Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 33064Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 18 juni 2020, nr. WJZ/24563641, houdende de invoering van een hardheidsclausule, alsmede wijziging van verschillende subsidieregelingen in verband met de uitbraak van COVID-19 (Verzamelregeling subsidies OCW COVID-19)

Artikel 1. Hardheidsclausule

  • 1. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media kunnen bepalingen in de door hen vastgestelde subsidieregelingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, indien de onverkorte toepassing van deze bepalingen, gelet op de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan voor subsidieaanvragers of subsidieontvangers zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2. Voor subsidieregelingen die volledig of mede zijn gebaseerd op de artikelen 7.1, 7.3 of 7.7 van de Erfgoedwet, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover het gaat om indieningsvereisten, verbonden aan de subsidieaanvraag of de aanvraag om subsidievaststelling, waaraan niet geheel of niet tijdig kan worden voldaan als gevolg van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan.

Artikel 2. Wijziging Besluit vaststelling beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020

Het Besluit vaststelling beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3, tweede lid, wordt ‘1 januari 2021’ vervangen door ‘1 januari 2022’.

B

Aan paragraaf 7 van de bijlage wordt een alinea toegevoegd, die luidt:

De minister kan de periode waarvoor de subsidie is verstrekt verlengen, indien het desbetreffende netwerk door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt binnen de oorspronkelijke termijn af te ronden. De minister kan de termijn voor de uitvoering van de activiteiten verlengen tot uiterlijk 1 januari 2022.

Artikel 3. Wijziging Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2021

De bijlage van het Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2021 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘eerste kwartaal’ vervangen door ‘derde kwartaal’.

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de activiteiten vinden doorlopend plaats in de schooljaren 2019–2020 en 2020–2021, behoudens voor zover de activiteiten redelijkerwijs geen doorgang kunnen vinden, omdat de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan daaraan in de weg staan.

B

In paragraaf 12 komen de eerste twee volzinnen te luiden: De subsidie wordt verstrekt voor de schooljaren 2019–2020 en 2020–2021. De activiteiten worden in beginsel binnen deze twee schooljaren afgerond, maar de minister kan een subsidieontvanger toestemming geven de activiteiten later af te ronden indien de vertraging is toe te rekenen aan de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan.

Artikel 4. Wijziging Subsidieregeling andere eindtoetsen PO

In de Subsidieregeling andere eindtoetsen PO wordt na artikel 10 een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 10a. Afwijking berekening subsidiebedrag 2020 in verband met COVID-19

In 2020 vindt de vaststelling van het subsidiebedrag, in afwijking van artikel 6, derde lid, plaats op basis van de opgave van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 5. Wijziging Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs

In de Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs wordt na artikel 12 een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 12a. Verruiming termijn behalen diploma in verband met COVID-19

De leraar die op grond van dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, verplicht zou zijn om zijn diploma uiterlijk te behalen op een datum gelegen na 23 maart 2020, behaalt zijn diploma in afwijking van dat onderdeel binnen de voorgeschreven studieperiode aangevuld met een uitloop van acht maanden.

Artikel 6. Wijziging Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg

In de Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg komt artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder ii, te luiden:

  • ii. voor de tweede aanvraagronde uiterlijk op 30 juni 2020, met dien verstande dat aanvragen die na 1 april worden ingediend, voor de toepassing van artikel 9 worden gerangschikt na de aanvragen die op of vóór 1 april werden ingediend;.

Artikel 7. Wijziging Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

In de Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen wordt na artikel 12 een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 12a. Verlenging activiteitenperiode in verband met COVID-19

Indien een subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan niet in staat is de activiteiten waarvoor op grond deze regeling subsidie is verstrekt, uiterlijk op 31 december 2020 af te ronden, kan de minister het tijdvak voor uitvoering van de activiteiten verlengen.

Artikel 8. Wijziging Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen extra tranche 2017

In de Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen extra tranche 2017 komt artikel 10 te luiden:

Artikel 10. Verlenging activiteitenperiode in verband met COVID-19

Indien een subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan niet in staat is de activiteiten waarvoor op grond deze regeling subsidie is verstrekt, uiterlijk op 31 december 2020 af te ronden, kan de minister het tijdvak voor uitvoering van de activiteiten verlengen.

Artikel 9. Wijziging Subsidieregeling instandhouding monumenten

In de Subsidieregeling instandhouding monumenten wordt voor artikel 42a een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 42. Afwijking subsidievoorschriften in verband met COVID-19

  • 1. De minister kan de periode waarvoor de subsidie is verleend verlengen, indien de desbetreffende subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

  • 2. In 2020 behoeft de minister, in afwijking van artikel 11, niet gelijktijdig te beslissen op de in dat jaar ingediende en voor subsidie in aanmerking komende aanvragen.

  • 3. Ten aanzien van subsidieverstrekking in 2020 kan de minister hoofdstuk 1.1, aanhef en onderdeel f, van de bijlage bij deze regeling buiten toepassing laten voor werkzaamheden die zijn begonnen na de indiening van de subsidieaanvraag, indien het gelet op de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan doelmatiger is deze werkzaamheden voorafgaand aan de subsidieverlening uit te voeren en indien de aanvrager de minister voldoende inzicht geeft in de noodzaak van deze werkzaamheden.

Artikel 10. Wijziging Subsidieregeling instructeursbeurs mbo

De Subsidieregeling instructeursbeurs mbo wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 4 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 5. In afwijking van het vierde lid stelt de minister een aanvrager die in 2020 een onvolledige aanvraag doet, in de gelegenheid om de aanvraag aan te vullen tot en met uiterlijk 30 juni 2020. Indien de aanvraag uiterlijk op 30 juni 2020 voldoende is aangevuld, geldt de dag waarop de aanvraag is ingediend, met betrekking tot de in het eerste lid genoemde verdeling, als datum van ontvangst.

B

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. In afwijking van het eerste lid behaalt de instructeur in het studiejaar 2019–2020 ten minste vijf studiepunten.

C

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. Ten aanzien van subsidies die voor het studiejaar 2019–2020 zijn verstrekt toont de instructeur, in afwijking van het eerste lid, op verzoek van de minister aan dat hij voldoet aan de subsidiecriteria en de subsidieverplichtingen door het overleggen van:

    • a. een document waaruit blijkt dat hij het collegegeld heeft betaald; en

    • b. een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij ten minste vijf studiepunten heeft behaald.

Artikel 11. Wijziging Subsidieregeling lerarenbeurs

De Subsidieregeling lerarenbeurs wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6 wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt:

  • 2a. In afwijking van het tweede lid stelt de minister een aanvrager die in 2020 op of voor 17 juni een onvolledige aanvraag doet, in de gelegenheid om de aanvraag aan te vullen tot en met uiterlijk 30 juni 2020. Als de aanvraag uiterlijk op 30 juni 2020 voldoende is aangevuld, geldt de dag waarop de aanvraag is ingediend, met betrekking tot de in het eerste lid genoemde verdeling, als datum van ontvangst.

B

Aan artikel 13 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan de minister een subsidie voor studiekosten die voor het studiejaar 2019–2020 is verstrekt, terugvorderen indien de leraar in deze periode minder dan vijf studiepunten behaalt.

C

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. In afwijking van het eerste lid behaalt de leraar in het studiejaar 2019–2020 ten minste vijf studiepunten.

D

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

  • 2. Ten aanzien van de subsidies die voor het studiejaar 2019–2020 zijn verstrekt toont de leraar, in afwijking van het eerste lid, op verzoek van de minister aan dat hij voldoet aan de subsidiecriteria en de subsidieverplichtingen door het overleggen van:

    • a. een document waaruit blijkt dat hij collegegeld heeft betaald; en

    • b. een bewijsstuk waaruit blijkt dat hij ten minste vijf studiepunten heeft behaald, dan wel een verklaring waarin staat dat leeruitkomsten zijn behaald bij een onderwijsinstelling die deelneemt aan het experiment leeruitkomsten ter waarde van in totaal ten minste vijf studiepunten.

Artikel 12. Wijziging Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs

De Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 10, onderdeel a, wordt ‘een half jaar’ vervangen door ‘anderhalf jaar’.

B

In artikel 11, derde lid, wordt ‘10 maanden’ vervangen door ‘22 maanden’.

Artikel 13. Wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo

In de Regeling regionaal investeringsfonds mbo wordt na artikel 29 een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 29a. Verlenging activiteitenperiode in verband met COVID-19

De minister kan de periode waarvoor de subsidie is verleend, bedoeld in artikel 11, derde lid, verlengen, indien de desbetreffende subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

Artikel 14. Wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022

In de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 wordt na artikel 32 een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 32a. Verlenging activiteitenperiode in verband met COVID-19

De minister kan de periode waarvoor de subsidie is verleend, bedoeld in artikel 7, vierde lid, verlengen, indien de desbetreffende subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

Artikel 15. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug ten aanzien van:

  • a. artikel 3, onderdeel A, onder 1, tot en met 1 januari 2020;

  • b. artikel 3, onderdeel A, onder 2, en artikel 5, tot en met 23 maart 2020; en

  • c. artikel 6, artikel 10, onderdeel A, en artikel 11, onderdeel A, tot en met 1 april 2020.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Verzamelregeling subsidies OCW COVID-19.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

1. Inleiding

Het behoeft geen nadere toelichting dat de uitbraak van COVID-19 veelvormige en vergaande maatschappelijke gevolgen heeft. Ook de ontvangers of aanvragers van subsidie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media (hierna tezamen: de ministers), kunnen te maken krijgen met verschillende problemen en onvoorziene omstandigheden. Het reguliere wettelijke kader (met name: de Algemene wet bestuursrecht en de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, hierna: de Kaderregeling) biedt verschillende mogelijkheden om in dergelijke gevallen coulance te betrachten. Zo biedt artikel 4:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de mogelijkheid om een subsidieontvanger die te laat is met zijn vaststellingsaanvraag daarvoor een nieuwe termijn te stellen, en volgt uit artikel 4:46 van de Awb de mogelijkheid om een subsidie niet of slechts beperkt lager vast te stellen, indien de activiteiten (bijvoorbeeld als gevolg van COVID-19) niet of niet volledig hebben plaatsgevonden.

In verschillende subsidieregelingen van de ministers zijn echter bepalingen opgenomen die om verschillende redenen coulance praktisch belemmeren. Met deze regeling wordt een groot aantal van deze belemmeringen weggenomen, door wijziging van de subsidieregelingen die het betreft. Het gaat specifiek om wijziging van:

  • het Besluit vaststelling beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020;

  • het Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2021;

  • de Subsidieregeling andere eindtoetsen PO;

  • de Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs;

  • de Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg;

  • de Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen;

  • de Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen extra tranche 2017;

  • de Subsidieregeling instandhouding monumenten;

  • de Subsidieregeling instructeursbeurs mbo;

  • de Subsidieregeling lerarenbeurs;

  • de Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs;

  • de Regeling regionaal investeringsfonds mbo; en

  • de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022.

Daarnaast is in artikel 1 van deze regeling – met het oog op mogelijke knelpunten die nu nog niet zijn te voorzien – een algemene hardheidsclausule opgenomen die het mogelijk maakt om specifieke bepalingen in OCW-subsidieregelingen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Dat kan uitsluitend indien de onverkorte toepassing van deze bepalingen, gelet op de gevolgen voor subsidieaanvragers of -ontvangers van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bij subsidieregelingen voor monumenten en archeologische monumenten, zoals de Subsidieregeling instandhouding monumenten, kan deze mogelijkheid uitsluitend worden toegepast voor zover het gaat om het indienen van vereiste gegevens en bescheiden (bij een aanvraag om subsidieverlening of om vaststelling daarvan), bijvoorbeeld als de aanvrager afhankelijk is van derden die door de uitbraak van COVID-19 niet tijdig kunnen leveren.

2. Toelichting wijzigingen per regeling

In de artikelen 2 tot en met 14 van deze regeling zijn de wijzigingen van de bovengenoemde subsidieregelingen opgenomen. Deze wijzigingen worden hieronder per regeling afzonderlijk toegelicht. Gelet op de bijzondere vorm van deze regeling – met een klein aantal wijzigingen per subsidieregeling – is ervoor gekozen geen afzonderlijke artikelsgewijze toelichting op te nemen.

2.1. Wijziging Besluit vaststelling beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020 (artikel 2)

In het Beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020 (de bijlage bij het Besluit vaststelling beleidskader subsidie bèta-technieknetwerken 2017–2020) is aan het slot van paragraaf 7 een alinea toegevoegd die buiten twijfel stelt dat de minister de periode waarvoor de subsidie is verleend kan verlengen, indien het desbetreffende netwerk door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden. De minister verlengt de periode voor uitvoering van de activiteiten tot uiterlijk 1 januari 2022. In verband met deze wijziging is ook artikel 3, tweede lid, van het besluit gewijzigd. De vervaldatum van het besluit is daarbij verlengd tot 1 januari 2022.

2.2. Wijziging Besluit vaststelling beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2021 (artikel 3)

In het Beleidskader subsidie vrijroosteren leraren fase II 2019–2020 (hierna: het beleidskader) zijn twee wijzigingen doorgevoerd. In paragraaf 9 van het beleidskader was opgenomen dat leraren uiterlijk in het eerste kwartaal van 2020 moesten starten met de deelname aan coachingsactiviteiten. Omdat de uitbraak van COVID-19 daarvoor uiteraard ook een belemmering kan hebben gevormd, wordt leraren meer ruimte geboden om te starten met de deelname aan de coachingsactiviteiten: met deze regeling is uiterste startdatum verruimd naar het einde van het derde kwartaal van 2020. Ten tweede is in paragraaf 12 van het beleidskader een relativering opgenomen van de eis, dat de activiteiten in de schooljaren 2019–2020 en 2020–2021 doorlopend dienen plaats te vinden. Deze eis geldt niet voor zover de activiteiten redelijkerwijs geen doorgang kunnen vinden omdat de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding van het virus daaraan in de weg staan.

Natuurlijk is het mogelijk dat een bevoegd gezag door de uitbraak van COVID-19 tegen praktische problemen aanloopt bij het uitvoeren van de subsidieactiviteiten, en er daarom voor willen kiezen de activiteiten (ten dele) op afstand vorm te geven. Het beleidskader staat daar niet aan in de weg (vgl. paragraaf 4 van het beleidskader).

2.3. Wijziging Subsidieregeling andere eindtoetsen PO (artikel 4)

In de Subsidieregeling andere eindtoetsen PO is een nieuw artikel 10a ingevoegd, dat voor 2020 een afwijkende berekening van het subsidiebedrag mogelijk maakt. Normaliter bestaat het subsidiebedrag per eindtoetsaanbieder uit een vast bedrag en een variabel bedrag dat wordt berekend aan de hand van het aantal daadwerkelijk afgenomen eindtoetsen. Omdat de eindtoets in 2020 niet is doorgegaan, zou het variabele subsidiebedrag zonder wijziging telkens op nihil moeten worden vastgesteld. Voor de eindtoetsaanbieders zou dit een grote financiële tegenvaller betekenen die voor hen niet was te voorzien. Dit zou voor hen tot dermate grote financiële problemen leiden dat het risico ontstaat dat zij in de toekomst niet langer in staat zouden zijn om een eindtoets aan te bieden. Dit brengt de keuzevrijheid voor scholen om te kiezen voor een eindtoets in gevaar. Op basis van het nieuwe artikel 10a wordt het variabele subsidiebedrag in 2020 berekend aan de hand van het aantal leerlingen dat naar verwachting de eindtoets zou hebben gemaakt. De eindtoets die de eindtoetsaanbieders voor 2020 hadden ontwikkeld, kan in beginsel overigens worden gebruikt voor 2021.

2.4. Wijziging Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs (artikel 5)

In de Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs is een verruiming opgenomen voor de termijn waarbinnen een leraar zijn diploma tot cultuurbegeleider dient te behalen. In artikel 7, eerste lid, onderdeel a, is opgenomen dat een leraar zijn diploma tot cultuurbegeleider behaalt in de voorgeschreven studieduur, aangevuld met een uitloop van twee maanden. Met deze regeling is een nieuw artikel 12a in de subsidieregeling ingevoegd. Dit artikel verlengt de uitloop van twee maanden naar acht maanden, voor alle leraren die op een datum na 23 maart 2020 uiterlijk hun diploma moeten halen. Dit geeft de leraren die studievertraging hebben opgelopen door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding van COVID-19, naar verwachting genoeg tijd om alsnog hun diploma te behalen.

2.5. Wijziging Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg (artikel 6)

In de Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs is voor 2020 voorzien in een verlenging van de tweede aanvraagronde. Deze aanvraagronde is verlengd om de samenwerkingsverbanden die door de coronacrisis mogelijk niet in staat waren tijdig een subsidieaanvraag te doen voor de tweede aanvraagronde, in de gelegenheid te stellen dat alsnog te doen. Door de verlenging kan tot en met 30 juni 2020 een subsidieaanvraag worden ingediend. Voor de aanvragen die na 1 april (het einde van de oorspronkelijke aanvraagperiode) zijn ingediend, geldt evenwel dat zij in de rangschikking worden geplaatst na de aanvragen die wel op of vóór 1 april zijn ingediend. Daarmee wordt voorkomen dat de verlenging van de aanvraagperiode benadelend zou werken voor de eerder tijdig ingediende aanvragen.

2.6. Wijziging Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (artikel 7)

In de Subsidieregeling flexibel hoger beroepsonderwijs voor volwassenen is een nieuw artikel 12a ingevoegd, dat buiten twijfel stelt dat de minister de periode voor uitvoering van de activiteiten kan verlengen indien de subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding van het virus niet in staat is de activiteiten uiterlijk op 31 december 2020 af te ronden.

2.7. Wijziging Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen extra tranche 2017 (artikel 8)

In de Subsidieregeling flexibel hoger beroepsonderwijs voor volwassenen is een nieuw artikel 10 ingevoegd, dat buiten twijfel stelt dat de minister de periode voor uitvoering van de activiteiten kan verlengen indien de subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding van het virus niet in staat is de activiteiten uiterlijk op 31 december 2020 af te ronden. Het artikel is inhoudelijk gelijk aan het artikel dat is ingevoegd in de Subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (zie hierboven).

2.8. Wijziging Subsidieregeling instandhouding monumenten (artikel 9)

In de Subsidieregeling instandhouding monumenten is een nieuw artikel 42 ingevoegd. Artikel 42 bevat een aantal afwijkende bepalingen voor subsidieverstrekking in 2020. In het eerste lid is buiten twijfel gesteld dat de minister de periode waarvoor de subsidie is verleend kan verlengen, indien de desbetreffende subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

Ten tweede hoeft de minister in 2020 (in afwijking van artikel 11 van de subsidieregeling) niet gelijktijdig te beslissen op de voor dat jaar ingediende en voor subsidie in aanmerking komende aanvragen. Deze wijziging maakt het mogelijk om in tranches op de aanvragen te beslissen, zodra de rangorde van de aanvragen voldoende duidelijk is. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als door de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan het completeren van incomplete aanvragen door aanvragers of de behandeling van aanvragen vertraging oploopt.

Ten derde is opgenomen dat de minister bij subsidieverstrekking in 2020 hoofdstuk 1.1, aanhef en onderdeel f, van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten buiten toepassing kan laten en subsidie kan verlenen voor kosten van werkzaamheden die zijn begonnen na indiening van de subsidieaanvraag (en eventueel al afgerond voor subsidieverlening). Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het instandhoudingsplan werkzaamheden bevat met betrekking tot een publiek toegankelijk rijksmonument, dat vanwege de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 in 2020 tijdelijk gedwongen moet sluiten. De eigenaar kan er dan voor kiezen om werkzaamheden tijdens deze gedwongen sluiting uit te voeren, zodat een tweede sluiting van het monument als gevolg van de werkzaamheden op een later tijdstip kan worden voorkomen. Voorwaarde is wel dat de subsidieaanvrager uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoekt om werkzaamheden eerder te mogen beginnen. Ook moet de aanvrager de noodzaak van de werkzaamheden, de doelmatigheid van een eerdere uitvoering ervan en een direct verband met de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan voldoende inzichtelijk maken. Uiteraard geef het uitvoeren van werkzaamheden voorafgaand aan de subsidieverlening geen garantie op subsidie en doet de subsidieaanvrager dit op eigen risico.

2.9. Wijziging Subsidieregeling instructeursbeurs mbo (artikel 10)

In de Subsidieregeling instructeursbeurs mbo is aan artikel 4 een nieuw vijfde lid toegevoegd. Dit artikellid voorziet voor subsidieaanvragen in 2020 in een verruiming van de termijn die aanvragers wordt gegund voor het aanvullen van een onvolledige aanvraag. Daarbij wordt derhalve afgeweken van het vierde lid, dat de hoofdregel bevat. Aanvragers hebben op grond van het vijfde lid tot en met 30 juni 2020 de tijd om hun aanvraag aan te vullen.

Ten tweede is het aantal te behalen studiepunten voor het studiejaar 2019–2020 verlaagd van vijftien naar vijf. De artikelen 10 en 11 zijn daartoe gewijzigd. Als gevolg van de uitbraak van COVID-19 kunnen instructeurs in het studiejaar 2019–2020 namelijk mogelijk niet voldoen aan de verplichting om ten minste vijftien studiepunten te behalen. Gekozen is voor coulance in de vorm van een algemene verlaging, omdat niet per instructeur en studie exact te achterhalen valt of en in welke mate de uitbraak van COVID-19 van invloed is op de studievoortgang.

2.10. Wijziging Subsidieregeling lerarenbeurs (artikel 11)

In de Subsidieregeling lerarenbeurs is aan artikel 6 een lid 2a toegevoegd. Dit artikellid voorziet – voor aanvragers die in 2020 op of voor 17 juni 2020 een onvolledige aanvraag hebben gedaan – in een verruiming van de termijn om de aanvraag aan te vullen. Daarbij wordt derhalve afgeweken van het tweede lid, dat de hoofdregel bevat. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat leraren door de uitbraak van COVID-19 anders niet in staat zullen zijn de werkgeversverklaring tijdig te verstrekken. De aanvragers die op of voor 17 juni 2020 een onvolledige aanvraag doen, krijgen daarom op grond van lid 2a tot en met 30 juni 2020 de tijd om hun aanvraag aan te vullen. Voor aanvragers die na 17 juni 2020 een onvolledige aanvraag doen, geldt de hoofdregel: zij krijgen op grond van het tweede lid veertien dagen om hun aanvraag aan te vullen.

Tot slot is het aantal te behalen studiepunten voor het studiejaar 2019–2020 verlaagd van vijftien naar vijf. De artikelen 13, 17 en 19 zijn daartoe gewijzigd. Als gevolg van de uitbraak van COVID-19 kunnen leraren in het studiejaar 2019–2020 namelijk mogelijk niet voldoen aan de verplichting om ten minste vijftien studiepunten te behalen. Gekozen is voor coulance in de vorm van een algemene verlaging, omdat niet per leraar en studie exact te achterhalen valt of en in welke mate de uitbraak van COVID-19 van invloed is op de studievoortgang.

2.11. Wijziging Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs (artikel 12)

In de Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs is de termijn waarbinnen een subsidieontvanger zijn certificaat dient te behalen (opgenomen in artikel 10, onderdeel a, van de subsidieregeling), met een jaar verlengd. Dit biedt de subsidieontvangers bij wie de afronding van de post-initiële leergang bewegingsonderwijs door COVID-19 is vertraagd, naar verwachting genoeg mogelijkheden om de leergang alsnog succesvol af te ronden. Daarom is ook de termijn waarna de subsidie – indien de subsidieontvanger niet tijdig een kopie van het behaalde certificaat aan DUO zendt – op nihil wordt vastgesteld (opgenomen in artikel 11, derde lid, van de subsidieregeling) met een jaar verlengd.

2.12. Wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo (artikel 13)

In de Regeling regionaal investeringsfonds mbo is een nieuw artikel 29a ingevoegd. Dit artikel maakt mogelijk dat de minister de periode waarvoor subsidie is verleend, verlengt als de desbetreffende subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

2.13. Wijziging Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 (artikel 14)

In de Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2019–2022 is een nieuw artikel 32a ingevoegd. Dit artikel maakt mogelijk maakt dat de minister de periode waarvoor subsidie is verleend, verlengt als de desbetreffende subsidieontvanger door de uitbraak van COVID-19 of de maatregelen ter bestrijding ervan redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

3. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt – gelet op de spoed die met de verschillende wijzigingen is gemoeid – in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie. Hierbij wordt afgeweken van de uit het kabinetsbeleid voortvloeiende vaste verandermomenten. In dit geval is een afwijking van de vaste verandermomenten niet bezwaarlijk, omdat de regeling enkel wijzigingen bevat die begunstigend zijn voor de subsidieontvangers.

Voor een aantal artikelen is voorzien in terugwerkende kracht. Voor artikel 3, onderdeel A, onder 1, is voorzien in terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020, zodat buiten twijfel wordt gesteld dat de verlenging van de termijn voor het starten met de deelname aan coachingsactiviteiten door een leraar voor heel 2020 geldt. Ten tweede is voor artikel 3, onderdeel A, onder 2, en artikel 5 voorzien in terugwerkende kracht tot en met 23 maart 2020, de start van de coronamaatregelen. Ten slotte is voor artikel 6, artikel 10, onderdeel A, en artikel 11, onderdeel A, terugwerkende kracht geregeld tot en met 1 april 2020. Voor artikel 6 wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de aanvragen die zijn ingediend na 1 april, doch voor de inwerkingtreding van deze regeling, niet als te laat ingediend hoeven te worden afgewezen. Voor artikel 10, onderdeel A, en artikel 11, onderdeel A, wordt daarmee geregeld dat de wijzigingen ten aanzien van de aanvullingstermijn gelden voor alle aanvragen die gedurende het aanvraagtijdvak in 2020 zijn ingediend.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob