TOELICHTING
Algemeen
Aanleiding
Op 19 september 2019 is een amendement ingediend door de Leden Westerveld en Klaver.
Met dit amendement is in 2020 een bedrag vrijgemaakt om expertisecentra voor jeugdhulp
te realiseren voor jongeren met meervoudige problemen.
In de Jeugdwet is de opdracht aan de colleges van B en W opgenomen passende jeugdhulp
te bieden aan kinderen en jongeren in de gemeente. In de meeste gevallen lukt dat.
Vanaf 2017 is ingezet op de vorming van expertteams in de regio om passende zorg-
en ondersteuning mogelijk te maken, als die er op het eerste gezicht niet blijken
te zijn. Er blijft echter (een relatief kleine) groep jongeren waarvoor het nog niet
lukt die passende hulp te organiseren. Dit kan verschillende oorzaken hebben, waaronder:
-
1. Onvoldoende ontwikkeling en implementatie van kennis.
Bij triage is het belangrijk snel te weten of sprake is van meervoudige problematiek
en/of urgentie, zodat de juiste zorg verleend kan worden. Voor het verlenen van integrale
zorg is kennisontwikkeling nodig. Vervolgens is tijd en ondersteuning nodig voor professionals
om deze kennis in de praktijk toe te passen.
-
2. Onvoldoende aansluiting van aanbod op behoefte
Het huidige hulpaanbod is nog te veel gericht op enkelvoudige specialistische problematiek.
Meervoudige problematiek vraagt echter om een integrale benadering, en behandeling
van meerdere aspecten, inclusief onderliggende problematiek. Hiervoor is vaak samenwerking
over de domeinen heen (somatische zorg, gehandicaptensector en geestelijke gezondheidszorg)
nodig. Deze integrale aanpak komt nu onvoldoende tot stand.
-
3. Onvoldoende schaal en sturing
Sommige vormen van specialistische hulp zijn niet goed te organiseren op gemeentelijk
(of zelfs op regionaal) niveau, omdat de problematiek weinig voorkomt en/of complex
is. Door het schaalniveau is de kennis om zorg te kunnen beoordelen en het overzicht
over het beschikbare aanbod, niet altijd voorhanden.
Met het verstrekken van een specifieke uitkering zoals bedoeld in deze regeling, kunnen
acht bovenregionale expertisecentra opgezet worden conform de uitgangspunten zoals
beschreven in de Kamerbrief ‘Stand van zaken expertisecentra jeugdhulp’ d.d. 17 juni
2020.3 Deze expertisecentra hebben tot doel te zorgen dat jongeren met complexe en meervoudige
problematiek tijdig de juiste hulp ontvangen en op de juiste plek. De bovenregionale
expertisecentra worden opgezet door acht coördinerende gemeenten ten behoeve van de
gehele regio.
De expertisecentra behelzen in elk geval drie functies: 1) Consultatie en advies,
2) Organiseren van hulp en 3) Kennisfunctie. Deze functies worden ingericht aansluitend
op de behoefte in de regio én aanvullend op de bestaande regionale infrastructuur.
De transformatie in het jeugdveld is nog gaande. Voor de opzet van de centra is gekozen
voor een lerende aanpak. Coördinerende gemeenten krijgen hiermee de ruimte om het
expertisecentrum jeugdhulp in het bovenregionale gebied op te zetten, aansluitend
op de ontwikkelingen in de regio én in een lerend netwerk van de projectleiders. Deze
lerende aanpak stelt de coördinerende gemeenten in staat om in nauwe samenwerking
met relevante partijen (zoals andere regio’s, regionaal expertteams, jeugdhulpaanbieders,
jeugdhulpprofessionals én cliënten zelf) een expertisecentrum jeugdhulp op te zetten
dat een bijdrage levert aan het huidige zorglandschap en daarmee aan passende hulp
voor jongeren.
Staatssteun
Er is sprake van staatssteun als aan de volgende vijf cumulatieve criteria is voldaan:
-
− De steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;
-
− De steun wordt met staatsmiddelen bekostigd;
-
− De staatsmiddelen verschaffen een economisch voordeel dat niet via de normale commerciële
weg zou zijn verkregen;
-
− De maatregel is selectief;
-
− De maatregel vervalst (potentieel) de mededinging en (dreigt te) leiden tot een ongunstige
beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.
In dit geval wordt het eerste criterium niet vervuld. Gemeenten kunnen voor de uitvoering
van bepaalde aan hen opgedragen publieke taken een specifieke uitkering krijgen. Zij
zijn in zo’n geval niet aan te merken als ondernemingen in de zin van de staatssteunregels.
Logischerwijs dienen gemeenten bij het invullen van deze publieke taken zelf ook rekening
te houden met de staatssteunregels.
Administratieve lasten
Getracht is de administratieve lasten vorm te geven passend bij de omvang en het beoogde
doel van de uitkering. De specifieke uitkering is vormgegeven in de voor gemeenten
bekende methodiek van de SiSa verantwoording. Voor 15 juli T+1 dienen de gemeenten
op basis van de afrekening de genomen stappen en de werkelijke kosten in kaart te
brengen. De verwachting is dat zij hier 60 uur voor nodig hebben. Dit brengt de bestuurlijke
lasten op 60 uur (á € 60 per uur), dus € 3600,– per aanvraag wat resulteert in een
geschat bedrag van in totaal € 28.800,– (uitgaande van acht coördinerende gemeenten).
Dit is minder dan 0,3% van het totale uitkeringsbudget van € 10 miljoen.
Artikelsgewijs
Artikel 1. Definities
In artikel 1 worden verschillende definities gegeven van de begrippen die worden gebruikt
in de onderhavige regeling.
Het organiseren van hulp als genoemd in de definitie van een expertisecentrum, ziet
op hulp aan jongeren met complexe en meervoudige problematiek die aanvullend is op
het reguliere zorgaanbod. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om het tijdelijk invliegen
van professionals om te ondersteunen en ambulante hulp te bieden, het beschikbaar
houden van plekken of het bijdragen aan de ontwikkeling van een vervolgvoorziening.
Het betreft niet de reguliere jeugdzorg die reeds door gemeenten verleend en bekostigd
wordt. Op het moment dat een jongere in zorg komt, blijft de reguliere financiering
ten koste van de gemeente.
Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt
In artikel 2 wordt omschreven dat een coördinerende gemeente zoals genoemd in bijlage
1 een specifieke uitkering kan aanvragen voor de opzet van een expertisecentrum jeugdhulp
voor het bovenregionale gebied. Er is gekozen door VWS en VNG voor bovenregionale
schaal om expertise te bundelen en passende hulp te organiseren, omdat de beschikbaarheid
van expertise het lokale en regionale niveau overstijgt. De middelen worden ingezet
op bovenregionale schaal om ze ten goede te laten komen aan passende hulp voor een
in omvang beperkte groep. Een te kleine schaal zorgt voor versnippering van de middelen.
Voor elk bovenregionaal gebied krijgt één coördinerende gemeente de opdracht voor
de opzet en organisatie van een expertisecentrum. De coördinerende gemeente is de
gemeente die namens het omliggende gebied het opdrachtgeverschap voor het expertisecentrum.
Elke gemeente in de regio moet profijt hebben van het expertisecentrum. Zo wordt voorkomen
dat een jongere in de gemeente niet de juiste hulp krijgt omdat de aanbieder niet
gevestigd is in de eigen jeugdregio.
Het gaat om activiteiten van gemeenten in het kader van de opzet en organisatie van
een expertisecentrum jeugdhulp volgens een lerende aanpak. Deze lerende aanpak houdt
in dat er in de bovenregionale gebieden samenwerkingsverbanden moeten ontstaan met
de opgave om door middel van een expertisecentrum passende hulp te realiseren voor
kinderen met complexe, meervoudige problematiek. Hiervoor wordt samengewerkt met diverse
lokale partijen en wordt voortgebouwd op beschikbare kennis over wat werkt (professionele
én ervaringskennis). Het verbeteren van de opzet van het expertisecentrum is een doorlopend
proces in deze lerende aanpak. In de bovenregionale gebieden wordt een opzet uitgewerkt
(visievorming) op basis van bestaande kennis. Vervolgens wordt met alle partijen nieuwe
kennis ontwikkeld én toegepast, om vervolgens te evalueren en het geleerde toe te
passen in de opzet. Hiermee wordt beoogd dat de expertisecentra aansluiten bij de
bestaande (regionale) structuren zoals regionale expertteams, en deze aanvullen.
Het tweede lid bevat een opsomming van de activiteiten. De activiteiten zijn op zo’n
manier geformuleerd dat er ruimte is om aan te sluiten bij de ontwikkelingen in het
betreffende bovenregionale gebied. De opzet van het expertisecentrum kan per bovenregionaal
gebied andere accenten krijgen, afhankelijk van de vraagstukken en knelpunten in het
bovenregionale gebied.
De activiteiten kunnen betrekken hebben op:
-
a) Het aantrekken van een projectleider expertisecentra jeugdhulp en indien nodig ondersteunend
personeel. De projectleider heeft ervaring met het opzetten van een dergelijk project,
kennis van de doelgroep en zorginhoud en een breed netwerk in de regio.
-
b) Het opzetten van een samenwerkingsstructuur van professionals over de domeinen heen
en op bovenregionale schaal. In deze structuur is er een gezamenlijke werkwijze voor
het bieden van advies en consultatie voor meervoudige complexe casuïstiek. Deze advies
en consultatiefunctie richt zich bijvoorbeeld op het ondersteunen professionals van
de regionaal expertteams. Ook kunnen expertisecentra professionals ondersteunen als
een situatie vastloopt dan wel dreigt vast te lopen of de hulp niet het gewenste effect
heeft. Voor consultatie en advies zijn deskundige professionals beschikbaar vanuit
verschillende specialismen. Deze professionals kunnen bij een vastgelopen situatie
ingezet worden voor het geven van advies of een moreel beraad houden.
-
c) Het inzichtelijk maken van de vraag van en het aanbod voor jongeren met complexe en
meervoudige problematiek in de jeugdregio’s in het bovenregionale gebied. Het is lastig
om de doelgroep van de expertisecentra precies te omschrijven. Bij elke inkadering
vallen jongeren voor wie het lastig is een passende oplossing te vinden buiten de
boot. Dit willen we met de inzet van expertisecentra juist voorkomen. Daarnaast is
de vraag en het aanbod voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek niet
landelijk inzichtelijk. Daarom krijgen de expertisecentra de taak om dit inzichtelijk
te maken in hun werkingsgebied. Per regio kunnen er immers verschillende accenten
liggen. Bij het in beeld brengen van vraag en aanbod is het van belang om ook de ervaringen
van ervaringsdeskundigen te betrekken.
-
d) Op basis van vraag en aanbod voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek,
krijgt het expertisecentrum een rol in het organiseren van hulp. Dit richt zich bijvoorbeeld
op het realiseren van nieuw aanbod en het beschikbaar maken of aanpassen van bestaand
aanbod aan de hulpvraag van jongeren met complexe en meervoudige problematiek met
als doel doorplaatsingen te voorkomen. Op het moment dat een jongere in zorg komt,
blijft de reguliere financiering vanuit de gemeente van toepassing.
-
e) het organiseren en realiseren van een kennisfunctie waarin kennis van professionals
uit diverse domeinen gebundeld wordt. Uitwerking hiervan kan zijn dat deze kennis
voor professionals makkelijk toepasbaar en beschikbaar gemaakt wordt en dat geleerd
wordt van casuïstiek voor oplossingen op de lange termijn.
-
f) de participatie en bijdrage vanuit het bovenregionale gebied in het landelijk lerend
netwerk expertisecentra en de stuurgroep expertisecentra jeugdhulp. Om te ondersteunen
bij de implementatie, komt er landelijke ondersteuning bij de implementatie van de
expertisecentra. Een van de onderdelen hiervan is het opzetten van een lerend netwerk.
Hiermee wordt kennisuitwisseling tussen de projectleiders expertisecentra jeugdhulp
van de bovenregionale gebieden gestimuleerd. De projectleiders dragen actief bij aan
het lerend netwerk en de hieraan gelieerde activiteiten.
-
g) Het uittesten en doorontwikkelen van de elementen zoals beschreven in de onderdelen
b, c, d, en e aan de hand van praktijkcasuïstiek. Zoals eerder omschreven worden de
expertisecentra opgezet volgens een lerende aanpak. Dit houdt in, dat te ondernemen
activiteiten zoveel mogelijk gebaseerd worden op kennis en ervaring over wat werkt.
Artikel 3. Hoogte van de uitkering en uitkeringsplafond
Per coördinerende gemeente is een vastgesteld bedrag beschikbaar voor de opzet van
een expertisecentrum voor het bovenregionale gebied. Dit bedrag is tot stand gekomen
op basis van een verdeling van het totaal bedrag à € 10.000.000,–. De helft van de
middelen (à € 5.000.000,–) wordt verdeeld over de acht bovenregionale gebieden op
basis van het gewogen aantal jongeren tot 23 in het betreffende gebied op 1 januari
2020. Hiervoor is de databank gebruikt van de bevolkingsaantallen per gemeenten van
het CBS van begin 2020. De andere helft van de middelen wordt evenredig verdeeld over
de acht bovenregionale gebieden. De middelen worden uitgekeerd aan de coördinerende
gemeente ten behoeve van het bovenregionale gebied. De 8 bovenregionale gebieden zijn
landelijk dekkend.
Artikel 4. Aanvraag tot verlening
Specifieke uitkeringen worden op aanvraag verstrekt. Aanvragen tot verlening van een
specifieke uitkering kunnen van 3 juli 2020 tot en met 20 juli 2020 ingediend. In
de aanvraag worden de uitgangspunten van het expertisecentrum jeugdhulp, zoals vastgesteld
door de VNG Commissie Zorg Jeugd en Onderwijs op 23 april 2020, onderschreven. De
aanvraag wordt ondertekend door het bevoegd gezag van de gemeente.
Coördinerende gemeenten ontvangen van het Ministerie van VWS een aanvraagformulier.
De coördinerende gemeenten worden tijdig vóór publicatie van de regeling gevraagd
naar welk adres, digitaal én per post, dit aanvraagformulier verstuurd kan worden.
Op het aanvraagformulier staat hoe en waar de aanvraag ingediend kan worden. Hierbij
wordt zowel de mogelijkheid geboden om de aanvraag per post in te dienen als digitaal.
Artikel 5. Verlening
Binnen 6 weken na sluiting van de aanvraagtermijn neemt de minister een besluit omtrent
de verlening. Ontvankelijke aanvragen worden gehonoreerd conform de uitkeringsplafonds
per bovenregionaal gebied zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid.
Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval de activiteiten waarvoor de specifieke
uitkering wordt verleend, het bedrag van de specifieke uitkering, de wijze van verantwoording,
de periode waarvoor de specifieke uitkering wordt verleend en de wijze waarop de verantwoording
plaats vindt.
De minister verleent bij het besluit tot verlening van de specifieke uitkering een
voorschot van 100% dat in één keer wordt betaald.
Wanneer een aanvraag incompleet is, zal de coördinerende gemeente de kans krijgen
de ontbrekende informatie aan te vullen. Wanneer de aanvraag binnen de termijn genoemd
in artikel 4 is ontvangen en de coördinerende gemeente de mogelijkheid heeft gehad
ontbrekende informatie aan te vullen, wordt de specifieke uitkering toegekend als
deze voldoet aan de gestelde eisen.
Artikel 6. Verplichtingen
De ontvanger van een specifieke uitkering informeert de Minister van VWS op diens
verzoek over de voortgang van de opzet van het expertisecentrum en de activiteiten
die hiervoor ondernomen worden en over de besteding van de middelen uit de specifieke
uitkering. Deze informatieverplichting geldt ook voor de projectleider expertisecentra
jeugdhulp aan de landelijke projectleider.
De coördinerende gemeente is verplicht te melden indien aannemelijk is dat het te
realiseren resultaat van de specifieke uitkering, de opzet van een expertisecentrum,
niet, niet tijdig of niet geheel wordt verricht. De melding aan de minister ‘onverwijld’
worden gedaan. Dit betekent dat de melding onmiddellijk moet worden gedaan.
De projectleider expertisecentra jeugdhulp zet het expertisecentrum op conform drie
functies: 1) consultatie en advies, 2) het organiseren van zorg en 3) kennisontwikkeling,
aansluitend op de bestaande bovenregionale infrastructuur. Het bieden van een passende
oplossing voor jongeren met meervoudige en complexe problematiek vraagt om goed georganiseerde
integrale hulp. Vaak is expertise en hulp aanwezig/beschikbaar maar los van elkaar
georganiseerd. Zo geven expertteams advies, maar kan dit advies niet worden opgevolgd
omdat de hulp niet beschikbaar is. Of wordt er een casus opgelost, maar vervolgens
wordt er niet op gereflecteerd en van geleerd. Daarom is het van toegevoegde waarde
om de bovenstaande drie functies bij elkaar te laten organiseren binnen het expertisecentrum
en is dit als een verplichting opgenomen.
De projectleider expertisecentra jeugdhulp participeert in het landelijk lerend netwerk
expertisecentra. Een taak van het landelijk lerend netwerk expertisecentra is om te
komen tot kwaliteitscriteria voor de expertisecentra.
De coördinerende gemeente zorgt ervoor dat de wethouder, die verantwoordelijk is voor
het jeugddomein, deelneemt aan de stuurgroep expertisecentra jeugdhulp. Binnen de
stuurgroep wordt de voortgang van de opzet van de expertisecentra besproken.
De activiteiten voor de opzet van het expertisecentrum zoals bedoeld in deze regeling,
worden uiterlijk op 1 april 2021 afgerond. Zoals eerder opgemerkt kunnen hierbij verschillen
bestaan tussen de expertisecentra, omdat deze opgezet worden in aanvulling op bestaande
regionale infrastructuren en afhankelijk van verschillende regionale ontwikkelingen.
Artikel 7 en 8. Verantwoording, terugvordering en vaststelling
De ontvanger van een specifieke uitkering verstrekt jaarlijks uiterlijk op 15 juli
de verantwoordingsinformatie. De eerste verantwoordingsinformatie dient te worden
verstrekt in het jaar na de verlening van de specifieke uitkering en wordt herhaald
tot in het jaar na afloop van het jaar waarin de activiteiten zijn afgerond.
Daar waar sprake is van overdracht van middelen naar een medeoverheid is SiSa tussen
medeoverheden van toepassing conform artikel 17a, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet.
Indien in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 7, is opgenomen dat de
activiteiten zijn afgerond, besluit de minister uiterlijk 25 weken na ontvangst van
deze informatie over de vaststelling van de specifieke uitkering.
In het geval uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de activiteiten niet, niet
tijdig of niet geheel hebben plaatsgevonden dan wel niet is voldaan aan de voorwaarden
en verplichtingen die zijn verbonden aan de specifieke uitkering, kan met toepassing
van artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht het onverschuldigd betaalde bedrag
teruggevorderd worden.
Artikel 9. Hardheidsclausule
Deze bepaling bevat een hardheidsclausule. Toepassing van de hardheidsclausule is
aan strenge eisen gebonden en er zal met grote terughoudendheid gebruik van worden
gemaakt. Het is evenwel niet op voorhand uit te sluiten dat zich omstandigheden zullen
voordoen die noodzaken tot afwijken van deze regeling. Het dient dan te gaan om onbillijkheden
van overwegende aard.
Artikel 10. Inwerkingtreding en vervaldatum
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het beleid
inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen
voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep
gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.
De regeling vervalt met ingang van 1 juli 2023 met dien verstande dat deze regeling
van toepassing blijft op een specifieke uitkering die krachtens deze regeling is verstrekt.
Deze regeling zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
H.M. de Jonge