Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 46176Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 28 augustus 2020, nr. PO/17898051, houdende regels voor de voorzieningenplanning bij scholen in het primair onderwijs (Regeling voorzieningenplanning po 2021)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 74, vierde lid, 74a, eerste, derde en zevende lid, 75, tweede lid, 84a, tweede lid, 170, vijfde lid en 194e, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvrager:

bevoegd gezag dat bij de minister een aanvraag indient voor bekostiging van een openbare of een bijzondere school;

basisgeneratie:

het totaal aantal kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar, vermeerderd met 30 procent van het aantal kinderen in de leeftijd van 12, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek;

belangstellingsmeting:

belangstellingsmeting als bedoeld in artikel 74a van de wet;

bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in de wet;

DUO:

Dienst Uitvoering Onderwijs;

minister:

Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

nevenvestiging:

nevenvestiging als bedoeld in de wet;

ouder:

ouder als bedoeld in de wet;

samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband als bedoeld in de wet;

school:

basisschool als bedoeld in de wet;

stichtingsnorm:

stichtingsnorm als bedoeld in artikel 76 van de wet;

voedingsgebied:

voedingsgebied als bedoeld in artikel 74a, tweede lid, onderdeel b, van de wet;

wet:

Wet op het primair onderwijs.

Artikel 2. Beschikbaar stellen gegevens over voedingsgebied nieuwe school

DUO stelt een overzicht van de viercijferige postcodegebieden die behoren tot het voedingsgebied via de elektronische weg beschikbaar aan de aanvrager.

Artikel 3. Melding voorgenomen aanvraag tot bekostiging

  • 1. Het bevoegd gezag maakt melding van een voorgenomen aanvraag als bedoeld in artikel 75, tweede lid, van de wet, tussen 1 juni tot en met 30 juni in het kalenderjaar van de aanvraag, bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de wet.

  • 2. De melding bevat de volgende gegevens:

    • a. naam van de contactpersoon;

    • b. correspondentieadres;

    • c. telefoonnummer van de contactpersoon;

    • d. e-mailadres van de contactpersoon;

    • e. KVK-nummer van de rechtspersoon;

    • f. naam van de rechtspersoon;

    • g. viercijferige postcode van de beoogde plaats van vestiging;

    • h. methode van de belangstellingsmeting;

    • i. naam van de school; en

    • j. korte beschrijving van het onderwijskundig concept van de school van ten hoogste 2000 tekens.

  • 3. De gegevens in het tweede lid, de onderdelen f tot en met j, worden openbaar gemaakt op de website www.duo.nl.

  • 4. Publicatie op de website www.duo.nl geschiedt slechts indien de gegevens voor 1 juli volledig zijn aangeleverd.

  • 5. De melding van de voorgenomen aanvraag tot bekostiging wordt gedaan in het digitale portaal via de website www.duo.nl.

Artikel 4. Aanvraag tot bekostiging

  • 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de wet, bevat naast de gegevens, genoemd in artikel 74, eerste, tweede en derde lid van de wet de volgende gegevens:

    • a. naam van de contactpersoon;

    • b. correspondentieadres;

    • c. telefoonnummer van de contactpersoon;

    • d. e-mailadres van de contactpersoon;

    • e. naam van de rechtspersoon;

    • f. statuten van de rechtspersoon;

    • g. namen van de bestuursleden;

    • h. namen van de leden van het interne toezicht;

    • i. naam van de school;

    • j. viercijferige postcode van de beoogde plaats van vestiging;

    • k. gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel; en

    • l. beschrijving van het onderwijskundig concept in ten hoogste 3000 tekens.

  • 2. Uit het document, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel c, van de wet, blijkt dat in de periode van 15 september in het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag en 15 september van het kalenderjaar van de aanvraag de in dat artikel bedoelde partijen zijn uitgenodigd om te overleggen.

  • 3. De aanvraag tot bekostiging wordt ingediend in het digitale portaal via de website www.duo.nl.

Artikel 5. Verklaring omtrent het gedrag

  • 1. De verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel d, van de wet, is afgegeven volgens het screeningsprofiel onderwijs.

  • 2. De verklaring omtrent het gedrag wordt zowel via het digitale portaal, bedoeld in artikel 4, derde lid, als in originele vorm aan DUO verstrekt.

Artikel 6. Nadere regels belangstellingsmeting

  • 1. De correctiefactor, bedoeld in artikel 74a, derde lid, onderdeel a, letter z en onderdeel b, letter z, van de wet, is 0,7.

  • 2. Indien sprake is van een overlappend voedingsgebied als bedoeld in artikel 74a, zesde lid, van de wet, voert de minister de vermindering na 1 november van het kalenderjaar van de aanvraag uit en wordt dit opgenomen in het besluit, bedoeld in artikel 75, derde lid, van de wet.

  • 3. De aantallen, bedoeld in artikel 74a, derde lid, onderdeel a, letters x en w, en onderdeel b, letter w, van de wet, stelt DUO vanaf 1 juli in het jaar van aanvraag beschikbaar aan de aanvrager.

Artikel 7. Geldigheid ouderverklaringen

  • 1. De ouderverklaring, bedoeld in artikel 74a, eerste lid, van de wet, wordt door de ouder ingediend via de website www.duo.nl in de periode van 1 juli tot en met 15 oktober in het kalenderjaar van de aanvraag.

  • 2. Na indiening van de aanvraag kan daarvoor geen ouderverklaring meer worden ingediend.

  • 3. De ouder kan de ouderverklaring uiterlijk op 15 oktober, bedoeld in het eerste lid, intrekken. Deze maakt dan geen onderdeel meer uit van de belangstellingsmeting.

  • 4. Na indiening van de aanvraag kan de ouderverklaring niet meer worden ingetrokken.

  • 5. Indien de aanvrager een melding van een voorgenomen aanvraag intrekt, vervallen de hierbij behorende ingediende ouderverklaringen.

  • 6. De ouder kan in een volgend kalenderjaar opnieuw een ouderverklaring als bedoeld in artikel 74a, eerste lid, van de wet ten aanzien van hetzelfde kind indienen, indien de aanvraag waarvoor eerder een ouderverklaring is ingediend:

    • a. wel is gemeld, maar niet is ingediend; of

    • b. onherroepelijk is afgewezen.

  • 7. Vanaf 15 oktober in het jaar van de aanvraag stelt DUO aan de aanvrager het aantal geldige ouderverklaringen beschikbaar.

Artikel 8. Uitzonderingssituaties toepassing marktonderzoek

  • 1. Een marktonderzoek als bedoeld in artikel 74a, eerste lid, van de wet, is uitsluitend toegestaan indien:

    • a. in het viercijferig postcodegebied van de beoogde plaats van vestiging een groei van ten minste 30% in het aantal leerlingen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar wordt verwacht tussen het kalenderjaar waarin het marktonderzoek plaatsvindt en het tiende kalenderjaar daaraanvolgend; of

    • b. met een beroep op artikel 77 van de wet een aanvraag tot bekostiging van een openbare school wordt ingediend.

  • 2. Bij het aantonen van een groei als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gebruikt het bevoegd gezag in ieder geval gegevens verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek en een voorspelling van de gemeente ten aanzien van de woningbouw waar het betreffende viercijferig postcodegebied in is gelegen.

Artikel 9. Nadere regels marktonderzoek

  • 1. Een marktonderzoek als bedoeld in artikel 74a, eerste lid, van de wet, wordt schriftelijk uitgevoerd, waarbij de anonimiteit van de ondervraagden wordt gegarandeerd.

  • 2. Per kind vult de ouder een vragenlijst in.

  • 3. Het marktonderzoek inventariseert de voorkeur van de ondervraagden voor een school doordat de ondervraagden een keuze kunnen maken uit de bestaande scholen binnen het voedingsgebied en de school waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 4. Het marktonderzoek heeft als hoofdvraag ‘Op welke gepresenteerde school zou u uw kind inschrijven?’.

  • 5. De vraagstelling en de informatie die voorafgaand aan en tijdens het marktonderzoek wordt verstrekt door het onderzoeksbureau, is ten aanzien van scholen als bedoeld in het derde lid, op dezelfde wijze vormgegeven en gepresenteerd, neutraal opgesteld en op geen enkele wijze sturend.

  • 6. De informatie die wordt verstrekt per school, bedoeld in het derde lid, is in ieder geval voorzien van de naam van de school, de naam van het bevoegd gezag, een website van de school, en de plaats of de beoogde plaats van vestiging, door middel van een viercijferige postcode. De informatie voor de school waarop de aanvraag betrekking heeft omvat tevens een korte beschrijving van het onderwijskundig concept van de school.

  • 7. Voor controle door de minister op de juistheid van de berekeningen levert het bevoegd gezag een volledig onderzoeksrapport aan, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:

    • a. een beschrijving van de gebruikte onderzoeksmethode, met daarin opgenomen op welke wijze tot een aselecte groep van ondervraagden is gekomen, hoe de representativiteit van de ondervraagden is geborgd, hoe de data zijn geanalyseerd, inclusief de berekening van het belangstellingspercentage, het totale aantal ondervraagden, het totale aantal reacties, het aantal reacties per school en de beperkingen van het onderzoek;

    • b. een beschrijving van de wijze waarop ondervraagden benaderd zijn, inclusief correspondentie aan ondervraagden;

    • c. de vragenlijst zoals voorgelegd aan ondervraagden;

    • d. de informatie over de scholen, bedoeld in het derde lid, zoals gepresenteerd aan ondervraagden; en

    • e. de periode waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden.

  • 8. Het minimale aantal leerlingen, bedoeld in artikel 74a, derde lid, onderdeel b, letter y, van de wet, ten aanzien van wie is aangegeven dat er belangstelling is voor de school waar de aanvraag betrekking op heeft, is 5.

  • 9. Indien de onderzoekspopulatie, bedoeld in artikel 74a, vijfde lid, onderdeel a, van de wet, minder dan 5.000 leerlingen bedraagt, is het minimale aantal leerlingen ten aanzien van wie aan het marktonderzoek is deelgenomen, bedoeld in artikel 74a, derde lid, onderdeel b, letter x, van de wet, 10% van de onderzoekspopulatie. Indien de onderzoekspopulatie 5.000 of meer leerlingen bedraagt, is het minimale aantal leerlingen ten aanzien van wie aan het marktonderzoek is deelgenomen, bedoeld in artikel 74a, derde lid, onderdeel b, letter x, van de wet, 500.

Artikel 10. Verzelfstandiging

  • 1. Indien sprake is van verzelfstandiging als bedoeld in artikel 84a, eerste lid, van de wet:

    • a. is artikel 3, eerste en tweede lid, met uitzondering van de onderdelen f, g en i van overeenkomstige toepassing;

    • b. is artikel 4, eerste lid, met uitzondering van de onderdelen j en l, van overeenkomstige toepassing; en

    • c. is de aanvraag voorzien van een prognose, bedoeld in het derde en vierde lid.

  • 2. Het aantal leerlingen op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is van het overblijvende deel van de school minimaal de opheffingsnorm en van de te verzelfstandigen vestiging minimaal de stichtingsnorm.

  • 3. Het verwachte aantal leerlingen, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b en c, van de wet, van het overblijvende deel van de school wordt berekend door het optellen van het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied, waaruit het overblijvende deel van de school op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn leerlingen betrekt. Het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied wordt berekend overeenkomstig de formule e = (f / g) * h, waarbij:

    • e = het verwachte aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school per betreffende viercijferig postcodegebied;

    • f = het aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school op 1 oktober voorafgaande aan het jaar van de aanvraag woonachtig in het betreffende viercijferig postcodegebied;

    • g = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari van het jaar van aanvraag;

    • h = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari in elk van de 10 jaren na het moment van de verzelfstandiging.

  • 4. Het verwachte aantal leerlingen, bedoeld in artikel 84a, tweede lid, onderdeel b en onderdeel c, van de wet, van de school die na verzelfstandiging ontstaat, wordt berekend door het optellen van het verwachte aantal leerlingen per viercijferig postcodegebied waaruit de te verzelfstandigen vestiging op 1 oktober in het jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn leerlingen betrekt. Het verwachte aantal leerlingen wordt per viercijferig postcodegebied wordt berekend overeenkomstig de formule i = (j / k) * l, waarbij:

    • i = het verwachte aantal leerlingen van de te verzelfstandigen vestiging per betreffende viercijferig postcodegebied;

    • j = het aantal leerlingen van de te verzelfstandigen vestiging op 1 oktober voorafgaande aan het jaar van de aanvraag woonachtig in het betreffende viercijferige postcodegebied;

    • k = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari van het jaar van aanvraag;

    • l = het totaal aantal leerlingen van de basisgeneratie in het betreffende viercijferige postcodegebied op 1 januari in het elfde jaar na de aanvraag.

  • 5. De aantallen in het derde lid, letters g en h en het vierde lid, letters k en l stelt DUO vanaf 1 juli in het jaar van de aanvraag beschikbaar aan de aanvrager.

Artikel 11. Melding grondslag school

Het bevoegd gezag dient een melding van een grondslag of een wijziging van een grondslag als bedoeld in artikel 170, eerste en derde lid van de wet, in bij DUO.

Artikel 12. Uitvoeringsvoorschriften overgangsrecht plan van scholen 2021–2024

  • 1. Op het plan van scholen 2021–2024, bedoeld in artikel 194e, eerste lid, van de wet, dat is vastgesteld door de gemeenteraad voor 1 augustus 2020 en uiterlijk op 31 december 2020 is goedgekeurd door de minister, is dit artikel van toepassing.

  • 2. Voor een school die op het plan van scholen is opgenomen met als aanvangsdatum 1 augustus 2021 wordt als datum van het besluit als bedoeld in artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen, aangemerkt 31 mei 2020.

  • 3. Voor een school die op het plan van scholen is opgenomen met als aanvangsdatum 1 augustus 2022 wordt als datum van het besluit als bedoeld in artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen, aangemerkt 31 mei 2021.

  • 4. Voor een school die op het plan van scholen is opgenomen met als aanvangsdatum 1 augustus 2023 wordt als datum van het besluit als bedoeld in artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen, aangemerkt 31 mei 2022.

Artikel 13. Uitvoeringsvoorschriften overgangsrecht plan van scholen 2020–2023

  • 1. Op het plan van scholen 2020–2023, bedoeld in artikel 194e, tweede lid, van de wet, dat is vastgesteld door de gemeenteraad voor 1 augustus 2019 en uiterlijk op 31 december 2019 is goedgekeurd door de minister, is dit artikel van toepassing.

  • 2. Van een school die op het plan van scholen is opgenomen met als aanvangsdatum 1 augustus 2020 vangt de bekostiging aan op 1 augustus 2020, indien de minister tussen 1 juni 2020 en 1 augustus 2020 heeft besloten dat de bekostiging een aanvang kan nemen.

  • 3. Voor een school die op het plan van scholen is opgenomen met als aanvangsdatum 1 augustus 2021 wordt als datum van het besluit als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de wet, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen, aangemerkt 31 mei 2020.

  • 4. Voor een school die op het in het eerste lid bedoelde plan van scholen is opgenomen met als aanvangsdatum 1 augustus 2022 wordt als datum van het besluit als bedoeld in artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen, aangemerkt 31 mei 2021.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2021.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voorzieningenplanning po 2021. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

I. Algemeen

Aanleiding voor een nieuwe regeling

Op 1 februari 2021 treedt de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen voor het basisonderwijs in werking. In de kern wijzigt de stichtingssystematiek van de Wet primair onderwijs (WPO). De oude systematiek ging uit van een veronderstelde belangstelling op basis van erkende richtingen. De richting van een school was doorslaggevend bij de beoordeling van een aanvraag voor de stichting van een nieuwe school. De nieuwe systematiek gaat uit van het aantonen van belangstelling van ouders middels ouderverklaringen of (bij uitzondering) door een marktonderzoek. De richting van scholen is niet langer relevant voor de stichting van scholen. Wel kan de richting een onderdeel zijn van de identiteit van de school, maar dat is een zaak van het bevoegd gezag en de ouders.

Met deze Regeling voorzieningenplanning po 2021 treedt een nieuwe regeling in werking. In tegenstelling tot in het vo, was er in het po niet eerder een regeling voor de voorzieningenplanning.

Wat is voorzieningenplanning?

Voorzieningenplanning is het geheel van wet- en regelgeving over de voorwaarden voor het voor bekostiging in aanmerking brengen (stichten of verzelfstandigen) van een nieuwe school. Het doel van de voorzieningenplanning is het tot stand brengen en in stand houden van een goed bereikbaar, toegankelijk en doelmatig netwerk van scholen met een goede kwaliteit.

Reikwijdte van de regeling

De regeling heeft uitsluitend betrekking op basisscholen.

II. Artikelsgewijs

Artikel 2. Beschikbaar stellen gegevens over voedingsgebied nieuwe school

Het voedingsgebied, bedoeld in artikel 74a, tweede lid, onderdeel b, van de wet, omvat alle viercijferige postcodegebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen de aangegeven straal. Om te waarborgen dat het voedingsgebied voor elke aanvraag op dezelfde wijze wordt bepaald, worden de viercijferige postcodegebieden die behoren bij het voedingsgebied van de nieuwe school of vestiging door DUO via de elektronische weg aan de aanvrager beschikbaar gesteld. Een aanvrager hoeft dus niet zelf de viercijferige postcodegebieden die behoren tot het voedingsgebied te leveren. Bij het beoordelen van de aanvraag wordt het door DUO beschikbaar gestelde voedingsgebied gebruikt. Bij het bepalen van het voedingsgebied wordt het labelpunt van het postcodegebied, waar de school zich beoogt te vestigen, als beginpunt van de straal genomen. Het labelpunt is een geografisch punt waaraan de viercijferige postcode hangt. De huisvesting van een school kan pas definitief vastgesteld worden, nadat de school voor bekostiging in aanmerking is gebracht.

Artikel 3. Melding voorgenomen aanvraag tot bekostiging

Voorafgaand aan een definitieve aanvraag moet de aanvrager van 1 juni tot en met 30 juni melden dat hij na 30 juni en vóór 1 november een aanvraag tot bekostiging gaat indienen. De gegevens voor deze melding zijn vermeld in het tweede lid. De algemene introductie in ten hoogste 2000 tekens kan ook vergezeld gaan van een verwijzing naar een website voor verdere informatie. Aangezien ouders die een ouderverklaring willen indienen op de website van DUO alle initiatieven kunnen vinden, is in dit artikel ook bepaald dat de naam van de rechtspersoon (vereniging of stichting), de viercijferige postcode van de beoogde plaats van vestiging, de naam van de school en de algemene introductie van ten hoogste 2000 tekens openbaar worden gemaakt. Daarmee kunnen ouders zich een beeld vormen van de school op basis waarvan zij hun mogelijke steun voor een initiatief met een ouderverklaring kenbaar kunnen maken.

Voor de melding dienen de vereiste gegevens, beschreven in het tweede lid, volledig te zijn ingevuld. Als niet alle gegevens zijn ingevuld, dan kan de melding ook niet worden ingestuurd. De consequentie van incompleetheid is dat ook geen aanvraag voor bekostiging kan worden ingediend voor 1 november daaraanvolgend.

Artikel 4. Aanvraag tot bekostiging

Om een aanvraag te kunnen indienen moet de initiatiefnemer voor 1 juli zijn initiatief bekend maken via de pre-registratie (op de website van DUO). Op 30 juni (23.59u Midden Europese tijd) sluit de pre-registratie en wordt het voor ouders wier kind in de juiste leeftijdscategorie valt, mogelijk hun belangstelling kenbaar te maken voor een van de initiatieven. Op 15 oktober (23.59u Midden Europese tijd) sluit de periode om belangstelling voor een nieuw initiatief kenbaar te maken. Voor 1 juni in het daaropvolgende kalenderjaar neemt de minister, op basis van de aanvraag en het advies van de inspectie, een besluit om de nieuwe school al dan niet voor bekostiging in aanmerking te brengen. Indien dit besluit positief is, kan de school per 1 augustus in het kalenderjaar volgend op het besluit starten.

Een gedeelte van de verplichtingen bij een aanvraag tot bekostiging is geregeld op wetsniveau, een gedeelte wordt nader geregeld in dit artikel. Op wetsniveau is geregeld dat een aanvraag vermeldt:

  • of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft;

  • de beoogde plaats van vestiging van de school.

Daarnaast zijn de aanvullende gegevens, opgenomen in het eerste lid, noodzakelijk. Deze gegevens dienen ingevuld te worden op de website www.duo.nl. De statuten van de rechtspersoon worden als bijlage bij de aanvraag gevoegd.

In dit artikel is tevens een nadere specificatie opgenomen over de periode waarin een uitnodiging voor gesprek is gedaan aan de gemeente van de beoogde plaats van vestiging, het samenwerkingsverband en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en vestigingen binnen het voedingsgebied van de school. Deze termijn ligt tussen 15 september van het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag en 15 september van het kalenderjaar van aanvraag. Deze termijn is zo ruim genomen om de initiatiefnemer en de betrokken partijen voldoende gelegenheid te geven om desgewenst met elkaar in gesprek te gaan over het voorgenomen initiatief. Hierbij kan dan ook worden nagegaan of het doel van de initiatiefnemers ook op een andere wijze kan worden bereikt dan door het stichten van een nieuwe school. Door het voeren van een dergelijk gesprek kan er samenwerking ontstaan tussen het nieuwe initiatief en de bestaande schoolbesturen. Ook biedt het gesprek de gemeente vroegtijdig de kans om te zoeken naar geschikte huisvesting voor de mogelijke nieuwe school.

Aanvragen zijn via elektronische wijze in te vullen op de website www.duo.nl. De verklaring omtrent het gedrag van de personen die het bestuur en intern toezicht vormen, maakt onderdeel uit van de aanvraag die op elektronische wijze wordt ingediend. Aanvullend is in dit artikel opgenomen dat de originele verklaring omtrent het gedrag eveneens per post naar DUO moet worden gezonden. Dit is noodzakelijk omdat de echtheid van de verklaring omtrent het gedrag moet worden vastgesteld. De originele verklaring omtrent het gedrag is onderdeel van de aanvraag en dient dan ook voor 1 november te worden toegezonden aan Dienst Uitvoering Onderwijs t.a.v. MRvNS, Postbus 30205, 2500 GE Den Haag.

Aanvragen die op of na 1 november worden ingediend, worden afgewezen. De aanvrager kan in het daarop volgende kalenderjaar dan een nieuwe aanvraag indienen, waarbij – indien van toepassing – het actuele statistisch materiaal moet worden gebruikt.

Alleen volledig ingevulde aanvragen worden in behandeling genomen. Aanvragen die onvolledig zijn of waarbij geen gebruik is gemaakt van het (actuele) statistische materiaal, kunnen binnen een door DUO gestelde termijn worden aangevuld. Als de aanvraag niet binnen die termijn is aangevuld, kan de minister besluiten de aanvraag niet te behandelen.

De minister besluit, als de aanvraag volledig en tijdig is ingediend, voor 1 juni van het kalenderjaar volgend op datum waarop de aanvraag is ingediend. Indien het besluit niet voor 1 juni genomen kan worden, stelt de minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 5. Verklaring omtrent het gedrag

Een verklaring omtrent het gedrag van de personen die het bestuur en het intern toezicht vormen dient te voldoen aan de voorschriften van het screeningsprofiel onderwijs, bedoeld in het document ‘Screeningsprofielen’, te vinden op www.justis.nl. De verklaring omtrent gedrag wordt niet bewaard, maar na controle vernietigd. Dit is een nadere uitwerking van de reeds opgenomen verplichting in de wet tot het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag.

Artikel 6. Nadere regels belangstellingsmeting

De correctiefactor wordt gebruikt in de formule om het verwachte aantal leerlingen op 1 januari van het elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag te kunnen berekenen. Deze correctiefactor is opgenomen omdat uit de bestaande praktijk blijkt dat het aantal leerlingen dat na de start van de gewenste nieuwe school de school ook daadwerkelijk gaat bezoeken, doorgaans lager uitvalt dan uit de belangstelling naar voren komt. De correctiefactor moet een reëel tegenwicht bieden aan de factoren die leiden tot overschatting van de belangstelling, zoals verhuizingen. Tevens biedt de wet mogelijkheid om in geval van overlappende voedingsgebieden, waarbij de belangstelling voor een initiatief meer dan 100% is, een correctie uit te voeren. De grondslag om deze zaken te regelen is gelegen in artikel 74a van de wet. De correctie van de overlappende voedingsgebieden wordt hieronder geïllustreerd.

Voorbeeld 1. Correctie overlappende voedingsgebieden

Het kan voorkomen dat de voedingsgebieden van verschillende initiatieven bij gebruik van marktonderzoek (deels) overlappen, waardoor in de betreffende postcodegebieden meer dan 100% belangstelling wordt aangetoond. In deze gevallen wordt voor de betreffende postcodegebieden een correctie toegepast, waarbij de belangstellingspercentages naar rato verminderd worden tot ze samen 100% zijn. Dat betekent dat er een prognose per postcodegebied gemaakt wordt voor wat betreft de postcodegebieden waarin de voedingsgebieden overlappen. In dit voorbeeld staat een berekening voor de belangstelling voor Basisschool A.

 

 

In dit voorbeeld zijn er drie initiatieven voor een nieuwe school.

Initiatief A heeft een belangstellingspercentage van 30%.

Initiatief B heeft een belangstellingspercentage van 60%.

Initiatief C heeft een belangstellingspercentage van 65%.

 

De voedingsgebieden van de drie initiatieven hebben enige overlap met elkaar.

Dat levert in gebied d een belangstellingspercentage van 90% op.

Dat levert in gebied e een belangstellingspercentage van 95% op.

Dat levert in gebied f een belangstellingspercentage van 155% op.

Dat levert in gebied g een belangstellingspercentage van 125% op.

 

In gebied d en gebied e is het totaal minder dan 100%, voor deze gebieden hoeft geen correctie gedaan te worden. Voor de gebieden f en g is het totaal meer dan 100%, hier is wel een correctie nodig.

 

Voor gebied f is de correctie als volgt.

Basisschool A: 0,3/1,55= 0,19, belangstellingspercentage 19%.

Basisschool B: 0,6/1,55 = 0,39, belangstellingspercentage 39%.

Basisschool C: 0,65/1,55 = 0,42, belangstellingspercentage 42%.

In gebied f tellen de nieuwe belangstellingspercentage op tot 100%.

 

Voor gebied g is de correctie als volgt.

Basisschool B: 0,6/1,25 = 0,48, belangstellingspercentage 48%.

Basisschool C: 0,65/1,25 = 0,52, belangstellingspercentage 52%.

In gebied g tellen de nieuwe belangstellingspercentages op tot 100%.

 

Basisschool A

Het te verwachten aantal leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag wordt vastgesteld. Dit ziet er als volgt uit in de formule:

Te verwachten aantal leerlingen op 1 januari in elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag =(y/x*100%)*w*z

In de formule wordt vermenigvuldigd met 100%, dit gelijk aan het vermenigvuldigen met 1. De uitkomst van de formule wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.

 

Belangstelling in gebied basisschool A, inclusief gebieden d en e (omdat in deze gebieden geen correctie heeft plaatsgevonden)

Belangstellingspercentage in voedingsgebied basisschool A, inclusief gebieden d en e (y/x*100%): 0,3

Totaal aantal 4- t/m 11-jarigen plus 30% van het aantal 12-jarigen (w): 1.000 + 300 = 1.300

Correctiefactor (z): 0,7

 

Te verwachten aantal leerlingen in voedingsgebied basisschool A, inclusief gebieden d en e = 0,3*1.300*0,7 = 273

 

Belangstelling in gebied f

Belangstellingspercentage gebied f (y/x*100%): 0,19

Totaal aantal 4- t/m 11-jarigen plus 30% van het aantal 12-jarigen (w): 350 + 150 = 500

Correctiefactor (z): 0,7

 

Te verwachten aantal leerlingen in gebied f= 0,19*500*0,7 = 67

 

Totaal aantal te verwachten leerlingen voor basisschool A in het elfde kalenderjaar na aanvraag voor het gehele voedingsgebied is 273 + 67 = 340.

 

Het te verwachten aantal leerlingen in het elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan de stichtingsnorm. De stichtingsnorm in deze gemeente is 300. De school uit dit voorbeeld voldoet met 340 te verwachten leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag aan de stichtingsnorm.

Artikel 7. Nadere regels ouderverklaringen

In dit artikel wordt geregeld dat een ouder een ouderverklaring kan indienen van 1 juli tot en met 15 oktober in het kalenderjaar van aanvraag. Ouders kunnen per kind uitsluitend voor één initiatief kenbaar maken. Indien ouders meerdere kinderen in de betreffende leeftijdscategorie hebben, kunnen ze voor elk kind apart een ouderverklaring indienen. Wanneer ouderverklaringen eenmaal zijn afgegeven, kunnen ouders tot en met 15 oktober (of tot het moment dat de aanvraag is ingediend) de ouderverklaring weer intrekken. De ouder kan dan eventueel tot en met 15 oktober een ouderverklaring afgeven voor een ander initiatief.

Na 15 oktober kan de ouder eventueel in een volgend kalenderjaar voor hetzelfde kind weer een ouderverklaring afgeven, indien een aanvraag waarvoor de ouderverklaring is afgegeven wel is gemeld, maar niet is ingediend, of wanneer de aanvraag door de minister wordt afgewezen en tegen deze afwijzing geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden meer openstaan. Als het initiatief wél van start gaat is het niet mogelijk dat de ouder voor datzelfde kind in het daaropvolgende kalenderjaar zijn interesse voor de andere school kenbaar maakt. Een initiatiefnemer kan via het digitale portaal tussen 1 juli en 14 oktober zien hoeveel ouderverklaringen er zijn afgegeven. Deze kunnen tot 15 oktober echter nog ingetrokken worden. Het definitieve aantal geldige ouderverklaringen zal vanaf 15 oktober door DUO aan de initiatiefnemer beschikbaar worden gesteld. Daarnaast regelt dit artikel de data waarop DUO het benodigde cijfermateriaal ter beschikking stelt.

De formule om het te verwachten aantal leerlingen te berekenen wordt geïllustreerd aan de hand van enkele voorbeelden:

Voorbeeld 2. Basisschool, ouderverklaringen

Te verwachten aantal leerlingen op 1 januari in elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag =(y/x*100%)*w*z

In de formule wordt vermenigvuldigd met 100%, dit gelijk aan het vermenigvuldigen met 1. De uitkomst van de formule wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.

 

Totaal aantal 2- t/m 4- jarigen waarvoor ouderverklaring is afgegeven (y): 85

Totaal aantal 2- t/m 4-jarigen op 1 januari in kalenderjaar van aanvraag in het voedingsgebied (x): 3.100

Totaal aantal 4- t/m 11-jarigen plus 30% van het aantal 12-jarigen op 1 januari in elfde kalenderjaar na aanvraag (w): 8.000+ 2.500= 10.500

Correctiefactor (z): 0,7

 

(85/3.100*100%)*10.500*0,7= 202 te verwachten leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag.

Het te verwachten aantal leerlingen in het elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan de stichtingsnorm. De stichtingsnorm bij deze gemeente is 200. De school uit dit voorbeeld voldoet met 202 te verwachten leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag aan de stichtingsnorm.

Voorbeeld 3. Basisschool, ouderverklaringen

Te verwachten aantal leerlingen op 1 januari in elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag =(y/x*100%)*w*z

In de formule wordt vermenigvuldigd met 100%, dit gelijk aan het vermenigvuldigen met 1. De uitkomst van de formule wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.

 

Totaal aantal 2- t/m 4- jarigen waarvoor ouderverklaring is afgegeven (y): 25

Totaal aantal 2- t/m 4-jarigen op 1 januari in kalenderjaar van aanvraag in het voedingsgebied (x): 3.100

Totaal aantal 4- t/m 11-jarigen plus 30% van het aantal 12-jarigen op 1 januari in elfde kalenderjaar na aanvraag (w): 8.000+ 2.500= 10.500

Correctiefactor (z): 0,7

 

(25/3.100*100%)*10.500*0,7= 59 te verwachten leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag.

 

Het te verwachten aantal leerlingen in het elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan de stichtingsnorm. De stichtingsnorm bij deze gemeente is 200. De school uit dit voorbeeld voldoet met 59 te verwachten leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag niet aan de stichtingsnorm.

Artikel 8. Uitzonderingssituaties toepassing marktonderzoek

Het marktonderzoek is alleen bij uitzondering toegestaan als methode voor het meten van de belangstelling. Er zijn twee situaties waarin bij uitzondering het marktonderzoek is toegestaan. De eerste betreft situaties waarin er sprake is van dermate sterke demografische groei dat er op grond van ouderverklaringen een minder goede voorspelling van de belangstelling op de lange termijn kan worden gemaakt. Het percentage groei in de leeftijdscategorie 2- tot en met 4-jarigen tussen het kalenderjaar van marktonderzoek en het tiende kalenderjaar daarna is daarbij vastgesteld op 30%. Hiervoor is gekeken naar de absolute toename van de woningvoorraad die valt binnen de top 5% van alle gebieden van Nederland. Binnen die groep is de mediane procentuele toename voor de betreffende leeftijdscategorie vastgesteld. De keuze voor een relatieve toename van het aantal kinderen brengt mee dat het kan voorkomen dat in sommige gebieden de relatieve toename zeer hoog is, terwijl de absolute toename laag is. Dit kan ook andersom voorkomen; de relatieve toename is vrij laag, terwijl de absolute toename hoog is. Dit zal uitzondering zijn. De relatieve toename is voor een aanvrager een duidelijk en goed toepasbaar criterium.

De tweede uitzondering betreft de situatie waarin een beroep gedaan wordt op de garantiefunctie voor het openbaar onderwijs. Als uit schriftelijke verklaringen van ten minste 50 ouders van kinderen tot en met twaalf jaar behoefte blijkt te bestaan aan openbaar onderwijs en in die behoefte nu onvoldoende wordt voorzien, onderzoeken burgemeester en wethouders of uit de belangstellingsmeting voldoende belangstelling blijkt. Als het antwoord positief is, dient het college bij de minister een aanvraag om bekostiging in (artikel 77 WPO). Onderdeel van deze aanvraag is de belangstellingsmeting, waarbij de gemeente in dit specifieke geval kan kiezen uit ouderverklaringen of marktonderzoek. Wanneer een gemeente een reguliere aanvraag doet voor een openbare school is alleen de methode van ouderverklaringen van toepassing. Met het marktonderzoek heeft de gemeente de mogelijkheid om de behoefte aan openbaar onderwijs breed te onderzoeken.

Artikel 9. Nadere regels marktonderzoek

In dit artikel zijn nadere regels opgenomen over het doen van een marktonderzoek. Het marktonderzoek wordt schriftelijk uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Schriftelijk omvat zowel papier als digitaal, maar mondeling onderzoek wordt hiermee uitgesloten. Indien ouders meerdere kinderen in de onderzochte leeftijdscategorie hebben, kunnen ze voor elk kind een aparte keuze maken voor een gewenste school. De verstrekte informatie per school is noodzakelijk, omdat het marktonderzoek de schoolkeuze van ouders nabootst. Door het verstrekken van informatie per school kunnen ouders hun keuzes op basis van die informatie maken. De hoofdvraag voor het marktonderzoek wordt in de regeling voorgeschreven, zodat alle onderzoeken dezelfde hoofdvraag kennen. Hierdoor onderzoeken alle marktonderzoeken dezelfde vraag en worden ze beter onderling vergelijkbaar. Uit de hoofdvraag volgt dat ouders binnen het marktonderzoek voor slechts één school hun voorkeur kenbaar mogen maken.

Om het marktonderzoek te kunnen beoordelen wordt voorgeschreven welke elementen van het marktonderzoek beschreven moeten worden in het onderzoeksrapport. Daarnaast zorgen de voorgeschreven elementen ervoor dat verschillende marktonderzoeken onderling vergelijkbaar zijn.

Bij het marktonderzoek gelden aanvullende vereisten ten aanzien van de omvang van de y en x in de formule. Voor een geldig marktonderzoek zijn tenminste 5 positieve reacties nodig, dit is de y uit de formule. Voor een geldig marktonderzoek is tenminste een reactie van 10% van de onderzoekspopulatie nodig, tenzij dit uitkomt op meer dan 500 reacties. Dit is de x uit de wettelijke formule. De grond hiervoor is gelegen in artikel 68, zevende lid, onderdeel b.

Deze berekeningsmethodiek wordt geïllustreerd aan de hand van twee voorbeelden.

Voorbeeld 4. Basisschool, marktonderzoek, grote onderzoekspopulatie

Bij het marktonderzoek gelden aanvullende vereisten ten aanzien van de omvang van de y en x in de formule. Voor een geldig marktonderzoek is tenminste een reactie van 10% van de onderzoekspopulatie nodig, tenzij dit uitkomt op meer dan 500 reacties. Dit is de x uit de wettelijke formule. De onderzoekspopulatie in dit voorbeeld omvat in totaal 20.400 kinderen in het voedingsgebied in de leeftijd van 2 t/m 4 jaar. Als 10% daarvan moet reageren, zou dat uitkomen op 2.040 reacties. Omdat dit meer is dan 500, is in dit geval een minimum van 500 reacties voldoende.

 

Voor de y van de wettelijke formule is voorgeschreven dat dit ten minste 5 is. Dat betekent dat er ten minste 5 positieve reacties voor het aan te vragen initiatief moeten zijn gegeven.

 

Dit ziet er als volgt uit in de formule:

Te verwachten aantal leerlingen op 1 januari in elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag =(y/x*100%)*w*z

In de formule wordt vermenigvuldigd met 100%, dit is gelijk aan het vermenigvuldigen met 1. De uitkomst van de formule wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.

 

Aantal 2- t/m 4-jarigen voor wie in het marktonderzoek is aangegeven dat er belangstelling is voor de school (y): 5

Totaal aantal 2- t/m 4-jarigen voor wie is deelgenomen aan het marktonderzoek (x): 500

Totaal aantal 4- t/m 11-jarigen plus 30% van het aantal 12-jarigen op 1 januari in het elfde kalenderjaar na aanvraag (w): 42.000 + 16.000 = 58.000

Correctiefactor (z): 0,7

 

(5/500*100%)*58.000*0,7 = 406 te verwachten aantal leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag.

 

Het marktonderzoek voldoet aan de vereisten voor het minimale aantal positieve reacties en het minimale aantal reacties op het onderzoek. De stichtingsnorm bij deze gemeente ligt op 300. De school uit dit voorbeeld voldoet met 406 te verwachten leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag aan de stichtingsnorm.

Voorbeeld 5. Basisschool, marktonderzoek, kleine onderzoekspopulatie

Bij het marktonderzoek gelden aanvullende vereisten ten aanzien van de omvang van de y en x in de formule. Voor een geldig marktonderzoek is tenminste een reactie van 10% van de onderzoekspopulatie nodig, tenzij dit uitkomt op meer dan 500 reacties. Dit is de x uit de wettelijke formule. De onderzoekspopulatie in dit voorbeeld omvat in totaal 3.400 kinderen in het voedingsgebied in de leeftijd van 2 t/m 4 jaar. Als 10% daarvan moet reageren, komt dat uit op 340 reacties.

 

Voor de y van de wettelijke formule is voorgeschreven dat dit ten minste 5 is. Dat betekent dat er ten minste 5 positieve reacties voor het aan te vragen initiatief moeten zijn gegeven. In dit voorbeeld zijn er 10 positieve reacties gegeven.

 

Dit ziet er als volgt uit in de formule:

Te verwachten aantal leerlingen op 1 januari in elfde kalenderjaar na indiening van de aanvraag =(y/x*100%)*w*z

In de formule wordt vermenigvuldigd met 100%, dit is gelijk aan het vermenigvuldigen met 1. De uitkomst van de formule wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.

 

Aantal 2- t/m 4-jarigen voor wie in het marktonderzoek is aangegeven dat er belangstelling is voor de school (y): 10

Totaal aantal 2- t/m 4-jarigen voor wie is deelgenomen aan het marktonderzoek (x): 340

Totaal aantal 4- t/m 11-jarigen plus 30% van het aantal 12-jarigen op 1 januari in het elfde kalenderjaar na aanvraag (w): 7.000 + 2.500 = 9.500

Correctiefactor (z): 0,7

 

(10/340*100%)*9.500*0,7 = 196 te verwachten aantal leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag.

 

De stichtingsnorm in deze gemeente is 200. Het marktonderzoek voldoet aan de vereisten voor het minimale aantal positieve reacties en het minimale aantal reacties op het onderzoek. Het is te verwachten aantal leerlingen in het elfde kalenderjaar na aanvraag is echter lager dan de stichtingsnorm. Om de stichtingsnorm te halen zal er in dit voorbeeld een groter aantal positieve reacties nodig zijn.

Artikel 10. Verzelfstandiging

De verzelfstandiging van een nevenvestiging of dislocatie in het basisonderwijs betekent feitelijk de start van een nieuwe school. Daarom bevat deze regeling hiervoor een aangepaste procedure. De procedure voor het verzelfstandigen van een onderwijslocatie lijkt sterk op die voor het stichten van een volledig nieuwe school. Het enige, maar niet onbelangrijke, verschil is dat deze locatie al bestaat en dat er al onderwijs wordt verzorgd. Er zijn daarom geen ouderverklaringen of een marktonderzoek nodig om het te verwachten aantal leerlingen aan te tonen. Een aanvraag voor verzelfstandiging moet worden voorzien van meerdere gegevens. Deze gegevens komen grotendeels overeen met de gegevens die verstrekt moeten worden bij de aanvraag van bekostiging (artikel 4), met uitzondering van de viercijferige postcode van de beoogde plaats van vestiging, omdat de nevenvestiging of dislocatie al bestaat. Daarnaast hoeft er ook geen beschrijving van het concept opgenomen te worden, omdat de nevenvestiging of dislocatie en het concept al bestaat en bekend is.

Voor de prognose voor de verzelfstandiging van een nevenvestiging of dislocatie moeten de daadwerkelijke leerlingen op de locaties (de nevenvestiging of dislocatie enerzijds en de overblijvende school anderzijds) gedeeld worden door de basisgeneratie van de viercijferige postcodegebieden waar de leerlingen van de betreffende locatie wonen. Dit moet gedaan worden per afzonderlijk postcodegebied, waarna de totalen bij elkaar worden opgeteld. Dit wordt vervolgens gecombineerd met de basisgeneratie in de toekomst. Daarbij moet worden aangetoond dat het overblijvend deel van de school minimaal aan de opheffingsnorm voldoet in de 10 kalenderjaren vanaf het moment van de verzelfstandiging en de school die na verzelfstandiging ontstaat minimaal aan de stichtingsnorm voldoet in het elfde kalenderjaar na de aanvraag.

Voorbeeld 6. Verzelfstandiging van een nevenvestiging of dislocatie

Voor het verzelfstandigen van een nevenvestiging of dislocatie moet eerst vastgesteld worden welke leerlingen uit welke postcodegebieden de hoofdvestiging en de nevenvestiging of dislocatie bezoeken Vervolgens wordt per postcodegebied een prognose voor de hoofdvestiging dan wel de nevenvestiging of dislocatie gemaakt. De uitkomsten van de prognose per postcodegebied worden daarna bij elkaar opgeteld. Voor de oorspronkelijke hoofdvestiging moet worden aangetoond dat deze in elk van de tien kalenderjaren na de verzelfstandiging voldoet aan de opheffingsnorm. Voor de nieuwe hoofdvestiging moet worden aangetoond dat deze aan de stichtingsnorm voldoet in het elfde kalenderjaar na aanvraag.

 

Basisschool A (hoofdvestiging)

Het te verwachten aantal leerlingen van het overblijvende deel van de school moet per viercijferig postcodegebied voor ieder van de 10 kalenderjaren na de verzelfstandiging worden vastgesteld. Het te verwachten aantal leerlingen per postcodegebied wordt berekend volgens de formule e = (f / g)*h

Prognose basisschool A, kalenderjaar 1

Postcode

f

g

h

e

1234

50

150

200

66

1245

30

100

150

45

6751

65

200

300

97

6752

10

50

100

20

Totaal

     

228

Prognose basisschool A, kalenderjaar 2

Postcode

f

g

h

e

1234

50

150

250

83

1245

30

100

200

60

6751

65

200

450

146

6752

10

50

100

20

Totaal

     

309

Enzovoort, totdat voor ieder van de tien kalenderjaren een prognose gemaakt is.

 

Basisschool A moet in ieder van de tien kalenderjaren na de verzelfstandiging voldoen aan de opheffingsnorm. De opheffingsnorm in deze gemeente is 150.

 

Basisschool B (te verzelfstandigen nevenvestiging)

Het te verwachten aantal leerlingen voor de school die na verzelfstandiging ontstaat moet in het elfde kalenderjaar na de verzelfstandiging voldoen aan de stichtingsnorm. In deze gemeente is de stichtingsnorm 250. Het te verwachten aantal leerlingen per postcodegebied wordt berekend volgens de formule i = (j / k) * l

Basisschool B, kalenderjaar 11

Postcode

j

k

l

i

1234

50

150

300

100

1253

100

300

400

133

6751

45

500

700

63

6755

55

250

300

66

Totaal

     

362

Basisschool B moet in het elfde kalenderjaar na de verzelfstandiging voldoen aan de stichtingsnorm. De stichtingsnorm in deze gemeente is 250. Basisschool B haalt de stichtingsnorm.

Artikel 11. Melding grondslag school

Scholen moeten voor 1 mei volgend op besluit tot bekostiging aan de minister melden of de school uitgaat van een grondslag en zo ja, welke grondslag. Dit is weliswaar niet van belang in het kader van de stichtingsprocedure, maar wel in het belang van de toepasbaarheid van artikel 153, vierde lid van de WPO (laatste school van de richting). Ook een wijziging van de grondslag of richting moet worden gemeld.

Artikelen 12 en 13. Uitvoeringsvoorschriften overgangsrecht

Op grond van artikel 194e, vijfde lid, van de Wet primair onderwijs kunnen bij ministeriële regeling nadere uitvoeringsvoorschriften worden gesteld. Artikel 12 geeft de nadere uitvoeringsvoorschriften voor het laatste plan van scholen na inwerkingtreding van de wet meer ruimte voor nieuwe scholen, die op grond van artikel 194e van de Wet conform titel IV, afdeling 2, zoals luidend direct voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze Wet plaatsvindt. Artikel 13 geeft de nadere uitvoeringsvoorschriften voor het laatste plan van scholen voor inwerkingtreding van de wet meer ruimte voor nieuwe scholen. Een plan van scholen bestrijkt drie schooljaren. Op een plan van scholen kunnen scholen staan met een aanvangsdatum voor het eerste, tweede of derde kalenderjaar. Op grond van de oude wet moet een gemeenteraad voor 1 augustus het plan van scholen vaststellen en moet de minister vervolgens voor 1 januari daaropvolgend het plan goedkeuren (of goedkeuring onthouden).

De artikelen 12 en 13 regelen per aanvangsdatum – voor zover nodig – de uitvoeringsvoorschriften.

Artikel 12 bevat de uitvoeringsvoorschriften voor het plan van scholen 2021–2024. Dit laatste plan van scholen wordt op grond van artikel 194e, eerste lid, van de wet vastgesteld op de wijze zoals dat gebeurde voor inwerkingtreding van de Wet. Dit artikel regelt de data waarop geacht wordt het besluit als bedoeld in artikel 75, derde lid, van de wet te zijn genomen. Hiermee vangt voor elke school de bekostiging aan in het kalenderjaar waarin dit was gepland.

Artikel 13 bevat de uitvoeringsvoorschriften voor het plan van scholen 2020–2023. Dit plan van scholen is op grond van de artikel 74 van de Wet op het primair onderwijs vastgesteld voor inwerkingtreding van de Wet.

Voor scholen die op het door de gemeenteraad voor 1 augustus 2019 vastgestelde en door de minister uiterlijk op 31 december 2019 goedgekeurde plan van scholen staan, kan de bekostiging aanvangen op de gevraagde datum van 1 augustus 2020, indien de school een beslissing van de minister heeft ontvangen over de aanvang van de bekostiging. Deze beslissing neemt de minister wanneer alle benodigde documenten ontvangen zijn en het bevoegd gezag aangeeft te willen starten.

Voor een nieuw bestuur zijn de benodigde documenten:

  • 1. kopie van bewijs van aansluiting bij pensioenuitvoeringsbedrijf APG;

  • 2. kopie van bewijs van inschrijving Kamer van Koophandel (KvK);

  • 3. mutatieformulier van het registratienummer van de onderwijsinstelling voor het nieuwe bestuur;

  • 4. kopie van gepasseerde notariële akte;

  • 5. kopie van een bankafschrift of bankovereenkomst met het rekeningnummer;

  • 6. mutatieformulier van het registratienummer van de onderwijsinstelling met de gegevens ten behoeve van de nieuwe school;

  • 7. bevestiging openingsdatum;

  • 8. bewijs van aansluiting bij een borgstellingsorganisatie WPO of bij PO-raad;

  • 9. opgave van het samenwerkingsverband waar de school aan verbonden is.

Voor een bestaand bestuur is de lijst wat korter. Schoolbesturen worden, met een lijst van benodigde documenten, schriftelijk benaderd met het verzoek de documenten aan te leveren. Voor scholen waarbij het aanleveren van al de benodigde documenten niet voor 1 juni 2020 is gebeurd moest een overgangsbepaling worden opgesteld. Dit is opgenomen in artikel 13, tweede lid.

Het tweede lid regelt dat van een school met als aanvangsdatum 1 augustus 2020 de bekostiging aanvangt op 1 augustus 2020, indien de minister tussen 1 juni 2020 en 1 augustus 2020 heeft besloten dat de bekostiging een aanvang kan nemen.

Wanneer de hiervoor bedoelde school niet start op 1 augustus 2020, komt de school in het regime van het tweede lid van artikel 194e van de wet. Deze school wordt aangemerkt als een school waarvoor de minister op grond van artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet, heeft beslist dat zij voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht. Deze school hoeft niet op een volgend plan van scholen te worden opgenomen.

Het derde en vierde lid bepalen dat voor scholen die in het plan van scholen staan met als aanvangsdatum 1 augustus 2021 dan wel 1 augustus 2022 als datum van het besluit als bedoeld in artikel 75, derde lid, zoals luidend op de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet, 31 mei 2020 respectievelijk 31 mei 2021 geldt. Hierdoor kan de school aanvangen op de datum zoals opgenomen in het plan van scholen. Ook deze scholen hoeven niet op een volgend plan van scholen te worden opgenomen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob