Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2020, 46170Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 augustus 2020, nr. 2020-0000108203, tot verstrekking van subsidies aan opleiders voor het geven van scholing (Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste en derde lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. aanvraagtijdvak:

tijdvak waarin aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend;

b. abonnement:

overeenkomst, die voor een bepaalde tijdsduur recht geeft op onbeperkte gebruikmaking van online scholing;

c. bewijs van afronding:

elk bewijs, in de vorm van een bewijs van deelname, van een diploma, getuigschrift of certificaat, waaruit blijkt dat een scholingstraject is afgerond;

d. brancheorganisatie:

organisatie opgericht voor 1 januari 2020, die belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

e. BSN:

nummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer;

f. deelnemer:

natuurlijk persoon die een band heeft met de Nederlandse arbeidsmarkt, achttien jaar of ouder is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet of artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES, nog niet heeft bereikt;

g. hoofdaanvrager:
  • 1°. in geval van een opleiderscollectief een opleider;

  • 2°. in het geval van een samenwerkingsverband een brancheorganisatie, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging;

die gemachtigd is om de andere partijen in het opleiderscollectief of samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen;

h. KvK-nummer:

door de Kamer van Koophandel toegekend uniek nummer aan een onderneming of maatschappelijke activiteit in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;

i. leerpakket:

vorm van scholing waarbij het lesmateriaal niet met directe interactie tussen opleider en deelnemer wordt aangeboden;

j. minister:

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

k. NLQF:

Nederlands Kwalificatieraamwerk voor inschaling van kwalificaties betreffende opleiding en studie;

l. NRTO:

Nederlandse Raad voor Training en Opleiding;

m. O&O-fonds:

Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

n. opleider:

natuurlijk persoon of rechtspersoon die zich beroepshalve bezig houdt met het geven van scholing;

o. opleiderscollectief:

overeengekomen samenwerking tussen verschillende opleiders;

p. samenwerkingsverband:

overeengekomen samenwerking tussen opleiders enerzijds en O&O-fondsen, verenigingen van werkgevers en werknemers, brancheorganisaties of andere rechtspersonen anderzijds;

q. scholing:

cursus, training, opleiding of andere vorm van scholing, niet zijnde een bedrijfsspecifieke training;

r. scholingstraject:

het geven van scholing door een opleider;

s. subsidieaanvrager:

opleider of hoofdaanvrager van een opleiderscollectief of samenwerkingsverband die subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

t. subsidieontvanger:

opleider, opleiderscollectief of samenwerkingsverband aan wie subsidie is verleend op grond van deze regeling;

u. werkgeversvereniging:

vereniging van werkgevers met volledige rechtsbevoegdheid, die ten tijde van de subsidieaanvraag partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie;

v. werknemersvereniging:

vereniging van werknemers met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde zelfstandigen zonder personeel, die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling.

Artikel 2. Doel en reikwijdte van de regeling

  • 1. Het doel van deze regeling is het (verder) ontwikkelen van kennis en vaardigheden van deelnemers door hun kosteloos scholingstrajecten aan te bieden, die kunnen bijdragen aan het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt of op het weer verkrijgen van arbeid of opdrachten.

  • 2. Deze regeling is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

De minister verstrekt subsidie aan opleiders, opleiderscollectieven of samenwerkingsverbanden voor het geven van scholing aan deelnemers.

Artikel 4. Aanvraaggerechtigden

  • 1. Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door opleiders, opleiderscollectieven of samenwerkingsverbanden.

  • 2. Subsidieaanvragen voor de categorieën A en B, bedoeld in artikel 6, onderdelen a en b, kunnen worden gedaan door zowel opleiders als opleiderscollectieven, in de periode, genoemd in artikel 11, vierde lid.

  • 3. Subsidieaanvragen voor categorie C, bedoeld in artikel 6, onderdeel c, kunnen worden gedaan door samenwerkingsverbanden in de periode, genoemd in artikel 11, vijfde lid.

Artikel 5. Algemene eisen aan scholing

  • 1. Een opleider, opleiderscollectief of samenwerkingsverband neemt het scholingsaanbod op in een catalogus, die voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage I en stelt die online beschikbaar.

  • 2. Het scholingsaanbod voldoet aan de volgende eisen:

    • a. de scholing beschikt over één van de volgende certificeringen of keurmerken:

      • 1°. wordt aangeboden door een opleidingsinstituut dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt en die leidt tot een diploma of certificaat, dan wel verband houdt met onderdelen van een door deze minister vastgesteld kwalificatiedossier, vastgestelde kwalificatie of een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie geaccrediteerde opleiding;

      • 2°. leidt tot een door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NCP-register;

      • 3°. wordt gegeven door een opleidingsinstituut, een trainingsbureau of examenaanbieder die in het bezit is van het NRTO-keurmerk;

      • 4°. in geval van scholing als bedoeld in artikel 6, onderdeel c, kan deze scholing ook omvatten een EVC-procedure bij een erkende EVC-aanbieder, scholing bij een instelling die opleidt tot een branche- of sector-erkend certificaat of bedrijfsopleidingen aanbiedt;

    • b. de scholing wordt kosteloos aangeboden;

    • c. de scholing is arbeidsmarktrelevant;

    • d. de scholing valt onder een categorie als bedoeld in artikel 6;

    • e. de scholing kan in ieder geval gedeeltelijk online worden gegeven;

    • f. de aan 1 september 2020 voorafgaande periode waarin dezelfde scholing werd aangeboden, werd die scholing voor een vergelijkbare of hogere prijs aangeboden;

    • g. de scholing komt niet in aanmerking voor andere financiering van overheidswege; en

    • h. de scholing wordt afgesloten met een bewijs van afronding.

Artikel 6. Specifieke eisen aan scholing per categorie scholing

Scholingstrajecten zijn onderverdeeld in drie categorieën, waarbij:

  • a. categorie A scholing betreft, waarbij geldt dat elke scholing:

    • 1°. ten minste zes maanden wordt aangeboden via een leerpakket of abonnement;

    • 2°. voor ten minste een module van het leerpakket of abonnement wordt afgesloten met een bewijs van afronding;

    • 3°. een studiebelasting van minimaal 8 uur heeft; en

    • 4°. een waarde heeft van ten minste € 150,00.

  • b. categorie B scholing betreft, waarbij geldt dat elke scholing:

    • 1°. is gericht op het verkrijgen of verbeteren van basisvaardigheden, arbeidsmarktvaardigheden en sociaal-communicatieve vaardigheden die behulpzaam zijn bij het verrichten van werkzaamheden, dan wel die bestaat uit vakgerichte bijscholing;

    • 2°. niet wordt aangeboden via een leerpakket of abonnement;

    • 3°. een studiebelasting van minimaal 16 uur heeft;

    • 4°. persoonlijke begeleiding en ondersteuning biedt; en

    • 5°. een waarde heeft van ten minste € 500,00.

  • c. categorie C scholing betreft, waarbij geldt dat elke scholing:

    • 1°. is gericht op afsluiting met een certificaat of diploma op middelbaar of hoger onderwijsniveau of een branche- of sector-erkend certificaat of diploma;

    • 2°. niet wordt aangeboden via een leerpakket of abonnement;

    • 3°. persoonlijke begeleiding en ondersteuning biedt; en

    • 4°. een minimumbedrag van € 1.000,00 heeft, waarbij geldt dat alle scholingen die in de catalogus, bedoeld in artikel 5, eerste lid, zijn opgenomen, een gemiddelde waarde hebben van ten minste € 1.250,00.

Artikel 7. Eisen aan opleider

  • 1. Een opleider voldoet aan de eisen, beschreven in bijlage II.

  • 2. Indien de opleider in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is gevestigd, wordt, bij het niet beschikken over een certificering of keurmerk als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, een in dat land overeenkomstige certificering of keurmerk gelijkgesteld met deze certificeringen of keurmerken.

Artikel 8. Subsidieplafond

Voor subsidies op grond van deze regeling is € 34 miljoen beschikbaar.

Artikel 9. Hoogte van het subsidiebedrag

  • 1. Het subsidiebedrag per afgerond scholingstraject bedraagt:

    • a. € 150,00 bij een scholingstraject als bedoeld in artikel 6, onderdeel a;

    • b. € 500,00 bij een scholingstraject als bedoeld in artikel 6, onderdeel b; en

    • c. € 1.000,00 bij een scholingstraject als bedoeld in artikel 6, onderdeel c.

  • 2. De hoogte van het subsidiebedrag per aanvraag bestaat uit de som van het aantal gegeven scholingstrajecten maal het bedrag per deelnemer, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10. Eisen aan de subsidieaanvraag

  • 1. De subsidieaanvrager dient een subsidieaanvraag in door middel van een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier op de website www.mijnuitvoeringvanbeleidszw.nl.

  • 2. Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt in een subsidieaanvraag vermeld:

    • a. het KvK-nummer van de subsidieaanvrager;

    • b. de contactgegevens van de subsidieaanvrager;

    • c. het aantal scholingstrajecten, verdeeld naar categorieën, alsmede het totaalbedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd; en

    • d. het bankrekeningnummer waarop de subsidieaanvrager betalingen van de minister op grond van deze regeling wenst te ontvangen.

  • 3. Bij de subsidieaanvraag worden de volgende stukken gevoegd:

    • a. de catalogus, bedoeld in artikel 5, eerste lid, die de scholingstrajecten bevat die de opleider, het opleiderscollectief of het samenwerkingsverband beoogt ter beschikking te stellen aan deelnemers; en

    • b. indien een aanvraag wordt gedaan door een hoofdaanvrager, een door alle partijen die onderdeel uitmaken van het opleiderscollectief of samenwerkingsverband ondertekende samenwerkingsovereenkomst, inclusief een schriftelijke machtiging volgens het format in bijlage III, waaruit blijkt dat de hoofdaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het opleiderscollectief of samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen en waarbij de samenwerkingsovereenkomst het KvK-nummer en de contactgegevens van alle opleiders binnen een opleiderscollectief of samenwerkingsverband bevat;

    • c. een bewijsstuk dat aantoont dat de subsidieaanvrager de houder is van het bankrekeningnummer, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.

  • 4. Bij de subsidieaanvraag verklaart de subsidieaanvrager:

    • a. dat de catalogus, bedoeld in artikel 5, eerste lid, voldoet aan de eisen, beschreven in bijlage I; en

    • b. dat de opleider voldoet aan de eisen, beschreven in bijlage II.

  • 5. De subsidieaanvrager stemt bij de subsidieaanvraag toe met het plaatsen van een verwijzing naar de catalogus op de website www.hoewerktnederland.nl.

  • 6. Per aanvraag kan:

    • a. een opleider of opleiderscollectief maximaal € 1,5 miljoen subsidie aanvragen; en

    • b. een samenwerkingsverband maximaal € 2 miljoen subsidie aanvragen.

  • 7. Indien een aanvraag wordt gedaan voor scholingstrajecten behorende tot de categorieën A of B wordt alleen subsidie verleend als de aanvraag ten minste 1.500 trajecten bevat.

  • 8. Indien een aanvraag wordt gedaan voor scholingstrajecten behorende tot categorie C, wordt alleen subsidie verleend als de aanvraag ten minste 750 trajecten bevat.

  • 9. Een scholingstraject start niet eerder dan het moment dat de subsidieaanvrager de beschikking tot subsidieverlening bekend is gemaakt en eindigt niet later dan 31 juli 2021.

  • 10. Indien de opleider of de subsidieaanvrager in Nederland, in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is gevestigd, wordt, bij het niet beschikken over een KvK-nummer, een met het KvK-nummer overeenkomstige registratie in dat land gelijkgesteld met de vermelding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

Artikel 11. Aanvraagtijdvakken subsidie

  • 1. Er worden twee aanvraagtijdvakken opengesteld, waarin een subsidieaanvraag kan worden ingediend.

  • 2. Per aanvraagtijdvak is een bedrag van € 17 miljoen beschikbaar.

  • 3. Een opleider, opleiderscollectief of samenwerkingsverband kan slechts één subsidieaanvraag per aanvraagtijdvak indienen.

  • 4. Het eerste aanvraagtijdvak loopt van 1 oktober 2020 tot en met 15 oktober 2020, 17.00 uur en wordt opengesteld voor opleiders en opleiderscollectieven.

  • 5. Het tweede aanvraagtijdvak loopt van 2 november 2020 tot en met 16 november 2020, 17.00 uur en wordt opengesteld voor samenwerkingsverbanden.

  • 6. Indien na sluiting van het eerste aanvraagtijdvak blijkt dat het totaalbedrag dat met de subsidieaanvragen in dat tijdvak is gemoeid minder bedraagt dan het maximum van € 17 miljoen, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het maximumbedrag van € 17 miljoen dat beschikbaar is voor het tweede aanvraagtijdvak.

Artikel 12. Rangschikking

  • 1. De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

  • 2. Indien subsidieaanvragen gelijktijdig worden ontvangen, wordt door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden behandeld.

Artikel 13. Verlening van de subsidie

  • 1. De minister besluit binnen 13 weken op een aanvraag tot subsidieverlening.

  • 2. Onverminderd afdeling 4.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt de subsidiebeschikking in ieder geval:

    • a. de periode waarin de scholingstrajecten, waarvoor subsidie wordt verleend zullen worden gegeven;

    • b. de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening en het voorschot; en

    • c. de administratieverplichtingen, bedoeld in bijlage IV, waaraan de subsidieaanvrager moet voldoen.

  • 3. De minister verstrekt bij de beschikking tot subsidieverlening ambtshalve een voorschot van 60% van het op grond van artikel 9, tweede lid, berekende bedrag.

  • 4. Onverminderd artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht schort de minister een betaling als bedoeld in het derde lid op, indien:

    • a. er sprake is van een ernstig vermoeden dat niet voldaan wordt aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de subsidie; of

    • b. een melding van de subsidieaanvrager daartoe aanleiding geeft.

Artikel 14. Weigering van de subsidie

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen wanneer:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen of de eisen, die bij of krachtens de Kaderwet SZW-subsidies zijn gesteld; of

  • b. de scholingstrajecten plaatsvinden buiten de in artikel 10, negende lid, bedoelde periode.

Artikel 15. Subsidievaststelling

  • 1. De subsidieaanvrager dient uiterlijk 1 oktober 2021 om 17:00 een verzoek tot vaststelling van subsidie in door middel van een door de minister beschikbaar gesteld elektronisch formulier op de website www.mijnuitvoeringvanbeleidszw.nl.

  • 2. Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt in een aanvraag tot subsidievaststelling vermeld:

    • a. het KvK-nummer van de subsidieontvanger;

    • b. de contactgegevens van de subsidieontvanger;

    • c. het bankrekeningnummer waarop de subsidieontvanger betalingen van de minister op grond van deze regeling wenst te ontvangen; en

    • d. het gerealiseerd aantal scholingstrajecten, verdeeld naar categorie, alsmede het hiermee gemoeide subsidiebedrag.

  • 3. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling worden in elk geval meegezonden:

    • a. een specificatie van de gegeven scholing per opleider, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d inclusief het KvK-nummer en contactgegevens van alle opleiders binnen een opleiderscollectief of samenwerkingsverband;

    • b. een overzicht met het BSN van de betrokken deelnemers;

    • c. een assurancerapport en een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de subsidie ontvanger als bedoeld in paragraaf 7.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS; en

    • d. een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 16.

  • 4. De subsidieontvanger kan, wanneer hij voorziet dat minder dan 60% van het aantal scholingstrajecten zoals vermeld in de beschikking tot subsidieverlening zal worden gerealiseerd, voor het einde van de periode, bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, maar uiterlijk tot 1 juni 2021 een verzoek tot wijziging van het besluit tot subsidieverlening indienen.

  • 5. Indien bij het indienen, dan wel bij het controleren van de aanvraag tot subsidievaststelling blijkt, dat minder dan 60% van het aantal scholingstrajecten, genoemd in de afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, en dit tekort aan gerealiseerde trajecten naar het oordeel van de minister de subsidieaanvrager kan worden aangerekend, kan het subsidiebedrag op nihil worden vastgesteld.

Artikel 16. Evaluatie van de uitgevoerde scholing

  • 1. De subsidieontvanger draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van de scholing op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

  • 2. Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de uitgevoerde scholing;

    • b. een beschrijving van het uitvoeringsproces tussen subsidieontvanger en de deelnemers die de scholing volgden en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan; en

    • c. een overzicht van de bereikte resultaten, uitgedrukt in:

      • 1°. achtergrond van de deelnemersgroep, uitgesplitst naar een aantal relevante kenmerken;

      • 2°. aantallen deelnemers per categorie scholing, uitgesplitst naar verwacht aantal deelnemers, het gerealiseerd aantal deelnemers en het percentage deelnemers dat de scholing heeft afgerond.

Artikel 17. Melding fraude

Bij een redelijk vermoeden dat een opleider of een ander persoon, die werkzaam is binnen een opleiderscollectief of een samenwerkingsverband, fraude heeft gepleegd bij het verkrijgen van subsidie op grond van deze regeling, kan de minister hiervan melding maken bij de instantie waar de certificering of het keurmerk is verkregen. Daarnaast zal deze opleider of ander persoon van verdere deelname aan deze regeling worden uitgesloten.

Artikel 18. Meewerken aan controle en onderzoek

  • 1. De subsidieontvanger werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor:

    • a. het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie;

    • b. het beoordelen of de subsidie terecht is verstrekt;

    • c. het monitoren van de voortgang in de werving van deelnemers, het starten en uitvoeren van de scholingstrajecten en de financiële realisatie; en

    • d. de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister.

  • 2. De deelnemer verleent medewerking aan het in het eerste lid bedoelde onderzoek vergezeld van de toestemmingsverklaring, opgenomen in bijlage V.

Artikel 19. Evaluatie

De minister zendt binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van deze regeling aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

Artikel 20. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2022.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt, van toepassing op de afwikkeling van uiterlijk op 1 oktober 2021 om 17:00 ingediende verzoeken tot vaststelling van subsidie op grond van deze regeling.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing.

Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 31 augustus 2020

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

BIJLAGE I, BEHOREND BIJ ARTIKEL 5, EERSTE LID, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SCHOLING

Eisen catalogus

  • A. De subsidieaanvrager voegt bij de subsidieaanvraag een catalogus bij, waarin het volledige aanbod is opgenomen van de scholing waarvoor de opleider subsidie aanvraagt. Hiervoor wordt het verplichte format gebruikt dat beschikbaar wordt gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

  • B. In de catalogus staat ten minste de volgende informatie:

    • Doel en inhoud scholing

      De aanvrager moet in de catalogus de scholing opnemen die hij kosteloos beschikbaar stelt voor de deelnemers. In de catalogus moeten in ieder geval vijf verschillende vormen van scholing worden opgenomen om zo diversiteit van het aanbod te waarborgen. Per scholing moet worden aangegeven wat het doel is. Wat kan de deelnemer bereiken door het volgen van de scholing? Daarnaast moet de inhoud van de scholing worden aangegeven. Welke onderdelen bevat het scholingstraject? Hoeveel modules zijn er? Hoe is het scholingstraject opgebouwd?

    • Aanvangsdatum, projectperiode, studieduur en studiebelasting.

      Per scholing moet worden opgenomen wat de beschikbaarstelling, studieduur en de studiebelasting is. Daarnaast moet in de catalogus de beoogde projectperiode worden aangegeven waarbinnen de scholing dient plaats te vinden. Voor scholing die valt onder categorie A, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, geldt dat alleen aanbod mag worden opgenomen dat een minimale studiebelasting heeft van 8 uur. Voor scholing die valt onder categorie B, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, geldt een eis van een minimale studiebelasting van 16 uur.

    • Studierichting en niveau.

      Bij elke scholing moet worden aangegeven wat de studierichting is. In de catalogus moet ook het studieniveau worden opgenomen (middelbaar of hoger onderwijs) en de benodigde voorkennis voor het volgen van de scholing.

    • Vormen van persoonlijke begeleiding en ondersteuning

      Bij scholing die valt onder de categorieën B en C, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen b en c, moet per vorm van scholing worden aangegeven welke vorm van begeleiding en ondersteuning wordt gegeven.

      Deze begeleiding en ondersteuning kan bestaan uit de volgende vormen:

      • Individuele persoonlijke ondersteuning;

      • Virtual classes;

      • Webinars;

      • (Online) workshops;

      • Groepsdiscussie;

      • Interactieve lessen;

      • Praktijkopdrachten (voor zover mogelijk binnen RIVM richtlijnen);

      • Online (beschikbaar) additioneel lesmateriaal.

      Bij scholing die valt onder categorie A, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is begeleiding en ondersteuning niet verplicht.

    • Resultaten voor de deelnemer

      Voor elke vorm van scholing die in de catalogus is opgenomen, moet worden aangegeven wat de resultaten zijn van die scholing. Wat leert de deelnemer? Wat kan hij/zij na succesvolle afronding van het scholingstraject?

    • Toetsmomenten

      In de catalogus moet per vorm van scholing worden opgenomen hoeveel en wat voor soort toetsmomenten er zijn voor die scholing.

    • Bewijs van afronding

      In de catalogus moet worden opgenomen wat voor soort bewijs de deelnemer na afronding van de scholing ontvangt. Hierbij kan het gaan om een bewijs van deelname, een bewijs van afronding, een getuigschrift, een certificaat of diploma.

    • Waarde van het traject

      In de catalogus moet per vorm van scholing de reguliere prijs van die scholing worden opgenomen.

    • Contactgegevens opleiders

      In de catalogus worden de contactgegevens van de opleider of opleiders opgenomen, zodat deelnemers contact kunnen opnemen.

  • C. In de catalogus wordt verwezen naar de algemene voorwaarden van de opleider. De opleider draagt er zorg voor dat de algemene voorwaarden eenvoudig vindbaar en raadpleegbaar zijn voor de deelnemer.

Het aanbod in de catalogus past binnen de voorwaarden die in de regeling worden gesteld aan de verschillende categorieën van scholing.

In het geval van een opleiderscollectief of samenwerkingsverband zorgt de subsidieaanvrager ervoor dat het volledige aanbod van alle opleiders in het collectief of samenwerkingsverband in één catalogus gebundeld wordt en beschikbaar wordt gesteld. In de catalogus wordt per opleider het scholingsaanbod gespecificeerd.

BIJLAGE II, BEHOREND BIJ ARTIKEL 7, EERSTE LID, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SCHOLING

Lijst met eisen opleider

Alle opleiders die scholing in de zin van deze subsidieregeling zullen gaan aanbieden moeten voldoen aan een aantal vereisten, ongeacht of zij als individuele opleider subsidie aanvragen of dit doen als onderdeel van een opleiderscollectief of samenwerkingsverband. Bij de subsidieaanvraag moet de opleider of de hoofdaanvrager verklaren dat de opleider -en/of de andere opleiders binnen het collectief of samenwerkingsverband- voldoet aan onderstaande eisen en dit kan bewijzen op het moment dat de minister aanleiding heeft om de verklaring te controleren.

  • A. De opleider moet in staat zijn om in korte tijd te kunnen voldoen aan de capaciteitseis. Dat wil zeggen dat de opleider of in het geval van een opleiderscollectief of opleiders in een samenwerkingsverband gezamenlijk in de afgelopen drie jaar een periode van zes maanden het minimum aantal scholingstrajecten -dat wordt gesteld in de capaciteitseis- uitgevoerd moeten hebben.

  • B. De opleder moet de scholing* en begeleiding in ieder geval in de Nederlandse taal aanbieden.

  • C. De subsidieaanvrager en/of opleider zet zich actief in om de scholingstrajecten waarvoor hij subsidie verleend heeft gekregen onder de aandacht te brengen van deelnemers. Hiermee wordt bedoeld dat de opleider via zijn communicatiekanalen de deelnemers informeert over de mogelijkheid om bij de opleiders kosteloos scholing te volgen.

  • D. De opleider moet op het moment van de subsidieaanvraag beschikken over een online ‘bibliotheek’ van scholingstrajecten die voldoen aan de eisen van het aanbod, en is in staat het aanbod volledig of gedeeltelijk digitaal aan te bieden. Op deze manier wordt het de deelnemer vergemakkelijkt om een scholingsactiviteit naar keuze te zoeken.

  • E. De opleider moet ondersteuning bieden aan deelnemers bij het zoeken naar geschikte scholing. (helpdesk en/of geavanceerde zoekfuncties via toegangsportal). Op het moment dat een deelnemer wil scholen, maar niet zo goed weet wat of welke mogelijkheden er zijn, kan een deelnemer contact opnemen met de opleider of – in geval van een samenwerkingsverband – een partij binnen het samenwerkingsverband. Hiertoe worden de contactgegevens van de opleiders in de catalogus opgenomen.

  • F. De opleider biedt de scholingstrajecten kosteloos aan de deelnemer aan en zal geen kosten voor het volgen van een scholingstraject doorberekenen aan de deelnemer.

*Vanzelfsprekend geldt dit niet voor scholing die ziet op het leren van een andere taal dan de Nederlands taal.

BIJLAGE III, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 10, DERDE LID, ONDERDEEL B, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SCHOLING*

Format machtiging hoofdaanvrager opleiderscollectief of samenwerkingsverband

U neemt deel aan een opleiderscollectief of een samenwerkingsverband. Eén partij binnen het opleiderscollectief of samenwerkingsverband is de hoofdaanvrager. Dit betekent dat hij/zij namens het opleiderscollectief of samenwerkingsverband verantwoordelijk is voor de verplichtingen die op de opleider(s) rusten in het kader van de aanvraag, tussentijdse informatieverstrekking, declaratie en eindafrekening voor de vaststelling van de subsidie. Ook is de hoofdaanvrager – indien nodig – verantwoordelijk voor de verdeling van de subsidie binnen het opleiderscollectief of het samenwerkingsverband. Tot slot is deze vertegenwoordiger in het kader van evaluatie en monitoring degene die voor het opleiderscollectief of samenwerkingsverband wordt aangesproken.

De hoofdaanvrager stuurt de machtigingen van alle partijen binnen het opleiderscollectief of samenwerkingsverband mee met de aanvraag.

Door dit formulier te ondertekenen, machtigt u in en buiten rechte de hoofdaanvrager van het opleiderscollectief of samenwerkingsverband waaraan u deelneemt te vertegenwoordigen in de hiervoor genoemde werkzaamheden.

Plaats en datum:

Naam hoofdaanvrager:

Handtekening hoofdaanvrager:

Naam partij opleiderscollectief of samenwerkingsverband:

KvK-nummer partij opleiderscollectief of samenwerkingsverband:

Adresgegevens partij opleiderscollectief of samenwerkingsverband:

E-mailadres partij opleiderscollectief of samenwerkingsverband:

Telefoonnummer partij opleiderscollectief of samenwerkingsverband:

Website partij opleiderscollectief of samenwerkingsverband:

Handtekening partij opleiderscollectief of samenwerkingsverband:

*Dit formulier dient u samen met de samenwerkingsovereenkomst als één document in te dienen bij uw aanvraag.

BIJLAGE IV, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 13, TWEEDE LID, ONDERDEEL C, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SCHOLING

Administratieverplichtingen

De subsidieaanvrager draagt zorg voor een degelijke controleerbare projectadministratie. Op grond van artikel 13 rust de verplichting op de hoofdaanvrager om een volledige en inzichtelijke administratie bij te houden, dat onder andere gebruikt kan worden voor een onderzoek dat op grond van artikel 18 kan worden ingesteld door de minister. De volledige administratie is per project aanwezig op één locatie en voor controle digitaal beschikbaar. De subsidieaanvrager is zelf verantwoordelijk voor een juiste opslag van bescheiden, ook wanneer de subsidieontvanger deze verplichting heeft uitbesteed aan een derde partij. Deze projectadministratie bestaat uit de volgende onderdelen. Per onderdeel wordt aangegeven welke bescheiden of overzichten in de administratie moeten worden opgenomen.

Algemeen in de administratie op te nemen:

  • Een bewijs van het keurmerk en/of certificering van de opleider of opleiders in het geval van een opleiderscollectief of samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 4;

  • Indien er sprake is van een opleiderscollectief of samenwerkingsverband dienen de vastgelegde overeenkomsten van de samenwerking aanwezig te zijn;

  • Indien er sprake is van een opleiderscollectief of samenwerkingsverband dient een machtiging van de hoofdaanvrager die ondertekend is door alle partijen bij het opleiderscollectief of het samenwerkingsverband aanwezig te zijn;

  • De door alle deelnemers ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaringen als bedoeld in bijlage V dienen aanwezig te zijn.

Deelnemersadministratie:

De subsidieaanvrager houdt een sluitende registratie bij van deelnemers die een scholingstraject in het kader van deze subsidieregeling hebben gevolgd en houdt deze ook beschikbaar en raadpleegbaar. In die deelnemersadministratie worden in ieder geval de volgende gegevens van de deelnemer opgenomen:

  • burgerservicenummer deelnemer;

  • NAW-gegevens deelnemer;

  • e-mailadres deelnemer;

  • telefoonnummer deelnemer,

  • kopie ID bewijs (voor- en achterkant).welk(e) scholingstraject(en) dat de deelnemer gevolgd heeft;

  • datum van aanmelding inclusief een bewijsstuk van de aanmelding waaruit blijkt dat de deelnemer zich heeft aangemeld voor de scholing, zoals een logbestand of bevestigingsmail.

  • Welke scholing de deelnemer heeft gevolgd.

  • Welke opleider de scholing heeft uitgevoerd.

  • Een bevestiging vanuit de opleider aan de deelnemer dat de scholing kosteloos wordt aangeboden.

  • de datum van aanvang en afronding van het scholingstraject;

  • het bewijs van afronding van elke door de deelnemer afgeronde scholingsactiviteit;

  • voor scholing die valt onder categorieën B en C, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen b en c: data van contactmomenten die er zijn geweest tussen de opleider en de deelnemer, inclusief bewijsstukken van begeleiding en ondersteuning, zoals (e-mail)correspondentie.

Overig:

  • Een catalogus met de door de opleider(s) aangeboden opleidingen rond 1 september 2020 inclusief de op dat moment geldende prijs voor deelnemers;

  • Onderbouwing van de opleidingskosten door middel van referentie/benchmark in relatie tot bestaande opleidingen genoemd in de hiervoor genoemde catalogus reeds bestaand rond 1 september 2020.

BIJLAGE V, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 18, TWEEDE LID, VAN DE TIJDELIJKE SUBSIDIEREGELING NL LEERT DOOR MET INZET VAN SCHOLING

Format Toestemmingsverklaring verwerking persoonsgegevens deelnemer

Toestemmingsverklaring

U gaat scholing volgen bij een opleider.

Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) betaalt dit traject, de opleider ontvangt hiervoor een subsidie. Voordat u kunt deelnemen aan de scholingsactiviteit, vragen we uw toestemming voor een aantal zaken.

  • 1. Inzage in het scholingstraject

    SZW kan bij uw opleider een controle uitvoeren. Hiermee wordt vastgesteld of de scholingsactiviteit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en of het volgens de regels is gebeurd. Daarvoor zijn onder andere uw BSN nodig en afgifte van uw bewijs van afronding. De controlerende ambtenaar van SZW heeft een geheimhoudingsplicht. Hij zal uw gegevens niet delen met derden.

  • 2. Benadering voor onderzoeksdoeleinden door het door het ministerie ingeschakelde onderzoeksbureau en medewerking aan onderzoek

    Het ministerie wil graag weten wat de scholing de deelnemers heeft opgeleverd. Daarom zal een onderzoeksbureau de regeling in opdracht van het ministerie evalueren. Het onderzoeksbureau dat de evaluatie gaat uitvoeren kan contact met u opnemen om mee te werken aan de evaluatie. Daarvoor is het nodig dat zij beschikken over uw contactgegevens. Uw gegevens worden anoniem verwerkt.

    Door dit formulier te ondertekenen, geeft u toestemming. U vindt het goed dat uw persoonsgegevens worden gebruikt voor controles die worden uitgevoerd door SZW of voor het onderzoek dat wordt uitgevoerd door een door SZW aan te wijzen onderzoeksbureau. Uw toestemming geldt alleen voor deze twee doelen. Deze toestemming is twee jaar geldig. Dit formulier verstrekt u aan de opleider die dit in zijn administratie opneemt.

    Als u geen toestemming geeft, kan de opleider geen subsidie ontvangen voor de scholingsactiviteit en kan dit niet kosteloos aan u worden aangeboden.

Plaats en datum:

Naam deelnemer:

Burgerservicenummer deelnemer1:

Handtekening deelnemer:

1 Voor deelnemers uit Caribisch Nederland hier het CRIB-nummer invullen.

TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding

De uitbraak van de coronacrisis en de daarmee verband houdende overheidsmaatregelen hebben grote impact op de arbeidsmarkt. In veel sectoren ligt het werk al een paar maanden (gedeeltelijk) stil, met als gevolg dat veel werkenden hun baan kwijt dreigen te raken of al zijn kwijtgeraakt. Ook veel zelfstandig ondernemers (waaronder zzp’ers) zien opdrachten teruglopen of zitten zonder opdrachten. De afgelopen maanden heeft het kabinet met de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW), de Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW 2.0) en de Tijdelijke Overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), ter bescherming van banen en inkomens, reeds grote investeringen gedaan om de werkgelegenheid zo veel mogelijk op peil te houden. Met de Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies CN, geldt dit eveneens voor Caribisch Nederland.

Inmiddels wordt zichtbaar en voelbaar dat de arbeidsmarkt als gevolg van de uitbraak van het coronavirus aan het veranderen is. Hoe dit zich precies gaat ontwikkelen is nog onzeker. De veranderingen op de arbeidsmarkt vragen om aanpassingsvermogen, zowel bij individuen als bij bedrijven. Juist in deze tijd is het belangrijk dat individuen (blijven) investeren in hun ontwikkeling. Om te zorgen dat hun positie op de arbeidsmarkt verbetert, om te voorkomen dat ze uitvallen door werkloosheid en om te zorgen dat ze duurzaam inzetbaar blijven alsook om weer aan het werk te komen in eventueel een andere sector. Het is belangrijk dat mensen zich hiervan bewust worden en dat zij zicht krijgen op hun ontwikkelkansen en ook daadwerkelijk hun kennis en vaardigheden (blijven) ontwikkelen.

Mede ter ondersteuning van de inspanningsverplichting voor werkgevers die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming NOW 2.0 om hun werknemers te stimuleren om aan bij- of omscholing te doen, komt het kabinet met een flankerend tijdelijk crisispakket waarvoor € 50 miljoen beschikbaar wordt gesteld; NL leert door. Dit crisispakket bestaat uit enerzijds ontwikkeladviezen en anderzijds online scholing en wordt ondersteund met een campagne die in samenwerking met stakeholders wordt opgezet om zo het pakket gericht onder de aandacht te brengen van werkenden, zelfstandig ondernemers en werkzoekenden.

Op 24 juli jl. is de Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies gepubliceerd.1 In deze regeling wordt het tweede deel van het crisispakket geregeld; de online scholing.

2. NL leert door: ontwikkeladviezen en online scholing

Het doel van het pakket NL leert door is om de gevolgen van de crisis te helpen verzachten door mensen te ondersteunen om zich te (her)oriënteren op hun actuele mogelijkheden op de arbeidsmarkt en bij het ontwikkelen van hun kennis en vaardigheden. Het is goed om te zien dat er juist ook in deze tijd veel ingezet wordt op scholing en ontwikkeling door onder meer de sociale partners, O&O-fondsen, sectorale organisaties en regionale samenwerkingsverbanden. Het pakket NL leert door is hieraan ondersteunend en komt bovenop de reguliere kabinetsinzet op Leven Lang Ontwikkelen (LLO), waarvan onder meer het STAP-budget (vanaf 2022), de Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector (SLIM-regeling) en de subsidieregeling Flexibilisering van beroepsonderwijs voor volwassenen deel uitmaken. Met de mogelijkheid om gratis online scholing te volgen en/of kosteloos een ontwikkeladviestraject te volgen bij een gekwalificeerd loopbaanadviseur ondersteunt het kabinet zowel werkenden als niet-werkenden in de coronacrisis bij het verkennen en het maken van een (eventuele) volgende loopbaanstap of het uitbreiden van hun kennis en vaardigheden.

Het volgen van (online) scholing kan bijdragen aan het up to date houden van de kennis en vaardigheden van individuen en daarnaast zorgen voor betere kansen op de arbeidsmarkt. Met deze regeling wordt het mogelijk subsidie aan te vragen voor het aanbieden van (online) scholing die bijdraagt aan het behouden van werk of het versterken van de arbeidsmarktpositie. De subsidie wordt beschikbaar gesteld aan opleiders, opleiderscollectieven en samenwerkingsverbanden. Het is de bedoeling dat zij vervolgens kosteloos scholing aanbieden voor werkenden, waaronder flexwerkers en zelfstandig ondernemers, én niet werkenden. De nadruk van de regeling ligt op online scholing, maar fysiek onderwijs wordt niet expliciet uitgesloten. Het is op dit moment lastig te voorspellen wat de stand van zaken is omtrent het coronavirus over enkele weken of maanden. De richtlijnen van het RIVM zijn leidend. Op het moment dat de richtlijnen fysieke bijeenkomsten en onderwijs toestaan, dan is dit ook binnen de regeling toegestaan.2

Het aanbod dat door opleidingsinstanties beschikbaar wordt gesteld moet gericht zijn op het bieden van de mogelijkheid voor werkenden en niet-werkenden om hun kennis en vaardigheden te ontwikkelen en daardoor hun arbeidsmarktpositie te versterken. Met de regeling worden verschillende soorten scholingsactiviteiten gesubsidieerd. Zo kunnen deelnemers straks gratis kortdurende trainingen en cursussen volgens bij verschillende opleiders om hun vaardigheden verder te ontwikkelen. Deelnemers kunnen zo op een laagdrempelige manier ervaren of een bepaalde cursus of training past bij hun interesse en bij een eventueel volgende loopbaanstap. Ook is het mogelijk voor samenwerkingsverbanden om een aanvraag in te dienen voor meer omvangrijke scholing, zoals omscholing richting tekortsectoren. Op de website www.hoewerktnederland.nl wordt het beschikbare aanbod geplaatst.

3. Regeling online scholing

3.1 Doel en doelgroep

Ontwikkeling en scholing is altijd van belang. Het op peil houden van kennis en vaardigheden versterkt de arbeidsmarktpositie en draagt bij aan duurzame inzetbaarheid. In tijden van crisis neemt het belang van scholing en ontwikkeling alleen maar toe. Juist dan is het voor het individu van belang om met scholing aan de slag te gaan om zo de positie op de arbeidsmarkt te versterken. Om het individu te faciliteren en te stimuleren hiermee aan de slag te gaan wordt met deze subsidieregeling middelen beschikbaar gesteld voor het kosteloos volgen van scholing.

Scholing is voor iedereen van belang. En we zien dat de crisis iedereen kan raken: iedereen, zowel jong als oud, kan zijn of haar baan verliezen doordat de werkgever (tijdelijk) minder werk heeft of zelfs genoodzaakt is (tijdelijk) te sluiten. Flexwerkers raken mogelijk hun werk kwijt of krijgen geen werk meer, zelfstandig ondernemers (waaronder zzp’ers) zien hun opdrachtenstroom opdrogen of kunnen door de maatregelen als gevolg van de coronacrisis minder klanten bedienen. Zeker in tijden van crisis, als het risico op uitval door werkloosheid groter is, is het van belang voor eenieder om kennis en vaardigheden op peil te houden en waar mogelijk nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. Zo kan de arbeidsmarktpositie versterkt worden, waarmee het risico op baanverlies wordt verkleind. En in geval toch baanverlies optreedt het eenvoudiger wordt om ander werk te vinden. Daarom is ervoor gekozen om het online scholingsaanbod open te stellen voor iedereen die een band heeft met de Nederlandse arbeidsmarkt en die 18 jaar is of ouder, maar de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Er is bijvoorbeeld sprake van een band met de Nederlandse arbeidsmarkt als de deelnemer verzekerd is voor de volksverzekeringen of als hij in Nederland werkt en/of woonachtig is. Een band met de Nederlandse arbeidsmarkt wordt in ieder geval aangenomen wanneer de deelnemer een burgerservicenummer (BSN) heeft. Door te kiezen voor deze brede doelgroep wil het kabinet voorkomen dat er mensen worden uitgesloten die wel geraakt worden door de crisis en baat kunnen hebben bij scholing. De regeling is daarom bedoeld voor zowel werkenden, waaronder ook flexwerkers en zelfstandigen, als niet-werkenden.

3.2 Scholingsaanbod

De huidige crisis vraagt om een groot aanpassingsvermogen van eenieder en om de bereidheid te blijven investeren in de eigen ontwikkeling. Daarbij kan enige bijscholing of soms ook meer omvangrijke omscholing nodig zijn. Met deze regeling wordt daarom het kosteloos beschikbaar stellen van verschillende vormen van scholing gesubsidieerd: van kortdurende cursussen die gericht zijn op het uitbreiden van kennis of versterken van vaardigheden tot de eerste stap of oriëntatie op eventuele omscholing. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan trainingen om arbeidsmarktvaardigheden te ontwikkelen of aan modules van een omscholingstraject richting de zorg.

Om te zorgen dat de opleider een subsidiebedrag ontvangt dat ook past bij de intensiviteit en duur van de opleiding, training of cursus die aangeboden wordt, zijn de scholingstrajecten in drie categorieën onderverdeeld. Het aanbod waarvoor de aanvrager subsidie aanvraagt moet passen binnen één van deze categorieën. Daarnaast worden er enkele algemene eisen gesteld om de kwaliteit van het aanbod te waarborgen. Uit de catalogus die aanvragers mee dienen te sturen bij hun aanvraag moet duidelijk worden gemaakt dat het aanbod dat zij beschikbaar stellen voldoet aan de verschillende eisen. Deze catalogus stellen zij ook beschikbaar voor de eerdergenoemde website van SZW, zodat deelnemers een compleet overzicht hebben van het totale gesubsidieerde aanbod van de verschillende partijen. Hieronder worden eerst de algemene eisen benoemd en toegelicht. Vervolgens worden de drie aparte categorieën beschreven.

Algemene eisen aanbod

Het is van belang dat met deze regeling een ruim aanbod komt van arbeidsmarktrelevante scholingsactiviteiten waar deelnemers kosteloos gebruik van kunnen maken. Om de kwaliteit van deze scholingsactiviteiten te garanderen en mogelijk misbruik of oneigenlijk gebruik via de kant van de opleider te voorkomen moet ten minste worden voldaan aan één van de volgende criteria:

  • 1) De opleiding wordt gegeven door een opleidingsinstituut dat door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt en die leidt tot een diploma of certificaat, dan wel verband houdt met onderdelen van een door deze minister vastgesteld kwalificatiedossier, vastgestelde kwalificatie of een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie geaccrediteerde opleiding;

  • 2) De opleiding leidt op tot een door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NCP-register; of

  • 3) De opleiding wordt gegeven door een opleidingsinstituut, een trainingsbureau, een EVC-aanbieder of examenaanbieder die in het bezit is van het NRTO-keurmerk.

  • 4) Voor het aanbod onder categorie C geldt verder nog dat ook subsidie kan worden verkregen voor de scholing die:

    • 1°. opleidt tot een branche- of sector-erkend certificaat of diploma; of

    • 2°. bestaat uit een EVC-procedure bij een erkende EVC-aanbieder.

    Zie meer over de voorwaarden van categorie C onder het kopje “categorie C omvangrijke scholingstrajecten”.

Concluderend: Voor scholingstrajecten in categorie A en B geldt dat aan een van de criteria onder 1), 2) of 3) moet worden voldaan. Voor scholingstrajecten in categorie C geldt dat aan een van de criteria onder 1), 2), 3) of 4) moet worden voldaan.

Voor aanbod van scholing door opleiders uit andere lidstaten van de EU geldt dat certificeringen of keurmerken uit de betreffende lidstaat, die vergelijkbaar zijn met de hiervoor genoemde, gelijkgesteld worden aan de hiervoor genoemde certificeringen en keurmerken.

In de regeling wordt de eis gesteld dat de scholing arbeidsmarktrelevant moet zijn. Hiermee wordt bedoeld dat de scholing moet kunnen bijdragen aan het versterken van de arbeidsmarktpositie of het vinden van een baan in een kanssector. Aangezien dit voor elk individu anders kan zijn, wordt voor de definitie van arbeidsmarktrelevante scholing aangesloten bij de definitie van scholing zoals die nu door de Belastingdienst gehanteerd wordt bij de fiscale scholingsaftrek. Die definitie stelt dat het moet gaan om “scholing om beter te functioneren in een (toekomstige) werkkring.” Hieronder vallen ook ‘diensten inzake beroepsopleiding of herscholing en onderwijs’ gericht op het voor beroepsdoeleinden verwerven of op peil houden van kennis. Naast specifieke beroepsopleidingen en -herscholingen vallen ook meer algemene cursussen onder het begrip beroepsopleiding. Om te waarborgen dat deelnemers aan (toekomstige) werkgevers kunnen aantonen dat zij bepaalde kennis of vaardigheden bezitten moet elk scholingstraject afgesloten worden met een bewijs van afronding. Onder een bewijs van afronding wordt verstaan elke vorm van een bewijs van deelname, diploma, certificaat of getuigschrift.

Ook is in de regeling opgenomen dat de scholing in ieder geval gedeeltelijk online moet worden gegeven. Fysieke scholing is niet uitgesloten, omdat dat bij sommige scholingstrajecten noodzakelijk zal zijn. Echter ligt de nadruk, gelet op de aard van de coronacrisis, op scholing die online wordt gegeven. Voor zover het onderwijs fysiek wordt gegeven, geldt dat de opleider zich dient te houden aan de door het kabinet genomen maatregelen in verband met het coronavirus en de richtlijnen van het RIVM.

Om te voorkomen dat er grote prijsstijgingen worden doorgevoerd voor scholing waarvoor subsidie wordt aangevraagd, is als eis opgenomen dat alleen subsidie mag worden aangevraagd voor aanbod dat vóór de datum van ingang van deze regeling, dus rond 1 september 2020 voor een vergelijkbaar of hoger bedrag is aangeboden. Met vergelijkbaar wordt bedoeld dat de scholing bij de subsidieaanvraag niet meer mag kosten van 102% van het bedrag waarvoor de scholing vóór 1 september 2020 werd aangeboden. De 2% prijsstijging is vastgesteld op basis van de inflatie. Het subsidiebedrag is een all-in bedrag. Er wordt geen specificatie of onderbouwing gevraagd van de gemaakte kosten, maar er wordt een vast bedrag vergoed. De Belastingdienst bepaalt óf en, zo ja, over welke verdiensten BTW verschuldigd is.

Daarnaast is opgenomen dat de scholing niet subsidiabel is wanneer voor de scholing reeds uit overheidswege gefinancierd wordt. Op deze manier wordt dubbele financiering voorkomen.

De scholing mag niet eerder starten dan het moment dat de subsidieaanvrager een subsidieverlening ontvangt en mag niet later eindigen dan 31 juli 2021. Dit betekent dat de aanvrager alleen aanbod kan opnemen dat afgesloten kan worden binnen de in de regeling gestelde periode.

3.3 Categorieën scholing

Tot slot zijn in de regeling drie categorieën van scholing opgenomen. Vanzelfsprekend moet het aanbod passen binnen één van deze categorieën. De categorieën verschillen in mate van intensiviteit, duur van de scholing en de hoogte van de subsidie. Binnen deze categorieën worden er specifieke eisen gesteld aan het aanbod. Naast de algemene eisen, moet de aanvraag ook voldoen aan deze specifieke eisen. Hieronder worden de eisen per categorie uiteengezet.

Categorie A: leerpakketten en abonnementen

Met de regeling worden kortdurende trainingen door middel van leerpakketten en abonnementen gesubsidieerd om mensen op een laagdrempelige manier hun kennis en vaardigheden (verder) te laten ontwikkelen. Een leerpakket is een vorm van onderwijs waarbij het lesmateriaal niet noodzakelijk met directe interactie tussen opleider en deelnemer hoeft plaats te vinden. Dit betekent dat de deelnemer zelfstandig, zonder begeleiding en ondersteuning, de verschillende e-learnings/modules binnen het pakket kan volgen. Het pakket moet minimaal zes maanden kosteloos beschikbaar worden gesteld aan de deelnemer. Een abonnement wordt gedefinieerd als een overeenkomst en geeft een deelnemer gedurende zes maanden recht op onbeperkte gebruikmaking aan het leeraanbod.

Binnen dit leerpakket of abonnement zitten verschillende modules en korte cursussen die een deelnemer kan volgen en die gericht zijn op het ontwikkelen van kennis en vaardigheden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan e-learnings om de Engelse taal te leren of om digitale vaardigheden te ontwikkelen. Het aanbod binnen het leerpakket of het abonnement moet een totale minimale studiebelasting hebben van 8 uur. De e-learnings/modules binnen het pakket of abonnement moeten afgerond worden met een bewijs van afronding.

Het leerpakket of abonnement moet een waarde hebben van ten minste € 50,00. Deze bepaling voorkomt daarmee dat aanvragen worden gedaan voor scholing die weliswaar onder deze categorie valt, maar in werkelijkheid een (veel) lagere kostprijs hebben. In de catalogus mag wel scholing worden opgenomen met een hogere waarde dan € 150,00, zolang deze maar kosteloos aan de deelnemer wordt aangeboden.

Categorie B: vaardigheden (verder) ontwikkelen

Categorie B richt zich op intensievere scholing dan categorie A. Hiermee wordt bedoeld dat de studiebelasting hoger ligt en de scholing (persoonlijke) begeleiding en ondersteuning bevat.

Het aanbod waarvoor de opleider subsidie kan ontvangen moet aan enkele voorwaarden voldoen. De scholing moet zien op het ontwikkelen van een van de volgende vaardigheden:

  • Basisvaardigheden: daaronder vallen bijvoorbeeld digitale vaardigheden, cursussen taal-, schrijf- rekenvaardigheid, internet en sociale media trainingen;

  • Arbeidsmarktvaardigheden: daaronder vallen bijvoorbeeld cursussen beter solliciteren, maken van cv, netwerkvaardigheden, presenteren, ondernemersvaardigheden en voeren van ontwikkel- of beoordelingsgesprekken;

  • Sociaal-communicatieve vaardigheden en soft skills: bijvoorbeeld 21e-eeuwse vaardigheden, beter samenwerken, onderhandelen, persoonlijke effectiviteit en leiderschapstrainingen;

  • Vakgerichte bijscholing: Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een basiscursus programmeren of boekhouden.

Aangezien het bij categorie B om meer intensieve scholing gaat dan bij categorie A, worden er ook eisen gesteld aan de (persoonlijke) begeleiding en ondersteuning die de deelnemer binnen de scholing ontvangt. Zo moet elke vorm van scholing die de opleider in zijn aanbod opneemt een van de volgende vormen van (persoonlijke) begeleiding en ondersteuning bevatten:

  • Individuele persoonlijke ondersteuning;

  • Virtual classrooms;

  • Webinars;

  • (Online) workshops;

  • Groepsdiscussie;

  • Interactieve lessen;

  • Opdrachten;

  • Online (beschikbaar) additioneel lesmateriaal.

Verder moet elke scholing binnen het aanbod een minimale studiebelasting hebben van 16 uur. Deze eis is gesteld om te waarborgen dat het aanbod in categorie B ook om meer substantiële scholing gaat. In de regeling is ook voor categorie B-scholing een minimumwaarde verplicht gesteld en is opgenomen dat elke scholing een waarde moet hebben van ten minste € 500,00. Leerpakketten en abonnementen worden uitgesloten bij categorie B, omdat dit soort scholing reeds subsidiabel is onder categorie A.

Categorie C: omvangrijke scholingstrajecten

Met de regeling wordt ook scholing gesubsidieerd die zich richt op het stimuleren van mensen om beter in hun vak te worden en zo nodig een eerste stap te zetten richting ander werk of omscholing. Dit scholingsaanbod valt onder categorie C van de regeling. Deze categorie heeft de volgende specifieke eisen.

Net zoals bij categorie B wordt de eis gesteld dat elke vorm van scholing die in het aanbod wordt opgenomen een vorm van (persoonlijke) begeleiding en ondersteuning moet bevatten:

  • Individuele persoonlijke ondersteuning;

  • Virtual classes;

  • Webinars;

  • (Online) workshops;

  • Groepsdiscussie;

  • Interactieve lessen;

  • Praktijkopdrachten (voor zover mogelijk binnen RIVM richtlijnen);

  • Online (beschikbaar) additioneel lesmateriaal.

Aangezien het bij categorie C gaat om intensieve trajecten die mogelijk tot ander werk of omscholing kunnen leiden, zal het aanbod binnen categorie C ook meer contactmomenten tussen opleider en deelnemer vereisen dan bij categorie A of B. De intensiviteit van de trajecten brengt ook de eis mee dat de scholing moet opleiden tot een (deel)certificaat of diploma op middelbaar of hoger onderwijsniveau of die door de branche of sector wordt erkend. Naast deze scholing vallen ook EVC-procedures bij erkende EVC-aanbieders onder categorie C.

Daarnaast is voor categorie C geregeld dat een scholingstraject een waarde moet hebben van ten minste € 1.000,00 De gemiddelde waarde van de aangeboden opleidingen in de catalogus moet ten minste € 1.250,00 bedragen. Het samenwerkingsverband is vrij in het maken van afspraken over hoe de cofinanciering wordt vormgegeven en wie welk deel voor zijn rekening neemt. Deze eis is opgenomen zodat zowel de overheid als private partijen ook in deze crisistijd gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de scholing en ontwikkeling van werkenden, werkzoekenden en zelfstandig ondernemers (waaronder zzp’ers). De cofinanciering is hier beperkt gebleven, omdat het gaat om een maatregel in een crisistijd waar niet alle sectoren en branches financiële zekerheid hebben.

Leerpakketten en abonnementen worden uitgesloten bij categorie C, omdat dit soort scholing alleen subsidiabel is onder categorie A.

3.4 Subsidieaanvragers

Subsidie op grond van deze regeling kan worden verstrekt aan opleiders, collectieven van opleiders of samenwerkingsverbanden. Met de subsidie kunnen deze partijen een bepaald aanbod aan online scholing kosteloos aanbieden aan individuen.

Individuele opleider

Een individuele opleider kan een subsidieaanvraag doen, voor zover hij scholing aanbiedt die voldoet aan de hierboven beschreven eisen. Individuele opleiders kunnen een subsidieaanvraag indienen voor scholing die valt onder categorie A en/of B. In de aanvraag mag dus ook een combinatie zitten van scholing uit de beide categorieën. Daarnaast kan een opleider uit een andere lidstaat ook een aanvraag indienen wanneer hij aanbod beschikbaar heeft dat een vergelijkbare certificering heeft als de eisen die worden gesteld aan het aanbod uit Nederland. Dit zorgt ervoor dat de regeling voor de lidstaten van Europa toegankelijk is en daarmee voldoet aan de Europese dienstenrichtlijn.3 De opleider moet net zoals de Nederlandse opleiders voldoen aan de overige eisen zoals opgenomen in de regeling.

Opleiderscollectief

Opleiders kunnen ook als samenwerkend collectief een subsidieaanvraag in te dienen. Deze mogelijkheid wordt geboden om ook kleinere opleiders de mogelijkheid te geven gebruik te maken van de regeling en met behulp van subsidie kosteloos online scholing aan te bieden. Gelet op de capaciteitseis (zie verder onder het kopje ‘capaciteitseis’) die wordt gesteld zou het onder normale omstandigheden voor kleinere opleiders moeilijk kunnen zijn om in aanmerking te komen voor subsidie. Door ook een opleiderscollectief de mogelijkheid te bieden om gezamenlijk een subsidieaanvraag te doen, wordt het gemakkelijker voor kleinere opleiders om te voldoen aan verschillende voorwaarden (waaronder vooral de capaciteitseis). Voor de opleiders in een opleiderscollectief geldt dat zij allen moeten voldoen aan de in de regeling genoemde eisen ten aanzien van de opleider en het scholingsaanbod, om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.

Het opleiderscollectief kan subsidie aanvragen voor scholing die valt onder categorie A en/of B. In de aanvraag mag dus ook een combinatie zitten van scholing uit de beide categorieën.

Binnen het opleiderscollectief dient één partij als hoofdaanvrager op te treden. Deze hoofdaanvrager is het aanspreekpunt voor de uitvoerder. Daarnaast is deze verantwoordelijk voor de administratie en de verdeling van het budget. Ook zorgt de hoofdaanvrager ervoor dat al het aanbod van de verschillende partijen in een gezamenlijke catalogus wordt aangeboden aan de uitvoerder en de deelnemer. Op deze manier kan de uitvoerder het aanbod relatief gemakkelijk beoordelen en kan een deelnemer op een inzichtelijke manier zien welk aanbod er beschikbaar is en een passende keuze maken. Op de website www.uitvoeringsvanbeleidszw.nl wordt een format voor de catalogus beschikbaar gesteld.

Samenwerkingsverband

Naast individuele opleiders en een opleiderscollectief kunnen ook samenwerkingsverbanden een subsidieaanvraag indienen. Een samenwerkingsverband moet ten minste bestaan uit een werkgevers- of werknemersorganisatie, O&O-fonds of brancheorganisatie, aangevuld met een of meerdere opleiders. Het samenwerkingsverband verschilt daarmee dus van het opleiderscollectief, omdat het hier kan gaan om een samenwerking van andere partijen dan enkel opleiders. Ook decentrale overheden, zoals gemeenten en provincies, kunnen onderdeel zijn van een samenwerkingsverband. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een gemeente een faciliterende rol vervult in een samenwerkingsverband. Hierbij geldt echter wel dat alle partijen buiten de opleiders, werkgevers- of werknemersorganisaties, O&O-fondsen of brancheorganisaties, geen subsidie mogen aanvragen, omdat hun financiering reeds op een andere wijze is geregeld.

Een samenwerking tussen de verschillende partijen kan er aan bijdragen dat de subsidieaanvraag ziet op scholingsaanbod met een waarde voor de huidige arbeidsmarkt. Als partijen tot een gezamenlijk aanbod komen, vanuit de drijfveer om mensen richting sectoren of (van werk naar) werk te scholen waaraan nu dringend behoefte bestaat, komt dit de doelmatigheid van deze regeling ten goede en zijn mensen beter geholpen omdat ze richting (duurzaam) werk kunnen scholen. Daarnaast wordt door het opnemen van de mogelijkheid om voor samenwerkingsverbanden een subsidie aan te vragen de bundeling van private en publieke scholingsmiddelen gestimuleerd. Via deze weg dragen zowel private als publieke partijen bij aan het versterken van de arbeidsmarktpositie van werkenden en niet-werkenden. Een samenwerkingsverband kan enkel subsidie aanvragen voor aanbod dat valt onder categorie C.

Binnen het samenwerkingsverband treedt één partij op als hoofdaanvrager. Dit kan een werkgevers-of werknemersorganisatie, O&O-fonds of brancheorganisatie zijn. Opleidingsinstellingen kunnen niet als hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband fungeren. De hoofdaanvrager is het aanspreekpunt voor de uitvoerder van de regeling en is verantwoordelijk voor de administratie en de verdeling van het budget. Ook zorgt de hoofdaanvrager ervoor dat al het aanbod van de verschillende partijen in een gezamenlijke en gebundelde catalogus wordt aangeboden aan de uitvoerder en de deelnemer. De partijen binnen het samenwerkingsverband machtigen de hoofdaanvrager door middel van een machtingsformulier dat bij de subsidieaanvraag wordt meegestuurd. Het samenwerkingsverband stelt een samenwerkingsovereenkomst op waaruit blijkt dat zij met elkaar een samenwerking aangaan om scholingsaanbod kosteloos beschikbaar te stellen.

3.5 Subsidiebedragen

Voor elk afgerond scholingstraject is een vast subsidiebedrag beschikbaar. De hoogte van dit subsidiebedrag hangt af van de categorie waaronder dat scholingstraject valt.

  • Categorie A: Voor scholing die valt onder categorie A ontvangt de subsidieaanvrager € 150,00 per deelnemer die een e-learning of module binnen het leerpakket of abonnement heeft afgerond. Leerpakketten en -abonnementen worden op de markt zowel voor een hoger als een lager bedrag aangeboden. De prijs is op € 150,00 vastgesteld om zo alleen de leerpakketten en abonnementen subsidiabel te maken waarin trainingen en cursussen zitten van een zekere omvang en die kunnen leiden tot het versterken van de arbeidsmarktpositie van de deelnemer.

  • Categorie B: Voor scholing die valt onder categorie B ontvangt de subsidieaanvrager € 500,00 per deelnemer die de scholing heeft afgerond. De prijs is op € 500,00 vastgesteld om zo te waarborgen dat opleiders via de subsidie aanbod beschikbaar stellen waarmee de vaardigheden van de deelnemers daadwerkelijk verbeterd en verder ontwikkeld kunnen worden. Het gaat bij deze categorie immers om substantiële scholing.

  • Categorie C: Voor scholing die valt onder categorie C ontvangt de subsidieaanvrager € 1.000,00 per deelnemer die de activiteit heeft afgerond. Deze vergoeding zal niet voor alle omscholingstrajecten geheel toereikend zijn. In de regeling is opgenomen dat het aanbod onder categorie C een waarde moet hebben van ten minste € 1.000,00 per scholingstraject en dat de gemiddelde waarde van het aanbod in de catalogus ten minste € 1250,00 moet bedragen Dit betekent dat het samenwerkingsverband de vergoeding moet aanvullen met private middelen.

Er komt een maximumbedrag waarvoor subsidieaanvragers een subsidieaanvraag kunnen doen. Dit maximumbedrag wordt opgenomen om zo te zorgen dat via meerdere opleiders een divers aanbod beschikbaar komt voor de deelnemers. Het maximale subsidiebedrag voor een subsidieaanvraag van een individuele opleider of een collectief van opleiders is vastgesteld op € 1,5 miljoen. Dit betekent dat een subsidieaanvrager (individuele opleider of opleiderscollectief) voor ongeveer 4.000 scholingstrajecten subsidie kan aanvragen, afhankelijk of de scholingstrajecten onder categorie A of B vallen. Het maximale subsidiebedrag voor een subsidieaanvraag van samenwerkingsverbanden is vastgesteld op € 2 miljoen. Dit betekent dat de subsidieaanvrager (een samenwerkingsverband) voor maximaal 2000 scholingstrajecten subsidie kan aanvragen.

3.6 Aanvraag, eisen opleider, capaciteitseis en catalogus

Om de arbeidsmarktpositie van mensen te versterken en de kansen op het behouden en het vinden van werk te vergroten, wordt via opleiders of samenwerkingsverbanden aanbod kosteloos beschikbaar gesteld. Er is voor deze weg gekozen om zo de uitvoeringslast laag te houden en de regeling op korte termijn beschikbaar te stellen.

Aanvraagtijdvakken

Voor het aanvragen van subsidie op grond van deze regeling zullen twee aanvraagtijdvakken worden ingericht. In het eerste aanvraagtijdvak kunnen opleiders en opleiderscollectieven een subsidieaanvraag indienen. Een opleider kan één aanvraag in het eerste aanvraagtijdvak indienen. Dit betekent dat een opleider in het eerste aanvraagtijdvak alleen in een collectief van opleiders of individueel een aanvraag kan indienen. Een opleider kan niet zowel via een opleiderscollectief als individueel een aanvraag indienen. De partijen in het collectief mogen daarnaast maar via één collectief een aanvraag indienen. Dit betekent dat een opleider niet in verschillende collectieven mag participeren. Individuele opleiders en een opleiderscollectief kunnen uitsluitend subsidie aanvragen voor scholing die valt onder categorie A en B. De aanvraag kan zien op enkel scholing uit categorie A of categorie B, maar ook op een combinatie van categorie A en categorie B. Dit moet in de aanvraag en in de catalogus goed worden aangegeven.

Het tweede aanvraagtijdvak staat open voor aanvragen van samenwerkingsverbanden. Een aanvraag kan worden ingediend door de hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband. Als hoofdaanvrager kunnen de volgende partijen optreden: een werkgevers- of werknemersvereniging, een O&O-fonds of een brancheorganisatie. De partijen binnen het samenwerkingsverband machtigen de hoofdaanvrager voor het indienen van de subsidieaanvraag. Deze machtiging wordt meegestuurd bij de aanvraag. Een samenwerkingsverband mag één aanvraag per aanvraagtijdvak indienen. De opleider binnen het samenwerkingsverband kan in meerdere samenwerkingsverbanden participeren. Dit is wenselijk omdat een opleider relevante scholing kan hebben voor meerdere samenwerkingsverbanden in verschillende sectoren. Een opleider is bij samenwerkingsverbanden overigens uitgesloten als mogelijke hoofdaanvrager. Hier is voor gekozen, omdat bij een samenwerkingsverband de behoefte van een sector of branche veelal leidend zal zijn. Op basis van deze behoefte wordt de opleider gekozen. Een samenwerkingsverband kan alleen een aanvraag indienen voor scholing die valt onder categorie C.

Eisen opleider

In bijlage II is vastgelegd aan welke eisen een opleider moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie. Met deze eisen wordt gewaarborgd dat de opleider voldoende uitvoeringscapaciteit heeft, in staat is om het aanbod inzichtelijk voor de deelnemer te presenteren en daarnaast ook begeleiding en ondersteuning vooraf en tijdens het traject kan bieden. Ook zijn in de bijlage eisen opgenomen inzake de zoekfunctie en website van de aanvragers. Deze eisen zijn opgenomen om te verzekeren dat de deelnemer gemakkelijk kan vinden welke scholingstrajecten er zijn en daarnaast op zijn of haar voorkeuren kan zoeken.

De (hoofd)aanvrager verklaart bij de subsidieaanvraag dat hij, het collectief of het samenwerkingsverband, voldoet aan deze eisen. In het geval van een collectief of een samenwerkingsverband, wordt deze verklaring gegeven door de hoofdaanvrager, namens alle opleiders binnen de samenwerking.

Capaciteitseis

In de regeling wordt een capaciteitseis gesteld. Dit is een eis aan het minimumaantal scholingstrajecten waarvoor een aanvrager een aanvraag moet indienen. Een dergelijke eis is opgenomen om twee redenen:

  • In de eerste plaats is de capaciteitseis opgenomen om overzichtelijkheid voor de deelnemers te waarborgen. Op het moment dat er geen capaciteitseis zou worden gesteld, zouden honderden opleiders een aanvraag kunnen indienen en hun aanbod gratis beschikbaar stellen aan individuen. Dit zou zorgen voor een te versnipperd, en voor deelnemers onoverzichtelijk, aanbod.

  • In de tweede plaats is voor de capaciteitseis gekozen omwille van een goede uitvoerbaarheid van de regeling. Deze regeling is een onderdeel van het crisispakket NL leert door, dat naar aanleiding van de coronacrisis in het leven is geroepen. Het crisiskarakter van de regeling vraagt om een snelle uitvoering. Om dit te realiseren moet de uitvoerbaarheid beheersbaar worden gehouden. Deze beheersbaarheid is uitsluitend mogelijk door het stellen van een capaciteitseis.

In de regeling worden twee capaciteitseisen gehanteerd: een eis voor de individuele opleiders en het opleiderscollectief en een eis voor het samenwerkingsverband. De eis voor individuele opleiders en het opleiderscollectief ligt op een minimum van 1.500 scholingstrajecten per aanvraag. De eis voor samenwerkingsverbanden ligt op een minimum van 750 trajecten per aanvraag. De reden voor een lagere eis bij samenwerkingsverbanden dan bij individuele opleiders of een opleiderscollectief ligt in de aard van het subsidiabele aanbod: het aanbod uit categorie A en B is laagdrempeliger en minder omvangrijk dan de scholing uit categorie C. Het is daarmee eenvoudiger om in beperkte tijd meer scholingstrajecten te realiseren voor aanbod uit categorie A en B dan uit categorie C.

Ten aanzien van deze capaciteitseisen speelt nog een belangrijk aandachtspunt voor opleiders, opleiderscollectieven en samenwerkingsverbanden. In de regeling is een bepaling opgenomen die stelt dat minimaal 60% van de scholingstrajecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd succesvol, dat wil zeggen met een bewijs van afronding, afgesloten moet worden. Het behalen van deze norm is van belang bij de uiteindelijke vaststelling van de subsidie en vraagt dus om een realistische inschatting van de subsidieaanvrager.

Catalogus

De subsidieaanvrager dient als bijlage bij de subsidieaanvraag de catalogus mee te sturen waarin zijn scholingsaanbod staat waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De catalogus moet aan een bepaald format voldoen dat op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl beschikbaar wordt gesteld. In bijlage I zijn eisen opgenomen waaraan de catalogus moet voldoen. Vanzelfsprekend moet het aanbod passen binnen de voorwaarden van de verschillende categorieën. Het is de bedoeling dat de catalogus inzicht geeft in het aanbod dat voor de deelnemers beschikbaar wordt gesteld. Daarnaast moet in de catalogus ten minste vijf verschillende scholingsactiviteiten worden aangeboden. De subsidieaanvragers moeten toestemming geven om deze catalogus op de website van www.hoewerktnederland.nl te plaatsen, zodat al het gesubsidieerde aanbod van de verschillende aanvragers bij elkaar staat en vindbaar en overzichtelijk raadpleegbaar is voor (potentiële) deelnemers en andere betrokkenen. Daarnaast wordt deze catalogus gebruikt voor de beoordeling en controle door Uitvoering van Beleid (UVB), de uitvoerder van deze subsidieregeling.

3.7 Rangschikking, vaststelling en betaling

De subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. De subsidieaanvraag wordt na ontvangst gecontroleerd op volledigheid en of de aanvraag en de bijlagen voldoen aan de in de regeling gestelde eisen. In geval de aanvraag afkomstig is van een opleiderscollectief of een samenwerkingsverband, moet ook het machtigingsformulier en de samenwerkingsovereenkomst voor de hoofdaanvrager worden meegestuurd. De beslissing over een subsidieaanvraag wordt zo snel mogelijk genomen, maar uiterlijk binnen 13 weken.

Bij de verleningsbeschikking ontvangt de subsidieontvanger een voorschot ter hoogte van 60% van het toegekende subsidiebedrag. Er is gekozen om te werken met een voorschot, omdat van opleiders wordt verwacht dat zij grote aantallen deelnemers een scholingstraject kunnen laten volgen. Om dit ook daadwerkelijk te kunnen realiseren, ontvangen de aanvragers een voorschot. Om te zorgen dat subsidieontvangers bij de aanvraag een realistische inschatting maken, is in de regeling opgenomen dat wanneer bij het controleren van de aanvraag tot subsidievaststelling blijkt, dat minder dan 60% van het aantal scholingstrajecten zoals vermeld in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, het subsidiebedrag op nihil kan worden vastgesteld. Wanneer de subsidieontvanger voorziet dat minder dan 60% van het aantal scholingstrajecten zal worden gerealiseerd, is het van belang dat hij zo snel als mogelijk tegen het einde van de periode waarover de subsidie zich uitstrekt, maar uiterlijk tot 1 juni 2021 een wijzigingsverzoek indient. Als zo’n wijzigingsverzoek is ingewilligd, ontvangt de subsidieontvanger een wijzigingsbeschikking op alleen het subsidiebedrag, waarbij wordt aangegeven dat op de overige onderdelen de eerder gegeven beschikking ongewijzigd blijft.

De subsidieontvanger ontvangt alleen subsidie voor de scholingstrajecten die door de deelnemers zijn afgerond. De deelnemer moet een bewijs van afronding hebben ontvangen en de opleiders moeten dit in hun administratie vastleggen. Voor de aanvragen die gericht zijn op categorie A geldt een uitzondering. Deze categorie richt zich op leerpakketten en abonnementen. Deze onderwijsvormen bevatten meerdere en verschillende e-learnings/modules. Daarom is voor categorie A in de regeling bepaald dat de aanvrager per traject subsidie ontvangt wanneer de deelnemer in ieder geval één e-learning/module binnen het leeraanbod van het pakket of abonnement heeft afgerond en hiervoor een bewijs van afronding heeft ontvangen.

De subsidieontvanger moet na afloop van de periode waarin de scholingstrajecten zijn gegeven een verzoek tot subsidievaststelling indienen. Dit verzoek tot vaststelling moet uiterlijk op 1 oktober 2021 worden ingediend. Om voldoende tijd en gelegenheid te hebben om de aanvraag tot subsidievaststelling voor te bereiden, alle stukken daartoe in orde te brengen en de gevraagde overzichten gereed te hebben, is bepaald dat een subsidieontvanger alleen subsidie kan krijgen voor scholingstrajecten die zijn afgerond met een bewijs van deelname vóór 1 augustus 2021. Na ontvangst van het verzoek tot subsidievaststelling wordt zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 22 weken na ontvangst van het verzoek, een beslissing genomen over de subsidievaststelling.

3.8 Administratieve lasten, verantwoording en dossiervorming

Getracht is de administratieve lasten voor de subsidieontvangers zo laag mogelijk gehouden. De documenten en informatie die bij de subsidieaanvraag en bij het verzoek tot subsidievaststelling moeten worden verstrekt zijn daarom tot een minimum beperkt. Dit ontslaat de subsidieontvanger er niet van de rechtmatigheid van de verstrekte subsidies desgevraagd aan te tonen aan de uitvoerder van de subsidieregeling.

Bij het verzoek tot vaststelling moet de subsidieaanvragers gegevens overhandigen inzake de gerealiseerde scholingstrajecten. Daarnaast moet een lijst met het BSN van de deelnemers en een controleverklaring, inclusief een rapport van feitelijke bevindingen, die is opgesteld door een accountant worden opgestuurd. De kosten voor een accountantsverklaring zijn niet subsidiabel binnen de regeling. Tot slot moeten de subsidieontvangers een evaluatieverslag van de uitgevoerde activiteiten opsturen. SZW heeft de bevoegdheid te controleren en maatregelen te nemen om fraude of oneigenlijk gebruik te voorkomen en op te sporen.

De subsidieontvanger moet er zorg voor dragen dat er een deugdelijke administratie wordt bijgehouden, op basis waarvan gecontroleerd kan worden of het scholingstraject is afgerond en aan alle voorwaarden wordt voldaan. In bijlage IV is opgenomen aan welke administratievoorschriften de subsidieontvanger moet voldoen. Het bijhouden van een goede administratie is mede van belang ten behoeve van de evaluatie, waarbij delen uit de administratie mogelijk voor dat doel worden opgevraagd.

4. Toepassing Caribisch Nederland

De regeling is van toepassing op zowel het Europese deel van Nederland als Caribisch Nederland. Dat betekent dat deelnemers die woonachtig zijn in Caribisch Nederland, deel kunnen nemen aan het gratis online scholingsaanbod. Voor deelnemers uit Caribisch Nederland geldt dat wanneer zij geen BSN hebben, de opleider waar dat gevraagd wordt het CRIB-nummer van de deelnemer moet opgeven.

Opleiders die gevestigd zijn in Caribisch Nederland kunnen evenals opleiders uit het Europese deel van Nederland in aanmerking komen voor een subsidie op grond van deze regeling. Wegens uitvoeringstechnische redenen, is er echter voor gekozen om opleiders uit Caribisch Nederland enkel de mogelijkheid te geven onderdeel te laten zijn van een opleiderscollectief of een samenwerkingsverband. Op deze manier kunnen zij aanspraak maken op subsidie en is de regeling uitvoerbaar.

5. Uitvoering, handhaving en evaluatie

Uitvoerbaarheid

De regeling wordt namens de minister uitgevoerd door UVB, onderdeel van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid. UVB heeft ruime ervaring met het uitvoeren van subsidieregelingen en beschikt over de expertise die hiervoor nodig is. UVB heeft deze regeling beoordeeld op uitvoerbaarheid. UVB acht de regeling uitvoerbaar. UVB heeft in de uitvoeringstoets een aantal uitvoeringsrisico’s benoemd.

Voor de doelgroep deelnemers moet worden gecontroleerd of iemand een band heeft met de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit is bijvoorbeeld het geval als iemand in Nederland verzekerd is voor volksverzekeringen of wanneer iemand in Nederland woont of werkt. Om dit te kunnen controleren zou een gegevensuitwisseling met respectievelijk de SVB en BRP moeten worden gerealiseerd. Gelet op de beschikbare tijd is dat niet haalbaar. In vrijwel alle gevallen geldt echter dat wanneer de deelnemer een BSN heeft, deze verzekerd is voor volksverzekeringen of in Nederland woont en/of werkt. De controle of een deelnemer tot de doelgroep hoort zal daarom worden gedaan aan de hand van het BSN van de deelnemer. Voor deelnemers uit Caribisch Nederland geldt dat wordt aangenomen dat zij tot de doelgroep behoren op basis van het CRIB-nummer.

Tweede belangrijk uitvoeringsrisico is de openstelling van de regeling voor Caribisch Nederland, voornamelijk waar het gaat om subsidieaanvragers afkomstig uit Caribisch Nederland. Verschillen in taal, tijdzone, gebruikte valuta en wisselkoersen brengen uitvoeringstechnische uitdagingen mee. Daarnaast is in het E-formulier niet voorzien in aanvragen vanuit Caribisch Nederland (vanwege de uitvraag van BSN, IBAN-nummer en adressering in Nederland). Bovendien wordt er voor de afhandeling van de subsidieaanvraag en het verzoek tot subsidievaststelling gebruik gemaakt van de samenwerkingsruimte. De ervaring leert dat bij subsidieaanvragers afkomstig uit Caribisch Nederland sms-communicatieproblemen spelen (sms-berichten voor toegang tot de samenwerkingsruimte worden niet altijd ontvangen). Deze risico’s brengen mee dat niet gegarandeerd kan worden dat aanvragen van subsidieaanvragers die afkomstig zijn uit Caribisch Nederland binnen de in de regeling getelde termijnen afgehandeld kunnen worden.

Desondanks kan deze regeling grote waarde hebben voor Caribisch Nederland. Ook in Caribisch Nederland wordt men geconfronteerd met de gevolgen van de coronacrisis. Ook daar verandert het werk en zitten mensen in onzekerheid over hun werksituatie. Ook voor deelnemers uit Caribisch Nederland is scholing van groot belang. Daarom is besloten de regeling eveneens open te stellen voor Caribisch Nederland. Dit betekent wel dat er uitvoeringstechnische uitdagingen zijn voor UVB, die een hogere uitvoeringslast meebrengen.

Als derde belangrijk uitvoeringsrisico wordt benoemd de beoordeling van scholingstrajecten. UVB heeft veel ervaring en expertise op het gebied van uitvoering van subsidieregelingen, maar geen expertise op het gebied van inhoudelijke beoordeling van scholingstrajecten. Om te garanderen dat inhoudelijk kwalitatief goede scholing wordt aangeboden zijn in de regeling verschillende maatregelen getroffen, bijvoorbeeld door een aantal algemene eisen aan het aanbod te stellen en het vereiste dat alleen opleidingen met bepaalde certificeringen of die worden gegeven door opleiders met bepaalde erkenningen of keurmerken in aanmerking komen voor subsidie.

Misbruik, oneigenlijk gebruik en handhaving

Bij de totstandkoming van de regeling is nadrukkelijk gekeken naar mogelijke risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies op basis van deze regeling. Er zijn verschillende maatregelen genomen om de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik zo veel mogelijk te beperken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de bepaling dat het aanbod op 1 september 2020 voor een vergelijkbare prijs als het aanbod in de periode daarvoor moet worden aangeboden en de kwaliteitseisen die worden gesteld aan de opleiding.

Monitoring & evaluatie

De regeling wordt gemonitord en geëvalueerd. De monitoring heeft betrekking op de financiële realisatie. Daarnaast vindt er een effectevaluatie plaats. Deze evaluatie richt zich op vaststellen van de doeltreffendheid en effecten van de regeling.

6. Financiële gevolgen

De middelen voor deze subsidieregeling zijn afkomstig van het budget dat beschikbaar is gesteld voor het crisispakket NL leert door. In totaal is er door het kabinet € 50 miljoen beschikbaar gesteld voor online scholing en ontwikkeladviezen. Voor ontwikkeladviezen is € 14 miljoen gereserveerd.4 Het subsidieplafond voor online scholing is vastgesteld op € 34 miljoen.

Het kabinet wil tussen de 50.000 en 80.000 scholingstrajecten subsidiëren. Hiervoor kunnen ongeveer 52.000 trajecten in categorie A en/of B worden aangeboden en 17.000 trajecten in categorie C.

Voor de uitvoeringskosten en de monitoring en evaluatie van het gehele crisispakket NL leert door is in totaal € 2 miljoen gereserveerd.

7. Inwerkingtreding

Publicatie van deze regeling vindt plaats rond 1 september 2020. Inwerkingtreding is voorzien op 1 september 2020, maar door het publicatiemoment kan dat enkele dagen later zijn.

Artikelsgewijze toelichting

Algemeen

Deze subsidieregeling is gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies. Dit betekent dat ook de op die wet gebaseerde Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (Kaderregeling) van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat een aantal zaken niet in deze subsidieregeling is opgenomen, maar te vinden is in de Kaderregeling. Zo is SZW bevoegd om bij terugvordering van ten onrechte betaalde subsidies gemaakte kosten en verschuldigde wettelijke rente in rekening te brengen (artikel 1.8 van de Kaderregeling).

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen, waarbij in verband met de vindbaarheid is gekozen om deze alfabetisch te ordenen. Enkele daarvan worden hier nader toegelicht.

Degenen die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze regeling zijn opleiders, opleiderscollectieven en samenwerkingsverbanden. Een opleider is een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zich beroepshalve bezig houdt met het geven van scholing. Van belang voor de in deze regeling geregelde aanvraagmogelijkheden is dat een opleider ook samen met een of meer andere opleiders als een grotere opleidingseenheid, een opleiderscollectief, kan opereren. Het samen opereren binnen een opleiderscollectief of een samenwerkingsverband biedt meer mogelijkheden voor kleinere opleiders. Een dergelijke samenwerking moet tussen de opleiders zijn overeengekomen, waarbij een hoofdaanvrager wordt gemachtigd om de andere partijen in het opleiderscollectief in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Er zijn verschillende partijen die hoofdaanvrager kunnen zijn voor samenwerkingsverbanden. Dat kunnen zijn brancheorganisaties, O&O-fondsen en werknemers- of werkgeversverenigingen hoofdaanvragers. Bij opleiderscollectieven kunnen het opleiders zijn die als hoofdaanvrager optreden. Bij samenwerkingsverbanden betreft het een samenwerking tussen enerzijds een opleider en anderzijds een organisatie die zich bezig houdt met scholing binnen de betrokken bedrijfstak, zoals O&O-fondsen en brancheorganisaties. Ook organisaties van werkgevers en werknemers kunnen in een samenwerkingsverband met opleiders zitten. Te denken valt ook aan gemeenten en provincies, hoewel deze geen hoofdaanvrager kunnen zijn. Gemeenten en provincies krijgen op basis van deze regeling geen subsidie, maar zij kunnen wel fungeren als facilitator.

Het begrip deelnemer is ruim. Het gaat om alle natuurlijke personen die verbonden zijn met de (Caribisch-)Nederlandse arbeidsmarkt en tussen de 18 jaar en de leeftijd, waarop de AOW of AOV ingaat, oud zijn. Ondanks de ruime omschrijving van de doelgroep is het van belang om op te merken dat de regeling vooral bedoeld is voor personen die stappen willen zetten op een kansrijke arbeidsmarkt. Dat betreft dan personen die werkloos zijn of dreigen werkloos te raken als gevolg van COVID-19 en die op weg naar een beroep waar zij mogelijk hun toekomstige loopbaan kunnen vinden, een daarop gericht scholingstraject willen volgen. Zij kunnen zich aanmelden voor het kosteloos volgen van een scholingstraject in verband met verbetering van hun arbeidsmarktpositie.

Scholing betreft alle vormen van overbrengen van vaardigheden of kennis. De begrippen scholing en scholingstraject komen meermalen voor in deze regeling, waarbij scholing meer het product betreft en scholingstraject het proces van het geven van de scholing. In deze regeling geldt als uitgangspunt dat scholing online wordt gegeven, door middel van digitale applicaties.5 Gelet op het feit dat er veel scholingstrajecten zijn die zich richten op het aanleren van praktische vaardigheden, is gedeeltelijke fysieke scholing mogelijk en soms zelfs noodzakelijk.

Artikel 2. Doel en reikwijdte van de regeling

Het hoofddoel van deze regeling is om personen die hun kansen op de arbeidsmarkt of hun kansen op het weer verkrijgen van arbeid in dienstbetrekking of als zelfstandige willen vergroten de mogelijkheid te bieden om kosteloos een scholingstraject te volgen waarmee kennis en vaardigheden (verder) kunnen worden ontwikkeld.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan op grond van deze regeling worden verstrekt aan opleiders, opleiderscollectieven of samenwerkingsverbanden voor het geven van scholing aan deelnemers.

Artikel 4. Aanvraaggerechtigden

Teneinde het aanvraagproces goed te kunnen stroomlijnen, worden verschillende aanvraagtijdvakken gehanteerd. Die staan vermeld in artikel 11, vierde lid. Per aanvraagtijdvak is er wisseling van aanvraaggerechtigden.

In het algemeen kan worden gesteld dat aanvraaggerechtigd zijn opleiders, opleiderscollectieven en samenwerkingsverbanden. Aangezien het bij categorieën A en B om de meer overzichtelijke scholingstrajecten gaat qua inhoud en totaal tijdsbestek, kunnen voor deze categorieën zowel opleiders als opleiderscollectieven aanvragen. Subsidieaanvragen voor categorie C kunnen alleen worden gedaan door samenwerkingsverbanden, waarbinnen het uiteraard de opleiders binnen een samenwerkingsverband zijn die uiteindelijk de scholing voor hun rekening zullen nemen en de andere samenwerkende partijen algemene, inhoudelijke of financiële input leveren voor de in te zetten scholing.

Artikel 5. Algemene eisen aan scholing

In dit artikel zijn de algemene eisen aan scholing opgenomen. Deze eisen gelden ongeacht van welke categorie scholing sprake is. Enkele daarvan worden hier nader toegelicht.

Eerste lid

De scholing wordt opgenomen in een catalogus, waarop bijlage I van toepassing is en beschikbaar gesteld aan de deelnemers. Een verplicht format van deze catalogus is te vinden op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Tweede lid

Onderdeel a: In dit onderdeel wordt aangegeven dat scholing aan één van de in onderdeel a genoemde kwalificaties of keurmerken dient te voldoen. Daarbij geldt dat scholing in categorie A en B dienen te voldoen aan een criterium als genoemd onder 1°, 2° of 3°, en scholing in categorie C aan een criterium als genoemd onder 1°, 2°, 3° of 4°. De navolgende onderdelen b tot en met h gelden vervolgens cumulatief, welke scholingscategorie het ook betreft.

Onderdeel b

Dit onderdeel geeft expliciet aan dat de scholing voor de deelnemer geen kosten mee mag brengen.

Onderdeel c

Ten aanzien van alle scholingstrajecten kan worden gemeld dat arbeidsmarktrelevantie een essentiële eis is die aan de te geven en te volgen scholing wordt gesteld. Scholing is arbeidsmarktrelevant, wanneer deze is gericht op het beter functioneren van de deelnemer in een huidige of toekomstige werkkring, waaronder mede begrepen scholing ter zake van een beroepsopleiding of herscholing en onderwijs gericht op het voor beroepsdoeleinden verwerven of op peil houden van kennis.

Onderdeel e

Voor elke scholing geldt dat deze in elk geval online wordt gegeven. Dat hoeft niet voor het geheel online te zijn. Immers, er zijn vele scholingstrajecten die een praktische handvaardigheid vergen, waardoor een onderdeel van dergelijke scholingstrajecten wel degelijk voor een deel fysiek moeten plaatsvinden.

Onderdeel f

In dit onderdeel is als eis opgenomen dat alleen subsidie mag worden aangevraagd voor aanbod dat vóór de datum van ingang van deze regeling, dus rond 1 september 2020 voor een vergelijkbaar of hoger bedrag is aangeboden. Met vergelijkbaar wordt bedoeld dat de scholing bij de subsidieaanvraag niet meer mag kosten van 102% van het bedrag waarvoor de scholing vóór 1 september 2020 werd aangeboden. De 2% is vastgesteld op basis van de inflatie. Om te bepalen of er geen sprake is van een te groot prijsverschil wordt de prijs op twee momenten vergeleken. Het eerste meetmoment wordt hierbij vastgesteld op 1 september 2020. De prijs op die dag wordt vergeleken met het bedrag dat in de voorafgaande periode dat die scholing werd gegeven, werd gevraagd.

Onderdeel h

Scholing komt alleen in aanmerking voor subsidie als de desbetreffende scholingstrajecten aantoonbaar, met een bewijs van afronding, zijn afgesloten.

Artikel 6. Specifieke eisen aan scholing per categorie scholing

Dit artikel bepaalt, ten behoeve van de berekening van de hoogte van het subsidiebedrag, een categorie-indeling van scholing. Het gaat om drie categorieën.

Categorie A betreft scholingstrajecten die ten minste zes maanden via een leerpakket of abonnement worden aangeboden, gericht op ontwikkeling van kennis en vaardigheden. Scholing in categorie A heeft een minimale studiebelasting van 8 uur. Bedoeling is dat scholing in categorie A wordt afgerond met een bewijs van afronding. Om te bereiken dat scholing wordt aangeboden van reële waarde, is verder bepaald dat de waarde van elke scholing ten minste € 150,00 bedraagt.

Bij categorie B gaat het om een intensievere scholing, waarin basisvaardigheden, sociaal-communicatieve vaardigheden en arbeidsmarktvaardigheden (verder) ontwikkeld kunnen worden. De scholing moet worden afgerond met een bewijs van afronding. Na afronding van scholing heeft de deelnemer zijn arbeidsmarktpositie versterkt. Daarnaast kan in categorie B scholing worden gevolgd waarmee specifiekere vaardigheden van een vak worden aangeleerd. Resultaat van deze scholing is dat een deelnemer met enige kennis van zaken de volgende stap in zijn loopbaan zet. Scholing in categorie B heeft een minimale studiebelasting van 16 uur. Ook voor deze scholing is bepaald dat er een minimale waarde moet zijn van elke scholing. Deze is voor categorie B-scholing vastgesteld op ten minste € 500,00.

Categorie C ten slotte betreft scholing van middelbaar of hoger onderwijsniveau die wordt afgerond met als bewijs van afronding een diploma of certificaat op middelbaar of hoger onderwijsniveau. Hieronder valt ook scholing die wordt afgesloten met een branche- of sector-erkend certificaat. Daarnaast vallen ook EVC-trajecten onder categorie C. Bij categorie C scholing gaat het niet om langdurig, voltijds school- of universitair onderwijs. De in de catalogus aangeboden scholing in categorie C heeft voorts een gemiddelde waarde van ten minste € 1.250,00 en ten minste een waarde van € 1.000,00 per scholingstraject. Aangezien de bijdrage uit hoofde van deze regeling niet kostendekkend zal zijn voor scholingstrajecten uit categorie C, kan in een samenwerkingsverband worden bereikt dat door de input van een of meer partijen de opleiding geheel wordt bekostigd. In alle gevallen is het volgen van de scholing voor de deelnemer kosteloos (zie artikel 5, tweede lid, onderdeel b).

Voor de scholing in categorieën B en C geldt dat de opleider persoonlijke begeleiding en ondersteuning biedt. Dit is anders bij categorie A, omdat bij leerpakketten en abonnementen persoonlijke begeleiding en ondersteuning niet noodzakelijk of mogelijk is.

Artikel 7. Eisen aan opleider

Voor de eisen, die op grond van deze regeling aan de opleider worden gesteld, wordt verwezen naar bijlage II. De subsidieaanvrager dient op grond van artikel 10, vierde lid, onderdeel b, bij de aanvraag te verklaren dat de opleider hieraan voldoet. Het tweede lid maakt het mogelijk dat opleiders die niet beschikken over een van de certificeringen of keurmerken, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, toch een subsidieaanvraag kunnen indienen op grond van deze regeling met een in dat land overeenkomstige certificering of keurmerk.

Artikel 8. Subsidieplafond

Dit artikel geeft het totaal beschikbare budget weer dat openstaat voor het kosteloos aanbieden van scholing op grond van deze regeling.

Artikel 9. Hoogte van het subsidiebedrag

Dit artikel behoeft weinig toelichting. De genoemde bedragen in het eerste lid zijn de vastgestelde subsidiebedragen per deelnemer bij een afgerond scholingstraject in de categorieën A, B of C. Het tweede lid maakt duidelijk dat de hoogte van het subsidiebedrag per aanvraag een berekening is die bestaat uit prijs maal hoeveelheid (p x q).

Artikel 10. Eisen aan de subsidieaanvraag

Eerste lid

Een subsidieaanvraag kan worden ingediend door middel van een vooraf vastgesteld elektronisch aanvraagformulier dat op de website www.mijnuitvoeringvanbeleidszw.nl is te vinden. Dit formulier is per opening tijdvak beschikbaar. Vooraf kan men zich registreren en een account aanmaken.

Tweede lid

Artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt een aantal gegevens, die een subsidieaanvraag ten minste moet bevatten, zoals de naam en het adres van de subsidieaanvrager. Daarnaast bevat een subsidieaanvraag een aantal aanvullende gegevens, waaronder het KvK-nummer en de contactgegevens van de subsidieaanvrager en het aantal scholingstrajecten, verdeeld naar categorieën, waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Derde lid

De subsidieaanvraag bevat niet alleen gegevens, maar ook relevante stukken. Zo wordt onder meer een catalogus meegestuurd die de subsidieaanvrager, afhankelijk van verlening van subsidie, aan de deelnemers zal aanbieden.

Bij aanvragen van opleiderscollectieven en samenwerkingsverbanden is verder van belang dat er een persoon is die namens het collectief of samenwerkingsverband de aanvraag indient. Dit is de hoofdaanvrager, die gedurende het gehele proces ook aanspreekbaar is op de verplichtingen die op de opleider rusten. Deze persoon is verantwoordelijk voor de verplichtingen die op de opleider rusten in het kader van aanvraag, tussentijdse informatieverstrekking, declaratie en eindafrekening voor de vaststelling van de subsidie. Ook in het kader van evaluatie en onderzoek is deze vertegenwoordiger degene die voor het opleiderscollectief of samenwerkingsverband wordt aangesproken. Om die reden wordt de aanvraag vergezeld van een samenwerkingsovereenkomst en een schriftelijke machtiging, waarvan een format in bijlage III is opgenomen. Indien er sprake is van een opleiderscollectief of samenwerkingsverband, dienen ook de KvK-nummers en de contactgegevens van de opleiders binnen dat collectief of samenwerkingsverband te worden vermeld.

In dit verband kan nog worden opgemerkt dat binnen een samenwerkingsverband een opleider niet kan optreden als hoofdaanvrager. De gedachte achter een samenwerkingsverband in het kader van deze regeling is dat de behoefte van de sector of branche leidend is. Op basis van deze behoefte wordt de opleider gekozen.

Vierde lid

Om in aanmerking te komen voor subsidie verklaart de subsidieaanvrager dat de catalogus voldoet aan de vereisten, die zijn opgenomen in bijlage I en dat de opleider voldoet aan de eisen, die zijn opgenomen in bijlage II.

Vijfde lid

De aanvrager geeft tevens toestemming om (een link naar) de catalogus te laten plaatsen op de website www.hoewerktnederland.nl.

Zesde lid

Dit lid bepaalt dat, met het oog op een eerlijke verdeling van de subsidiegelden, er per categorie aanvraaggerechtigde een maximum wordt gesteld aan het subsidiebedrag dat per aanvraag kan worden aangevraagd. Dat maximum is voor opleiders en opleiderscollectieven € 1,5 miljoen en voor samenwerkingsverbanden € 2 miljoen subsidie.

Zevende en achtste lid

Deze leden stellen een capaciteitseis aan de aanvraag. Deze eis geldt het minimum aantal scholingstrajecten waarvoor een aanvrager een aanvraag moet indienen. Daarbij is het voor de aanvrager van uitermate groot belang dat hij bij zijn aanvraag nagaat of het aantal door hem aangevraagde trajecten ook reëel haalbaar voor deze aanvrager kan worden geacht. Met andere woorden, zijn aanvraag weerspiegelt de reële verwachting dat het desbetreffend aantal scholingstrajecten door hem (opleider, opleiderscollectief, samenwerkingsverband) zal worden gerealiseerd. Artikel 15, vierde en vijfde lid, geeft aan wat de mogelijke vervolgstappen zijn in geval van onderrealisatie.

De capaciteitseis is opgenomen om zo overzichtelijkheid voor de deelnemers te waarborgen en de regeling uitvoerbaar te houden. De eis voor individuele opleiders en opleiderscollectieven ligt op een minimum van 1.500 scholingstrajecten per aanvrager. De eis voor samenwerkingsverbanden ligt op een minimum van 750 trajecten per aanvrager. De reden voor een lagere eis bij samenwerkingsverbanden dan bij individuele of collectieve opleiders ligt in de aard van het subsidiabele aanbod.

Negende lid

Scholingstrajecten die starten voordat de subsidieverleningsbeschikking binnen is bij de aanvrager, noch scholingstrajecten die na 31 juli 2021 worden afgerond komen in aanmerking voor subsidie. Dit lid, in combinatie met artikel 14, onderdeel b, strekt ertoe om het gehele proces van subsidieverstrekking op procesmatig goede wijze te doen verlopen. De uiterste datum van afronding van scholingstrajecten, 31 juli 2021, leidt ertoe dat subsidieaanvrager nog voldoende gelegenheid heeft om de vaststellingsaanvraag in te dienen en geeft de uitvoerder van deze regeling de mogelijkheid bijtijds alle vaststellingsbeschikkingen af te ronden.

Tiende lid

Dit lid maakt het mogelijk dat opleiders of subsidieaanvragers die niet beschikken over een KvK-nummer een aanvraag kunnen doen met een in dat land overeenkomstig registratienummer.

Artikel 11. Aanvraagtijdvakken subsidie

Voor het indienen van subsidieaanvragen worden twee aanvraagtijdvakken opengesteld, waarin per tijdvak maximaal 17 miljoen euro kan worden aangevraagd. Het is afhankelijk van het soort aanvrager voor welk tijdvak hij in aanmerking komt. Het eerste tijdvak wordt opengesteld voor opleiders en opleiderscollectieven, het tweede tijdvak voor samenwerkingsverbanden. Subsidieaanvragen die na het sluiten van een aanvraagtijdvak worden ingediend, worden niet in behandeling genomen. Het zesde lid bepaalt dat bij onderuitputting van het budget in het eerste tijdvak het resterende budget van het eerste tijdvak wordt opgeteld bij het maximumbedrag van 17 miljoen euro dat beschikbaar is voor het tweede tijdvak.

Artikel 12. Rangschikking

In dit artikel wordt geregeld dat subsidieaanvragen worden behandeld op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen. Op grond van artikel 2.3 van de Kaderregeling geldt dat wanneer de subsidieaanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld om zijn onvolledige subsidieaanvraag aan te vullen, het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag geldt als het tijdstip van ontvangst van de aanvraag. Ook wordt geregeld dat als subsidieaanvragen gelijktijdig worden ontvangen door middel van loting wordt vastgesteld op welke volgorde de ontvangen subsidieaanvragen worden behandeld. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.

Artikel 13. Verlening van de subsidie

Op een (volledige) subsidieaanvraag wordt binnen 13 weken beslist. In de beschikking tot subsidieverlening wordt aangegeven voor welke scholingstraject of scholingstrajecten subsidie wordt verleend. Daarnaast wordt aangegeven voor welke periode van scholing subsidie wordt verleend en aan welke verplichtingen de subsidieaanvrager moet voldoen. Onder deze verplichtingen valt ook de verplichting om goede administratie bij te houden. In bijlage IV staan alle onderdelen die deel moeten uitmaken van de administratie en wordt voorts aangegeven dat deze administratie beschikbaar moet zijn voor raadpleging en controle (zie ook artikel 18).

Het gehele scholingstraject moet binnen de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde periode vallen. Overschrijding leidt tot het niet subsidiabel zijn van het gehele scholingstraject.

De beschikking tot verlening van het voorschot op de subsidie, respectievelijk de subsidie zelf vermeldt het bedrag dat met de beschikking is gemoeid. De beschikking kan ook een berekening van het te verlenen subsidiebedrag bevatten.

Ter afronding van het subsidieproces zal een beschikking tot vaststelling van de subsidie moeten worden gevraagd. Het moment waarop dat uiterlijk moet plaatsvinden wordt vermeld in artikel 15, met daarbij de vermelding van de verantwoordingsinformatie die daarbij door de opleider moet worden verstrekt.

Bij de verlening van de subsidie wordt een voorschot gegeven. Dat voorschot bedraagt 60% van het berekende bedrag. De berekening van dit bedrag is opgenomen in artikel 9, tweede lid.

De betaling kan worden opgeschort op de gronden genoemd in artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast kan de betaling worden opgeschort als het ernstige vermoeden bestaat dat aanvrager zich niet aan de opgelegde verplichtingen bij de subsidieverlening houdt. En uiteraard kan de betaling worden opgeschort als mededelingen van de aanvrager daar aanleiding toe geven.

Artikel 14. Weigering van de subsidie

Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht geeft een aantal gronden waarop een aanvraag voor subsidie in elk geval kan worden geweigerd. Dat geldt onder andere als het scholingstraject waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet heeft plaatsgevonden, als er geen sprake is van een behoorlijke wijze van rekening en verantwoording of als in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

In deze regeling worden twee aanvullende weigeringsgronden opgenomen.

Ten eerste wordt de subsidie geweigerd als de subsidieaanvraag niet voldoet aan bij deze regeling gestelde eisen of de eisen in of op grond van de Kaderwet SZW-subsidies. Tweede grond voor weigering is dat de scholing waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvindt buiten de periode die staat vermeld in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 15. Subsidievaststelling

Ten behoeve van de afronding van het subsidieproces zal op grond van artikel 4:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een beschikking tot vaststelling van de subsidie moeten worden gevraagd. Daarbij komt ook de verantwoordingsinformatie die door de opleider moet worden verstrekt. In aanvulling op paragraaf 7.2 van de Kaderregeling, regelt dit artikel onder meer waaruit het verzoek tot vaststelling bestaat. Overeenkomstig de Kaderregeling zijn de gestelde eisen afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag.

De informatie, genoemd in het tweede lid, betreft naast enkele administratieve gegevens een specificatie van de gegeven scholing en het aantal deelnemers, uitgesplitst naar categorie A, B of C. De subsidieontvanger hoeft bij het verzoek tot subsidievaststelling niet de in bijlage IV genoemde onderliggende stukken uit de administratie mee te sturen. De minister kan steekproefsgewijs wel onderliggende stukken opvragen.

Aangezien de hoogte van het subsidiebedrag per aanvraag te allen tijde minimaal € 225.000 bedraagt, dient bij het verzoek tot subsidievaststelling bovendien een separaat verslag van de uitgevoerde evaluatie te worden geleverd en is een assurancerapport en een rapport van feitelijke bevindingen vereist. Deze rapporten zijn opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol, bekend gemaakt op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Om te voorkomen dat subsidie wordt verleend, maar vervolgens niet of nauwelijks scholingstrajecten worden gerealiseerd, zijn het vierde en vijfde lid opgenomen. Wanneer de subsidieontvanger voorziet dat minder dan 60% van het aantal scholingstrajecten zal worden gerealiseerd, kan hij tot 1 juni 2021 een wijzigingsverzoek indienen, dus uiterlijk 31 mei 2021. Dat wijzigingsverzoek dient hij bijtijds te doen, dat wil zeggen voor het einde van de periode waarover zijn gesubsidieerde scholingstrajecten zich uitstrekten. Het is echter zaak dat het wijzigingsverzoek voor 1 juni 2021 komt. De subsidie kan dan navenant lager worden vastgesteld en achteraf ten onrechte verstrekte voorschotten zullen worden teruggevorderd. Dat hoeft echter niet in alle gevallen te gebeuren. In het vijfde lid is opgenomen dat de subsidie kan worden vastgesteld op nihil wanneer het aantal gerealiseerde scholingstrajecten lager is dan 60% van het aantal scholingstrajecten zoals vermeld in de afgegeven beschikking tot subsidieverlening. Van een mogelijke nihilstelling kan sprake zijn als blijkt dat de subsidieontvanger verwijtbaar heeft gehandeld, hetgeen onder andere kan blijken uit een veel te optimistische schatting van aantallen deelnemers, gelet op zijn verleden, of uit het feit dat hij geen enkele moeite heeft gedaan om deelnemers te werven voor zijn scholingstrajecten.

Artikel 16. Evaluatie van de uitgevoerde scholing

De subsidieontvanger dient zorg te dragen voor een goede evaluatie van de wijze waarop hij uitvoering heeft gegeven aan de scholingstrajecten op grond van deze regeling. Dit artikel geeft verder aan uit welke onderdelen een evaluatieverslag in ieder geval dient te bestaan. Het tweede lid noemt een aantal elementen dat van belang is om te kunnen beoordelen hoe deze regeling per aanvrager heeft gewerkt. Het gaat bij het evalueren van de resultaten van de scholingstrajecten tevens om qua achtergrond van deelnemers relevante kenmerken. Bij relevante kenmerken kan onder andere worden gedacht aan leeftijd(scohort) of arbeidsmarktstatus bij aanvang van de scholing. Welke kenmerken precies relevant zijn wordt nader in overleg met betrokken organisaties en personen bezien, waarbij deze uiteraard worden geselecteerd met inachtneming van alle relevante regelgeving zoals de regelgeving rond de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

Artikel 17. Melding fraude

In deze regeling zijn bepalingen opgenomen die fraude en misbruik beogen te voorkomen. Voorbeelden daarvan zijn de verplichte keurmerken en certificeringen. Daarnaast dient een subsidieontvanger verslag uit te brengen over hoe hij de regeling heeft uitgevoerd in termen van besteding subsidiebedrag, aantallen scholingstrajecten etc. Mocht niettemin enig moment blijken dat er een redelijk vermoeden bestaat dat een opleider of een andere betrokken persoon fraude heeft gepleegd bij het verkrijgen van subsidie, kan de minister hiervan melding maken bij het openbaar ministerie. Wanneer de opleider een erkende of gecertificeerde opleider is, kan ook melding worden gedaan bij de instantie waar de certificering of het keurmerk is verkregen. Dit kan, uiteraard na gedegen onderzoek, tot gevolg hebben dat de betrokken opleider zijn erkenning of certificering verliest. Daarnaast zal, als vaststaat dat fraude is gepleegd, deze opleider of persoon van verdere deelname aan deze regeling worden uitgesloten

Artikel 18. Meewerken aan controle en onderzoek

In het eerste lid is geregeld dat de opleider meewerkt aan een controle door SZW. Dit kan een controle zijn om vast te stellen of subsidie kan worden verstrekt, of om achteraf na te gaan of de subsidie terecht is verstrekt. Wanneer blijkt dat de subsidie ten onrechte is verstrekt, wordt deze geheel of gedeeltelijk teruggevorderd. De kosten hiervan zijn voor rekening van de subsidieontvanger. Ook kan verschuldigde wettelijke rente in rekening worden gebracht over het terug te betalen bedrag (artikel 1.8 van de Kaderregeling).

De volledige administratie is per project aanwezig op één locatie en deze kan digitaal worden ingezien. De subsidieontvanger is zelf verantwoordelijk voor een juiste opslag van bescheiden, ook wanneer de subsidieontvanger deze verplichting heeft uitbesteed aan een derde partij. De subsidieontvanger dient er ook voor te zorgen dat de bescheiden vrij toegankelijk zijn en blijven, in achtgenomen de ontwikkelingen met betrekking tot digitale netwerken en databases zoals clouds. De administratie moet uiteraard voldoen aan de eisen in de AVG.

Daarnaast geldt dat het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling een beleidsinstrument is dat wordt ingezet om in de huidige crisisperiode met een effectief instrument de arbeidsmarktkansen voor personen die in een lastige arbeidsmarktpositie terecht zijn gekomen te vergroten. Het is dan ook van belang om inzicht te verkrijgen in de realisatie van het beleid. Aan de hand van dat inzicht kan het beleid verder ontwikkeld worden. Een subsidieontvanger heeft baat bij deze regeling doordat hij, met hulp van subsidie, een scholingstraject kan bieden die de deelnemer profijt kan opleveren in zijn verdere loopbaan. Van subsidieontvangers mag daarom ook worden verwacht dat zij meewerken aan onderzoek ten behoeve van de verdere ontwikkeling van het (scholings)beleid. Daar hoort dan ook bij dat er vragen kunnen worden gesteld en inlichtingen kunnen worden gevraagd die nodig zijn voor de evaluatie van het beleid.

Ook de deelnemer verleent medewerking aan ingezet onderzoek door middel van informatie van zijn kant. Door ondertekening van de Toestemmingsverklaring (bijlage V) geeft de deelnemer aan daartoe bereid te zijn.

Artikel 19. Evaluatie

Er zal na drie jaar een evaluatie worden uitgevoerd, waarin de doelstellingen van het beleid en de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid worden onderzocht.

Artikel 20. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant. Dat zal rond 1 september 2020 zijn. De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022. De regeling blijft gelden voor de afwikkeling van alle aanvragen tot subsidievaststelling die tot en met 1 oktober 2021, 17.00 uur zijn ingediend.

Artikel 21. Citeertitel

Onder de paraplu van NL leert door zijn twee regelingen opgesteld. De eerdere Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies is met ingang van 1 augustus 2020 in werking getreden. Deze regeling heeft als titel: Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 juli 2020, 2020-0000098298, tot verstrekking van subsidies aan loopbaanadviseurs voor het geven van ontwikkeladvies (Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies).

X Noot
2

Voor zover er fysieke bijeenkomsten of fysieke vormen van onderwijs worden aangeboden wordt opgemerkt dat het aan de opleiders is om de richtlijnen van het RIVM na te leven en daarmee de gezondheid van de deelnemers te garanderen.

X Noot
3

Richtlijn 2006/123/EG.

X Noot
4

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 juli 2020, 2020-0000098298, tot verstrekking van subsidies aan loopbaanadviseurs voor het geven van ontwikkeladvies (Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies).

X Noot
5

Voorbeelden van dergelijke applicaties zijn Skype, Google Hangouts, Microsoft Teams.