TOELICHTING
Algemeen deel
1. Aanleiding en doel van de specifieke uitkering
Mobility as a Service (MaaS) betreft het aanbod van multimodale, vraag-gestuurde mobiliteitsdiensten,
waarbij op maat gemaakte reismogelijkheden via een digitaal platform met real-time
informatie aan klanten worden aangeboden, inclusief betaling en afhandeling van transacties.
Naar verwachting biedt MaaS mogelijkheden op het terrein van bereikbaarheid, duurzaamheid,
doelgroepenbeleid/sociale inclusie en verbetering van het vervoersaanbod in krimp-
en grensregio’s. Vervoerssystemen kunnen door MaaS worden geoptimaliseerd, waardoor
reizigers slimmer kunnen reizen en de totale infrastructuur beter zal worden benut.
Daarom wil het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: IenW) ervaring
opdoen met dit concept en een landelijke voedingsbodem creëren voor MaaS. Om deze
ervaring op te doen, wil IenW een aantal regionale pilots faciliteren. Deze regionale
pilots worden opgezet door een decentrale overheid, bijvoorbeeld een provincie, een
gemeente of door een vervoerregio. Elke pilot heeft een eigen specifieke doelstelling,
zodat met een beperkt aantal pilots een brede kennisbasis kan worden opgebouwd. Doel
van de pilots is om een groter gebied en bereik (in doelgroepen en aantal gebruikers)
te realiseren, zodat elke pilot van regionaal naar (inter)nationaal niveau kan worden
opgeschaald. Dit biedt het bedrijfsleven een helder (investerings)perspectief, waardoor
de kans groter wordt dat succesvolle pilots op grote schaal zullen doorbreken. Er
wordt voor alle pilots een Kennis & Leeromgeving ingericht, zodat de impact van de
pilots op het totale verkeers- en vervoerssysteem voor geïnteresseerde partijen inzichtelijk
wordt gemaakt. Bij elke pilot worden vervoersaanbieders en marktpartijen betrokken.
Om te zorgen dat marktontwikkeling op het terrein van MaaS van de grond komt en verder
ontwikkeld wordt, wil IenW in een aantal pilots samenwerken met decentrale overheden
en deskundige marktpartijen. De bedoeling van deze samenwerking is om te komen tot
een aantal pilots die landelijk kunnen worden opgeschaald.
In 2017 is IenW gestart met de voorbereiding van de Maas- pilots. In het kader van
de BO-MIRT overleggen heeft IenW de decentrale overheden gevraagd om deel te nemen
aan het MaaS-programma. Ongeveer tien decentrale overheden bleken geïnteresseerd.
Daarvan hebben zeven decentrale overheden zich daadwerkelijk bereid verklaard om een
pilot op te zetten en deze mede te financieren. Met deze overheden heeft IenW een
bestuursovereenkomst gesloten.
Eind 2017 is door IenW, in samenwerking met de zeven decentrale overheden een marktconsultatie
uitgeschreven, waaraan meer dan 200 marktpartijen hebben deelgenomen.
2. De noodzaak voor de specifieke uitkering
MaaS is een concept, waarin bestaande initiatieven rond het aanbieden van mobiliteit
van deur tot deur worden gecombineerd met informatie van verschillende vervoerders
en dienstverleners. Om Nederland bereikbaar te houden, zijn innovatieve manieren nodig
om aan de mobiliteitsbehoefte te voldoen. MaaS is daar een voorbeeld van. Om dit concept
te ontwikkelen is een samenwerking nodig van Rijk, decentrale overheden en marktpartijen.
Ook zijn financiële stimulansen, waaronder subsidies uit rijksmiddelen, nodig om marktpartijen
te helpen met de financiering van de onrendabele top bij de ontwikkeling van MaaS.
Om die reden wordt een regeling ingesteld, zodat het Rijk een financiële bijdrage
kan leveren aan de zeven pilots. De bijdrage van het Rijk wordt betaald aan decentrale
overheden, die deze bijdrage gebruiken om een bijdrage te leveren aan de marktpartij(en)
die werken aan de uitvoering van de MaaS-pilots. Ten aanzien van de pilots zijn afspraken
gemaakt tussen Rijk en de decentrale overheden. Er is dan ook geen beleids- en bestedingsvrijheid
voor de deelnemende overheden. Om die reden is een specifieke uitkering het aangewezen
instrument.
3. De voorwaarden die worden opgelegd en de noodzakelijkheid daarvan
Besteding van de uitkering
De uitkering wordt verleend aan de betrokken decentrale overheden. Deze overheden
dienen ten minste een gelijk bedrag aan subsidie in te brengen. De uitkering mag door
de decentrale overheden uitsluitend besteed worden aan de Maas-pilots. Aangezien in
elke regio een verschillende aanpak is gekozen, zijn met elke decentrale overheid
specifieke afspraken gemaakt over de opzet en inhoud van de pilot. Deze afspraken
zijn vastgelegd in een bestuursovereenkomst.
Andere maatregelen
Naast gezamenlijk investeren in de ontwikkeling van het opzetten van MaaS-diensten,
zijn ook andere maatregelen nodig om het MaaS-concept succesvol te kunnen realiseren.
IenW en de decentrale overheden werken in de pilots samen om te komen tot een efficiënte
uitwisseling van data, tot standaardisatie hiervan en tot de inrichting van een landelijke
Leeromgeving.
4. De hoogte van de uitkering en de wijze van verdeling
Voor de Maas-pilots is door het kabinet € 10 miljoen beschikbaar gesteld. Dit bedrag
wordt verdeeld over de zeven ontvangers. Deze ontvangers zijn geselecteerd op basis
van de door hen ingediende plannen van aanpak en op basis van hun bereidheid om hun
pilot daadwerkelijk op te zetten en mede te financieren met ten minste een gelijk
bedrag als aan hen door de minister wordt uitgekeerd. Met deze zeven pilots wordt
een brede impuls gegeven aan de ontwikkeling van MaaS.
Deze regeling is ter uitvoering van de afspraken die met de decentrale overheden zijn
gemaakt over MaaS in de Bestuurlijke Overleggen MIRT 20181 en 20192 (hierna: Afsprakenlijst). Deze afspraken zijn vervolgens in 2018 overeengekomen in
zeven bestuursovereenkomsten.
Aansluitend heeft IenW, mede namens de zeven decentrale overheden, de Raamovereenkomst
MaaS Europees aanbesteed, waarbij de aanpak van het IenW en de decentrale overheden
ten aanzien van de Maas-pilot contractueel met marktpartijen is vastgelegd. Met 23
marktpartijen is de Raamovereenkomst MaaS gesloten.
De rijksbijdrage voor de Maas-pilot in de regio Rotterdam en Den Haag is niet in deze
regeling opgenomen. Deze rijksbijdrage loopt via de Brede Doel Uitkering aan de Metropoolregio
Rotterdam Den Haag.
5. Verhouding tot bestaande regelgeving
Het nationaal bestuursrechtelijke kader voor deze regeling wordt gevormd door de Kaderwet
subsidies I en M, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de Financiële-verhoudingswet.
Daarnaast zijn de staatssteunregels van belang voor de onderhavige regeling.
Kaderwet subsidie I en M, Awb en Financiële-verhoudingswet
Op grond van deze regeling worden specifieke uitkeringen verstrekt aan gemeenten en
provincies voor het uitvoeren van een Maas-pilot. In artikel 4.21, derde lid, van
de Awb is bepaald dat titel 4.2 (Subsidies) van die wet niet van toepassing is op
de aanspraak op financiële middelen die worden verstrekt op grond van een wettelijk
voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens
publiekrecht zijn ingesteld. Artikel 2 van de Kaderwet subsidies I en M wijkt af van
artikel 4.21, derde lid, van de Awb en bepaalt dat titel 4.2 van die wet wel van toepassing
is op financiële middelen die worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht
zijn ingesteld. Om die reden is titel 4.2 van de Awb van toepassing op deze regeling.
Hierin zijn bepalingen opgenomen die relevant zijn of kunnen zijn voor de ontvangers
zoals de artikelen 4:46 (subsidievaststelling) en 4:57 (terugvordering). Omdat op
grond van deze regeling specifieke uitkeringen worden verstrekt is naast de Kaderwet
subsidies I en M en de Awb ook de Financiële-verhoudingswet van toepassing. In artikel
17a van de Financiële-verhoudingswet is de wijze van verantwoording van de specifieke
uitkering geregeld.
Europeesrechtelijke aspecten
De onderhavige regeling is getoetst op mogelijke staatssteunelementen. De gemeenten
en provincies krijgen een specifieke uitkering voor pilots die helpen bij het uitvoeren
van een overheidstaak, zoals het efficiënt organiseren van het doelgroepenvervoer
of het regionaal openbaar vervoer. Deze pilots moeten worden opgeschaald en leveren
daarmee voordeel op voor de samenleving als geheel. Daarnaast is de Raamovereenkomst
MaaS Europees aanbesteed. En zijn de Maas-pilots op basis van de raamovereenkomst
in open minicompetities onder alle MaaS-dienstverleners aanbesteed.
Van belang is dat de begunstigden met de verstrekte middelen zelf geen staatssteun
verstrekken (indirect voordeel) door aan ontwikkelaars een economisch voordeel te
verschaffen. Hiervan is geen sprake indien de begunstigde de aanbestedingsregels volgt.
6. Administratieve lasten
De verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering op grond van artikel
17a van de Financiële-verhoudingswet verloopt via de jaarrekening van de gemeente
en de provincie en de systematiek van ‘single information, single audit’ (SiSa-systematiek).
Dit leidt tot de meest minimale uitvoeringslasten voor zowel de gemeenten, de provincies
als voor de rijksoverheid.
7. Consultatie
Op 28 juni 2018 is een informatiebijeenkomst gehouden voor gemeenten, provincies en
vervoerregio’s over de beoogde inzet van de € 6.082.500 ten behoeve van de ontwikkeling
van MaaS. Naar aanleiding van de inbreng van de decentrale overheden, opgenomen in
hun plannen van aanpak, is een berekeningswijze tot stand gekomen om het beschikbare
bedrag aan rijksmiddelen te verdelen over de zeven Maas-pilots. Tijdens de Bestuurlijke
overleggen MIRT 2018 zijn vervolgens concrete afspraken gemaakt over de financiële
bijdragen voor de specifieke pilots. Deze afspraken zijn vastgelegd in bestuursovereenkomsten.
Daarnaast is de raamovereenkomst voor de uitvoering van zeven regionale, landelijk
opschaalbare, Maas-pilots openbaar gemaakt via tendernet. Verdere consultatie is derhalve
niet meer nodig, aangezien deze regeling geen ingrijpende verandering teweegbrengt
in de rechten en plichten van burgers en bedrijven en ook geen ingrijpende gevolgen
heeft voor de uitvoeringspraktijk.
8. Inwerkingtreding en horizonbepaling
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het beleid
inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen
voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep
gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding. De pilots zijn reeds aanbesteed en de
eerste pilots bereiken binnenkort de tweede mijlpaal. Door spoedige inwerkingtreding
wordt voorkomen dat de betrokken private en publieke partijen lang moeten wachten
op hun bijdrage in de reeds gemaakte kosten.
De regeling vervalt met ingang van 31 december 2022 met dien verstande dat deze regeling
van toepassing blijft op een uitkering die krachtens deze regeling is verstrekt. Omdat
het de bedoeling van deze regeling is dat partijen snel gaan beginnen met het realiseren
van pilots ten behoeve van het verder ontwikkelen van MaaS, is ervoor gekozen om een
horizonbepaling op te nemen.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Begripsbepalingen
In de begripsomschrijving ontvangers worden de ontvangers van deze specifieke uitkering genoemd. Sommige Maas-pilots worden
uitgevoerd door samenwerkende decentrale overheden. Zo werken de provincie Groningen
en de provincie Drenthe aan een gezamenlijke pilot. De specifieke uitkering voor deze
pilot wordt overgemaakt aan de provincie Drenthe.
Artikel 2 Verlening specifieke uitkering
In het eerste lid is bepaald dat de ontvangers een specifieke uitkering krijgen voor
het uitvoeren van een Maas-pilot. In een plan van aanpak, behorende bij de bestuursovereenkomst,
is per ontvanger opgenomen welke activiteiten in het kader van de pilot worden uitgevoerd.
In het tweede lid is het maximumbedrag per ontvanger opgenomen. Dit bedrag is bepaald
op basis van de voorstellen van de decentrale overheden over de inhoud en de kosten
van de pilot MaaS. Ook is bepaald dat het Rijk maximaal 50% van de totale overheidsbijdrage
aan de pilots betaalt, aangezien een actieve betrokkenheid van de betrokken decentrale
overheden cruciaal is voor het slagen van de pilot. Dit betekent dat de overheidsfinanciering
op basis van ten minste 50% cofinanciering door de regio rond moet zijn.
In het derde lid is het plafond van de rijksbijdrage opgenomen.
De bedragen zijn inclusief BTW en de BTW-component wordt in het BTW-compensatiefonds
gestort.
Artikel 3 Aan de uitkering verbonden verplichtingen
Zoals in het algemeen deel van de nota van toelichting al is aangegeven mag deze uitkering
alleen worden besteed aan de realisering van de Maas-pilots. Daarbij moeten de afspraken
uit (en op grond van) de bestuursovereenkomsten worden nagekomen.
Artikel 4 Voorschotverlening
Aan de ontvanger wordt gelijktijdig met het besluit tot verlening van de uitkering
een voorschot verleend van 100% van de specifieke uitkering. Het voorschot wordt in
overleg met de betrokken ontvanger betaald in drie evenredige delen gedurende de looptijd
van het project:
Er is gekozen voor het uitkeren van het voorschot in drie gelijke termijnen. De laatste
termijn wordt uitgekeerd bij het einde van de pilot en niet pas bij de verantwoording,
omdat voor de verantwoording wordt aangesloten bij de systematiek van ‘single information,
single audit’ (SiSa-systematiek). Het gevolg hiervan is dat er één keer per jaar verantwoording
plaatsvindt en er dus lange tijd kan zitten tussen de afronding van een pilot en de
vaststelling van de specifieke uitkering. In de bestuursovereenkomst is aangegeven
wat er gereed moet zijn bij afronding van de pilot, waarbij is aangegeven dat de pilot
in ieder geval op 31 december 2022 wordt beëindigd.
Artikel 5 Vaststelling
Nadat de activiteit is verricht en verantwoording is afgelegd over de specifieke uitkering
op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, stelt de Minister de specifieke
uitkering binnen een half jaar vast. Er behoeft door de ontvanger geen separate aanvraag
voor vaststelling te worden ingediend. Bij de vaststelling wordt mede in aanmerking
genomen of de ontvanger aan de verplichtingen heeft voldaan, conform artikel 4:46
van de Awb.
Artikel 6 Inwerkingtreding en horizonbepaling
Voor een toelichting op de inwerkingtreding en horizonbepaling wordt verwezen naar
het algemene deel van de toelichting.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga