TOELICHTING
Met hogescholen, universiteiten en het toeleverend onderwijs zijn afspraken gemaakt
over het voorwaardelijk toelaten van (aspirant-)studenten die door de uitbraak van
COVID-19 in de knel komen in de doorstroom naar en binnen het hoger onderwijs, doordat
zij door COVID-19 niet kunnen voldoen aan de instroomeisen vanwege het niet doorgaan
van onderwijs en examens. Deze afspraken zijn neergelegd in het Servicedocument HO
– aanpak Coronavirus COVID-19 (hierna: servicedocument).1 Met de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 is in dat kader het tijdelijke artikel 7.37c,
vijfde lid, onderdeel a en b, toegevoegd aan de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek (hierna: WHW). Dit artikel betreft de juridische grondslag op basis waarvan
instellingen uitvoering geven aan de afspraken in het servicedocument. Het regelt
de wettelijke bevoegdheid voor onderwijsinstellingen om (aspirant-)studenten die vanwege
de uitbraak van COVID-19 nog niet aan alle vooropleidingseisen of toelatingseisen
voldoen in te schrijven voor het hoger onderwijs, en uit te schrijven van de betreffende
opleiding indien de student niet alsnog aan de eisen voldoet op een daartoe vastgestelde
datum. Voor de uitvoering van hun verkregen bevoegdheid stellen instellingen, in lijn
met het servicedocument, eigen beleid vast. Onderhavige regeling betreft de uitwerking
van artikel 7.37c, vijfde lid, dat de mogelijkheid geeft regels te stellen over de
nadere voorwaarden voor inschrijving (onderdeel a) en over de onderwerpen waarop het
door de instelling gevoerde beleid voor de inschrijving in ieder geval betrekking
dient te hebben (onderdeel b).
Nadere voorwaarden afwijkende inschrijving
Artikel 7.37c heeft betrekking op de (aspirant-)student die per 1 september 2020 wil
worden ingeschreven voor een opleiding in het hoger onderwijs, maar die ten gevolge
van de uitbraak van COVID-19 niet heeft kunnen voldoen aan de vooropleidingseisen
(in geval van een associate degree- of een bacheloropleiding) of de toelatingseisen
(in geval van een masteropleiding) van de opleiding. In de onderhavige regeling wordt
bepaald in welke gevallen het niet kunnen voldoen aan de eisen, het gevolg is van
de uitbraak van COVID-19. Het moet gaan om (aspirant-)studenten die niet aan de eisen
hebben kunnen voldoen doordat onderwijs niet kon worden verzorgd, een stage niet kon
worden voltooid, dan wel één of meerdere examens, tentamens, of toetsen niet konden
worden afgenomen, vanwege overheidsmaatregelen in verband met COVID-19. Het kan hierbij
ook gaan om (aspirant-)studenten die tijdens of reeds vóór de overheidsmaatregelen
een studievertraging hebben opgelopen, maar deze vanwege de overheidsmaatregelen niet
meer konden inhalen, doordat bijvoorbeeld het hertentamen niet kon worden afgenomen.
De term ‘toetsen’ in de zin van artikel 3, eerste lid, van de onderhavige regeling
omvat alle wijzen waarop een (aspirant-)student kan worden gevraagd aan te tonen dat
hij voldoet aan de instroomeisen waarvan op grond van artikel 7.37c, eerste lid, van
de wet kan worden afgeweken. Het kan dus ook gaan om toetsen die geen onderdeel zijn
van een (voor)opleiding, zoals de toelatingstoets om te kunnen instromen in de lerarenopleiding
of het staatsexamen Nederlands als tweede taal waarmee de (aspirant-)student met een
buitenlands diploma voldoende beheersing van de Nederlandse taal aantoont.
Artikel 7.37c van de wet geeft instellingen de bevoegdheid om (aspirant-)studenten
in te schrijven en betreft dus geen verplichting daartoe. De instelling beoordeelt
of het niet voldoen aan de eisen het gevolg is van COVID-19 en of de student over
een voldoende kennis- en vaardighedenniveau beschikt om de opleiding te kunnen starten
en binnen de bepaalde termijn zijn studievertraging in kan halen. In het servicedocument1 zijn over deze beoordeling en onderlinge samenwerking afspraken gemaakt tussen het
aanleverend en ontvangend onderwijs, die hierbij leidend zijn. Voor onder meer de
overgang van mbo naar hbo, is afgesproken dat de instelling waar de betreffende leerling
of student vertraging heeft opgelopen een onderbouwd afrondingsadvies aan de student
opstelt. Verondersteld mag worden dat de betreffende instelling slechts een positief
afrondingsadvies geeft aan studenten van wie de studievertraging het gevolg is van
COVID-19 en in gevallen waarin de instelling van mening is dat de student deze studievertraging
binnen de gestelde termijn kan inhalen.
Nadere voorwaarden afwijkende inschrijving internationale studenten
De bevoegdheid in artikel 7.37c, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet geeft
voor wat betreft internationale (aspirant-)studenten aan instellingen de bevoegdheid
de studenten die nog niet aan alle toelatingseisen voldoen als gevolg van COVID-19,
in te schrijven voor een masteropleiding. Beoogd is om een voorziening te bieden voor
de groep studenten die al voornemens was een (vervolg)studie in Nederland te gaan
doen, en vaak het traject daartoe ook al gestart heeft, maar door de huidige omstandigheden
onverwacht niet aan de toelatingseisen kan voldoen. Instelling kunnen deze studenten
alsnog de gelegenheid geven om hun voorgenomen studie in Nederland te starten.
In deze regeling wordt voor de groep internationale studenten die op het moment van
inschrijving (nog) niet in Nederland verblijven, aanvullend geregeld dat zij alleen
voorwaardelijk toegelaten kunnen worden, wanneer zij op 1 september 2020 (zullen)
beschikken over de benodigde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of een
machtiging tot voorlopig verblijf, of wanneer de instelling als erkend referent namens
hen vóór 1 september 2020 de aanvraag voor de benodigde verblijfsvergunning regulier
voor bepaalde tijd of machtiging tot voorlopig verblijf heeft ingediend. Deze voorwaarde
geldt alleen voor de internationale (aspirant-)student die op grond van artikel 7.37c
wordt ingeschreven, niet voor internationale (aspirant-)studenten die voldoen aan
de toelatingseisen en gebruik maken van de reguliere route om zich voor een masteropleiding
in te schrijven.
Het doel van deze nadere voorwaarde voor inschrijving is dat de inschrijving van internationale
studenten op grond van artikel 7.37c beperkt blijft tot die groep die ook tijdig kan
starten aan de desbetreffende opleiding. Om te kunnen starten is immers tijdig een
verblijfsvergunning nodig. Zonder deze nadere voorwaarde zouden ook studenten die
na 1 september 2020 nog besluiten naar Nederland te willen komen in aanmerking komen
voor inschrijving zonder dat ze aan de toelatingseisen voldoen. Dit is onwenselijk,
omdat niet kan worden gegarandeerd dat de verblijfsvergunning in die gevallen verstrekt
kan worden bij aanvang van de opleiding of binnen een redelijke termijn na aanvang
van de opleiding. Met de voorwaarde dat per 1 september 2020 de verblijfsvergunning
of machtiging tot voorlopig verblijf moet zijn ontvangen of zijn aangevraagd, wordt
de tijdige ontvangst van de verblijfsvergunning of machtiging tot voorlopig verblijf
wel geborgd.
Net als voor internationale studenten die voldoen aan de toelatingseisen en gebruik
maken van de reguliere route om zich voor een masteropleiding in te schrijven, dient
de instelling bij de inschrijving van een internationale student op grond van artikel
7.37c, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, bewijsstukken in de administratie
op te nemen, waaruit voldoende blijkt dat de student toelaatbaar is gebleken tot de
opleiding (art. 4.29, tweede lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000).
Instellingsbeleid afwijkende inschrijving
Instellingen stellen voor de toepassing van artikel 7.37c van de wet beleid vast.
Met onderhavige regeling worden, in het belang van de studeerbaarheid en de rechtsbescherming
voor de student, twee onderwerpen voorgeschreven waarop het beleid met betrekking
tot de inschrijving in ieder geval betrekking dient te hebben.
In de eerste plaats is dat de studeerbaarheid van het onderwijsprogramma van de student.
De student zal tijdens het volgen van de opleiding waarvoor hij of zij wordt ingeschreven,
binnen de gestelde termijn alsnog moeten voldoen aan de vooropleidings- of toelatingseisen.
Dat kan betekenen dat onderdelen van een voorgaande opleiding nog moeten worden afgerond
of een bepaalde toets, praktijkonderdeel of examen nog moet worden gehaald. Hierin
schuilt het risico dat toets- en tentamenmomenten van beide opleidingen op hetzelfde
moment plaatsvinden, of dat de aanwezigheidsplicht op de ene opleiding, de student
belemmert zijn studievertraging in te halen bij de andere opleiding. Om dit te voorkomen,
dient het instellingsbestuur vast te leggen hoe hiermee aan de opleiding waarvoor
de student wordt ingeschreven, rekening wordt gehouden. Dit kan bijvoorbeeld door
vast te leggen dat indien een student aangeeft in de knel te komen op dit vlak, de
hogeronderwijsinstelling zal voorzien in een oplossing die de studeerbaarheid voor
de student waarborgt. Het ligt in de rede dat de instelling in geval van een student
die nog een opleiding in het buitenland dient af te ronden om alsnog aan de toelatingseisen
te kunnen voldoen, hier extra aandacht aan besteedt.
Wanneer een instelling ertoe besluit om een internationale student middels afwijkende
inschrijving wegens COVID-19 voor de masteropleiding in te schrijven, is een gesprek
met de aspirant-student over de wijze waarop de achterstand (op afstand) ingehaald
kan worden op zijn plaats. Het kan hier immers gaan om studenten die, om hun bacheloropleiding
in het thuisland af te ronden, nog één of enkele vakken moeten afronden. De Nederlandse
instelling kan in dit geval bijvoorbeeld bij de instelling waar de aspirant-student
de vooropleiding doet, verifiëren of dat er mogelijkheden zijn voor de student om
de onderwijsverplichtingen aan de buitenlandse opleiding online af te ronden. Voor
internationale studenten doet zich immers een ingrijpende situatie voor wanneer zij
na een jaar niet de achterstand hebben ingehaald. Zij zouden dan de opleiding in Nederland
moeten staken en terugkeren naar hun thuisland. Die situatie moet zoveel mogelijk
voorkomen worden, door internationale studenten vooraf goed te informeren over de
afwijkende inschrijving op grond van artikel 7.37c van de wet en hetgeen bij een dergelijke
inschrijving van hen wordt verwacht, alsmede door bij aanvang van de opleiding te
komen tot goede afspraken hierover tussen de instelling in Nederland en de student.
Een tweede onderwerp waar het beleid van het instellingsbestuur betrekking op dient
te hebben is
het informeren van de (aspirant-)student over de termijn waarbinnen hij alsnog dient
te voldoen aan de vooropleidings- of toelatingseisen. Dit om ervoor te zorgen dat
de student goed geïnformeerd is over hetgeen van hem wordt verwacht en niet wordt
verrast door een eventuele uitschrijving. Het kan zo zijn dat het een student buiten
zijn of haar schuld om niet lukt om binnen de gestelde termijn aan de eisen te voldoen.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een tentamen of herkansing wordt uitgesteld
tot voorbij de vastgestelde termijn. De student dient dit zelf tijdig te signaleren
en kenbaar te maken bij de instelling die hem voorwaardelijk heeft toegelaten. Het
instellingsbestuur kan besluiten om op basis van artikel 7.37c, derde lid, van de
wet, af te zien van de beëindiging van de inschrijving, indien de beëindiging zou
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De inschrijving van de student
wordt in ieder geval beëindigd, indien niet alsnog voor aanvang van het nieuwe studiejaar
(vóór 1 september 2021) aan de eisen wordt voldaan.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
I.K. van Engelshoven