Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 3 september 2020, nr. IENW/BSK-2020/167346, houdende regels inzake de verstrekking van een specifieke uitkering in verband met de ontwikkeling van een landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra (Regeling specifieke uitkering circulaire ambachtscentra 2020 – 2022)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet, de artikelen 3, eerste lid, aanhef en onder b, 4, eerste en tweede lid, en 5, aanhef en onderdelen a tot en met f en h, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, derde lid, 4, 6, zesde lid, 9, 10, tweede lid, 15, vijfde lid, en 23, vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

activiteitenplan:

overzicht van de activiteiten waarvoor een specifieke uitkering wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen, met de daarvoor benodigde personele en materiële middelen per activiteit;

circulair ambachtscentrum:

netwerk van organisaties die, al dan niet op één centrale locatie, duurzaam samenwerken om structureel hoogwaardig product- en materiaalhergebruik te realiseren en die voor dat doel opleidings- en werkplekken inzetten;

cofinanciering:

de getotaliseerde bijdrage van de medeoverheden;

minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

kaderbesluit:

Kaderbesluit subsidies I en M;

ontvanger:

gemeenten;

project:

activiteiten voor het opzetten van een circulair ambachtscentrum.

Artikel 2. Doelstelling

  • 1. Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van levensduurverlenging of structureel hoogwaardig product- en materiaalhergebruik en duurzame activatie van mensen om de hoeveelheid afval, en daarmee de CO2-uitstoot, te reduceren, door de ontwikkeling van een landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra te stimuleren.

  • 2. In een circulair ambachtscentrum worden ten minste drie van de volgende elementen in samenhang met elkaar gebracht:

    • 1°. kringloopwinkel;

    • 2°. milieustraat;

    • 3°. sociaal-maatschappelijke instelling;

    • 4°. reparatiewerkplaats of repair café;

    • 5°. werkplaats of makerplaats;

    • 6°. onderwijs;

    • 7°. alternatief element met betrekking tot het realiseren van structureel hoogwaardig product- en materiaalhergebruik en het daarvoor inzetten van opleidings- en werkplekken.

  • 3. In een circulair ambachtscentrum is sprake van ten minste één plaats die voor publiek toegankelijk is en die in ieder geval de functie heeft van verkooppunt van tweedehands goederen.

Artikel 3. Kaderbesluit subsidies I en M

De artikelen 6, 10, 11, 12, 14, 15, 17 tot en met 19, 21, 23, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 24, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn van overeenkomstige toepassing op een specifieke uitkering die op grond van deze regeling wordt verstrekt.

Artikel 4. Kosten die in aanmerking komen voor specifieke uitkering

  • 1. De minister kan een specifieke uitkering verlenen aan de ontvanger die een project uitvoert.

  • 2. Er wordt aan een ontvanger ten hoogste één specifieke uitkering verleend.

  • 3. Kosten die in aanmerking komen voor de verstrekking van een specifieke uitkering zijn voorbereidings- en uitvoeringskosten van het project.

Artikel 5. Kosten die niet in aanmerking komen voor specifieke uitkering

Op grond van deze regeling wordt geen specifieke uitkering verstrekt voor:

  • a. activiteiten waarvan redelijkerwijs aangenomen moet worden dan deze geen bijdrage leveren aan het doel, bedoeld in artikel 2;

  • b. activiteiten waarvoor reeds een specifieke uitkering of een andere financiële bijdrage door het Rijk is verstrekt;

  • c. grondaankopen;

  • d. huurkosten;

  • e. aankoop van gebouwen of meubilair;

  • f. btw, voor zover deze kosten in aanmerking komen voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-Compensatiefonds of verrekend kunnen worden.

Artikel 6. Uitkeringsplafond

Het uitkeringsplafond bedraagt € 500.000,–, inclusief btw.

Artikel 7. Hoogte van de uitkering

De uitkering bedraagt ten hoogste 50% van de kosten, bedoeld in artikel 4, tweede lid met een maximum van € 50.000,– per project.

Artikel 8. Aanvraag tot verlening

  • 1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag verstrekt.

  • 2. Een aanvraag van een specifieke uitkering wordt ingediend in de periode van 7 september tot en met 19 oktober.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;

    • b. een activiteitenplan;

    • c. een samenwerkingsovereenkomst;

    • e. een sluitende begroting waarin inzicht wordt gegeven in de cofinanciering.

Artikel 9. Activiteitenplan

Het activiteitenplan bevat:

  • a. een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de voorgestelde activiteiten een bijdrage leveren aan de doelen, bedoeld in artikel 2, en de beoogde resultaten;

  • b. een toelichting over de samenwerkingspartijen;

  • c. een tijdsplanning van de activiteiten.

Artikel 10. Rangschikking

  • 1. De minister verdeelt het beschikbare uitkeringsplafond in de volgorde van rangschikking.

  • 2. De minister beoordeelt de mate waarin een aanvraag een bijdrage levert aan de doelstelling van de specifieke uitkering conform de volgende criteria:

    • a. relevantie en impact van de aanvraag;

    • b. beschrijving plan en communicatie; en

    • c. commitment aanvrager en stakeholders.

  • 3. De criteria worden beoordeeld en gewogen conform bijlage 1 van deze regeling.

  • 4. Elk lid van de adviescommissie, bedoeld in artikel 11, beoordeelt de aanvragen afzonderlijk.

  • 5. De rangschikking van de aanvragen vindt plaats aan de hand van het gemiddelde van het aantal punten dat de leden van de adviescommissie aan de aanvraag hebben toegekend.

  • 6. Indien aan twee of meer projecten hetzelfde gemiddelde aantal punten is toegekend, wordt de rangschikking van die aanvragen onderling door middel van loting bepaald.

Artikel 11. Adviescommissie

  • 1. Er is een adviescommissie die belast is met adviseren van de minister over de aanvragen door middel van beoordeling en rangschikking, conform artikel 10.

  • 2. De adviescommissie bestaat uit zes leden:

    • a. twee leden van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waarvan één tevens de voorzitter is;

    • b. een lid van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

    • c. een lid van de Branchevereniging Kringloopbedrijven Nederland;

    • d. een lid van de Stichting Repair Café; en

    • e. een lid van de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD).

  • 3. De minister besluit over de verstrekking van de specifieke uitkering op basis van het advies van de adviescommissie en wijkt hier slechts om zwaarwegende redenen van af.

Artikel 12. Voorschotverlening en betaling

Gelijktijdig met het besluit tot verlening van de uitkering verleent de minister een voorschot ten bedrage van 100% van de specifieke uitkering.

Artikel 13. Voorwaarden

  • 1. De specifieke uitkering wordt verstrekt op basis van cofinanciering.

  • 2. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend.

Artikel 14. Verplichtingen

  • 1. De activiteiten waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt zijn uiterlijk gerealiseerd op de datum die daarvoor is aangegeven in de verleningsbeschikking.

  • 2. De ontvanger verstrekt jaarlijks voor het einde van het kalenderjaar feitelijke informatie over het verloop van het project op basis van de vragen in bijlage 2 van deze regeling.

  • 3. De minister kan bij het besluit tot verlening van een specifieke uitkering andere verplichtingen opleggen die de minister noodzakelijk acht ter verwezenlijking van het doel van de specifieke uitkering en deze regeling.

  • 4. Na afronding van het project waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt, stelt de ontvanger binnen 3 maanden de ervaringen en de resultaten ervan aan overige leden van het leernetwerk ter beschikking.

  • 5. De ontvanger verleent binnen een door de minister te stellen termijn medewering aan een door hem ingesteld evaluatieonderzoek dat ertoe strekt te beoordelen om het effect van deze regeling in beeld te kunnen brengen.

Artikel 15. Verantwoording

De ontvanger legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 16. Vaststelling

  • 1. De minister stelt de specifieke uitkering vast op het bedrag dat is bepaald in de verlening indien de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend geheel zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 13, en aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 14.

  • 2. De minister stelt de specifieke uitkering vast op een lager bedrag dan dat is bepaald in de verleningsbeschikking indien de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden conform de voorwaarden bedoeld in artikel 13, en de verplichtingen, bedoeld in artikel 14.

Artikel 17. Terugvordering

De minister kan onverschuldigde betaalde bedragen en voorschotten terugvorderen voor zover na de dag waarop de beschikking waarbij de specifieke uitkering is vastgesteld is bekendgemaakt, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 18. Evaluatieverslag

De minister publiceert uiterlijk 1 juli 2024 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de uitkering in de praktijk.

Artikel 18. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering circulaire ambachtscentra.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

BIJLAGE 1, BEHOREND BIJ ARTIKEL 10, DERDE LID, VAN DE REGELING SPECIFIEKE UITKERING CIRCULAIRE AMBACHTSCENTRA 2020 – 2022

Voor elk onderdeel kunnen maximaal 5 punten worden behaald:

Aantal punten

Omschrijving

1 punt – slecht

Dit onderdeel is niet goed beschreven en er zitten ernstige tekortkomingen in de aanvraag.

2 punten – redelijk

De aanvraag adresseert in grote lijnen het onderdeel, maar er zijn ernstige tekortkomingen.

3 punten – goed

De aanvraag adresseert het onderdeel goed, maar er is een aantal tekortkomingen.

4 punten – heel goed

De aanvraag adresseert het onderdeel heel goed, maar er zijn een paar kleine tekortkomingen.

5 punten – uitstekend

De aanvraag adresseert het onderdeel uitstekend. Als er tekortkomingen zijn, dan zijn die verwaarloosbaar.

Criteria en puntenverdeling projecten circulaire ambachtscentra

   

1. Relevantie en impact van de aanvraag

Punten

Weging

1a. Hoogwaardig hergebruik

Er wordt een goede omschrijving gegeven van de werkwijze die leidt tot afvalvermindering en de toename van product- en materiaalhergebruik.

5 punten

3

1b. Elementen

In het plan worden minimaal drie elementen, genoemd in artikel 2, tweede lid, betrokken. Ook wordt hier benoemd op welke wijze en in hoeverre zij al betrokken zijn. De inzet van de elementen is hierbij leidend, niet de hoeveelheid betrokken elementen.

5 punten

2

Maximum:

25 punten

2. Beschrijving plan en communicatie

   

2a. Leren in de praktijk

Het plan bevat een beschrijving van de uit te voeren pilots om praktijkervaring op te doen.

5 punten

2

2b. Communicatieplan

De aanvraag bevat een communicatieplan waarin bondig wordt omschreven hoe men zal communiceren met bewoners, stakeholders en het leernetwerk.

5 punten

1

Maximum:

15 punten

3. Commitment aanvrager en stakeholders

   

3a. Bestuurlijk commitment

Op welke wijze is de gemeente aangehaakt? Is er vanuit de gemeente reeds een visie opgesteld en is er bestuurlijk commitment voor het project?

5 punten

1

3b. Stakeholder commitment

Op welke wijze zijn andere partijen uit het consortium betrokken en op welke wijze is hun commitment vastgelegd?

5 punten

1

Maximum:

10 punten

     

Maximum totaalscore:

50 punten

BIJLAGE 2, BEHOREND BIJ ARTIKEL 14, TWEEDE LID, VAN DE REGELING SPECIFIEKE UITKERING CIRCULAIRE AMBACHTSCENTRA 2020 – 2022

Terugblik projectactiviteiten

  • Samenwerking met partners

  • Bereikte doelen op het gebied van producthergebruik

  • Ervaringen op het gebied van leer- werkplekken

  • Absolute aanraders voor andere gemeenten

  • Belangrijkste leerpunten (wat zouden jullie met de kennis van nu anders hebben gedaan?)

Vooruitblik

  • Hoe geven jullie vervolg aan het project na de looptijd van 2 jaar?

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Aanleiding en doel van de specifieke uitkering

De weggooimaatschappij (oftewel de lineaire economie) biedt geen langetermijnperspectief wanneer het gaat om het duurzaam gebruik van grondstoffen en materialen. De ambitie van het kabinet is om samen met maatschappelijke partners in 2030 een (tussen)doel te realiseren van 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen). Deze ambitie is verankerd in het rijksbrede programma Circulaire Economie (2016) en concreet gemaakt in het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie (2019). Het icoonproject Circulaire Ambachtscentra is hierin opgenomen om op het gebied van consumptiegoederen bij te dragen aan meer producthergebruik waardoor de hoeveelheid afval, en daarmee de CO2-uitstoot, wordt gereduceerd. Door een bijdrage te leveren aan het activeren van mensen op het gebied van circulaire economie en de sociale agenda op lokaal niveau ten opzichte van bijvoorbeeld leer- en werkplekken en (re)integratie in de arbeidsmarkt, bevorderen de circulaire ambachtscentra de verankering van de circulaire economie in de maatschappij. Het doel is in 2030 een landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra te hebben.

Een circulair ambachtscentrum is een netwerk van organisaties die, al dan niet op één centrale locatie, duurzaam samenwerken om structureel hoogwaardig product- en materiaalhergebruik te realiseren en die voor dat doel opleidings- en werkplekken inzetten. In de praktijk betekent dit een bundeling van kringloopwinkel, repair café, milieustraat of eventuele andere initiatieven die kunnen bijdragen aan deze doelen.

Gemeenten in Nederland hebben zich verschillend ontwikkeld op het gebied van afvalinzameling en recycling. Bijna elke gemeente kent een milieustraat, kringloopwinkel en een repair café of reparatiewerkplaats, en heeft praktijkgerichte opleidingen, maar nog niet overal worden deze krachten gebundeld. Juist die bundeling wordt in het circulaire ambachtscentrum nagestreefd, met als doel de levensduur van producten te verlengen en de uitstoot van CO2 te reduceren. Ook is het in een circulair ambachtscentrum mogelijk om leerwerkplekken te creëren in samenwerking met het onderwijs en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een werkplek te bieden. Zo kunnen ‘circulaire vaardigheden’ een prominente rol gaan spelen in de kringloopeconomie en ontstaat er een win-winsituatie die ook onderschreven wordt in het rapport ‘Circulaire economie in kaart’ van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Op basis van deze regeling draagt het Rijk financieel bij aan het realiseren van nieuwe samenwerkingsverbanden om nieuwe circulaire ambachtscentra op te zetten.

De noodzaak voor de specifieke uitkering

Met het opzetten van circulaire ambachtscentra wordt een efficiëntieslag gemaakt door de bundeling van krachten van de diverse betrokkenen op het gebied van afvalbeheer, waardoor er minder bruikbare producten en grondstoffen verloren gaan. Om dit resultaat mogelijk te maken zijn rijksmiddelen op korte termijn noodzakelijk. Daarom is al in 2019 budget beschikbaar gesteld in de vorm van een prijsvraag om juist de samenwerking te versterken op het gebied van scheiden, repareren en hergebruik. Gemeenten hebben de mogelijkheid gekregen om hun plan in te leveren voor het opstarten of doorontwikkelen van een circulair ambachtscentrum.

Verschillende gemeenten zijn naar aanleiding van de prijsvraag van 2019 aan de slag gegaan met het ontwikkelen van een circulair ambachtscentrum. De uitdagingen die zij in de praktijk zijn tegengekomen zijn gebruikt om deze regeling vorm te geven. Door in meer gemeenten te experimenteren wordt meer kennis gegenereerd over welke uitvoeringsvorm van het circulaire ambachtscentrum het meest haalbaar is om verder uit te werken.

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wilt in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Branchevereniging Kringloopbedrijven Nederland (BKN), de Stichting Repair Café en de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD) gemeenten ondersteunen met de ontwikkeling van hun circulair ambachtscentrum.

Gelet op de voorwaarden die gesteld worden aan de projecten, is een specifieke uitkering het geschikte instrument om de financiële ondersteuning vorm te geven. Vanwege de opstartende fase waarin het opzetten van circulaire ambachtscentra verkeert, is het onder andere van belang dat partijen leerervaringen delen en dat zij deelnemen aan onderzoek(en) die de voortgang zullen meten. Als deze voorwaarden niet gesteld kunnen worden, is het niet zeker van dat er voldoende ervaring opgehaald zal worden om een succesvol landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra te creëren in 2030. Het stellen van voorwaarden is daarom noodzakelijk voor dit doel.

Verhouding tot bestaande regelgeving

Op grond van deze regeling worden specifieke uitkeringen verstrekt aan gemeenten voor de realisering van circulaire ambachtscentra. In artikel 4.21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat titel 4.2 (Subsidies) van die wet niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld, zoals gemeenten.

Artikel 2 van de Kaderwet subsidies I en M wijkt af van artikel 4.21, derde lid, van de Awb en bepaalt dat titel 4.2 van die wet wel van toepassing is op financiële middelen die worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Om die reden is titel 4.2 van de Awb van toepassing op deze regeling. Hierin zijn bepalingen opgenomen die relevant zijn of kunnen zijn voor de ontvangers zoals de artikelen 4:46 Awb (subsidievaststelling) en 4:57 Awb (terugvordering).

Omdat op grond van deze regeling specifieke uitkeringen worden verstrekt is naast de Kaderwetsubsidies I en M en de Awb ook de Financiële-verhoudingswet van toepassing. In artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet is de wijze van verantwoording van de specifieke uitkering geregeld.

Regeldrukgevolgen

De verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering is vormgegeven in de voor de gemeenten bekende methodiek van het gemeentefonds en de SiSa-verantwoording (‘single information, single audit’) conform artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Dit leidt tot de minste uitvoeringslasten voor zowel de gemeenten als voor de Rijksoverheid.

De administratieve lasten voor gemeenten met betrekking tot de tussentijdse en eindrapportages zijn vooral een tijdsinvestering van betrokken medewerkers.

Consultatie

Er heeft geen internetconsultatie plaatsgevonden, omdat hier sprake is van een ministeriële regeling die geen significante veranderingen brengt in rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen noch grote gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk. Overeenkomstig het kabinetsstandpunt inzake internetconsultatie (Kamerstukken II 2009/10, 292749, nr. 114 en Kamerstukken II 2012/13, 29 362, nr. 224) is de internetconsultatie daarom achterwege gebleven.

In de aanloop naar de totstandkoming van deze regeling is op hoofdlijnen overleg gevoerd met de VNG. De VNG staat positief tegenover de mogelijkheid een specifieke uitkering aan te vragen. De toegevoegde waarde van internetconsultatie is daarom als gering in te schatten.

Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het beleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep (gemeenten) gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2024 met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een uitkering die krachtens deze regeling is verstrekt.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepaling

Artikel 1 bevat de begripsbepalingen die van belang zijn voor deze regeling.

Artikel 2. Doelstelling

Het doel van deze specifieke uitkering is het bevorderen van de ontwikkeling van een landelijk dekkend netwerk van circulaire ambachtscentra om door structureel hoogwaardig product- en materiaalhergebruik en duurzame activatie van mensen de hoeveelheid afval, en daarmee de CO2-uitstoot, te reduceren.

In het tweede en derde lid van dit artikel is beschreven waar een circulair ambachtscentrum aan moet voldoen voordat het project tot het opzetten ervan voor een specifieke uitkering in aanmerking kan komen. In het tweede lid, onderdelen 1° tot en met 6° worden elementen opgesomd waarvan de combinatie in een circulair ambachtscentrum waardevol is gebleken. In onderdelen 5° en 6° gaat het om de synergie te creëren met onderwijs en werkgelegenheid. Er zijn bij veel kringloopbedrijven van oudsher werkplekken beschikbaar voor mensen met een kwetsbare arbeidspositie. Wanneer er meer producten binnenkomen die beoordeeld moeten worden op herbruikbaarheid en eventueel opgeknapt of gerepareerd dienen te worden, kan hierbij juist die groep mensen een bijdrage leveren en betrokken worden bij het arbeidsproces. Daarnaast kunnen ook scholen betrokken worden bij het bedenken van (nieuwe) mogelijkheden voor afgedankte producten en bij het werken met tweedehands materialen. De betrokken partijen kunnen elk op hun eigen wijze, vanuit hun specifieke expertise, bijdragen aan de kennis over materiaal- en producthergebruik en maatschappelijke kansen. De betrokkenheid van deze elementen kan bijdragen aan het verankeren van de circulaire economie in de dagelijkse leven. Met de bepaling in onderdeel 7° wordt er ruimte voor de aanvrager geboden om een innovatief element aan het project toe te voegen.

Artikel 3. Kaderbesluit subsidies I en W

Op grond van artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn de artikelen van dat besluit van overeenkomstige toepassing verklaard op de onderhavige regeling voor het verlenen van specifieke uitkeringen aan provincies. Op deze manier kan het reguliere stramien voor de verlening van subsidies worden aangehouden.

Artikel 4. Kosten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering

In het eerste lid is opgenomen dat een specifieke uitkering kan worden verleend voor de uitvoering van een project.

In het tweede lid wordt bepaalt dat per ontvanger (gemeente) maar één specifieke uitkering wordt verleend.

In het derde lid wordt duidelijk gemaakt dat alleen voorbereidings- en uitvoeringskosten van het project in aanmerking komen voor een specifieke uitkering. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het verkennen van de hergebruikmogelijkheden voor verschillende productgroepen of hoe kunnen de milieudoelen of -ambities het beste worden gekoppeld aan ambities op het sociale domein zodat de circulaire economie beter wordt verankerd in de maatschappij.

Artikel 5. Kosten die niet in aanmerking komen voor een specifieke uitkering

In dit artikel zijn de kosten omschreven die niet in aanmerking komen voor een specifieke uitkering, zoals fysieke investering (gebouwen en meubilair, grondaankopen), btw en activiteiten waarvoor al een financiële bijdrage (specifieke uitkering, subsidie of bijdrage in het kader van de prijsvraag in 2019) door het Rijk is verstrekt.

Artikel 6. Uitkeringsplafond

Het subsidieplafond voor deze prijsvraag is vastgesteld op € 500.000,– inclusief btw. Daarvan wordt per beschikking het door gemeenten opgegeven btw-deel afgedragen aan het BTW-Compensatiefonds.

Artikel 7. Hoogte van de uitkering

In dit artikel wordt bepaald dat de maximale bijdrage 50% van de kosten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering, met een maximum van € 50.000,– euro per project, bedraagt. Dit bedrag is inclusief btw. De 50% bijdrage is bewust gekozen, zodat zoveel mogelijk plannen voor circulaire ambachtscentra kunnen worden ontwikkeld van het beschikbare rijksgeld. Dit betekent dat de aanvrager voor de overige 50% financiering moet zorgen.

Artikel 8. Aanvraag tot verlening

In de derde lid zijn de documenten opgenomen die met de aanvraag moeten worden ingeleverd. Zo dient de aanvraag via het digitaal beschikbaar gesteld formulier te worden ingediend. De aanvraag dient verder het gehele projectplan, de samenwerkingsovereenkomst en een sluitende begroting waarin inzicht wordt gegeven in de cofinanciering te bevatten. De samenwerkingsovereenkomst is van belang omdat er nauw samengewerkt moet worden tussen de gemeente(n) en de uitvoerende partijen van het ambachtscentrum. De gemeente dient duidelijk betrokken te zijn. Het staat gemeenten vrij om onderling te komen tot een gezamenlijk project, maar de specifieke uitkering wordt alleen verstrekt aan de aanvragende gemeente.

Artikel 9. Activiteitenplan

Dit artikel geeft aan welke eisen aan een activiteitenplan worden gesteld.

Artikel 10 en 11. Rangschikking en adviescommissie

In het eerste lid wordt bepaald dat het beschikbare bedrag wordt verdeeld op basis van rangschikking. Die rangschikking vindt plaats op basis van de punten die door middel van een beoordeling aan de aanvraag worden toegekend.

Deze regeling werkt met beoordelingscriteria om punten toe te kennen aan projecten en daarmee de rangschikking op te stellen. De beoordelingscriteria zijn zo gekozen dat ze het mogelijk maken om een oordeel te vellen over de kwaliteit van een projectvoorstel op alle relevante aspecten.

In bijlage 1 bij deze regeling zijn de criteria en de weging daarvan weergegeven. Van groot belang bij deze regeling is het bevorderen van hoogwaardig hergebruik. Dat betekent dat er zoveel mogelijk wordt gekeken naar de doelen waarvoor het product gemaakt is. Is hergebruik voor dat doel niet meer mogelijk, dan wordt het materiaal zoveel mogelijk hergebruikt voor andere toepassingen en slechts als allerlaatste optie is ‘restafval’ in beeld.

In het project dienen de aanvragers een goede omschrijving te geven van de beoogde werkwijze die leidt tot afvalvermindering en de toename van product- en materiaalhergebruik. Ook worden er minimaal drie van de in artikel 2, tweede lid, genoemde elementen betrokken en dient te worden benoemd op welke wijze en in hoeverre zij al betrokken zijn. De toewijding van de elementen is hierbij leidend, niet de hoeveelheid betrokken elementen.

Gescoord kan verder worden op de beschrijving van het plan en de communicatie. De bijbehorende deelonderwerpen zijn “leren in de praktijk”. Uit het project moet duidelijk blijken hoe de pilots om praktijkervaring op te doen worden ingevuld. Uit het communicatieplan moet worden afgeleid hoe men zal communiceren met bewoners uit de gemeente(n), stakeholders en het leernetwerk.

Tot slot kunnen punten behaald worden voor het bestuurlijk en stakeholder commitment. In dit gedeelte van het project zal worden beschreven hoe de gemeente en andere partijen zijn aangehaakt.

De minister wordt voor de beoordeling van de aanvragen ondersteund door een adviescommissie. De adviescommissie kent punten toe op elk onderdeel van de beoordelingscriteria

Een adviescommissie bestaand uit zes leden is belast met het beoordelen van de aanvragen en het adviseren van de minister daarover. De commissie bestaat uit twee leden van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (de voorzitter is werkzaam bij Rijkswaterstaat) en leden van alle betrokken belangenorganisaties.

Artikel 12. Voorschotverlening en betaling

Als de minister tot verlening besluit, wordt er een voorschot van 100% van de specifieke uitkering betaald.

Bij de vaststelling zal uiteraard worden nagegaan of dit bedrag terecht is uitgekeerd en zal zo nodig (gedeeltelijk) worden teruggevorderd.

Artikel 13. Voorwaarden

De specifieke uitkering wordt verstrekt op basis van cofinanciering en mag uitsluitend worden besteed aan de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.

Artikel 14. Verplichtingen

In het eerste lid wordt bepaald dat de activiteiten waarvoor een specifieke uitkering wordt verstrekt uiterlijk gerealiseerd zijn op de in de verleningsbeschikking opgenomen datum. Er wordt doorgans een periode van twee jaar voor de realisatie van die activiteiten in de verleningsbeschikking opgenomen.

In het tweede lid wordt bepaald dat de ontvanger jaarlijks feitelijke informatie over het verloop van het project verstrekt. Deze voortgangsrapportages dienen de kennisontwikkeling over en van ambachtscentra. Van de ontvanger wordt daarom verwacht dat hij inzicht geeft in de resultaten die met het project bereikt worden alsmede in de uitdagingen die zich voordoen en inzichten die met het project worden bereikt. Met deze rapportages wordt bijvoorbeeld informatie gevraagd over de organisatie van het hergebruik, werkgelegenheid en onderwijs. Er wordt geen financiële informatie gevraagd, want deze informatiestroom verloopt via de SiSa-sytematiek.

Naar aanleiding van het ingediende project en de beschikking zullen afspraken gemaakt worden over hoe en waarover gerapporteerd wordt. Hiermee wordt per project maatwerk geleverd en worden de bestuurlijke lasten voor de ontvangers zo laag mogelijk gehouden.

In verband met het belang om te leren van de projecten waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt, is de verplichting opgenomen om de resultaten van de projecten aan een ieder beschikbaar te stellen. Deze kennis wordt op de website www.circulairambachtscentrum.nl gedeeld.

In het vijfde lid ten slotte wordt de verplichting gesteld dat de ontvangers medewerking verlenen aan het uit te voeren evaluatieonderzoek om het effect van deze regeling in beeld te brengen.

Dit monitoringsonderzoek start in 2020 en wordt uitgevoerd door een nog te bepalen partij in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (in de praktijk: Rijkswaterstaat).

Artikel 15 en 16. Verantwoording en vaststelling

De verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet verloopt via SiSa-systematiek. Er worden dus geen aparte verantwoordingen gemaakt en ook geen aparte accountantsverklaringen afgelegd.

Na afronding van de maatregelen waarvoor een uitkering is verstrekt of in ieder geval na afloop van de uiterste termijn om die maatregelen af te ronden beslist de minister aan de hand van de verantwoording over de vaststelling van de specifieke uitkering. Deze kan op een lager bedrag (waaronder op nihil) worden vastgesteld als het project niet volgens plan is uitgevoerd of niet aan de andere verplichtingen of voorwaarden van de verlening is voldaan. Als de specifieke uitkering lager is vastgesteld, zullen de onverschuldigde bedragen door de minister worden teruggevorderd.

Artikel 17. Terugvordering

Bij een lagere vaststelling van de specifieke uitkering, wordt het onverschuldigd betaalde deel teruggevorderd. Terugvordering kan plaatsvinden binnen vijf jaren na de vaststelling.

Artikel 18. Inwerkingtreding en vervaldatum

Hiervoor wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

Naar boven