Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 34973Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 29 mei 2020, nr. HO&S/24470358, houdende wijziging van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019 in verband met een technische herziening en het toelaten van acht nieuwe aspirant-opleidingsscholen in het schooljaar 2020–2021

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluiten:

ARTIKEL I

De Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen 2019 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling van ‘aspirant-opleidingsschool’ komt te luiden:

aspirant-opleidingsschool:

partnerschap tussen één of meer scholen voor po, vo of bve en één of meer lerarenopleidingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren op de werkplek opleiden, waarvoor:

  • a. niet eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen;

  • b. gedurende minder dan vier opeenvolgende schooljaren subsidie is verstrekt op grond van deze regeling of de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen, met dien verstande dat daarbij een schooljaar waarin subsidie is geweigerd op grond van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b, gelijk wordt gesteld met een schooljaar waarin subsidie is verstrekt;

  • c. op grond van deze regeling geen subsidie is verstrekt in het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, behoudens indien de subsidie voor dat jaar werd geweigerd onder toepassing van artikel 20 juncto 12, eerste lid, onderdeel b; of

  • d. in het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd eerder een aanvraag als bedoeld in artikel 8 is geweigerd.

2. De begripsbepaling van ‘peer review’ wordt als volgt gewijzigd:

a. Het begrip ‘peer-review’ wordt vervangen door ‘peer review’.

b. In de definitie wordt ‘beoordeling’ vervangen door ‘peer review’ en wordt ‘artikel 5’ vervangen door ‘artikel 10, eerste tot en met derde lid of artikel 19, eerste en tweede lid’.

3. De begripsbepaling van ‘schooljaar’ wordt vóór de begripsbepaling van ‘student’ geplaatst.

4. De begripsbepaling van ‘student’ komt te luiden:

student:
  • a. degene die een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;

  • b. degene die een eenjarig programma van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs volgt als bedoeld in artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 en die ten minste 50% van het curriculum in de praktijk volgt;

  • c. degene die een universitaire masteropleiding van 60 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;

  • d. degene die een universitaire masteropleiding van 120 studiepunten volgt die opleidt tot het beroep van leraar en die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs en die ten minste 25% van het curriculum in de praktijk volgt;

  • e. degene die een universitaire lerarenopleiding van 180 studiepunten volgt die voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het primair onderwijs en die ten minste 40% van het curriculum in de praktijk volgt;

  • f. degene die een universitaire bacheloropleiding volgt en in dat kader een educatieve minor volgt die gericht is op het behalen van een bevoegdheid als leraar voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren van de havo en het vwo en die ten minste 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgt;

  • g. degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus, of degene die scholing volgt in de zin van artikel 176g van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 4.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en bovendien op basis van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als leraar is benoemd; of

  • h. degene die is benoemd als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgt als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, hetzij een educatieve minor volgt als bedoeld in onderdeel f.

B

Hoofdstuk 2 komt te luiden:

Hoofdstuk 2. Subsidie voor opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen

§ 2.1 Algemeen
Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

De Minister kan subsidie verstrekken aan een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4 als tegemoetkoming in de kosten van de begeleiding van studenten en de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur.

Artikel 4. Penvoerderschap
  • 1. Vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool treedt één bevoegd gezag op als penvoerder.

  • 2. De penvoerder is de subsidieontvanger.

  • 3. Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.

  • 4. Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 mei gemeld bij DUO, indien het een opleidingsschool betreft of een aspirant-opleidingsschool die subsidie ontvangt voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid. De wijziging treedt in werking met ingang van 1 augustus volgend op de datum waarop de wijziging aan de Minister is doorgeven.

  • 5. Wijzigingen in het penvoerderschap worden uiterlijk op 1 oktober gemeld bij DUS-I, indien het een aspirant-opleidingsschool betreft die subsidie ontvangt voor de eerste twee schooljaren als bedoeld in artikel 14.

Artikel 5. Subsidieplafonds
  • 1. In het schooljaar 2019–2020 is een bedrag van € 30.127.000 beschikbaar voor:

    • a. subsidieverstrekking voor opleidingsscholen; en

    • b. subsidieverstrekking voor aspirant-opleidingsscholen voor een derde of vierde schooljaar als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

  • 2. Het subsidieplafond voor het schooljaar 2020–2021 voor opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in het eerste lid zal worden bekendgemaakt door wijziging van deze regeling.

  • 3. In het schooljaar 2020–2021 is een bedrag van € 4 miljoen beschikbaar voor subsidieverstrekking aan aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee schooljaren, bedoeld in artikel 15, eerste lid.

Artikel 6. Verantwoording
  • 1. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 2. De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 7. Besteding subsidie

Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

§ 2.2 Bijzondere bepalingen subsidie opleidingsscholen
Artikel 8. Subsidieaanvraag
  • 1. De subsidie aan een opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt.

  • 2. Een subsidieaanvraag voor een opleidingsschool wordt ingediend uiterlijk op 30 september van het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Aanvragen die later worden ingediend, worden afgewezen.

  • 3. De aanvraag wordt ingediend met behulp van het formulier ‘Opgave aantal studenten voor tegemoetkoming kosten opleidingsscholen’ dat daarvoor op de website van DUO beschikbaar is gesteld.

  • 4. In het jaar waarin de opleidingsschool de peer review, bedoeld in artikel 10, eerste lid, organiseert, gaat de aanvraag in aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS vergezeld van het rapport van de peer review.

Artikel 9. Subsidiebedrag en verdeling subsidie
  • 1. De hoogte van het subsidiebedrag per opleidingsschool wordt bepaald met gebruikmaking van bijlage 2, aan de hand van het aantal studenten in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 5, eerste lid, door subsidieverstrekking zou worden overschreden, verdeelt de Minister het beschikbare bedrag evenredig over de subsidieontvangers en zodanig dat iedere subsidieontvanger een gelijk percentage ontvangt van het bedrag dat op grond van de tabel in bijlage 2 zou worden verstrekt.

Artikel 10. Subsidieverplichtingen
  • 1. Een opleidingsschool organiseert eenmaal in de drie jaar een peer review. De peer review wordt uitgevoerd door een panel met deskundigen van buiten de opleidingsschool met gebruikmaking van een kwaliteitskader dat daarvoor op de website van DUS-I is gepubliceerd.

  • 2. De opleidingsschool maakt een rapport van de peer review.

  • 3. De eerste peer review van een opleidingsschool vindt plaats binnen drie jaar na afloop van het schooljaar waarin de eerstvolgende accreditatie van een deelnemende lerarenopleiding heeft plaatsgevonden.

  • 4. In afwijking van artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS houdt de subsidieontvanger een administratie bij:

    • a. waarin inzichtelijk en controleerbaar het aantal opgeleide studenten in een schooljaar wordt geregistreerd;

    • b. die zodanig is opgezet dat deze voldoende waarborgen biedt voor correcte en adequate rapportages; en

    • c. die voldoende mogelijkheden biedt voor een goede accountantscontrole op de juistheid van de in a genoemde gegevens.

Artikel 11. Vaststelling en betaling
  • 1. De Minister stelt de subsidie direct vast binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid.

  • 2. Het subsidiebedrag wordt in twee gedeelten aan de subsidieontvanger betaald. Het eerste gedeelte bedraagt 42,24% van het totaalbedrag en wordt betaald in november van het schooljaar. Het tweede gedeelte bedraagt 57,76% van het totaalbedrag en wordt betaald in februari van het schooljaar.

Artikel 12. Weigeringsgronden
  • 1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverstrekking worden geweigerd, indien:

    • a. de opleidingsschool niet of niet langer driejaarlijkse peer review organiseert;

    • b. het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt lager is dan 60 per schooljaar;

    • c. niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs vallen;

    • d. niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO; of

    • e. de opleidingsschool niet of niet langer voldoet aan de vereiste basiskwaliteit.

  • 2. De minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, advies aan DUS-I.

  • 3. De Minister vraagt over de toepassing van de weigeringsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, advies:

    • a. aan DUS-I, voor opleidingsscholen die in het schooljaar 2019–2020 of in een daaropvolgend schooljaar als aspirant-opleidingsschool zijn gestart; of

    • b. aan de NVAO, voor opleidingsscholen die in het schooljaar 2016–2017 of 2017–2018 als aspirant opleidingsschool zijn gestart.

  • 4. Een advies van DUS-I als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt gebaseerd op de rapportage van de peer review, bedoeld in artikel 19.

  • 5. Een advies van de NVAO als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt gebaseerd op het beoordelingskader, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

§ 2.3 Bijzondere bepalingen subsidie aspirant-opleidingsscholen
Artikel 13. Criterium doelgroep aspirant-opleidingsschool

Een aspirant-opleidingsschool komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien van de opleidingsplaatsen binnen de aspirant-opleidingsschool:

  • a. ten minste 60% zich bevindt op scholen in het po;

  • b. ten minste 60% zich bevindt op scholen in het vo; of

  • c. ten minste 60% zich bevindt op scholen in het bve.

Artikel 14. Hoogte subsidiebedrag eerste twee schooljaren

Aan een aspirant-opleidingsschool wordt voor de eerste twee schooljaren eenmaal een vast subsidiebedrag verstrekt van € 500.000.

Artikel 15. Subsidieaanvraag eerste twee schooljaren
  • 1. Een subsidieaanvraag voor de eerste twee schooljaren van een aspirant-opleidingsschool wordt ingediend vóór 1 september 2020.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een samenwerkingsovereenkomst, die de afspraken tussen de deelnemende partijen in de aspirant-opleidingsschool bevat, en waarin in ieder geval:

      • 1°. een beschrijving is opgenomen van de gezamenlijke visie van de deelnemende partijen op het opleiden van aanstaande leraren en een daarbij passende leeromgeving;

      • 2°. de inzet van middelen is vastgesteld die de deelnemende partijen hierbij inbrengen; en

      • 3°. is vastgelegd welke partij als penvoerder optreedt.

    • b. een ontwikkelplan dat voldoet aan de criteria, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

  • 3. Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier ‘Aanvraagformulier tegemoetkoming kosten aspirant-opleidingsscholen’ dat daarvoor beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.

Artikel 16. Beoordeling subsidieaanvragen en verdeling beschikbare middelen
  • 1. De Minister beoordeelt de aanvragen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, aan de hand van de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen criteria.

  • 2. Vervolgens rangschikt de Minister de aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van de subsidie. In het schooljaar 2020–2021 komen voor subsidie in aanmerking:

    • a. de vier hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel a;

    • b. de twee hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b; en

    • c. de twee hoogst gerangschikte aanvragen voor aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel c.

  • 3. Indien op basis van de rangschikking twee of meerdere aanvragen van gelijke geschiktheid worden geacht, geeft de Minister voorrang aan de eerst-ontvangen aanvraag.

  • 4. Indien binnen een categorie aspirant-opleidingsscholen als bedoeld in het tweede lid, minder aanvragen dan het maximum voor subsidie in aanmerking komen, wordt het resterende bedrag aangewend voor toewijzing van de eerstvolgende hoogst gerangschikte aanvraag uit de andere categorieën.

Artikel 17. Vaststelling en betaling subsidie eerste twee schooljaren
  • 1. De Minister stelt de subsidie, bedoeld in artikel 14, direct vast binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 15, eerste lid.

  • 2. Het subsidiebedrag voor de eerste twee schooljaren voor aspirant-opleidingsscholen wordt in twee gelijke delen betaald, uiterlijk in de maand december van de eerste twee schooljaren.

Artikel 18. Subsidieverstrekking voor een derde of vierde schooljaar
  • 1. De subsidie voor het derde en vierde schooljaar van een aspirant-opleidingsschool wordt per schooljaar aangevraagd en verstrekt. Daarbij zijn de artikelen 9, eerste en tweede lid, 10 en 12 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Bij toepassing van artikel 9, tweede lid, worden de opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen die voor een derde of vierde schooljaar subsidie hebben aangevraagd, op gelijke voet in de evenredige verdeling betrokken.

Artikel 19. Subsidieverplichtingen
  • 1. Een aspirant-opleidingsschool die in schooljaar 2019–2020 of later gestart is, organiseert in het vierde jaar van de aspirantfase een peer review. De peer review wordt uitgevoerd door een panel met deskundigen van buiten de eigen opleidingsschool aan de hand van een op de website van DUS-I te publiceren kwaliteitskader.

  • 2. De aspirant-opleidingsschool maakt een rapport van de peer review.

  • 3. Artikel 10, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor een derde of een vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.

Artikel 20. Weigeringsgronden
  • 1. De weigeringsgronden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen c en d, zijn van overeenkomstige toepassing bij subsidieverstrekking aan een aspirant-opleidingsschool.

  • 2. De weigeringsgrond, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een aspirant-opleidingsschool waaraan voor het derde en vierde schooljaar subsidie wordt verstrekt.

C

Het opschrift van bijlage 1 komt te luiden:

Bijlage 1, behorende bij artikel 12, vijfde lid, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

D

Het opschrift van bijlage 2 komt te luiden:

Bijlage 2, behorende bij artikel 9, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

E

Bijlage 3 komt te luiden:

Bijlage 3, behorende bij artikel 16, eerste lid, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

Beoordelingscriteria aspirant-opleidingsscholen

Deze tabel bevat een samenvatting van de criteria. Elk van de criteria wordt uitgewerkt op drie onderdelen:

  • de vertaling van de te realiseren basiskwaliteit (zoals opgenomen in het kwaliteitskader) naar het partnerschap;

  • de huidige stand van zaken;

  • het ontwikkelpad van de huidige stand van zaken naar de basiskwaliteit (zoals opgenomen in het kwaliteitskader).

I. Lerende leraar
  • a. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de lerende leraar naar het partnerschap.

  • b. beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van de lerende leraar binnen het partnerschap.

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de lerende leraar tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

II. Leeromgeving
  • a. Beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van de huidige leeromgeving binnen het partnerschap.

  • b. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de leeromgeving naar het partnerschap

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de leeromgeving tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

III. Organisatie
  • a. Beschrijving van de stand van zaken van de huidige organisatie binnen het partnerschap.

  • b. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de organisatie naar het eigen partnerschap

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit ten aanzien van de organisatie tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

IV. Kwaliteitscultuur
  • a. Beschrijving van de stand van zaken van de huidige kwaliteitscultuur binnen het partnerschap.

  • b. Vertaling van de te realiseren basiskwaliteit ten aanzien van de kwaliteitscultuur naar het eigen partnerschap

  • c. Beschrijving hoe het partnerschap de basiskwaliteit (zoals opgenomen in het Kwaliteitskader) voor de kwaliteitscultuur tijdens de subsidieperiode wil realiseren.

Weging:

De Minister toetst alle aanvragen aan de bovengenoemde vier criteria. De gemiddelde beoordeling van deze criteria dient voldoende te zijn. Een nadere uitwerking van bovenstaande criteria en de wijze waarop wordt beoordeeld, is te vinden op dus-i.nl via https://www.dus-i.nl/subsidies/t/tegemoetkoming-opleidingsscholen.

F

Het opschrift van bijlage 4 komt te luiden:

Bijlage 4, behorende bij artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Het ‘Samen Opleiden en Professionaliseren’ in opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen heeft een steeds belangrijkere plaats in het opleiden van leraren en de begeleiding van starters. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister), de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, en de PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, de Vereniging voor Hogescholen en de VSNU hebben de gezamenlijke ambitie om van ‘Samen Opleiden en Professionaliseren’ de norm te maken voor het opleiden van toekomstige leraren.

De minister verstrekt subsidie aan opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen op basis van de Regeling tegemoetkoming opleidingsscholen 2019 (hierna: de subsidieregeling). Deze regeling wijzigt de subsidieregeling om mogelijk te maken dat in het schooljaar 2020–2021 aan acht extra aspirant-opleidingsscholen subsidie wordt verstrekt. Ook wordt het minimum van het aantal opleidingsplaatsen dat zich bij deze aspirant-opleidingsscholen in één bepaalde sector moet bevinden (te weten: primair onderwijs (hierna: po), voortgezet onderwijs (hierna: vo) of beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (hierna: mbo)) naar beneden bijgesteld. Dit percentage wordt verlaagd van 75% naar 60%. Ten slotte bevat de regeling een omvangrijke technische herziening van hoofdstuk 2 van subsidieregeling. Deze drie wijzigingen worden hieronder afzonderlijk nader toegelicht.

Toevoeging middelen voor acht extra aspirant-opleidingsscholen

In het schooljaar 2019–2020 zijn zestien nieuwe aspirant-opleidingsscholen gestart. Naar verwachting gaat dit de komende jaren leiden tot een verdere stijging van het aantal opleidingsplekken voor studenten binnen opleidingsscholen. Echter, nog niet alle opleidingen die studenten opleiden voor een onderwijsbevoegdheid in het primair onderwijs zijn aangesloten bij een (aspirant-)opleidingsschool, en in de vo- en mbo-sector zijn nog onvoldoende scholen aangesloten bij een (aspirant-)opleidingsschool om een landelijke dekking te kunnen garanderen. Het is daarom wenselijk om het aantal aspirant-opleidingsscholen opnieuw uit te breiden.

Met het Convenant aanpak lerarentekort1 komen in 2020, 2021 en 2022 extra middelen beschikbaar, die mogelijk maken om voor het schooljaar 2020–2021 acht extra plekken voor aspirant-opleidingsscholen beschikbaar te stellen. Het ‘Samen Opleiden en Professionaliseren’ speelt een rol bij de aanpak van het lerarentekort omdat het bijdraagt aan aantrekkelijke opleidingen en een aantrekkelijk beroep. Goede begeleiding van studenten en starters levert een bijdrage aan het tegengaan van uitval. Omdat het voorspelde lerarentekort in de sector primair onderwijs het grootst is, zijn voor aspirant-opleidingsscholen in die sector vier van de acht beschikbare plekken gereserveerd. Voor de sectoren voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie zijn telkens twee plekken gereserveerd.

Potentiële aspirant-opleidingsscholen kunnen een aanvraag indienen bij DUS-I. DUS-I stelt een ambtelijke commissie van experts samen die de minister adviseert bij de beoordeling van de aanvragen. Na goedkeuring van de aanvraag krijgen de nieuwe aspirant-opleidingsscholen in schooljaar 2020–2021 en 2021–2022 een vast subsidiebedrag van € 250.000 per jaar. In schooljaar 2022–2023 en 2023–2024 ontvangen de aspirant-opleidingsscholen een tegemoetkoming die op basis van studentenaantallen wordt vastgesteld. Vervolgens wordt in schooljaar 2023–2024 – het laatste jaar van de aspirantfase van vier jaar – via peer review beoordeeld of de aspirant-opleidingsscholen aan de basiskwaliteit voldoen. Indien dit het geval is, kan subsidie worden aangevraagd als reguliere opleidingsschool.

Versoepeling sectornorm aspirant-opleidingsscholen

De plekken voor aspirant-opleidingsscholen zijn toebedeeld aan drie verschillende onderwijssectoren: het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Om te kwalificeren als aspirant-opleidingsschool in een van deze sectoren moest tot op heden ten minste 75% van de opleidingsplaatsen zich in één van deze sectoren bevinden. In de praktijk vindt steeds meer regionale intersectorale samenwerking plaats, bijvoorbeeld tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en mbo of tussen po en vo. Om meer ruimte te geven aan deze ontwikkeling, is het percentage opleidingsplaatsen dat zich in één sector moet bevinden bijgesteld naar 60%.

Technische herziening hoofdstuk 2

Met deze regeling is het tweede hoofdstuk van de subsidieregeling herzien, waarbij een scheiding is aangebracht in de bepalingen die gelden voor opleidingsscholen en voor aspirant-opleidingsscholen. Hiermee is beoogd meer overzicht aan te brengen en daarmee beter aan te sluiten bij het aanvraag- en beoordelingsproces in de praktijk. Deze technische herziening beoogt geen inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de praktijk. Voor de volledigheid wordt elk artikel van hoofdstuk 2 hieronder afzonderlijk toegelicht in het artikelsgewijze deel van deze toelichting.

Regeldruk

De aanvraagronde voor nieuwe aspirant-opleidingsscholen betekent een tijdelijke toename van regeldruk voor de potentiële aspirant-opleidingsscholen.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Onderdeel A bevat een aantal wijzigingen van artikel 1 van de subsidieregeling. Ten eerste is de definitie van ‘aspirant-opleidingsschool’ herzien. Voorheen werd in artikel 4 (oud) van de subsidieregeling gespecificeerd wat onder aspirant-opleidingsschool wordt verstaan. Omdat deze specificatie bepalend is voor hetgeen onder een aspirant-opleidingsschool wordt verstaan, past zij beter in de begripsbepalingen. Eenzelfde aanpassing is doorgevoerd in de definitie van het begrip ‘student’, dat voorheen nader werd gespecificeerd (onder de noemer ‘studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen’) in artikel 3, tweede lid (oud). Met deze wijzigingen is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdeel B

Het tweede hoofdstuk van de subsidieregeling is integraal herzien. Hiermee is niet beoogd inhoudelijke wijzigingen aan te brengen ten opzichte van de huidige regeling en de huidige uitvoeringspraktijk, maar om de regeling praktisch beter bruikbaar te maken.

Paragraaf 2.1

In paragraaf 2.1 staan een aantal algemene artikelen die gelden voor zowel de subsidieverstrekking aan opleidingsscholen als voor de subsidieverstrekking aan aspirant-opleidingsscholen

Artikel 3

In artikel 3 zijn de activiteiten opgenomen waarvoor de minister op grond van de subsidieregeling subsidie kan verstrekken. De minister kan subsidie verstrekken (i) als tegemoetkoming in de kosten van de begeleiding van studenten en (ii) als tegemoetkoming in de kosten van de inrichting en instandhouding van een opleidingsinfrastructuur. Ten opzichte van artikel 3, eerste lid (oud), is de toevoeging dat begeleiding moet zien op studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen, vervallen. Daarmee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De toevoeging is echter overbodig, nu uit de definitie van ‘student’ reeds volgt dat de opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek wordt gevolgd (zie de toelichting bij artikel I, onderdeel A, hierboven).

Artikel 4

Artikel 4 bepaalt dat één partner vanuit de opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool optreedt als de penvoerder. De penvoerder is het bevoegd gezag van één van deelnemende scholen voor po, vo of bve, of van één van de hogescholen of universiteiten die met zijn lerarenopleidingen aan de opleidingsschool deelneemt. Wijzigingen in het penvoerderschap dienen tijdig te worden gemeld zodat subsidie aan het juiste bevoegd gezag wordt verstrekt.

Artikel 5

Artikel 5 bevat de subsidieplafonds. Het subsidieplafond dat in het eerste lid is opgenomen, is al beschikt. Het tweede lid bepaalt dat het nieuwe subsidieplafond voor het schooljaar 2020–2021 voor opleidingsscholen en aspirant-opleidingsscholen in hun derde of vierde subsidiejaar door wijziging van de subsidieregeling bekend zal worden gemaakt.

In 2019 is subsidie verstrekt aan 16 nieuwe aspirant-opleidingsscholen. Zij ontvangen voor de schooljaren 2019–2020 en 2020–2021 een vast subsidiebedrag van € 250.000 per schooljaar. Omdat deze subsidies reeds zijn verstrekt – en het subsidieplafond derhalve reeds is uitgewerkt – is dit plafond niet opnieuw in de regeling opgenomen. In het derde lid is het plafond opgenomen dat mogelijk maakt dat voor acht nieuwe aspirant-opleidingsscholen subsidie wordt verstrekt (zie nader de algemene toelichting). Dit bedrag van € 4 miljoen voor acht nieuwe aspirant-opleidingsscholen (die starten in 2020) wordt verdeeld over twee schooljaren betaald; zie nader artikel 17 van de subsidieregeling.

Artikel 6

Artikel 6 heeft betrekking op de verantwoording. De verantwoording vindt plaats in de jaarverslaggeving, overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Daarbij wordt gebruikgemaakt van model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

Artikel 7

In artikel 7 is opgenomen dat een eventueel niet-aangewend deel van de subsidie – mits de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd – mag worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Paragraaf 2.2

In paragraaf 2.2 zijn de bepalingen opgenomen die specifiek gelden voor subsidieverstrekking aan een opleidingsschool.

Artikel 8

Artikel 8 bepaalt dat de subsidie aan opleidingsscholen per schooljaar wordt aangevraagd en verstrekt. Opleidingsscholen doen daarvoor jaarlijks een aanvraag. De subsidieaanvraag voor opleidingsscholen bestaat uit de jaarlijkse opgave van studentenaantallen via het daarvoor op de website van DUO beschikbaar gestelde formulier. Eens in de drie jaar dient een opleidingsschool daarbij een rapport van de uitgevoerde peer review in (zie over de peer review nader de toelichting bij artikel 10).

Artikel 9

De hoogte van het subsidiebedrag per opleidingsschool wordt bepaald aan de hand van het aantal studenten in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Het subsidiebedrag wordt bepaald aan de hand van bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 10

In artikel 10 zijn de subsidieverplichtingen voor opleidingsscholen opgenomen. De eerste drie leden hebben betrekking op de door een opleidingsschool uit te voeren peer review. Opleidingsscholen zijn verplicht om eenmaal in de drie jaar een peer review te organiseren. De peer review wordt uitgevoerd door een panel met deskundigen van buiten de opleidingsschool met gebruikmaking van het kwaliteitskader dat daarvoor op de website van DUS-I wordt gepubliceerd. Van de peer review stelt de opleidingsschool een rapport op. De eerste peer review van een opleidingsschool vindt plaats binnen drie jaar na afloop van het schooljaar waarin de eerstvolgende accreditatie van een deelnemende lerarenopleiding heeft plaatsgevonden. Indien meerdere lerarenopleidingen deelnemen aan de opleidingsschool vindt de eerste peer review plaats uiterlijk drie jaar na de eerstvolgende accreditatie van de eerste deelnemende lerarenopleiding.

Daarnaast is de opleidingsschool op grond van het vierde lid verplicht een studentenadministratie bij te houden.

Omdat de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS op deze regeling van toepassing is gelden voor opleidingsscholen ook de subsidieverplichtingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling. Opleidingsscholen zijn bijvoorbeeld verplicht om de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie, of voor de ontwikkeling van het beleid van de minister (vgl. artikel 5.4 van de Kaderregeling).

Artikel 11

Artikel 11 heeft betrekking op de vaststelling van de subsidie voor opleidingsscholen door de minister. De minister stelt de subsidie vast binnen 13 weken na 30 september van het schooljaar waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Artikel 12

In dit artikel zijn de gronden opgenomen op basis waarvan de minister subsidieverstrekking aan opleidingsscholen kan weigeren.

Paragraaf 2.3

In paragraaf 2.3 zijn de bijzondere bepalingen opgenomen die gelden voor subsidieverstrekking aan aspirant-opleidingsscholen.

Artikel 13

Om als aspirant-opleidingsschool voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, moet ten minste 60% van de opleidingsplaatsen binnen de aspirant-opleidingsschool zich binnen één bepaalde sector (te weten: po, vo of bve) bevinden. In het verleden lag dit percentage op 75%. Omdat in de praktijk steeds meer intersectorale samenwerking plaatsvindt, is dit percentage naar beneden bijgesteld (zie nader het algemene deel van de toelichting).

Artikel 14

In artikel 14 is opgenomen dat de aspirant-opleidingsscholen in de eerste twee jaar van de aspirantfase een vast subsidiebedrag van € 250.000 per jaar ontvangen. Dit bedrag wordt in eenmaal verstrekt, maar verdeeld over twee schooljaren uitbetaald (zie nader artikel 17).

Artikel 15

De subsidie voor de eerste twee jaar van de aspirantfase kan vóór 1 september 2020 worden aangevraagd. De aspirant-opleidingsschool maakt daarvoor gebruik van een aanvraagformulier dat op de website van DUS-I beschikbaar is gesteld. In artikel 15, tweede lid, aanhef en onderdeel a, is opgenomen dat de subsidieaanvraag vergezeld gaat van een samenwerkingsovereenkomst. In de samenwerkingsovereenkomst moet onder andere de inzet van middelen door de deelnemende partijen worden vastgesteld (onder 2°). De inzet van middelen kan ook de inzet van financiële middelen zijn, maar het kan ook gaan om de inzet van andere middelen, zoals de inzet van personeel of goederen (bijvoorbeeld inventaris).

Artikel 16

In dit artikel wordt bepaald hoe subsidieaanvragen voor aspirant-opleidingsscholen worden beoordeeld en hoe de beschikbare middelen worden verdeeld.

Artikel 17

Artikel 17 heeft betrekking op de vaststelling en de betaling van de subsidie aan aspirant-opleidingsscholen voor de eerste twee jaren van de aspirantfase.

Artikel 18

In het derde en vierde schooljaar vragen aspirant-opleidingsscholen subsidie aan door de opgave van studentenaantallen via het daarvoor op de website van DUO beschikbaar gestelde formulier. Voor deze aspirant-opleidingsscholen wordt op dezelfde wijze subsidie verstrekt als bij de reguliere opleidingsscholen. De hoogte van het subsidiebedrag per aspirant-opleidingsschool of opleidingsschool wordt bepaald aan de hand van het aantal studenten in het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd volgens de systematiek opgenomen in bijlage 2 bij de subsidieregeling.

Artikel 19

Aspirant-opleidingsscholen die in schooljaar 2019–2020 gestart zijn organiseren in het vierde jaar van de aspirantfase een peer review. Het rapport van de peer review wordt door DUS-I gebruikt om te adviseren over de basiskwaliteit (zie nader artikel 12, derde lid en vierde lid, van de subsidieregeling). Aspirant-opleidingsscholen die voor een derde of een vierde schooljaar subsidie ontvangen, zijn daarnaast op grond van artikel 19, derde lid, verplicht om een studentenadministratie bij te houden. Daarnaast zijn ook de algemene subsidieverplichtingen uit de Kaderregeling van toepassing (vgl. de toelichting bij artikel 10).

Artikel 20

Voor aspirant-opleidingsscholen geldt dat subsidieverstrekking aan hen kan worden geweigerd indien zij onder verscherpt toezicht staan of indien niet alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Voor aspirant-opleidingsscholen die voor een derde of vierde schooljaar subsidie ontvangen, geldt daarnaast dat subsidieverstrekking kan worden geweigerd wanneer zij minder dan 60 studenten per schooljaar opleiden.

Artikel I, onderdelen C en D

Deze onderdelen betreffen een technische aanpassing van de opschriften van bijlage 1 en 2 bij de subsidieregeling.

Artikel I, onderdeel E

Het beoordelingskader dat DUS-I hanteert bij de beoordeling van subsidieaanvragen voor aspirant-opleidingsscholen is opnieuw vastgesteld en in lijn gebracht met het Kwaliteitskader Samen Opleiden & Inductie.2

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Voluit: ‘Convenant extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020–2021’, Kamerstukken II 2019/20, 31 293, nr. 488.

X Noot
2

Het kwaliteitskader is te raadplegen via de website van DUS-I.