Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 juni 2020, kenmerk 1708646-207188-J, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering voor het opzetten van bovenregionale expertisecentra jeugdhulp (Regeling specifieke uitkering opzet expertisecentra jeugdhulp 2020)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies en artikel 17 van de Financiële-verhoudingswet;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

bovenregionaal gebied:

een cluster van jeugdzorgregio’s in een bepaald gebied zoals gedefinieerd door Onze Minister en de VNG en opgenomen in bijlage 1;

coördinerende gemeente:

de gemeente, genoemd in bijlage 1, die aangewezen is voor de opzet en realisatie van een expertisecentrum jeugdhulp voor het bovenregionaal gebied;

expertisecentrum jeugdhulp:

centrum in een bovenregionaal gebied dat ten doel heeft, aanvullend op het reguliere zorgaanbod, jongeren met complexe en meervoudige problematiek de juiste hulp op de juiste plek te geven door 1) het bieden van consultatie en advies, 2) het organiseren van hulp en 3) het organiseren van een kennisfunctie;

jeugdzorgregio:

een regionaal samenwerkingsverband waarin de jeugdzorg wordt georganiseerd;

landelijk projectleider:

de persoon die vanuit de VNG en het Ministerie van VWS wordt aangesteld om het lerend netwerk expertisecentra vorm te geven en projectleiders in de bovenregionale gebieden te ondersteunen bij de implementatie;

lerend netwerk expertisecentra:

een landelijk lerend netwerk met de projectleiders expertisecentra jeugdhulp onder leiding van en georganiseerd door de landelijke projectleider;

minister:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

projectleider expertisecentra jeugdhulp:

de persoon die door de coördinerende gemeente wordt aangesteld voor het in goede banen leiden van de opzet van het expertisecentrum jeugdhulp binnen het desbetreffende bovenregionale gebied;

SiSa:

Single information, Single audit, eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole. SiSa is de manier waarop provincies, gemeenten, gemeenschappelijke regelingen (hierna: medeoverheden) zich per jaar verantwoorden over de besteding van specifieke uitkeringen en/of provinciale middelen;

stuurgroep expertisecentra jeugdhulp:

bestuurlijke groep met het Ministerie van VWS, de VNG en acht wethouders van de coördinerende gemeenten die verantwoordelijk zijn voor het Jeugddomein;

VNG:

Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 2. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt

  • 1. De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering aan de coördinerende gemeente verstrekken voor activiteiten die nodig zijn voor de opzet en realisatie van het expertisecentrum jeugdhulp voor het bovenregionale gebied via een lerende aanpak conform de uitgangspunten als bedoeld in de Kamerbrief ‘Stand van zaken expertisecentra jeugdhulp’ d.d. 17 juni 2020.1

  • 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten of zijn ondersteunend aan:

    • a) het aantrekken van een projectleider expertisecentra jeugdhulp en indien nodig ondersteunend personeel;

    • b) het opzetten van een samenwerkingsstructuur van professionals over de domeinen heen en op bovenregionale schaal, met een gezamenlijke werkwijze voor het bieden van advies en consultatie voor meervoudige complexe casuïstiek;

    • c) het inzichtelijk maken van de vraag van en het aanbod voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek in de jeugdregio’s in het bovenregionale gebied;

    • d) de organisatie van hulp voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek in aanvulling op het bestaande aanbod;

    • e) het organiseren en realiseren van een kennisfunctie waarin kennis van professionals uit diverse domeinen gebundeld wordt;

    • f) de participatie en bijdrage vanuit het bovenregionale gebied in het lerend netwerk expertisecentra en stuurgroep expertisecentra jeugdhulp;

    • g) het uittesten en doorontwikkelen van de elementen zoals beschreven in de onderdelen b, c, d, en e aan de hand van praktijkcasuïstiek.

Artikel 3. Hoogte van de specifieke uitkering en uitkeringsplafond

De specifieke uitkering bedraagt per bovenregionaal gebied ten hoogste:

a.

Noord-Holland

€ 1.430.000,–

b.

Zuid-Holland

€ 1.710.000,–

c.

Brabant en Zeeland

€ 1.445.000,–

d.

Limburg

€ 905.000,–

e.

Groningen, Friesland en Drenthe

€ 1.120.000,–

f.

Utrecht en Flevoland

€ 1.145.000,–

g.

Gelderland

€ 1.265.000,–

h.

Overijssel

€ 980.000,–

Artikel 4. Aanvraag tot verlening

  • 1. De aanvraag voor een specifieke uitkering kan door de coördinerende gemeente worden ingediend van 3 juli tot en met 20 juli 2020.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend bij het Ministerie van VWS door middel van een aanvraagformulier dat wordt verstrekt aan de coördinerende gemeente.

  • 3. De minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van de termijn, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. In de aanvraag committeert de coördinerende gemeente zich aan de uitgangspunten van het expertisecentrum jeugdhulp zoals vastgesteld in de VNG Commissie Zorg Jeugd en Onderwijs op 23 april 2020.

  • 5. De aanvraag wordt ondertekend door het bevoegd gezag van de coördinerende gemeente.

Artikel 5. Verlening

  • 1. De minister beslist binnen 6 weken na sluiting van de aanvraagtermijn op een aanvraag.

  • 2. Bij toepassing van artikel 4, derde lid, beslist de minister binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 3. Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend, het bedrag van de specifieke uitkering, de wijze van verantwoording, de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend en de wijze waarop de verantwoording plaats vindt.

  • 4. De minister verleent bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering een voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.

Artikel 6. Verplichtingen

  • 1. De coördinerende gemeente informeert de minister op verzoek over de voortgang van het opzetten van het expertisecentrum jeugdhulp en de activiteiten die hiervoor ondernomen worden en over de besteding van de middelen uit de specifieke uitkering.

  • 2. De coördinerende gemeente zorgt ervoor dat de projectleider expertisecentra jeugdhulp de landelijke projectleider informeert via het lerend netwerk expertisecentra over de voortgang van het opzetten van het expertisecentrum, de activiteiten die hiervoor ondernomen worden en over de besteding van de middelen uit de specifieke uitkering.

  • 3. De coördinerende gemeente meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien aannemelijk is dat het te realiseren resultaat van de specifieke uitkering, de opzet van een expertisecentrum, niet, niet tijdig of niet geheel wordt verricht.

  • 4. De coördinerende gemeente zorgt ervoor dat de projectleider expertisecentra jeugdhulp het expertisecentrum opzet conform drie functies: 1) consultatie en, 2) organiseren van zorg en 3) kennisontwikkeling, aansluitend op de bestaande bovenregionale infrastructuur, volgens de uitgangspunten voor de uitwerkingsrichting zoals geformuleerd in de Kamerbrief ‘Stand van zaken expertisecentra jeugdhulp’ d.d. 17 juni 2020.2

  • 5. De coördinerende gemeente zorgt ervoor dat de projectleider expertisecentra jeugdhulp participeert in het landelijk lerend netwerk expertisecentra dat tot taak heeft te komen tot kwaliteitscriteria voor de expertisecentra jeugdhulp.

  • 6. De coördinerende gemeente zorgt ervoor dat de wethouder die verantwoordelijk is voor het jeugddomein deelneemt aan de stuurgroep expertisecentra jeugdhulp.

  • 7. De activiteiten voor de opzet van het expertisecentrum jeugdhulp zoals bedoeld in deze regeling, zijn uiterlijk op 1 april 2021 afgerond.

Artikel 7. Verantwoording

  • 1. De ontvanger van een specifieke uitkering verstrekt jaarlijks uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op de verlening van de uitkering de verantwoordingsinformatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.

  • 2. Daar waar sprake is van overdracht van middelen naar een medeoverheid is SiSa tussen medeoverheden van toepassing conform artikel 17a, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 8. Vaststelling en terugvordering

  • 1. Indien in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 7, is opgenomen dat de activiteiten zijn afgerond, besluit de minister uiterlijk 25 weken na ontvangst van deze informatie over de vaststelling van de specifieke uitkering.

  • 2. De minister stelt de specifieke uitkering overeenkomstig de verlening vast, tenzij:

    • a. de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend niet, niet tijdig of niet geheel hebben plaatsgevonden, of

    • b. niet is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn verbonden aan de specifieke uitkering.

  • 3. Artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 10. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2023.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering opzet expertisecentra jeugdhulp 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

BIJLAGE 1 REGIO-INDELING

Bovenregionaal gebied Noord-Holland

Coördinerende gemeente: Amsterdam

Bovenregionaal gebied Zuid-Holland

Coördinerende gemeente: Rotterdam

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Kop van Noord-Holland

Holland Rijnland

Noord-Kennemerland

Haaglanden

Midden Kennemerland

Rijnmond

Zuid- Kennemerland

Zuid-Holland-Zuid

Haarlemmermeer

Midden-Holland

West-Friesland

 

Zaanstreek-Waterland

 

Amsterdam-Amstelland

 

Gooi- en Vechtstreek

 

Bovenregionaal gebied Brabant en Zeeland

Coördinerende gemeente: Eindhoven

Bovenregionaal gebied Limburg

Coördinerende gemeente: Maastricht

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Zeeland

Noord-Limburg

West-Brabant-West

Midden-Limburg West

West-Brabant-Oost

Midden-Limburg Oost

Midden Brabant

Zuid-Limburg

Zuidoost Brabant

 

Noordoost Brabant

 

Bovenregionaal gebied Utrecht en Flevoland

Coördinerende gemeente: Utrecht

Bovenregionaal gebied Overijssel

Coördinerende gemeente: Enschede

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Utrecht

IJsselland

Utrecht West

Twente

Flevoland

 

Lekstroom

 

Zuidoost-Utrecht

 

Eemland

 

Bovenregionaal gebied Gelderland

Coördinerende gemeente: Nijmegen

Bovenregionaal gebied Noord Nederland

Coördinerende gemeente: Groningen

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Aangesloten jeugdzorgregio’s:

Rijk van Nijmegen

Friesland

Centraal Gelderland

Groningen

Achterhoek

Drenthe

Rivierenland

 

Food Valley

 

Noord Veluwe

 

Middel IJssel – Oost Veluwe

 

TOELICHTING

Algemeen

Aanleiding

Op 19 september 2019 is een amendement ingediend door de Leden Westerveld en Klaver. Met dit amendement is in 2020 een bedrag vrijgemaakt om expertisecentra voor jeugdhulp te realiseren voor jongeren met meervoudige problemen.

In de Jeugdwet is de opdracht aan de colleges van B en W opgenomen passende jeugdhulp te bieden aan kinderen en jongeren in de gemeente. In de meeste gevallen lukt dat. Vanaf 2017 is ingezet op de vorming van expertteams in de regio om passende zorg- en ondersteuning mogelijk te maken, als die er op het eerste gezicht niet blijken te zijn. Er blijft echter (een relatief kleine) groep jongeren waarvoor het nog niet lukt die passende hulp te organiseren. Dit kan verschillende oorzaken hebben, waaronder:

  • 1. Onvoldoende ontwikkeling en implementatie van kennis.

    Bij triage is het belangrijk snel te weten of sprake is van meervoudige problematiek en/of urgentie, zodat de juiste zorg verleend kan worden. Voor het verlenen van integrale zorg is kennisontwikkeling nodig. Vervolgens is tijd en ondersteuning nodig voor professionals om deze kennis in de praktijk toe te passen.

  • 2. Onvoldoende aansluiting van aanbod op behoefte

    Het huidige hulpaanbod is nog te veel gericht op enkelvoudige specialistische problematiek. Meervoudige problematiek vraagt echter om een integrale benadering, en behandeling van meerdere aspecten, inclusief onderliggende problematiek. Hiervoor is vaak samenwerking over de domeinen heen (somatische zorg, gehandicaptensector en geestelijke gezondheidszorg) nodig. Deze integrale aanpak komt nu onvoldoende tot stand.

  • 3. Onvoldoende schaal en sturing

    Sommige vormen van specialistische hulp zijn niet goed te organiseren op gemeentelijk (of zelfs op regionaal) niveau, omdat de problematiek weinig voorkomt en/of complex is. Door het schaalniveau is de kennis om zorg te kunnen beoordelen en het overzicht over het beschikbare aanbod, niet altijd voorhanden.

Met het verstrekken van een specifieke uitkering zoals bedoeld in deze regeling, kunnen acht bovenregionale expertisecentra opgezet worden conform de uitgangspunten zoals beschreven in de Kamerbrief ‘Stand van zaken expertisecentra jeugdhulp’ d.d. 17 juni 2020.3 Deze expertisecentra hebben tot doel te zorgen dat jongeren met complexe en meervoudige problematiek tijdig de juiste hulp ontvangen en op de juiste plek. De bovenregionale expertisecentra worden opgezet door acht coördinerende gemeenten ten behoeve van de gehele regio.

De expertisecentra behelzen in elk geval drie functies: 1) Consultatie en advies, 2) Organiseren van hulp en 3) Kennisfunctie. Deze functies worden ingericht aansluitend op de behoefte in de regio én aanvullend op de bestaande regionale infrastructuur.

De transformatie in het jeugdveld is nog gaande. Voor de opzet van de centra is gekozen voor een lerende aanpak. Coördinerende gemeenten krijgen hiermee de ruimte om het expertisecentrum jeugdhulp in het bovenregionale gebied op te zetten, aansluitend op de ontwikkelingen in de regio én in een lerend netwerk van de projectleiders. Deze lerende aanpak stelt de coördinerende gemeenten in staat om in nauwe samenwerking met relevante partijen (zoals andere regio’s, regionaal expertteams, jeugdhulpaanbieders, jeugdhulpprofessionals én cliënten zelf) een expertisecentrum jeugdhulp op te zetten dat een bijdrage levert aan het huidige zorglandschap en daarmee aan passende hulp voor jongeren.

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:

  • De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • De steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;

  • De staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • De maatregel is selectief;

  • De maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.

In dit geval wordt het eerste criterium niet vervuld. Gemeenten kunnen voor de uitvoering van bepaalde aan hen opgedragen publieke taken een specifieke uitkering krijgen. Zij zijn in zo’n geval niet aan te merken als ondernemingen in de zin van de staatssteunregels. Logischerwijs dienen gemeenten bij het invullen van deze publieke taken zelf ook rekening te houden met de staatssteunregels.

Administratieve lasten

Getracht is de administratieve lasten vorm te geven passend bij de omvang en het beoogde doel van de uitkering. De specifieke uitkering is vormgegeven in de voor gemeenten bekende methodiek van de SiSa verantwoording. Voor 15 juli T+1 dienen de gemeenten op basis van de afrekening de genomen stappen en de werkelijke kosten in kaart te brengen. De verwachting is dat zij hier 60 uur voor nodig hebben. Dit brengt de bestuurlijke lasten op 60 uur (á € 60 per uur), dus € 3600,– per aanvraag wat resulteert in een geschat bedrag van in totaal € 28.800,– (uitgaande van acht coördinerende gemeenten). Dit is minder dan 0,3% van het totale uitkeringsbudget van € 10 miljoen.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Definities

In artikel 1 worden verschillende definities gegeven van de begrippen die worden gebruikt in de onderhavige regeling.

Het organiseren van hulp als genoemd in de definitie van een expertisecentrum, ziet op hulp aan jongeren met complexe en meervoudige problematiek die aanvullend is op het reguliere zorgaanbod. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het tijdelijk invliegen van professionals om te ondersteunen en ambulante hulp te bieden, het beschikbaar houden van plekken of het bijdragen aan de ontwikkeling van een vervolgvoorziening. Het betreft niet de reguliere jeugdzorg die reeds door gemeenten verleend en bekostigd wordt. Op het moment dat een jongere in zorg komt, blijft de reguliere financiering ten koste van de gemeente.

Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

In artikel 2 wordt omschreven dat een coördinerende gemeente zoals genoemd in bijlage 1 een specifieke uitkering kan aanvragen voor de opzet van een expertisecentrum jeugdhulp voor het bovenregionale gebied. Er is gekozen door VWS en VNG voor bovenregionale schaal om expertise te bundelen en passende hulp te organiseren, omdat de beschikbaarheid van expertise het lokale en regionale niveau overstijgt. De middelen worden ingezet op bovenregionale schaal om ze ten goede te laten komen aan passende hulp voor een in omvang beperkte groep. Een te kleine schaal zorgt voor versnippering van de middelen.

Voor elk bovenregionaal gebied krijgt één coördinerende gemeente de opdracht voor de opzet en organisatie van een expertisecentrum. De coördinerende gemeente is de gemeente die namens het omliggende gebied het opdrachtgeverschap voor het expertisecentrum. Elke gemeente in de regio moet profijt hebben van het expertisecentrum. Zo wordt voorkomen dat een jongere in de gemeente niet de juiste hulp krijgt omdat de aanbieder niet gevestigd is in de eigen jeugdregio.

Het gaat om activiteiten van gemeenten in het kader van de opzet en organisatie van een expertisecentrum jeugdhulp volgens een lerende aanpak. Deze lerende aanpak houdt in dat er in de bovenregionale gebieden samenwerkingsverbanden moeten ontstaan met de opgave om door middel van een expertisecentrum passende hulp te realiseren voor kinderen met complexe, meervoudige problematiek. Hiervoor wordt samengewerkt met diverse lokale partijen en wordt voortgebouwd op beschikbare kennis over wat werkt (professionele én ervaringskennis). Het verbeteren van de opzet van het expertisecentrum is een doorlopend proces in deze lerende aanpak. In de bovenregionale gebieden wordt een opzet uitgewerkt (visievorming) op basis van bestaande kennis. Vervolgens wordt met alle partijen nieuwe kennis ontwikkeld én toegepast, om vervolgens te evalueren en het geleerde toe te passen in de opzet. Hiermee wordt beoogd dat de expertisecentra aansluiten bij de bestaande (regionale) structuren zoals regionale expertteams, en deze aanvullen.

Het tweede lid bevat een opsomming van de activiteiten. De activiteiten zijn op zo’n manier geformuleerd dat er ruimte is om aan te sluiten bij de ontwikkelingen in het betreffende bovenregionale gebied. De opzet van het expertisecentrum kan per bovenregionaal gebied andere accenten krijgen, afhankelijk van de vraagstukken en knelpunten in het bovenregionale gebied.

De activiteiten kunnen betrekken hebben op:

  • a) Het aantrekken van een projectleider expertisecentra jeugdhulp en indien nodig ondersteunend personeel. De projectleider heeft ervaring met het opzetten van een dergelijk project, kennis van de doelgroep en zorginhoud en een breed netwerk in de regio.

  • b) Het opzetten van een samenwerkingsstructuur van professionals over de domeinen heen en op bovenregionale schaal. In deze structuur is er een gezamenlijke werkwijze voor het bieden van advies en consultatie voor meervoudige complexe casuïstiek. Deze advies en consultatiefunctie richt zich bijvoorbeeld op het ondersteunen professionals van de regionaal expertteams. Ook kunnen expertisecentra professionals ondersteunen als een situatie vastloopt dan wel dreigt vast te lopen of de hulp niet het gewenste effect heeft. Voor consultatie en advies zijn deskundige professionals beschikbaar vanuit verschillende specialismen. Deze professionals kunnen bij een vastgelopen situatie ingezet worden voor het geven van advies of een moreel beraad houden.

  • c) Het inzichtelijk maken van de vraag van en het aanbod voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek in de jeugdregio’s in het bovenregionale gebied. Het is lastig om de doelgroep van de expertisecentra precies te omschrijven. Bij elke inkadering vallen jongeren voor wie het lastig is een passende oplossing te vinden buiten de boot. Dit willen we met de inzet van expertisecentra juist voorkomen. Daarnaast is de vraag en het aanbod voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek niet landelijk inzichtelijk. Daarom krijgen de expertisecentra de taak om dit inzichtelijk te maken in hun werkingsgebied. Per regio kunnen er immers verschillende accenten liggen. Bij het in beeld brengen van vraag en aanbod is het van belang om ook de ervaringen van ervaringsdeskundigen te betrekken.

  • d) Op basis van vraag en aanbod voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek, krijgt het expertisecentrum een rol in het organiseren van hulp. Dit richt zich bijvoorbeeld op het realiseren van nieuw aanbod en het beschikbaar maken of aanpassen van bestaand aanbod aan de hulpvraag van jongeren met complexe en meervoudige problematiek met als doel doorplaatsingen te voorkomen. Op het moment dat een jongere in zorg komt, blijft de reguliere financiering vanuit de gemeente van toepassing.

  • e) het organiseren en realiseren van een kennisfunctie waarin kennis van professionals uit diverse domeinen gebundeld wordt. Uitwerking hiervan kan zijn dat deze kennis voor professionals makkelijk toepasbaar en beschikbaar gemaakt wordt en dat geleerd wordt van casuïstiek voor oplossingen op de lange termijn.

  • f) de participatie en bijdrage vanuit het bovenregionale gebied in het landelijk lerend netwerk expertisecentra en de stuurgroep expertisecentra jeugdhulp. Om te ondersteunen bij de implementatie, komt er landelijke ondersteuning bij de implementatie van de expertisecentra. Een van de onderdelen hiervan is het opzetten van een lerend netwerk. Hiermee wordt kennisuitwisseling tussen de projectleiders expertisecentra jeugdhulp van de bovenregionale gebieden gestimuleerd. De projectleiders dragen actief bij aan het lerend netwerk en de hieraan gelieerde activiteiten.

  • g) Het uittesten en doorontwikkelen van de elementen zoals beschreven in de onderdelen b, c, d, en e aan de hand van praktijkcasuïstiek. Zoals eerder omschreven worden de expertisecentra opgezet volgens een lerende aanpak. Dit houdt in, dat te ondernemen activiteiten zoveel mogelijk gebaseerd worden op kennis en ervaring over wat werkt.

Artikel 3. Hoogte van de uitkering en uitkeringsplafond

Per coördinerende gemeente is een vastgesteld bedrag beschikbaar voor de opzet van een expertisecentrum voor het bovenregionale gebied. Dit bedrag is tot stand gekomen op basis van een verdeling van het totaal bedrag à € 10.000.000,–. De helft van de middelen (à € 5.000.000,–) wordt verdeeld over de acht bovenregionale gebieden op basis van het gewogen aantal jongeren tot 23 in het betreffende gebied op 1 januari 2020. Hiervoor is de databank gebruikt van de bevolkingsaantallen per gemeenten van het CBS van begin 2020. De andere helft van de middelen wordt evenredig verdeeld over de acht bovenregionale gebieden. De middelen worden uitgekeerd aan de coördinerende gemeente ten behoeve van het bovenregionale gebied. De 8 bovenregionale gebieden zijn landelijk dekkend.

Artikel 4. Aanvraag tot verlening

Specifieke uitkeringen worden op aanvraag verstrekt. Aanvragen tot verlening van een specifieke uitkering kunnen van 3 juli 2020 tot en met 20 juli 2020 ingediend. In de aanvraag worden de uitgangspunten van het expertisecentrum jeugdhulp, zoals vastgesteld door de VNG Commissie Zorg Jeugd en Onderwijs op 23 april 2020, onderschreven. De aanvraag wordt ondertekend door het bevoegd gezag van de gemeente.

Coördinerende gemeenten ontvangen van het Ministerie van VWS een aanvraagformulier. De coördinerende gemeenten worden tijdig vóór publicatie van de regeling gevraagd naar welk adres, digitaal én per post, dit aanvraagformulier verstuurd kan worden. Op het aanvraagformulier staat hoe en waar de aanvraag ingediend kan worden. Hierbij wordt zowel de mogelijkheid geboden om de aanvraag per post in te dienen als digitaal.

Artikel 5. Verlening

Binnen 6 weken na sluiting van de aanvraagtermijn neemt de minister een besluit omtrent de verlening. Ontvankelijke aanvragen worden gehonoreerd conform de uitkeringsplafonds per bovenregionaal gebied zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid.

Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend, het bedrag van de specifieke uitkering, de wijze van verantwoording, de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend en de wijze waarop de verantwoording plaats vindt.

De minister verleent bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering een voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.

Wanneer een aanvraag incompleet is, zal de coördinerende gemeente de kans krijgen de ontbrekende informatie aan te vullen. Wanneer de aanvraag binnen de termijn genoemd in artikel 4 is ontvangen en de coördinerende gemeente de mogelijkheid heeft gehad ontbrekende informatie aan te vullen, wordt de specifieke uitkering toegekend als deze voldoet aan de gestelde eisen.

Artikel 6. Verplichtingen

De ontvanger van een specifieke uitkering informeert de Minister van VWS op diens verzoek over de voortgang van de opzet van het expertisecentrum en de activiteiten die hiervoor ondernomen worden en over de besteding van de middelen uit de specifieke uitkering. Deze informatieverplichting geldt ook voor de projectleider expertisecentra jeugdhulp aan de landelijke projectleider.

De coördinerende gemeente is verplicht te melden indien aannemelijk is dat het te realiseren resultaat van de specifieke uitkering, de opzet van een expertisecentrum, niet, niet tijdig of niet geheel wordt verricht. De melding aan de minister ‘onverwijld’ worden gedaan. Dit betekent dat de melding onmiddellijk moet worden gedaan.

De projectleider expertisecentra jeugdhulp zet het expertisecentrum op conform drie functies: 1) consultatie en advies, 2) het organiseren van zorg en 3) kennisontwikkeling, aansluitend op de bestaande bovenregionale infrastructuur. Het bieden van een passende oplossing voor jongeren met meervoudige en complexe problematiek vraagt om goed georganiseerde integrale hulp. Vaak is expertise en hulp aanwezig/beschikbaar maar los van elkaar georganiseerd. Zo geven expertteams advies, maar kan dit advies niet worden opgevolgd omdat de hulp niet beschikbaar is. Of wordt er een casus opgelost, maar vervolgens wordt er niet op gereflecteerd en van geleerd. Daarom is het van toegevoegde waarde om de bovenstaande drie functies bij elkaar te laten organiseren binnen het expertisecentrum en is dit als een verplichting opgenomen.

De projectleider expertisecentra jeugdhulp participeert in het landelijk lerend netwerk expertisecentra. Een taak van het landelijk lerend netwerk expertisecentra is om te komen tot kwaliteitscriteria voor de expertisecentra.

De coördinerende gemeente zorgt ervoor dat de wethouder, die verantwoordelijk is voor het jeugddomein, deelneemt aan de stuurgroep expertisecentra jeugdhulp. Binnen de stuurgroep wordt de voortgang van de opzet van de expertisecentra besproken.

De activiteiten voor de opzet van het expertisecentrum zoals bedoeld in deze regeling, worden uiterlijk op 1 april 2021 afgerond. Zoals eerder opgemerkt kunnen hierbij verschillen bestaan tussen de expertisecentra, omdat deze opgezet worden in aanvulling op bestaande regionale infrastructuren en afhankelijk van verschillende regionale ontwikkelingen.

Artikel 7 en 8. Verantwoording, terugvordering en vaststelling

De ontvanger van een specifieke uitkering verstrekt jaarlijks uiterlijk op 15 juli de verantwoordingsinformatie. De eerste verantwoordingsinformatie dient te worden verstrekt in het jaar na de verlening van de specifieke uitkering en wordt herhaald tot in het jaar na afloop van het jaar waarin de activiteiten zijn afgerond.

Daar waar sprake is van overdracht van middelen naar een medeoverheid is SiSa tussen medeoverheden van toepassing conform artikel 17a, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet.

Indien in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 7, is opgenomen dat de activiteiten zijn afgerond, besluit de minister uiterlijk 25 weken na ontvangst van deze informatie over de vaststelling van de specifieke uitkering.

In het geval uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel hebben plaatsgevonden dan wel niet is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die zijn verbonden aan de specifieke uitkering, kan met toepassing van artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht het onverschuldigd betaalde bedrag teruggevorderd worden.

Artikel 9. Hardheidsclausule

Deze bepaling bevat een hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is aan strenge eisen gebonden en er zal met grote terughoudendheid gebruik van worden gemaakt. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen voordoen die noodzaken tot afwijken van deze regeling. Het dient dan te gaan om onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 10. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het beleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

De regeling vervalt met ingang van 1 juli 2023 met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een specifieke uitkering die krachtens deze regeling is verstrekt.

Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

Naar boven