Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2020, 54435Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën van 27 oktober 2020, nr. WJZ/ 18182465, houdende aanwijzing van natuurtypen en landschapselementtypen als bedoeld in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 en wijziging van de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 (Regeling aanwijzing natuurtypen en landschapselementtypen Natuurschoonwet 1928)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Natuurschoonwet 1928 in samenhang met artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 en artikel 7, eerste en vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928;

Besluiten:

Artikel 1

Als natuurtypen en landschapselementtypen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 worden aangewezen de natuurtypen en landschapselementtypen, genoemd in kolom 1, onder de in kolom 2 genoemde beperkingen.

1

2

Natuurtypen en landschapselementtypen

Beperkingen

a. Rivieren

Beperkt tot de litorale zones van het wateroppervlak waarin nog zoveel zonlicht tot de bodem doordringt dat wortelende waterplanten zich hier kunnen vestigen, die grenzen aan of anderszins deel uitmaken van een gevarieerde oever zonder oeverbeschoeiing, met zowel flauwe als steile delen, en tijdelijke of permanente plas-dras zones.

b. Beken en bronnen

 

c. Stilstaande wateren

Beperkt tot de litorale zones van het wateroppervlak waarin nog zoveel zonlicht tot de bodem doordringt dat wortelende waterplanten zich hier kunnen vestigen, die grenzen aan of anderszins deel uitmaken van een gevarieerde oever zonder oeverbeschoeiing, met zowel flauwe als steile delen, en tijdelijke of permanente plas-dras zones.

d. Moerassen

 

e. Voedselarme venen en vochtige heiden

 

f. Droge heiden

 

g. Open duinen

 

h. Schorren of kwelders

 

i. Vochtige schraalgraslanden

 

j. Droge schraalgraslanden

 

k. Rijke graslanden en akkers

 

l. Groenblauwe landschapselementen

Beperkt tot het landschapsbeheertype

‘Poel en klein historisch water’

Artikel 2

De Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt ‘artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928’ vervangen door ‘artikel 7, vierde lid, onderdeel a, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928’.

B

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

Deze regeling berust op artikel 7, eerste en vierde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.

C

De bijlagen A en B worden vervangen door de bijlagen A en B bij deze regeling.

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 2020, 331) in werking treedt.

Artikel 4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing natuurtypen en landschapselementtypen Natuurschoonwet 1928.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 27 oktober 2020

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief

BIJLAGE A behorende bij artikel 1 van de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928

BIJLAGE B behorende bij artikel 2 van de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928

TOELICHTING

1. Inleiding

Het doel van de Natuurschoonwet 1928 (hierna: NSW) is om door middel van fiscale faciliteiten te stimuleren dat de eigenaren van landgoederen het landgoed in stand houden en daarmee een bijdrage leveren aan het behoud van het natuurschoon. Deze fiscale faciliteiten betreffen de erfbelasting, de schenkbelasting, de overdrachtsbelasting, de onroerendezaakbelasting, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Met betrekking tot de eerste twee faciliteiten gelden extra voordelen indien het landgoed is opengesteld.

Om natuurschoon in stand te houden is een systeem ontwikkeld waarin een onroerende zaak op verzoek door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën wordt aangemerkt (gerangschikt) als een landgoed, indien is voldaan aan de bij of krachtens de NSW gestelde voorwaarden. De NSW verstaat onder ‘landgoed’ een geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak – daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen – voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is. De voorwaarden voor NSW-rangschikking van een landgoed zijn nader uitgewerkt in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: Rangschikkingsbesluit).

De voorwaarden voor NSW-rangschikking hebben onder meer betrekking op de minimale oppervlakte van het landgoed, het minimale percentage natuurterreinen en de aard van die natuurterreinen. In artikel 1, eerste lid, onderdeel d, Rangschikkingsbesluit is bepaald dat de definitie van natuurterreinen invulling krijgt bij ministeriële regeling. De onderhavige regeling voorziet in het aanwijzen van natuurtypen en landschapselementtypen die vallen onder de definitie van natuurterreinen (artikel 1).

Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 te actualiseren (artikel 2).

2. Natuurtypen en landschapselementtypen

2.1 Algemeen

De in artikel 1 van onderhavige regeling aangewezen natuur- en landschapselementtypen zijn gebaseerd op de Index Natuur en Landschap die de provincies hanteren als basis voor hun natuurbeheerplannen1. De Index Natuur en Landschap beschrijft welk typen natuur, agrarische natuur en landschap in Nederland voorkomen. De Index Natuur en Landschap is een gemeenschappelijke, landelijk uniforme beschrijving van de typen natuur, landschap en agrarische natuur in Nederland. De Index Natuur en Landschap vervangt eerdere typeringen zoals de natuurdoeltypen van het handboek Natuurdoeltypen in Nederland2. Door de Index Natuur en Landschap als uitgangspunt te nemen sluit de omschrijving van natuurterreinen op grond van de NSW beter aan bij de definitie voor natuurterreinen die de provincies hanteren.

In de Index Natuur en Landschap is voor elk natuur- en landschapselementtype een algemene beschrijving opgenomen. Deze beschrijvingen zijn bedoeld om duidelijk te maken wat onder een type valt. Daarnaast geven de beschrijvingen een indruk van het voorkomen en geografische verspreiding van de beheertypen, de kenmerkende natuurwaarden en belangrijkste abiotische en ruimtelijke condities.

Gedeputeerde staten van de provincies nemen in hun subsidieverordeningen Natuur- en Landschapsbeheer de Index Natuur en Landschap deels of volledig integraal op. De toepassing van de Index Natuur en Landschap kan echter per provincie verschillen. De Index Natuur en Landschap wordt regelmatig geactualiseerd in nauwe samenwerking met het Interprovinciaal Overleg (de koepelorganisatie van de twaalf provincies) en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

De aanwijzing van de natuurtypen en landschapselementtypen in artikel 1 van onderhavige regeling heeft een eigenstandig karakter. Er kunnen dan ook geen rechten aan worden ontleend in het kader van het Subsidiestelsel Natuur- en Landschap, waarvan de subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer en de subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap van gedeputeerde staten van de provincies de juridische uitwerking zijn.

2.2 Selectie en voorwaarden natuur- en landschapselementtypen

Uitgezonderde natuur- en landschapselementtypen

Niet alle natuur- en landschapselementtypen uit de Index Natuur en Landschap kunnen (volledig) onder de definitie natuurterrein vallen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Rangschikkingsbesluit.

Allereerst heeft dit te maken met de uitvoeringssystematiek van de NSW. Diverse natuur- en landschapselementtypen, waaronder bijvoorbeeld vochtige en droge bossen, houtwallen, houtsingels, lanen en historische tuinen, vallen al onder de definitie van ‘houtopstanden’ en ‘buitenplaats’ zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen b en c, van het Rangschikkingsbesluit. Daarnaast zijn diverse typen ook als (deel van een) landgoed aan te merken op basis van artikel 5, eerste lid, van het Rangschikkingsbesluit.

Daarnaast kunnen sommige typen uit de Index Natuur en Landschap niet onder de definitie van natuurterrein in de zin van de NSW vallen, vanwege niet te verenigen doelstellingen.

De niet verenigbare doelstellingen hebben onder meer betrekking op de gronden die nog moeten worden omgevormd naar natuur. Het natuurtype ‘N00 Natuurtypen3’ uit de Index Natuur en Landschap heeft feitelijk tot doel het in beeld brengen van gronden die nog moeten worden omgevormd naar natuur. Door het vervallen met ingang van 1 januari 2021 van de mogelijkheid voor het rangschikken onder de Natuurschoonwet 1928 van landbouwgronden die aan de landbouw worden onttrokken ten behoeve van natuurontwikkeling en nog niet tot natuurterreinen zijn omgevormd, past voormeld feitelijk doel niet in laatstgenoemde beleidsdoelstelling.

Een ander voorbeeld is het natuurtype ‘N13 Vogelgraslanden’ uit de Index Natuur en Landschap, welk natuurtype natte en vochtige graslanden met primair een weidevogeldoelstelling, of graslandgebieden met een wintergastendoelstelling (zwanen, ganzen en eenden) omvat. Het zijn grootschalige open gebieden waar graslanden (met bepaalde vormen van agrarisch natuurbeheer) worden beheerd ten behoeve van grote aantallen vogels. Het past niet binnen de beleidsdoelstellingen van de Natuurschoonwet 1928 om deze in agrarisch (natuur)beheer zijnde gronden aan te merken als natuurterrein, omdat deze gronden de agrarische functie en de daarmee verbonden grondwaarde behouden.

Beperkingen bij aangewezen natuurtypen ‘Rivieren’ en ‘Stilstaande wateren’

Bij de in artikel 1 van deze regeling aangewezen natuurtypen ‘Rivieren’ en ‘Stilstaande wateren’ zijn in het kader van de uitvoering van de NSW beperkingen opgenomen. Deze beperkingen zijn opgenomen omdat anders deze natuurtypen te ruimhartig als natuurterrein binnen de NSW zouden worden gedefinieerd, zodat met toepassing van het gestelde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3, derde lid, onderdeel c, en zesde lid, van het Rangschikkingsbesluit (de minimale oppervlakte van het landgoed die bezet moet zijn met natuurterreinen of houtopstanden), onroerende zaken onder te eenvoudige condities te gemakkelijk als NSW-landgoed kunnen worden aangemerkt. In deze situatie zouden landgoederen grotendeels of in zijn geheel uit oppervlaktewater kunnen bestaan en dat past niet binnen de beleidsdoelstellingen van de NSW. De inspanningsverplichtingen tot het behoud van deze wateren staan in dit geval niet in verhouding tot de te verkrijgen fiscale faciliteiten op grond van de NSW. De ‘Rivieren’ en ‘Stilstaande wateren’ zijn beperkt tot de litorale zones van het wateroppervlak waarin nog zoveel zonlicht tot de bodem doordringt dat wortelende waterplanten zich hier kunnen vestigen, die grenzen aan een natuurlijke oever of anderszins hier deel van uitmaken. Een natuurlijke oever is gevarieerd, heeft geen oeverbeschoeiing en heeft zowel flauwe als steile delen en (tijdelijke) plas-dras zones.

De overige zones van het oppervlaktewater op het landgoed kunnen nog wel als tot een onroerende zaak behorende wateren die een aaneengesloten gebied vormen4, of waterpartijen of waterlopen die noodzakelijk zijn voor de waterhuishouding van de onroerende zaak5, worden aangemerkt.

Beperking bij aangewezen landschapselementtype ‘Groenblauwe landschapselementen’

Bij het in artikel 1 van deze regeling aangewezen landschapselementtype ‘Groenblauwe landschapselementen’ is in het kader van de uitvoering van de NSW een beperking opgenomen. Deze beperking houdt in dat uit dit landschapselementtype, vanwege de eerdergenoemde uitvoeringssystematiek van de NSW, enkel het landschapsbeheertype ‘Poel en klein historisch water’ als natuurterrein wordt aangewezen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, Rangschikkingsbesluit. Kleine wateren die tot poel of klein historisch water kunnen worden gerekend vallen niet onder het natuurtype ‘Stilstaande wateren’, gelet op de afbakening van dit natuurtype. Om deze kleine blauwe landschapselementen vanwege hun hoge natuurwaarde (onder meer als voorplantingsplaats voor amfibieën en insecten) in het kader van de NSW toch in het geheel als natuurterrein aan te kunnen merken, worden ze aangewezen in artikel 1.

3. Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in artikel 2 van de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 de verwijzing naar artikel 7, vierde lid, onder a, van het Rangschikkingsbesluit te actualiseren (artikel 2, onderdeel A, van deze regeling). Onderhavige regeling voorziet voorts in het opnemen van een nieuwe, aangepaste grondslag voor de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 (artikel 2, onderdeel B). De grondslag wordt nu gevormd door artikel 7, vierde lid, onder a, van het Rangschikkingsbesluit. Daarnaast zijn de bijlagen A en B bij de Regeling model beschrijving en beplantingsplan Natuurschoonwet 1928 vervangen door de bijlagen A en B bij onderhavige regeling omdat de bijlagen geactualiseerd moesten worden om beter aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk (artikel 2, onderdeel C).

4. Administratieve lasten en inwerkingtreding

Onderhavige regeling heeft geen gevolgen voor de regeldruk. Artikel 1 van de regeling is in hoge mate gelijk aan de regeling in het Rangschikkingsbesluit zoals die gold vóór 1 januari 2021. De in artikel 2 van de regeling opgenomen technische wijzigingen hebben geen gevolgen voor de regeldruk.

De inwerkingtredingsdatum van deze regeling hangt samen met de inwerkingtreding van het besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 2020, 331). De beoogde inwerkingtredingsdatum van het besluit van 31 augustus 2020, houdende wijziging van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 in verband met de evaluatie van de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 2020, 331) is 1 januari 2021.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief


X Noot
2

Handboek Natuurdoeltypen in Nederland (ISBN 90-75789-09-2), uitgegeven in opdracht van het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (Wageningen, 2001).

X Noot
3

Natuurtype ‘N00 Natuurtypen’ uit de Index Natuur en Landschap is onderverdeeld in typen ‘N00.01 Nog om te vormen naar natuur’ en ‘N00.02 Omvorming – Kwaliteitsimpuls’. https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/n00-natuurtypen/.

X Noot
4

Artikel 2, eerste lid, onderdeel b, Rangschikkingsbesluit.

X Noot
5

Artikel 5, eerste lid, onderdeel f, Rangschikkingsbesluit