Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2020, 54438Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. WJZ/ 18182476, inzake de voorwaarden voor openstelling van landgoederen (Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928 en op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluiten:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

buitenplaats:

een onroerende zaak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928;

de Ministers:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Financiën;

landgoed:

landgoed als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Natuurschoonwet 1928;

openstellingsregels:

regels voor het openstellen voor het publiek van een landgoed of een gedeelte van een landgoed;

publiek:

wandelaars;

wet:

Natuurschoonwet 1928.

Artikel 1.2

  • 1. Deze beleidsregel geldt voor de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde goedkeuring door de Ministers van openstellingsregels.

  • 2. De goedkeuring dient voor elk landgoed afzonderlijk te worden aangevraagd.

  • 3. De goedkeuring wordt slechts verleend als het landgoed en de openstellingsregels voor het landgoed voldoen aan de in deze beleidsregel opgenomen voorwaarden.

  • 4. Het gestelde over landgoederen in deze beleidsregel is tevens van toepassing op buitenplaatsen, voor zover niet anders is bepaald.

HOOFDSTUK 2 VOORWAARDEN OPENSTELLING LANDGOEDEREN

Artikel 2.1

  • 1. Het opengestelde gedeelte van een landgoed vormt een aaneengesloten gebied van ten minste 5 hectare.

  • 2. Van de in het eerste lid opgenomen oppervlakte-eis kan worden afgeweken, indien de onroerende zaak een buitenplaats betreft.

  • 3. Indien het landgoederen als bedoeld in artikel 3, derde of vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 betreft, vormt het opengestelde gedeelte van deze landgoederen een aangesloten gebied van ten minste 5 hectare en geldt de voorwaarde dat het opengestelde gedeelte evenwichtig verdeeld is over beide landgoederen.

Artikel 2.2

  • 1. Voor wandelaars zijn er voldoende vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden die min of meer gelijkmatig over het landgoed zijn verdeeld.

  • 2. Tot de in het eerste lid genoemde wegen en paden worden schouwpaden en in het kader van de extensieve recreatie gemarkeerde beloopbare groenstroken en perceelsranden gerekend, die waar nodig voorzien zijn van draadoverstapjes.

  • 3. Van een min of meer gelijkmatige verdeling als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval geen sprake als:

    • a. het landgoed niet in voldoende mate door het publiek beleefd kan worden; en

    • b. de wegen en paden voor meer dan de helft van de in artikel 2.3 bedoelde minimale padlengte aan of langs de rand van het landgoed lopen.

  • 4. Indien het landgoederen als bedoeld in artikel 3, derde of vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 betreft gelden in aanvulling op het eerste lid van dit artikel de volgende voorwaarden:

    • a. de wegen en paden zijn min of meer gelijkmatig over beide landgoederen verdeeld; en

    • b. de wegen en paden van beide landgoederen zijn op elkaar aangesloten.

Artikel 2.3

  • 1. Om aangemerkt te worden als een opengesteld landgoed moeten de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde wegen en paden een minimale lengte hebben, bestaande uit de som van:

    • a. de arealen met houtopstanden bezette terreinen, vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 50 meter per hectare; en

    • b. de arealen overige terreinen, vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 25 meter per hectare.

  • 2. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde minimale lengte van wegen en paden tellen de volgende wegen of paden niet mee:

    • a. doodlopende wegen en paden; en

    • b. de oppervlakte van terreinen of gedeelten van terreinen, daaronder begrepen vennen en plassen, die in verband met bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarden worden afgesloten voor het publiek.

Artikel 2.4

De openstelling is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven met borden, die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst.

Artikel 2.5

  • 1. Een landgoed of een gedeelte daarvan al dan niet tijdelijk voor het publiek afsluiten staat de aanmerking als opengesteld landgoed niet in de weg in de volgende omstandigheden:

    • a. de naaste omgeving van huizen of boerderijen gelegen op het landgoed voor het publiek is afgesloten uit het oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners;

    • b. een gedeelte, ter grootte van maximaal 15 procent, met inbegrip van een beperkte bufferzone, van een gerangschikt landgoed met een bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, is tijdelijk of permanent voor het publiek afgesloten, voor zover de afsluiting voor het behoud van die waarde noodzakelijk is;

    • c. het landgoed of een gedeelte daarvan kan ten behoeve van de uitoefening van de jacht, activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of activiteiten om schade door dieren te bestrijden, gedurende ten hoogste 7 dagen per jaar voor het publiek worden afgesloten;

    • d. het landgoed of een gedeelte daarvan kan tijdelijk worden afgesloten voor zover en voor zolang dat vanwege een calamiteit noodzakelijk is uit een oogpunt van veiligheid of gezondheid van mensen of dieren, waarbij de eigenaar van het landgoed alles in het werk stelt om de tijdelijke afsluiting zo snel mogelijk op te heffen.

  • 2. Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde naaste omgeving van huizen of boerderijen worden begrepen de terreinen of gedeelten daarvan met daarop huizen en boerderijen met erven en bijbehorende aanliggende sier- en moestuinen en boomgaarden, die grotendeels bestemd zijn voor privégebruik.

  • 3. Het eerste lid, onder a, is tevens van toepassing op buitenplaatsen die naar hun aard geschikt zijn voor openstelling voor het publiek, met dien verstande dat bij buitenplaatsen die groter zijn dan 2 hectare, met inachtneming van de situatie ter plaatse, 1 hectare kan worden afgesloten, en bij buitenplaatsen die kleiner zijn dan 2 hectare maar groter zijn dan 1 hectare, 0,5 hectare kan worden afgesloten.

  • 4. Indien een landgoed of een gedeelte daarvan al dan niet tijdelijk voor het publiek is afgesloten in de in het eerste lid, onder a en b, genoemde omstandigheden, kan de afsluiting niet zover gaan dat deze daadwerkelijk de vrije toegankelijkheid voor het publiek van of naar de niet afgesloten gedeelten belemmert.

  • 5. De al dan niet tijdelijke afsluiting van een landgoed of een gedeelte van een landgoed is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven met borden die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst.

  • 6. Indien een landgoed of een gedeelte daarvan tijdelijk wordt afgesloten als een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder d, zich voordoet, meldt de eigenaar van het landgoed de tijdelijke afsluiting en de verwachte duur daarvan volledig en onverwijld aan de Ministers.

Artikel 2.6

  • 1. De openstelling van een landgoed kan op verzoek van de eigenaar met toestemming van de Ministers worden beperkt door het gebruik van toegangskaarten al dan niet tegen betaling.

  • 2. Aan het verlenen van de toestemming als bedoeld in het eerste lid zijn de volgende voorwaarden verbonden:

    • a. het landgoed is gelegen in de nabijheid van een grootstedelijk gebied of is anderszins kwetsbaar voor intensieve betreding, en wordt opengesteld op vertoon van toegangskaarten die gratis of tegen een geringe toegangsprijs verkrijgbaar zijn, waarbij de eigenaar het aantal uit te geven dag- en jaarkaarten kan limiteren;

    • b. voor historische en educatieve tuinen en parken, gelegen op een landgoed, kunnen de Ministers een hogere toegangsprijs dan bepaald onder a toestaan, mits deze tuinen en parken van zodanige betekenis zijn dat zij door meer dan 2.000 bezoekers per jaar worden bezocht, en in een redelijke staat van onderhoud verkeren; en

    • c. de toegangskaarten zijn verkrijgbaar:

      • i. op tijden dat het landgoed toegankelijk is, op het landgoed of in de directe omgeving daarvan, waarbij de plaats van verkrijgbaarheid van de kaarten voor het publiek duidelijk waarneembaar is aangegeven met borden die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst; of

      • ii. via een internetadres, dat voor het publiek duidelijk waarneembaar staat vermeld op borden die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst;

  • 3. Onder een geringe toegangsprijs, als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt verstaan een bedrag van ten hoogste € 0,50 voor een kaart voor één persoon, die gedurende een dag geldig is, en ten hoogste € 2,50 voor een kaart voor één persoon, die gedurende een kalenderjaar geldig is.

  • 4. Bij historische en educatieve tuinen en parken, als bedoeld in het tweede lid, onder b, geldt als voorwaarde dat per park en tuin vast moet komen te staan dat de kosten voor instandhouding ervan de inkomsten overtreffen.

  • 5. Bij het verkrijgen van toegangskaarten via een internetadres, als bedoeld in het tweede lid, onder c, onder ii, geldt als voorwaarde dat de toegangskaarten vrijwel direct na bestelling door een bezoeker op de mobiele telefoon zichtbaar zijn.

  • 6. De eigenaar van het landgoed moet het verzoek om toestemming voor het gebruik van toegangskaarten bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit indienen.

Artikel 2.7

  • 1. De eigenaar van een landgoed mag gedragsregels voor bezoekers hanteren.

  • 2. Deze gedragsregels, als bedoeld in het eerste lid, kunnen:

    • a. een verbod behelzen om:

      • 1°. zich buiten de vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden te begeven;

      • 2°. onverminderd andere verbodsbepalingen, bloemen, bladeren en vruchten te plukken of te vervoeren, afwerpstangen van een ree of hert bij zich te dragen, takken af te snijden, bomen, struiken en andere gewassen te beschadigen, in de bodem te graven, hout te sprokkelen, te zwemmen, vuur te maken, in droge tijd te roken, het wild of vogels te verontrusten, te vissen, de orde en rust te verstoren, en papier en ander afval achter te laten;

      • 3°. loslopende honden bij zich te hebben;

      • 4°. honden bij zich te hebben, indien het pad door een terrein dat begraasd wordt door grote grazers loopt; en

    • b. betrekking hebben op:

      • 1°. het weren van publiek dat zich niet aan de gedragsregels houdt;

      • 2°. het ontzeggen van de toegang tot het landgoed aan personen die aan een georganiseerd evenement deelnemen, indien aannemelijk is dat ten gevolge van het evenement schade aan het landgoed of een gedeelte van het landgoed ontstaat of kan ontstaan;

      • 3°. het ontzeggen van de toegang tot het landgoed aan personen die in groepsverband het landgoed bezoeken, indien aannemelijk is dat door de omvang of samenstelling van de groep, schade aan het landgoed of een gedeelte van het landgoed ontstaat of kan ontstaan, of overlast voor andere wandelaars ontstaat of kan ontstaan; en

      • 4°. het instellen van beperkingen voor anderen dan wandelaars, waaronder fietsers, crossfietsers, ruiters, hardlopers in georganiseerd groepsverband of gemotoriseerd verkeer.

HOOFDSTUK 3 VOORWAARDEN OPENSTELLINGSREGELS

Artikel 3.1

In de openstellingsregels moet ten minste het volgende zijn opgenomen:

  • a. het landgoed is het gehele jaar dagelijks van zonsopkomst tot zonsondergang voor het publiek toegankelijk; en

  • b. er wordt geen toegangsprijs gevraagd en toegangskaarten zijn niet nodig, behoudens in het geval als bedoeld in artikel 2.6.

Artikel 3.2

In de openstellingsregels wordt melding gemaakt van het al dan niet tijdelijk afsluiten van een landgoed voor het publiek indien zich een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder a en b, voordoet.

Artikel 3.3

  • 1. De eigenaar voegt bij het verzoek tot openstelling een topografische kaart, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bij.

  • 2. Op de topografische kaart moeten de volgende gegevens zijn aangegeven:

    • a. de vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden;

    • b. de totale lengte van de vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden in meters;

    • c. de plaatsaanduiding van de toegangsborden; en

    • d. de ligging en opgave van de oppervlakte van het gedeelte van het landgoed dat op grond van artikel 2.5, eerste lid, onder b, voor het publiek wordt afgesloten vanwege het behoud van bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarde.

HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 4.1

  • 1. De door de eigenaar voor het landgoed opgestelde openstellingsregels worden goedgekeurd bij beschikking van de Ministers.

  • 2. Het landgoed krijgt de status van een opengesteld landgoed in de zin van artikel 7, eerste lid, van de wet met ingang van het tijdstip waarop het landgoed en de openstellingsregels aan de voorwaarden in dit besluit voldoen, maar niet eerder dan het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 4.2

Een landgoed, dat op het moment van overlijden of schenking van de eigenaar niet of nog niet was aangemerkt als een opengesteld landgoed, kan worden aangemerkt als een opengesteld landgoed, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de verkrijger krachtens erfrecht of schenking van het landgoed die gebruik wil maken van de openstellingsfaciliteit moet uiterlijk op het moment van de indiening van de aangifte voor erfbelasting of schenkbelasting het verzoek tot goedkeuring van de openstellingsregels bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben ingediend;

  • b. in de aangifte moet een beroep op de openstellingsfaciliteit zijn gedaan; en

  • c. het landgoed moet daadwerkelijk opengesteld zijn op het moment dat de verkrijger krachtens erfrecht of schenking het verzoek tot goedkeuring van de openstellingsregels bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft ingediend.

Artikel 4.3

  • 1. De Ministers kunnen een goedkeuring als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet intrekken indien naar hun oordeel niet of niet meer voldaan is aan de in dit besluit opgenomen voorwaarden.

  • 2. De vaststelling dat het landgoed of een gedeelte van een landgoed niet of niet langer als een voor het publiek opengesteld landgoed door de Ministers wordt beschouwd geldt met ingang van de datum van de beschikking tot intrekken van de goedkeuring.

Artikel 4.4

  • 1. Nadat de openstellingsregels van een landgoed bij beschikking zijn goedgekeurd wordt het landgoed op een lijst van opengestelde landgoederen in de zin van de wet geplaatst.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde lijst wordt door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit openbaar gemaakt en bevat de volgende gegevens:

    • a. de naam van het landgoed;

    • b. de provincie waarin het landgoed is gelegen; en

    • c. de kadastrale gemeente(n) waarin het landgoed is gelegen.

  • 3. Aan de plaatsing van een landgoed op de in het eerste lid bedoelde lijst kunnen geen rechten worden ontleend voor de toepassing van de belastingwetgeving.

Artikel 4.5

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Artikel 4.6

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928.

Artikel 4.7

Deze beleidsregel treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 2020, 331) in werking treedt.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 27 oktober 2020

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief

TOELICHTING

1. Aanleiding

Op 24 januari 2013 heeft het lid Van Veldhoven (D66) een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht de Natuurschoonwet 1928 (hierna: NSW) te evalueren en voorstellen te ontwikkelen om de NSW meer te richten op het beschermen en openstellen van landgoederen en de beschikkingen van bestaande landgoederen te herkeuren1. Naar aanleiding van deze motie heeft het kabinet de werking van de NSW laten evalueren2 (hierna: de evaluatie). Uit de evaluatie blijkt dat de NSW van groot belang is voor de instandhouding van krachtens die wet gerangschikte landgoederen en daarmee voor het behoud van het natuurschoon op deze landgoederen. In de evaluatie naar aanleiding van de hiervoor genoemde motie van het lid Van Veldhoven is aandacht besteed aan de openstelling van gerangschikte landgoederen. In de kabinetsreactie op de evaluatie is aangegeven welke aanbevelingen door het Kabinet zijn overgenomen3 (hierna: de kabinetsreactie). Op 1 juni 2007 is het besluit van 20 december 2007, nr. CPP2007/1092M4 (hierna: het Openstellingsbesluit) in werking getreden. In het Openstellingsbesluit zijn de algemene voorwaarden opgenomen waaraan een voor het publiek opengesteld landgoed en de door een eigenaar van een landgoed op te stellen openstellingsregels aan moeten voldoen om in aanmerking te komen voor goedkeuring van de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën (hierna: de Ministers). Zodra de openstellingsregels zijn goedgekeurd krijgt een landgoed de status van een opengesteld landgoed in de zin van artikel 7, eerste lid, NSW en wordt voor de erf- en schenkbelasting uitgegaan van een waarde welke op nihil wordt gesteld. Opengestelde landgoederen vervullen een belangrijke recreatieve functie en de openstellingsfaciliteit beoogt een eigenaar van een landgoed te stimuleren om een landgoed open te stellen. In het rapport houdende de uitkomsten van de evaluatie5 is geconcludeerd dat meer dan 100.000 ha, dat is ongeveer 73% van de totale oppervlakte van de gerangschikte landgoederen, is opengesteld.

Met onderhavige besluit wordt een beleidsregel vastgesteld ter vervanging van het Openstellingsbesluit. De aanleiding voor dit besluit is de hiervoor genoemde evaluatie van de NSW, waaruit naar voren kwam dat het Openstellingsbesluit op verschillende punten nog verbeterd kan worden, de overleggen die gevoerd zijn met belanghebbenden, waaronder de Federatie Particuliere Grondbezitters, rentmeesters, de Nederlandse Vereniging van Golfaccommodaties, de Vereniging Particuliere Historische Buitenplaatsen en Wandelnet, en de behandeling van de kabinetsreactie door de Tweede Kamer6. De beleidsregel beoogt duidelijk te maken welke afweging wordt gemaakt bij een verzoek om in aanmerking te komen voor goedkeuring van de door een eigenaar van een landgoed op te stellen openstellingsregels. Dit betekent dat daarover door de Ministers overeenkomstig de beleidsregel wordt besloten. Bij de afwijzing van een verzoek om goedkeuring kan voortaan dan ook worden verwezen naar deze beleidsregel.

2. Juridisch kader

Het doel van de NSW is om door middel van fiscale faciliteiten te stimuleren dat de eigenaren van landgoederen het landgoed in stand houden en daarmee een bijdrage leveren aan het behoud van het natuurschoon. Deze fiscale faciliteiten betreffen de erfbelasting, de schenkbelasting, de overdrachtsbelasting, de onroerendezaakbelasting, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.

Onroerende zaken die voldoen aan de eisen die daartoe gesteld zijn in de NSW en het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: het Rangschikkingsbesluit), kunnen op verzoek van de eigenaar, bij gezamenlijke beschikking van de Ministers worden gerangschikt als landgoed in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, NSW.

Op verzoek van de eigenaar kan een landgoed of een gedeelte daarvan voor de toepassing van de NSW als voor het publiek opengesteld landgoed worden aangemerkt. Deze openstelling heeft extra gevolgen voor de heffing en de invordering van de verschuldigde rechten van erfbelasting en schenkbelasting7. Voor de toepassing van de Successiewet 1956 wordt de economische waarde van voor het publiek opengestelde landgoederen op nihil gesteld. De eigenaar stelt de openstellingsregels op en legt ze ter goedkeuring voor aan de Ministers. De goedkeuring dient voor elk landgoed afzonderlijk te worden aangevraagd. Om in aanmerking te kunnen komen voor goedkeuring moeten het landgoed en de openstellingsregels aan voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn relevant voor het beantwoorden van de vraag of het landgoed in voldoende mate is opengesteld en daarmee in aanmerking komt voor het maximale belastingvoordeel voor landgoederen, namelijk een volledige vrijstelling van de erf- en schenkbelasting.

De voorwaarden waaraan het landgoed en de openstellingsregels moeten voldoen zijn in dit besluit opgenomen en dienen als richtsnoer bij de beoordeling van de openstellingsregels.

3. Algemene bepalingen (artikelen 1.1. en 1.2)

In het rapport houdende de uitkomsten van de evaluatie is geconcludeerd dat niet bij alle landgoedeigenaren bekend is dat de openstelling alleen verplicht is voor wandelaars. Bij de behandeling van de kabinetsreactie op de evaluatie van de NSW door de Tweede Kamer hebben de leden van de VVD-fractie gevraagd om meer duidelijkheid over de categorie bezoekers waar de verplichte openstelling voor geldt. De toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken heeft in het verslag van een schriftelijk overleg bevestigd dat indien een eigenaar van een landgoed er voor kiest om zijn landgoed open te stellen voor het publiek, de openstelling alleen verplicht is voor wandelaars, en dat de eigenaar van een landgoed zelf beperkingen kan instellen voor anderen dan wandelaars, bijvoorbeeld (cross)fietsers, hardloopgroepen of ruiters8. Naar aanleiding van de evaluatie en de behandeling van de kabinetsreactie door de Tweede Kamer, is in dit besluit, explicieter dan in het Openstellingsbesluit, opgenomen dat de verplichte openstelling uitsluitend geldt voor wandelaars. Onder wandelaars wordt tevens verstaan snelwandelaars, nordic walkers, hardlopers, trimmers of joggers, die niet in georganiseerd groepsverband het opengestelde gedeelte van een landgoed willen bezoeken.

In verband hiermee is een definitie van het begrip ‘publiek’ opgenomen in artikel 1.1 van dit besluit.

4. Voorwaarden voor opengestelde landgoederen (artikelen 2.1 tot en met 2.7)

Het onderhavige besluit bevat in hoofdstuk 2 een aantal voorwaarden waar een opengesteld landgoed aan moet voldoen om te waarborgen dat het landgoed in voldoende mate toegankelijk is voor het publiek. Het onderhavige besluit bevat op bepaalde punten wijzigingen in de voorwaarden waar opengestelde landgoederen aan moeten voldoen ten opzichte van het voorheen geldende Openstellingsbesluit. Hieronder worden de voorwaarden toegelicht.

Aanleun- en samenwerkingsrangschikking (artikel 2.1, derde lid en artikel 2.2, vierde lid)

In artikel 2.1, eerste lid, is bepaald dat het opengestelde gedeelte van een landgoed een aaneengesloten gebied vormt van ten minste 5 hectare. In afwijking van het eerste lid is in het derde lid bepaald dat bij landgoederen als bedoeld in artikel 3, derde of vierde lid, Rangschikkingsbesluit het opengestelde gedeelte van de landgoederen een aangesloten gebied van ten minste 5 hectare vormt. Het opengestelde gedeelte van deze landgoederen is evenwichtig verdeeld over beide landgoederen. In artikel 2.2, eerste lid, is als voorwaarde voor de openstelling van een landgoed bepaald dat er voor wandelaars vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden zijn die min of meer gelijkmatig over het landgoed zijn verdeeld. In artikel 2.2, vierde lid, is in aanvulling op het eerste lid bepaald dat bij landgoederen als bedoeld in artikel 3, derde of vierde lid, Rangschikkingsbesluit de wegen en paden min of meer gelijkmatig over beide landgoederen zijn verdeeld en de wegen en paden van beide landgoederen op elkaar aangesloten zijn. De landgoederen als bedoeld in artikel 3, derde of vierde lid, Rangschikkingsbesluit zien op de aanleun- en samenwerkingsrangschikking.

Uit de evaluatie van de NSW is naar voren gekomen dat de openstelling voor het publiek bij de aanleunende landgoederen weinig tot niets toevoegt. In het evaluatierapport wordt hier gesproken over de ‘rozenperkopenstelling’. Met ingang van 1 januari 2021 is in het Rangschikkingsbesluit bepaald dat de oppervlakte van een landgoed tussen de 1 en 5 hectare voor ten minste 50 procent bezet moet zijn met houtopstanden of natuurterreinen, om te waarborgen dat deze landgoederen daadwerkelijk een bijdrage leveren aan het natuurschoon. Voor landgoederen die niet groter zijn dan 1 hectare, en bezwaard zijn met het beperkt recht van vruchtgebruik of erfpacht, is met ingang van 1 januari 2021 bepaald dat de hoofdgerechtigde van het betrokken landgoed de eigendom heeft van de hieraan grenzende onroerende zaak die als landgoed is aangemerkt. In het rapport houdende de uitkomsten van de evaluatie van de NSW is geconcludeerd dat, in tegenstelling tot de aangrenzende landgoederen, die niet in eigendom zijn van de hoofdgerechtigde van het hoofdlandgoed, het behoud en het beheer van het aangrenzende landgoed in relatie tot het hoofdlandgoed goed gewaarborgd is, doordat de hoofdgerechtigde van het hoofdlandgoed eisen kan stellen aan de mate van onderhoud en de uiterlijke karakteristieken van de onroerende zaak.

In aanvulling op de hiervoor gemelde regels in het Rangschikkingsbesluit voor aanleunende en samenwerkende landgoederen is in de artikelen 2.1 en 2.2 van dit besluit voor deze landgoederen die in aanmerking willen komen voor goedkeuring van de openstellingsregels ten opzichte van het Openstellingsbesluit verduidelijkt dat het opengestelde gedeelte van de landgoederen een aaneengesloten gebied van ten minste 5 hectare vormt en evenwichtig verdeeld is over de landgoederen, en dat de wandelpaden op beide landgoederen aanwezig dienen te zijn en op elkaar dienen aan te sluiten.

Doodlopende wegen en paden (artikel 2.3)

De beleving die wordt geboden bij opengestelde landgoederen is van belang voor wandelaars. Doodlopende paden en wegen die slechts een klein deel van het landgoed laten zien komen de beleefbaarheid van een opengesteld landgoed niet ten goede.

Van voldoende vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van dit besluit is sprake als deze wegen en paden een minimale lengte hebben. In artikel 2.3, eerste lid, van dit besluit is, net als in het Openstellingsbesluit, als voorwaarde opgenomen dat de minimale lengte van wegen en paden bestaat uit de som van de arealen houtopstanden, vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 50 meter per hectare, en de arealen overige gronden (bijvoorbeeld landbouwgrond en natuurterrein), vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 25 meter per hectare.

Om de beleving bij de openstelling van landgoederen voor wandelaars beter te borgen, is in artikel 2.3, tweede lid, onder a, van dit besluit bepaald dat doodlopende wegen en paden voor de berekening van de minimale lengte van wegen en paden niet meetellen. Door deze voorwaarde op te nemen wordt voorkomen dat doodlopende paden en wegen worden aangelegd om wandelaars er van te weerhouden over het landgoed te wandelen.

Toegangswegen (artikel 2.4)

De openstelling is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven met borden, die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst. De Federatie Particulier Grondbezit heeft gevraagd of verduidelijkt kan worden wat wordt verstaan onder toegangswegen. Onder toegangswegen wordt de entree naar het landgoed verstaan. De paden op het landgoed zijn niet te beschouwen als toegangswegen. Bij bepaalde landgoederen komt het bijvoorbeeld voor dat de toegang van een landgoed via de paden van een ander landgoed loopt. Omdat door de uitvoeringsinstanties is aangegeven dat er geen problemen zijn in de praktijk, is artikel 2.4 van dit besluit ongewijzigd overgenomen van het voorheen geldende artikel 2.1 Openstellingsbesluit zonder een redactionele aanpassing.

Uitzonderingen openstelling voor publiek (artikel 2.5)

Een opengesteld (gedeelte van een) landgoed kan op verzoek van een landgoedeigenaar met toestemming van de Ministers in bepaalde gevallen (tijdelijk) worden afgesloten voor publiek. De naaste omgeving van huizen of boerderijen kan voor publiek worden afgesloten ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van de huizen of boerderijen. Daarnaast kan een gedeelte van een landgoed voor het publiek worden afgesloten door de bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarden van het betreffende gedeelte van het landgoed, als de afsluiting voor het behoud van die waarden noodzakelijk is. Voor de jacht, populatiebeheer en schadebestrijding als bedoeld in de Omgevingswet9 kan een landgoedeigenaar het landgoed of een gedeelte daarvan gedurende ten hoogste 7 dagen per jaar voor het publiek afsluiten.

Tot slot kan (een gedeelte van) een opengesteld landgoed tijdelijk worden afgesloten in het geval van een calamiteit. Een calamiteit is een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die schadelijke gevolgen kan hebben voor mensen of dieren. Hierbij kan gedacht worden aan situaties als een brand, een bommelding of explosiegevaar. Een ander voorbeeld betreft een uitbraak van een besmettelijke dierziekte. Om een calamiteit te bestrijden of te beheersen kan het noodzakelijk zijn om het landgoed, of een gedeelte daarvan, tijdelijk af te sluiten totdat het weer veilig is voor bezoekers om het landgoed te betreden. De landgoedeigenaar moet alles in het werk stellen om de tijdelijke afsluiting zo snel mogelijk op te heffen. Als een calamiteit zich voordoet is het, vanwege de ernst van de calamiteit en omwille van de tijd om daarop te reageren, niet mogelijk om voorafgaand aan de tijdelijke afsluiting van (een gedeelte van) het landgoed melding te doen aan de Ministers van de tijdelijke afsluiting van het opengesteld landgoed. In verband daarmee is in het zesde lid een plicht opgenomen om achteraf onverwijld melding te doen van de tijdelijke afsluiting vanwege een calamiteit. Bij deze melding geeft de landgoedeigenaar een indicatie van de verwachte duur van de afsluiting.

Toegangskaarten (artikel 2.6)

De openstelling van een landgoed kan worden beperkt door het gebruik van toegangskaarten (artikel 2.6, eerste lid). Een landgoedeigenaar kan de toegangskaarten op het landgoed of in de directe omgeving van het landgoed te koop aanbieden op tijden dat het landgoed toegankelijk is. Daarnaast is in artikel 2.6, tweede lid, onder c, onder ii, van dit besluit bepaald dat de toegangskaarten ook digitaal te kopen zijn via een internetadres. Het internetadres dat gebruikt kan worden om kaarten te kopen moet wel duidelijk zijn aangegeven bij de toegangswegen tot het landgoed. Om te voorkomen dat bezoekers lang moeten wachten voordat de toegangskaarten digitaal aanwezig zijn, is in dit besluit bepaald dat de toegangskaarten vrijwel direct na de bestelling, en daar waar nodig de betaling van een toegangsprijs, op de mobiele telefoon van bezoekers zichtbaar en leesbaar zijn (artikel 2.6, vijfde lid). Een landgoedeigenaar moet toestemming vragen aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het gebruiken van toegangskaarten (artikel 2.6, zesde lid).

Gedragsregels (artikel 2.7)

In artikel 2.7, eerste lid, van dit besluit is bepaald dat de eigenaar van een landgoed gedragsregels voor bezoekers mag hanteren. Gedragsregels kunnen nodig zijn om overlast voor een landgoedeigenaar of voor andere bezoekers aan het landgoed te voorkomen. De gedragsregels kunnen onder meer zien op een verbod op het achterlaten van afval, het beschadigen van bomen, struiken en andere gewassen, en het verontrusten van wild of vogels.

In het voorheen geldende artikel 5 Openstellingsbesluit was bepaald dat het verboden was om loslopende honden bij zich te hebben. In aanvulling hierop is in artikel 2.7, tweede lid, van dit besluit opgenomen dat de gedragsregels een verbod kunnen behelzen om aangelijnde honden bij zich te hebben, indien het pad door een terrein dat begraasd wordt door grote grazers loopt. Met grote grazers wordt gedoeld op runderen, paarden, pony’s, herten, schapen en geiten.

Honden kunnen een rol spelen in de verspreiding van een infectie met Neospora en daarmee problemen opleveren voor de gezondheid van grote grazers.

In hoofdstuk 3 van deze toelichting is toegelicht dat de openstelling van een landgoed alleen verplicht is voor wandelaars. In artikel 1.1 van dit besluit is ter verduidelijking en bevestiging het begrip ‘publiek’ gedefinieerd als ‘wandelaars’. De bezoekers als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van dit besluit betreffen derhalve voornamelijk wandelaars. In hoofdstuk 3 van deze toelichting is toegelicht dat onder wandelaars tevens wordt verstaan snelwandelaars, nordic walkers, hardlopers, trimmers of joggers, die niet in georganiseerd groepsverband gebruik willen maken van het opengestelde gedeelte van een landgoed. De eigenaar van een landgoed is niet verplicht, maar kan anderen dan wandelaars toelaten op het opengestelde gedeelte van zijn landgoed. In artikel 2.7, tweede lid, is bepaald dat de eigenaar gedragsregels kan hanteren die betrekking hebben op het instellen van beperkingen voor anderen dan wandelaars, waaronder (cross)fietsers, ruiters, hardlopers in georganiseerd groepsverband of gemotoriseerd verkeer.

De gedragsregels kunnen ook betrekking hebben op het ontzeggen van de toegang tot het landgoed aan personen die in groepsverband het landgoed bezoeken, indien aannemelijk is dat door de omvang en/of samenstelling van de groep schade aan het landgoed of een gedeelte daarvan ontstaat of kan ontstaan, en/of overlast voor andere wandelaars ontstaat of kan ontstaan. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan groepsgerelateerde overlast als intimideren, geluidsoverlast, achterlaten van afval, aanbrengen van vernielingen, wildplassen en buiten de paden treden.

Tot slot kunnen de gedragsregels betrekking hebben op het ontzeggen van de toegang tot het landgoed aan personen die aan georganiseerde evenementen deelnemen, indien aannemelijk is dat als gevolg van deze evenementen schade aan (een gedeelte van) een landgoed ontstaat of zal ontstaan. Bij evenementen valt bijvoorbeeld te denken aan een (avond)vierdaagse, wedstrijden of droppings.

5. Voorwaarden openstellingsregels (artikelen 3.1 tot en met 3.3)

Het onderhavige besluit bevat in hoofdstuk 3 een aantal voorwaarden waar de door een eigenaar op te stellen openstellingsregels aan moeten voldoen. Het onderhavige besluit bevat op bepaalde punten wijzigingen in de voorwaarden waar de openstellingsregels aan moeten voldoen ten opzichte van het voorheen geldende Openstellingsbesluit. Hieronder worden de voorwaarden toegelicht.

Zonsopkomst en zonsondergang (artikel 3.1)

In artikel 3.1, onder a, van dit besluit is bepaald dat in de openstellingsregels moet zijn opgenomen dat het landgoed het gehele jaar dagelijks van zonsopkomst tot zonsondergang voor het publiek toegankelijk is. Wandelaars kunnen (digitale) kalenders bekijken waarop is aangegeven wanneer er sprake is van zonsopkomst dan wel zonsondergang. Het tijdstip van de zonsondergang verschilt elke dag en ieder jaar zitten er kleine verschillen in. Het staat een landgoedeigenaar vrij om zijn landgoed ook voor zonsopkomst of na zonsondergang open te stellen voor publiek.

Melding (tijdelijk) afsluiten landgoed voor publiek (artikel 3.2)

In de openstellingsregels wordt melding gemaakt van het afsluiten van (een gedeelte van) een landgoed voor het publiek, als sprake is van een van de gevallen, genoemd in artikel 2.5, eerste lid, onder a en b, van dit besluit. In de openstellingsregels wordt geen melding gemaakt van het afsluiten van een (gedeelte van) een landgoed voor het publiek, als er sprake is van een calamiteit (artikel 2.5, eerste lid, onder d), aangezien een calamiteit een onverwachte en niet-voorziene gebeurtenis betreft.

Topografische kaart (artikel 3.3)

In artikel 7, vijfde lid, Rangschikkingsbesluit is bepaald dat bij een verzoek aan de Ministers om een onroerende zaak aan te merken als een landgoed een topografische kaart wordt overlegd. In artikel 3.3 van dit besluit is bepaald dat de vrij toegankelijke en begaanbare wegen en paden, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, en de totale lengte van deze wegen en paden in meters op de topografische kaart worden aangegeven. Daarnaast moet op de topografische kaart de plaatsaanduiding van de toegangsborden zijn aangegeven. In aanvulling op het voorheen geldende artikel 6 Openstellingbesluit is in artikel 3.3, tweede lid, onder d, opgenomen dat op de topografische kaart de ligging en opgave van de oppervlakte van het op grond van artikel 2.5, eerste lid, onder b, van dit besluit voor het publiek afgesloten gedeelte van het landgoed, in verband met het behoud van bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, worden aangegeven.

6. Slotbepalingen (artikelen 4.1 tot en met 4.5)

Naast de voorwaarden waar opengestelde landgoederen en de openstellingsregels aan moeten voldoen zijn in hoofdstuk 4 van dit besluit enkele slotbepalingen opgenomen die onder meer zien op de goedkeuring van de Ministers.

De goedkeuring van de door de landgoedeigenaar opgestelde openstellingsregels worden goedgekeurd bij gezamenlijke beschikking van de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën10. In de praktijk is gebleken dat het verzoek om een goedkeuring van de openstellingsregels meestal tegelijkertijd wordt gedaan met het verzoek om de onroerende zaak als landgoed in de zin van de NSW aan te merken. Als aan het verzoek om een landgoed te rangschikken wordt voldaan, wordt de onroerende zaak met ingang van het tijdstip waarop het verzoek bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is ingekomen als een landgoed aangemerkt11. In dit besluit is er voor gekozen om, in lijn met het ingangstijdstip voor rangschikking van het landgoed, het landgoed de status te geven van een opengesteld landgoed met ingang van het tijdstip waarop het verzoek bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is ingekomen12.

Onder bepaalde voorwaarden kan, bij overlijden of schenking van de eigenaar van een landgoed dat niet was aangemerkt als opengesteld landgoed, het landgoed als een opengesteld landgoed worden aangemerkt. De voorwaarden hiervoor zijn dat de erfgenamen of begiftigden die gebruik willen maken van de openstellingsfaciliteit uiterlijk op het moment van de indiening van de erf- en/of schenkbelasting het verzoek tot goedkeuring van de openstellingsregels bij de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben ingediend, dat in de aangifte een beroep op de faciliteit is gedaan en dat het landgoed ook daadwerkelijk opengesteld moet zijn13.

De Ministers kunnen een goedkeuring van de openstellingsregels intrekken als niet meer is voldaan aan de voorwaarden die in dit besluit zijn opgenomen.14

Als de openstellingsregels zijn goedgekeurd wordt het landgoed op een lijst van opengestelde landgoederen geplaatst door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De lijst wordt gepubliceerd op een internetadres. De NSW wordt in mandaat uitgevoerd namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De lijst van opengestelde landgoederen, die twee maal per jaar wordt geactualiseerd, is gepubliceerd op het internetadres van de Rijksdienst van Ondernemend Nederland15.

Met dit besluit zijn de volgende besluiten ingetrokken: het Openstellingsbesluit en het besluit van 8 september 2015, nr. BLKB 2015/1169M16.

Het onderhavige besluit vervangt het Openstellingsbesluit. De in het beleidsbesluit van 8 september 2015 van de toenmalige Staatssecretarissen van Financiën en Economische Zaken opgenomen nadere eisen ter bepaling of een in het buitenland gelegen landgoed onderdeel vormt van het Nederlands cultureel erfgoed en daarmee in aanmerking komt voor rangschikking op grond van de NSW zijn overgenomen in artikel 2a Rangschikkingsbesluit.

7. Andere wetgeving

Behalve aan deze beleidsregel zal een eigenaar van een opengesteld landgoed zich moeten houden aan andere regelgeving, waaronder de Wegenwet en het Burgerlijk Wetboek en de daarop gebaseerde regelgeving.

In de Wegenwet is bepaald dat een weg openbaar wordt, als die weg dertig jaar achtereen voor een ieder toegankelijk is geweest17, of als die weg tien jaar achtereen voor een ieder toegankelijk is geweest en de weg gedurende die periode is onderhouden door Rijk, provincie, gemeente of waterschap18, of als de rechthebbende van die weg daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven19 met medewerking van de gemeenteraad20. Een rechthebbende van de weg kan het ontstaan van openbaarheid van wegen voorkomen door gedurende een tijdvak van tenminste een jaar kenbaar te maken dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. Dat kenbaar maken kan volgens artikel 4, derde lid, van de Wegenwet door bordjes te plaatsen waarop staat dat de weg een eigen weg, particuliere weg of private weg betreft. Een voor het publiek opengesteld landgoed moet voldoen aan de voorwaarde dat de openstelling voor het publiek duidelijk waarneembaar is aangegeven met borden, die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 3 april 2013 geoordeeld dat deze bordjes bij de toegangswegen tot het landgoed niet zijn te kwalificeren als kenteken als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wegenwet21. Een eigenaar van een opengesteld landgoed zal voor een toegangsweg tot het landgoed die nog niet openbaar is, om te voorkomen dat deze weg openbaar wordt, kenbaar moeten maken dat de weg alleen met zijn toestemming betreden mag worden door het plaatsen van borden met teksten als eigen weg of particuliere weg of soortgelijke kentekens.

Landgoedeigenaren die hun landgoed openstellen kunnen gedragsregels opstellen voor publiek dat het landgoed wil bezoeken. Door zich te houden aan de gedragsregels kan overlast en schade aan het landgoed worden voorkomen. Naast de verplichtingen die met de gedragsregels worden opgelegd aan bezoekers van het landgoed, gelden er ook verplichtingen voor de landgoedeigenaar ten aanzien van de bezoekers. Op de landgoedeigenaar van een opengesteld landgoed rust een zorgplicht om maatregelen te treffen om mogelijke gevaren die letsel of schade kunnen veroorzaken, die er op het terrein kunnen zijn voor bezoekers, bijvoorbeeld als gevolg van achterstallig onderhoud van bomen, te voorkomen. Als de landgoedeigenaar zijn zorgplicht niet nakomt en er is letsel of schade ontstaan als gevolg van zijn nalatigheid, kan er een plicht tot schadevergoeding voor de landgoedeigenaar zijn op grond van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek22.

Het regime van de NSW en de in het kader van de fiscale voordelen bij openstelling van een landgoed in deze beleidsregel opgenomen verdere uitwerking van de voorwaarden waaraan de openstelling moet voldoen, gelden uitsluitend in de relatie tussen de betrokken ministers en de landgoedeigenaar. Zij betreffen niet de relatie tussen de landgoedeigenaren en derden. Zij laten ook onverlet de mogelijkheid van de landgoedeigenaar om op grond van het bepaalde in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek op te treden tegen derden. Het gaat dan om derden die een inbreuk maken op zijn eigendomsrecht of die (anderszins) jegens de landgoedeigenaar handelen in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijke verkeer betaamt. Bij een inbreuk op het eigendomsrecht van de landgoedeigenaar kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het plaatsen van routepaaltjes en bebording op het landgoed zelf zonder toestemming van de landgoedeigenaar. Het is aan de eigenaar zelf om op dit punt zo nodig actie te ondernemen.

8. Besluitvorming overeenkomstig beleidsregel

De Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Financiën besluiten op grond van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur overeenkomstig onderhavig besluit, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met dit besluit te dienen doelen23.

9. Administratieve lasten en inwerkingtreding

Onderhavig besluit heeft geen gevolgen voor de regeldruk. Dit besluit vervangt het Openstellingsbesluit en is in hoge mate gelijk aan het Openstellingsbesluit. De inwerkingtredingsdatum van dit besluit hangt samen met de inwerkingtreding van het besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 2020, 331). De beoogde inwerkingtredingsdatum van het besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 2020, 331) is 1 januari 2021.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Kamerstukken II 2012–2013, 33 400 XIII, nr. 90

X Noot
2

Bijlage bij Kamerstukken II 2016–2017, 33 576 nr. 90

X Noot
3

Kamerstukken II 2016–2017, 33 576, nr. 90

X Noot
5

Bijlage bij Kamerstukken II 2016–2017, 33 576 nr. 90

X Noot
6

Kamerstukken II 2016–2017, 33 576 nr. 98

X Noot
7

Artikel 7, eerste lid, NSW

X Noot
8

Kamerstukken II 2016–2017, 33 576, nr. 98

X Noot
9

Artikel 4, eerste lid, onder k, en onderdeel A van de bijlage behorende bij artikel 1.1. van de Omgevingswet

X Noot
10

Artikel 4.1, eerste lid, van dit besluit

X Noot
11

Artikel 2, vijfde lid, NSW

X Noot
12

Artikel 4.1, tweede lid, van dit besluit

X Noot
13

Artikel 4.2 van dit besluit

X Noot
14

Artikel 4.3, eerste lid, van dit besluit

X Noot
17

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet

X Noot
18

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet

X Noot
19

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder III, van de Wegenwet

X Noot
20

Artikel 5, eerste lid, van de Wegenwet

X Noot
21

ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7552

X Noot
22

Artikelen 6:162, 6:169 tot en met 6:193 van het Burgerlijk Wetboek

X Noot
23

Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht