorens daarover een besluit in het Algemeen Bestuur te nemen. Het blijft een kwestie van inschatting in hoeverre een dossier gekwalificeerd moet worden als majeur. Bedacht dient te worden dat een wijziging van de Gemeenschappelijke regeling in ieder geval al onderhevig is aan het toestemmingsvereiste van de lokale raden en dat die regeling al een uitgebreide inspraakprocedure kent voor met name genoemde dossiers. Te noemen valt de vaststelling van de jaarlijkse begroting, deelname aan privaatrechtelijke rechtspersonen en het instellen van een bestuurscommissie.

Er is afgezien van het creëren van een afzonderlijke procedure voor het bestempelen van een dossier als ‘majeur’. Het is het Algemeen Bestuur dat hierover met gewone meerderheid beslist.

Artikel 24 Interne inlichtingenplicht en verantwoordingsplicht lid Dagelijks Bestuur

De artikelen 24 tot en met 26 zijn aangepast als gevolg van de wijziging van de Wgr per 1 januari 2015. Artikel 24 verwijst naar artikel 19a Wgr. Het geeft de verhouding weer zoals die ook geldt tussen college en raad. Nieuw is het opnemen van een actieve inlichtingenplicht van Dagelijks Bestuur naar Algemeen Bestuur in de Wgr. In de Gr van de GGD was deze inlichtingenplicht al opgenomen in artikel 17, tweede lid. Wel nieuw in de Gr is dat het Algemeen Bestuur een lid van het Dagelijks Bestuur ontslag kan verlenen indien dat lid niet langer het vertrouwen heeft van dat Algemeen Bestuur. Ook deze mogelijkheid vloeit voort uit de wijziging van de Wgr.

Artikel 25 Externe inlichtingenplicht

Artikel 24 spiegelt met artikel 17 van de Wgr. De externe inlichtingenplicht betreft het Dagelijks Bestuur het Algemeen Bestuur en de voorzitter als bestuursorganen. Zij verschaffen de deelnemers en de raden de door die bestuursorganen gevraagde inlichtingen. Een zelfde externe verplichting heeft het lid van het Algemeen Bestuur jegens het college dat hem heeft aangewezen en jegens de raad van de gemeente waar hij lid van het college is.

Artikel 26 Externe verantwoordingsplicht

Dit artikel spiegelt met artikel 16 Wgr, dat ingevolge artikel 18 Wgr eveneens van toepassing is op collegeregelingen. De verantwoordingsplicht kan naar zijn aard alleen betrekking hebben op afzonderlijke leden van het Algemeen Bestuur jegens het ‘eigen’ college of de raad. Het Algemeen Bestuur als zodanig legt geen verantwoording af aan de deelnemers en raden. Dit heeft te maken met de autonome positie van het Algemeen Bestuur. Zij neemt in staatsrechtelijk opzicht een eigen positie in en is niet ondergeschikt aan de deelnemers en raden.

Artikel 27 Informatieplicht rekenkamer(commissies) en accountant

Door expliciete vermelding van deze medewerkingsplicht kunnen de lokale reken(commissies) hun onderzoeksterrein uitbreiden naar het openbaar lichaam. Zij ontlenen hun bevoegdheid daartoe aan de Gemeentewet, in het bijzonder aan de artikelen 184, lid 1, onder a. Het is het openbaar lichaam, niet toegestaan een eigen rekenkamer(commissie) in te stellen. De Wgr kent die mogelijkheid niet.

Artikel 28 De directeur publieke gezondheid

De Wpg bepaalt dat aan de leiding van de GGD een directeur publieke gezondheid staat. De Wgr bepaalt voorts dat het Algemeen Bestuur de directeur benoemt. Zij kan die bevoegdheid niet overdragen aan bijvoorbeeld het Dagelijks Bestuur. Bij de benoeming betrekt het Algemeen Bestuur, het bestuur van de Veiligheidsregio, aangezien de directeur publieke gezondheid ook het GHOR-bureau functioneel aanstuurt. De Wgr spreekt over overeenstemming. Dit impliceert dat de Veiligheidsregio dient in te stemmen met de benoeming.

Artikel 29 Organisatie

Het stellen van regels over de organisatie was voor de wetswijziging voorbehouden aan het Algemeen Bestuur. Sinds 1 januari 2015 is deze bevoegdheid overgeheveld naar het Dagelijks Bestuur. Om die reden spreken we niet meer van een organisatieverordening, maar van een organisatiebesluit.

Artikel 30 Personeel

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 31 Rechtspositie

Ook het stellen van regels over de rechtspositie van het personeel van de GGD is sinds 1 januari 2015 een bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur. In de Gr is alleen vastgelegd dat de CAR/UWO van toepassing is op het ambtelijk personeel. De rechtspositie van het personeel volgt dus die van ambtenaren van de gemeentelijke overheid.

Artikel 32 Financiële informatieplicht

Dit artikel vloeit voort uit het bepaalde in artikel 34b Wgr. Hoewel hier sprake is van een nieuwe wettelijke bepaling, geven vele gemeenschappelijke regelingen hier al langer uitvoering aan, bijvoorbeeld in de vorm van het aanbieden van een werkprogramma met financiële doorvertaling.

Artikel 33 Begroting

De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn ook van toepassing verklaard op de gemeenschappelijke regelingen. Ook het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is van toepassing. De ontwerpbegroting wordt zodanig ingericht dat daaruit blijkt welke kosten met welke producten verband houden.

Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting minimaal acht weken voordat zij wordt vastgesteld toe aan de colleges van de deelnemende gemeenten conform het bepaalde in artikel 35 Wgr. Binnen die periode zijn de colleges in de gelegenheid het gevoel van de gemeenteraad in te winnen.

Het Dagelijks Bestuur stuurt de vastgestelde begroting toe aan gedeputeerde staten vóór 1 augustus in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient. Voorheen was dat 15 juli.

De termijn waarop de begroting uiterlijk moet zijn vastgesteld door het Algemeen Bestuur stelt gemeenten in staat de uitgaven die gemoeid zijn met het openbaar lichaam in de eigen begroting te verwerken. Het gaat immers om verplichte uitgaven ex artikel 193 Gemeentewet.

Weergegeven in een tijdschema ziet een en ander er jaarlijks als volgt uit:

Artikel 34 Rekening

Het Algemeen Bestuur stelt de rekening vast vóór 10 juli in het jaar volgend op het jaar waarop deze rekening betrekking heeft. De jaarrekening wordt na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van Noord-Brabant en aan de colleges van de deelnemende gemeenten gezonden.

Artikel 35 Verdeling der kosten

De Algemene bijdragen vloeien voort uit specifieke afspraken met één of meerdere gemeenten en die zij ieder jaar aan de GGD betalen. Te noemen vallen onder meer:

  • bij de fusie is overeengekomen dat de gemeente Eindhoven de kosten van de uitloopschaal van medewerkers die van de GGD Eindhoven in de fusie zijn ingebracht zal blijven betalen. Dat wordt jaarlijks berekend en door Eindhoven betaald;

  • gemeenten bepalen zelf hoe zij de onderzoeklocaties voor JGZ willen organiseren. De ene gemeente regelt en betaalt dat helemaal zelf en de ander laat dat aan de GGD over en vergoedt de kosten dan aan de GGD;

  • frictie-/sociaal statuutkosten agv de fusie in 1996 worden door de voormalige GGDZOB- gemeenten (allen m.u.v. Eindhoven) vergoed o.b.v. inwoneraantallen;

  • frictiekosten miv 2013 veroorzaakt door forse vermindering van de contracttaken door Eindhoven, worden o.b.v. afrekening door Eindhoven vergoed.

Over frictiekosten kan nog het volgende worden vermeld. Frictiekosten voor gemeenten hebben zich tot nu toe altijd alleen maar voor gedaan als een langjarige/structurele opdracht van ‘enige omvang’ beëindigd wordt, met name omdat daar vaak vast personeel met specifieke kennis op is ingezet die je niet zo gemakkelijk kunt herplaatsen.

Of er sprake is van frictiekosten en hoeverre die voor rekening van de betreffende gemeenten komen, zal voorafgaand aan de taakbehartiging situationeel/afhankelijk van de omstandigheden door het AB worden bepaald. Relevante omstandigheden zijn de situatie op de arbeidsmarkt, krijgt de GGD tegelijkertijd nieuwe opdrachten, worden er tegelijkertijd meerdere opdrachten beëindigd?

Artikel 36 Verplichte uitgaven

De kosten voortvloeiend uit deelname aan een gemeenschappelijke regeling zijn voor de deelnemers verplichte uitgaven als bedoeld in artikel 193 Gemeentewet. Als de gemeenteraad deze kosten niet opvoert als uitgaven in de programmabegroting gebeurt dat door gedeputeerde staten. Deelname aan het openbaar lichaam is daarom geen vrijblijvende aangelegenheid. De deelnemende gemeenten zijn samen en ieder voor zich verantwoordelijk voor het openbaar lichaam GGD.

Artikel 37 Financiële gegoedheid

Het openbaar lichaam zal bancaire relaties moeten aangaan. Deze bepaling is op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten opgenomen. De bank verkrijgt hiermee de zekerheid dat het openbaar lichaam alle maatregelen zal nemen om de gemeenten aan hun verplichtingen te laten voldoen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in een circulaire uit 1999 aangedrongen op het opnemen van deze bepaling in gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 38 Financiële voorschriften

De verordenende bevoegdheid als genoemd in dit artikel wordt ontleend aan de Gemeentewet hoofdstuk XIV-artikelen 212 en 213. In artikel 4 tweede lid van de regeling is deze verordende bevoegdheid van het Algemeen Bestuur exclusief benoemd.

Artikel 39 Archiefbescheiden

Gekozen is voor een ruime formulering. De zorg voor archiefbescheiden die voortvloeien uit door gemeenten gemandateerde taken blijft berusten bij die gemeenten. Dat wordt anders als in de toekomst eventueel besloten wordt taken over te dragen (delegeren). In dat laatste geval wordt de zorg voor die archiefbescheiden ook een verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam.

Het openbaar lichaam is voor het overige belast met de zorg voor de eigen archiefbescheiden. Het Algemeen Bestuur stelt hiervoor een archiefverordening vast. De uitwerking daarvan wordt overgelaten aan het Dagelijks Bestuur die op haar beurt Nadere regels kan vaststellen.

Artikel 40 Archiefbewaarplaats

Momenteel hebben alle gemeenten, met uitzondering van Gemert-Bakel, het Regionaal Historisch centrum Eindhoven (RHcE) aangewezen als archiefbewaarplaats. Dat is verankerd in de Regeling Metropoolregio Eindhoven 2005 en de Archiefverordening Streekarchief 1996. Alleen de gemeente Gemert-Bakel heeft een eigen gemeentelijk archief.

In de tekst van de regeling is er voorshands van uitgegaan dat de archiefbescheiden van het openbaar lichaam worden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het RHcE. In financieel opzicht zijn 20 van de 21 gemeenten daarbij al betrokken middels de regeling Metropoolregio Eindhoven.

Artikel 41 Ter beschikking te stellen archiefstukken

Het gaat om een technische uitwerking hoe om te gaan met het ter beschikking stellen van archiefstukken. De Archiefwet bevat strikte regels over hoe om te gaan met archiefbescheiden.

Artikel 42 Evaluatie

In de regeling is expliciet vermeld dat het functioneren van het openbaar lichaam en de dienstverlening aan de deelnemende gemeenten in het derde jaar van iedere bestuursperiode geëvalueerd wordt. Uiteraard is het mogelijk ook in het kader van de reguliere planning en control cyclus het functioneren van het openbaar lichaam onder de loep te nemen.

Artikel 43 Toetreding

Een gemeenschappelijke regeling dient regels te bevatten over toetreding. De bepaling van de condities bij toetreding wordt bepaald door het Algemeen Bestuur in overleg met de toetredende gemeente. Toetreding veronderstelt wijziging van deze gemeenschappelijke regeling. Toetreding tot de gemeenschappelijke regeling van de GGD is een vrijheid in gebondenheid. De Wpg maakt het slechts mogelijk om toe te treden tot een gemeenschappelijke gezondheidsdienst indien de indeling van de Veiligheidsregio’s wijzigt. De GGD-regio en de Veiligheidsregio zijn congruent aan elkaar. Een tweede mogelijkheid om toe te treden tot een gemeenschappelijke regeling waarbij een GGD is ingesteld, vinden we terug in artikel 14, vijfde lid, van de Wpg. De colleges van de gemeenten die zijn gelegen in twee of meer Veiligheidsregio’s kunnen besluiten om voor deze regio’s één GGD op te richten.

Artikel 44 Uittreding

De gevolgen van uittreding en de daaraan te stellen voorwaarden worden geregeld door het Algemeen Bestuur. Ook hier geldt dat een college niet zonder meer kan besluiten uit te treden uit de gemeenschappelijke regeling. Deelname aan een gemeenschappelijke regeling waarbij een GGD is opgericht, is verplicht op grond van de Wpg.

Artikel 45 Wijziging

Gekozen is voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling alleen ingeval alle colleges na verkregen toestemming van de gemeenteraden hierover eensluidend besluiten.

Artikel 46 Opheffing

Opheffing van de gemeenschappelijke regeling kan alleen ingeval alle colleges na verkregen toestemming van de gemeenteraden hierover eensluidend besluiten en de Wpg hieraan niet in de weg staat. In de praktijk zal een opheffing alleen aan de orde zijn bij het samenvoegen van twee of meer GGD-regio’s tot één gezamenlijke regio (artikel 14, vijfde lid, van de Wpg).

Artikel 47 Geschillen

Bepaling is opnieuw geredigeerd. Geïntroduceerd is een geschillencommissie alvorens een geschil aan gedeputeerde staten wordt voorgelegd.

Artikel 48 Klachten

Een openbaar lichaam is evenals gemeenten verplicht een klachtenvoorziening in stand te houden. Dat geldt zowel voor de interne klachtenvoorziening als voor behandeling van klachten in tweede aanleg. Uitwerking van deze wettelijke verplichting geschiedt via het vaststellen van een klachtenverordening door het Algemeen Bestuur. De deelnemende gemeenten zullen in hun eigen klachtenverordening een uitzondering moeten maken voor die taken die eventueel in mandaat worden verricht door het openbaar lichaam GGD.

Artikel 49 Inwerkingtreding

Verwezen wordt naar de nieuwe bepaling in artikel 26 tweede en derde lid Wgr.

Artikel 50 Toezending

Verwezen wordt naar de nieuwe bepaling in artikel 26 eerste lid Wgr.

Naar boven