Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juni 2020, 2020-0000077412, houdende nadere regels inzake de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op artikel 3, tweede lid, en 8 van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze regeling wordt verstaan onder:

besluit:

Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO.

Artikel 2. Verlenging periode

  • 1. De periode, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het besluit, wordt verlengd tot en met 7 juni 2020.

  • 2. In artikel 4, eerste lid, van het besluit staat Xc in de formule voor het aantal dagen in mei (maximaal 31/31 (Xc)).

  • 3. In artikel 4, eerste lid, van het besluit wordt de reeks (Xa+Xb+Xc) verlengd tot (Xa+Xb+Xc+Xd) en staat Xd in de formule voor het aantal dagen in juni (maximaal 7/30 (Xd)).

Artikel 3. Gegevensuitwisseling

In aanvulling op artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van het besluit levert de Belastingdienst/Toeslagen aan de SVB eveneens het krachtens artikel 1.8, tweede lid, van de Wet kinderopvang geldende toetsingsinkomen.

Artikel 4. Uitbreiding kring van rechthebbenden

De tegemoetkoming kan eveneens worden verstrekt aan de ouder, bedoeld in artikel 3 van het besluit, aan wie na 6 april 2020 over de periode van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020:

  • a. voor het eerst kinderopvangtoeslag is toegekend; of

  • b. voor een of meer volgende kinderen kinderopvangtoeslag is toegekend.

Artikel 5. Peildatum

  • 1. De Minister van Financiën stelt een tegemoetkoming voor de ouder, bedoeld in artikel 4, vast op basis van de gegevens zoals verwerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen op 4 september 2020 indien dat leidt tot een eerste of hogere tegemoetkoming.

  • 2. Indien sprake is van een hogere tegemoetkoming, wordt de eerdere vaststelling van de tegemoetkoming verrekend met de nieuwe vaststelling.

Artikel 6. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt met uitzondering van de artikelen 1, 2 en 3 in werking met ingang van 1 augustus 2020. De artikelen 1, 2 en 3 van deze regeling treden in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 juni 2022 met dien verstande dat de regeling zoals die luidde op 31 mei 2022 van toepassing blijft op de dan lopende afwikkeling van besluiten en ingestelde gerechtelijke procedures op grond van deze regeling.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 juni 2020

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

TOELICHTING

1. Inleiding

Kinderopvangorganisaties werden door de uitbraak van het COVID-19-virus gedwongen te sluiten op 16 maart 2020. Ouders konden daardoor, behoudens ingeval van noodopvang, geen gebruik meer maken van de diensten van kinderopvangorganisaties. De afgelopen tijd is nog duidelijker geworden dat kinderopvang een belangrijke randvoorwaarde is voor ouders en andere verzorgers om arbeid en zorg goed te kunnen combineren. Omdat de financiering van de sector voor een groot deel bestaat uit overheidsgeld (kinderopvangtoeslag) dat via ouders loopt, heeft het kabinet ouders opgeroepen de rekening van de kinderopvang te blijven betalen. Het door laten lopen van de reguliere betaling door ouders had verschillende voordelen. Ouders behielden op deze manier de plek voor hun kinderen op de kinderopvang voor wanneer de kinderopvang weer regulier openging. Daarnaast bleef de kinderopvang op deze manier gefinancierd en waren kinderopvangorganisaties bovendien in staat goede noodopvang te verzorgen. De sector bleef op deze manier zo stabiel mogelijk waardoor de terugkeer naar de reguliere situatie gemakkelijker is gemaakt. Ter ondersteuning van zijn oproep heeft het kabinet besloten de kinderopvangtoeslag ontvangende ouder een tegemoetkoming uit te keren zo lang het maatregelenpakket voor kinderopvang aanhield. Daartoe is de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO (hierna: het besluit) vastgesteld. Het gepubliceerde besluit regelt dat ouders een tegemoetkoming ontvangen vanwege de door hen betaalde eigen bijdrage in de kosten voor de kinderopvang over de periode van 16 maart tot en met 19 mei 2020.

Voor een tegemoetkoming op basis van het besluit komen ouders in aanmerking die over deze periode kinderopvangtoeslag hebben ontvangen en de eigen bijdrage aan de kinderopvangorganisatie hebben betaald. De gegevens die op 6 april 2020 (peildatum) verwerkt zijn bij de Belastingdienst/Toeslagen zijn bepalend voor de hoogte van de tegemoetkoming. De tegemoetkoming wordt – namens de Minister van Financiën – van rechtswege vastgesteld door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op basis van gegevens van de Belastingdienst/Toeslagen. De SVB gaat na het beschikken tot uitbetaling van de tegemoetkoming over.

De beslissings- en uitbetalingssystematiek van het besluit geldt ook voor deze ministeriële regeling (hierna: de regeling). De regeling zorgt er in essentie voor dat een iets grotere groep ouders – met behulp van een tweede peildatum – de tegemoetkoming kan krijgen.

In artikel 3, tweede lid, van het besluit is bepaald dat bij ministeriële regeling de kring van rechthebbenden van de tegemoetkoming kan worden uitgebreid. Artikel 8 van het besluit schept de mogelijkheid om bij ministeriële regeling de in het besluit genoemde tegemoetkomingsperiode te verlengen, af te wijken van de peildatum in artikel 5 van het besluit (6 april 2020) en het van rechtswege vaststellen van de tegemoetkoming. Met deze regeling is gebruikgemaakt van de eerste twee mogelijkheden. De tegemoetkomingsperiode van het besluit is verlengd tot en met 7 juni 2020 én er wordt afgeweken van de peildatum van 6 april 2020 voor nieuwe groepen rechthebbenden voor wie die peildatum buitengewoon nadelig uitvalt. Het kabinet heeft eerder besloten dat de tegemoetkoming doorloopt gedurende de periode dat kinderopvang (gedeeltelijk) gesloten is. Vanaf 8 juni 2020 is de kinderopvang geheel opengegaan. De tegemoetkoming op grond van zowel het besluit als de regeling ziet dus op de periode van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020.

Er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid in artikel 8 van het besluit om bij ministeriële regeling af te wijken van het ‘van rechtswege vaststellen van de tegemoetkoming’. Met de systematiek van het van rechtswege beschikken wordt aangesloten bij de systematiek van het besluit. Een aanvraagprocedure zou bovendien leiden tot extra administratieve handelingen, voor zowel de uitvoering als voor de ouders.

2. Tegemoetkoming op grond van deze ministeriële regeling

Uitbreiding kring rechthebbenden

Voor de tegemoetkoming op basis van het besluit zijn de gegevens die op 6 april 2020 bij de Belastingdienst/Toeslagen zijn verwerkt vanwege het recht op kinderopvangtoeslag, bepalend voor de hoogte van de tegemoetkoming. Het kan echter voorkomen dat ouders over (een deel van) de periode van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020 wel recht hebben op kinderopvangtoeslag maar zij op de peildatum van 6 april 2020 nog geen kinderopvangtoeslag hadden aangevraagd of dat zij die wel hadden aangevraagd, maar de toeslaggegevens nog niet verwerkt waren bij de Belastingdienst/Toeslagen. Er is in die gevallen voor een of meer kinderen geen kinderopvangtoeslag toegekend en om die reden geen of minder tegemoetkoming vastgesteld. De situaties waarin kinderen van ouders met recht op kinderopvangtoeslag over de betreffende tegemoetkomingsperiode op de peildatum van 6 april 2020 in het geheel niet zijn meegenomen terwijl voor hen op een later moment (met terugwerkende kracht) alsnog kinderopvangtoeslag wordt toegekend, worden beschouwd als buitengewoon nadelig. Voor die gevallen treft deze regeling een voorziening. De voorziening bestaat eruit dat voor ouders aan wie op een latere peildatum (zie hierna) over de tegemoetkomingsperiode kinderopvangtoeslag is toegekend en die de eigen bijdrage in de kosten voor de kinderopvang hebben betaald alsnog een tegemoetkoming wordt vastgesteld. Als het ouders betreft aan wie voor het eerst kinderopvangtoeslag is toegekend, dan ontvangen zij alsnog een beschikking met de hoogte van de tegemoetkoming. Als het ouders betreft aan wie dan voor een tweede of volgend kind kinderopvangtoeslag is toegekend, ontvangen zij een tweede tegemoetkomingsbeschikking als het tegemoetkomingsbedrag op de nieuwe peildatum hoger is. Enkel in bovenstaande situaties komen ouders voor een tegemoetkoming op grond van de regeling in aanmerking. Andere wijzigingen in de situatie van kinderopvangtoeslag van ouders, inkomenswijzigingen of wijzigingen in uren kinderopvang, geven geen recht op een tegemoetkoming in het kader van deze regeling. De noodzaak een eenvoudige regeling tot stand te brengen en het buitengewone nadeel dat eerstgenoemde situaties opleveren, hebben tot deze keuze geleid.

Peildatum en vaststelling tegemoetkoming

De tegemoetkoming op basis van deze regeling, voor de nieuwe groepen rechthebbenden, wordt vastgesteld op basis van de gegevens voor kinderopvangtoeslag die op 4 september 2020 bij de Belastingdienst/Toeslagen verwerkt zijn (peildatum). De datum van 4 september 2020 sluit voor de Belastingdienst/Toeslagen aan op een vast beschikkingenmoment.

De Minister van Financiën stelt het bedrag van de tegemoetkoming ambtshalve vast. Om de zekerheid te vergroten dat de toeslaggegevens op 4 september 2020 ook daadwerkelijk door de Belastingdienst/Toeslagen verwerkt zijn, doen ouders er goed aan wijzigingen zo snel mogelijk door te geven. Gegevens die door de Belastingdienst/Toeslagen op 4 september 2020 niet zijn verwerkt, kunnen in geen geval leiden tot een tegemoetkoming op grond van deze regeling.

De berekening van de tegemoetkoming op grond van deze regeling, uitgevoerd door de Belastingdienst/Toeslagen, gebeurt op grond van (de formule van) artikel 4 van het besluit. Dit betekent dat de hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend op basis van het aantal kinderen per ouder dat gebruik maakt van kinderopvang, het aantal uren per opvangsoort per kind dat is doorgegeven, de hoogte van het (geschatte) toetsingsinkomen en de maximum uurprijs die geldt voor de betreffende soort(en) opvang.

Voor ouders die eerder een tegemoetkoming hebben gekregen en voor wie een herberekening plaatsvindt maar voor wie een gelijke tegemoetkoming of een lagere tegemoetkoming uit de herberekening komt vanwege de toepassing van de gegevens op de nieuwe peildatum, volgt geen nieuwe beschikking. De ouder hoeft ook geen tegemoetkoming terug te betalen. De ouder zal wel geïnformeerd worden.

Berekening tegemoetkoming

Het bedrag aan tegemoetkoming wordt per kind en per deelperiode apart berekend. Het bedrag waar de ouder aanspraak op heeft, is het totaal dat uit de optelsom van deze berekening(en) komt. Het bedrag dat de ouder ontvangt van de SVB is daarnaast ook afhankelijk van het bedrag dat de ouder eventueel al heeft ontvangen bij het eerste uitbetaalmoment van de SVB.

Aan de hand van enkele fictieve voorbeelden wordt de formule hierna doorlopen.

Eigen bijdrage per deelperiode = [aantal toegekende uren kinderopvang x* max. uurtarief x* (100% - percentage kinderopvangtoeslag)]

Totale hoogte tegemoetkoming per kind = eigen bijdrage per maand x* [(aantal dagen opvang in maart/31) + (aantal dagen opvang in april/30) + (aantal dagen in mei/31) + (aantal dagen in juni/30)]

Totale hoogte tegemoetkoming ouder = som van totalen tegemoetkoming voor alle kinderen met kinderopvangtoeslag in het huishouden

Totaal te ontvangen tegemoetkoming ouder = (totale hoogte tegemoetkoming voor alle kinderen) - (reeds ontvangen tegemoetkoming) > 0 euro

Voorbeeld 1: nieuw gezin gaat gebruik maken van kinderopvang

Een gezin maakt sinds 2 maart voor hun kind gebruik van zowel dagopvang als gastouderopvang. In totaal nemen zij per maand 200 uur dagopvang af tegen een uurprijs van € 9 en 50 uur gastouderopvang voor € 6 per uur. Het gezin vraagt 16 april met terugwerkende kracht tot en met 2 maart kinderopvangtoeslag aan en de kinderopvangtoeslag wordt toegekend. Het gezin heeft op de peildatum van 4 september een toetsingsinkomen van € 60.000. Uit de kinderopvangtoeslagtabel van het Besluit kinderopvangtoeslag volgt er een kinderopvangtoeslagpercentage van 79%. Met deze gegevens kan de formule worden ingevuld en krijgen ze in oktober een bedrag aan tegemoetkoming uitgekeerd.

 

Dagopvang

Eigen bijdrage per deelperiode tot maximum uurtarief: 200 uur x € 8,17* x (100% – 79%) = € 343,14

Tegemoetkoming voor de gehele periode: € 343,14 x (16/31 + 30/30 + 31/31 + 7/30) = € 943,45

Hier wordt dus gerekend met de maximum uurprijs die geldt voor de dagopvang en niet de uurprijs die de ouders betalen. De maximum uurprijs is in dit geval ook de maximale uurprijs waarover de ouders kinderopvangtoeslag ontvangen.

 

Gastouderopvang

Eigen bijdrage per deelperiode: 30 uur x € 6,27 * (100% – 79%) = € 39,50

Tegemoetkoming: € 39,50 x (16/31 + 30/30 + 31/31 + 7/30) = € 108,61

De ouders krijgen in dit geval nog voor 30 uur per maand tegemoetkoming en niet 50, omdat het aantal uren per maand wordt gemaximeerd op 230. Dit geldt ook voor de berekening van de kinderopvangtoeslag. In dit geval wordt de tegemoetkoming berekend met een uurprijs van € 6,27 en niet de € 6 die de ouders betalen. De berekening gaat namelijk uit van de maximum uurprijs voor de betreffende opvangsoort.

 

Totale tegemoetkoming

Het totale bedrag aan tegemoetkoming voor dit gezin bedraagt € 943,45 + € 108,61= € 1052,06, hetgeen rekenkundig wordt afgerond op € 1052.

Voorbeeld 2: gezin maakt voor hun vierde kind ook gebruik van kinderopvang

Een gezin maakt voor 3 kinderen gebruik van kinderopvang. Eén kind gaat voor 150 uur naar de dagopvang voor € 8 per uur. Hun tweeling gaat 100 uur naar de buitenschoolse opvang voor € 7,50 per uur. Deze uren zijn toegekend voor maart, april, mei en juni. Op de peildatum van 6 april is een toetsingsinkomen bekend van € 92.000. Uit de kinderopvangtoeslagtabel van het Besluit kinderopvangtoeslag volgt er een kinderopvangtoeslagpercentage van 54% voor hun eerste kind en 88,2% voor zowel hun tweede als derde kind. Op basis van de gegevens hebben zij in juli een tegemoetkoming ontvangen van € 2.005.

 

Echter, vanaf 2 juni gaat ook hun jongste kind voor 160 uur per maand naar de dagopvang . Via mijntoeslagen.nl hebben zij ook voor dit kind kinderopvangtoeslag aangevraagd. Omdat dit gezin na de peildatum van 6 april kinderopvangtoeslag voor een extra kind heeft aangevraagd voor een periode binnen de gedeeltelijke sluitingsperiode, hebben zij, wanneer de toeslag ook is toegekend, aanspraak op een aanvulling op hun reeds ontvangen tegemoetkoming. Op basis van de gegevens die 4 september verwerkt zijn bij de Belastingdienst/Toeslagen krijgen zij in oktober de aanvulling uitgekeerd. Uit de kinderopvangtoeslagtabel van het Besluit kinderopvangtoeslag volgt er een kinderopvangtoeslagpercentage van 54% voor hun eerste kind en 88,2% voor hun tweede en volgende kinderen. Omdat het jongste kind vanaf juni de meeste uren opvang afneemt, wordt het jongste kind vanaf dat moment het eerste kind.

 

Eerste kind

Eerste kind maart-mei

Eigen bijdrage per maand tot maximum uurtarief: 150 uur x € 8,17 x (100% – 54%) = € 563,73

Tegemoetkoming voor de gehele periode: € 563,73 x (16/31 + 30/30 + 31/31) = € 1.418,42

 

Eerste kind juni

Eigen bijdrage per maand tot maximum uurtarief: 160 uur x € 8,17 x (100% – 54%) = € 601,31

Tegemoetkoming voor de gehele periode: € 601,31 x (6/30) = € 120,26

 

Hier wordt dus gerekend met de maximum uurprijs die geldt voor de dagopvang en niet de uurprijs die de ouders betalen.

 

Tweede en volgende kinderen

Tweede kind (vanaf juni tweede kind)

Eigen bijdrage per maand tot maximum uurtarief: 150 uur x € 8,17 x (100% – 88,2%) = € 144,61

Tegemoetkoming voor de gehele periode: € 144,61 x (6/30) = € 33,74

 

Derde en vierde kind

Eigen bijdrage per periode: 100 uur x € 7,02 * (100% – 88,2%) = € 82,84

Tegemoetkoming: € 82,84 x (16/31 + 30/30 + 31/31+ 7/30) = € 227,75

Hier wordt dus gerekend met de maximum uurprijs die geldt voor de buitenschoolse opvang en niet de uurprijs die de ouders betalen.

 

Totale tegemoetkoming

Het totale bedrag aan tegemoetkoming voor dit gezin bedraagt € 1.418,42+ € 120,26+ € 33,74+ € 227,75+ € 227,75 = € 2.027,93, hetgeen rekenkundig wordt afgerond op € 2.027.

Het gezin ontvangt in oktober daarom een aanvulling op de tegemoetkoming van € 22.

Ambtshalve toekenning

Net zoals voor de tegemoetkoming op basis van het besluit is voor tegemoetkoming op grond van deze regeling geen aanvraag nodig. Ook voor de verdere uitvoering van de regeling wordt teruggevallen op de uitvoering van het besluit. De Belastingdienst/Toeslagen berekent met de gegevens die op 4 september 2020 zijn verwerkt, ambtshalve de tegemoetkoming. Overeenkomstig hetgeen geregeld is in het besluit, zal de Belastingdienst/Toeslagen de gegevens beschikbaar stellen die de SVB nodig heeft om te kunnen beschikken. De SVB stelt vervolgens de beschikking vast en verzorgt de betaling van de tegemoetkoming. Beschikken en betalen loopt volledig buiten de Belastingdienst/Toeslagen om. Gestreefd wordt naar uitbetaling in oktober 2020.

Bezwaar en beroep

De groep ouders die op grond van deze regeling aanspraak heeft op een tegemoetkoming, ontvangt een beschikking. Tegen deze beschikking kan de ouder binnen de gebruikelijke termijn van 6 weken na de bekendmaking van de beschikking in bezwaar komen bij de Minister van Financiën, via de Belastingdienst/Toeslagen.

Voor de situatie dat de ouder wel tot de groep rechthebbenden behoort door een nieuwe toekenning voor kinderopvangtoeslag voor een tweede of volgend kind na 6 april 2020, maar die toekenning voor de berekening van de tegemoetkoming geen verschil maakt of een lager bedrag geeft, kan de Minister van Financiën geen tegemoetkoming vaststellen (artikel 5 van de regeling). Deze ouders ontvangen geen beschikking en voor hen staat geen bezwaar en beroep open. De ouder wordt, hoewel er geen rechtsgevolgen voor hem of haar zijn, wel geïnformeerd.

Voor de groep ouders die al op grond van het besluit aanspraak maakte op een tegemoetkoming en dus een beschikking heeft ontvangen, en eveneens op grond van deze regeling aanspraak heeft op een tegemoetkoming en een gewijzigde beschikking ontvangt, geldt dat zij het verschil krijgt uitbetaald. Voor zover ouders geen bezwaar hebben gemaakt tegen de eerste beschikking, maar er aanleiding is om bezwaar te maken tegen de tweede beschikking (waarmee de eerste beschikking wordt gewijzigd) wordt het bezwaar tegen de tweede beschikking geacht ook betrekking te kunnen hebben op de eerste beschikking (artikel 6:19 Awb).

Gegevensdeling

In het besluit zijn twee uitvoeringsorganisaties aangewezen die namens de Minister van Financiën het besluit uitvoeren: de Belastingdienst/Toeslagen en de SVB. De SVB neemt de beschikkingen waarin de tegemoetkoming wordt vastgesteld, voor welke beschikkingen de Belastingdienst/Toeslagen de gegevens aanlevert.

De gegevens die de Belastingdienst/Toeslagen aan de SVB levert, zijn in artikel 7, eerste lid, van het besluit opgesomd. Een van de gegevens is het percentage kinderopvangtoeslag per ouder en per kind (onderdeel D van de formule in artikel 4 van het besluit). De grondslag voor dit percentage, vastgelegd in de tabellen bij het Besluit kinderopvangtoeslag, is het geschatte toetsingsinkomen van de ouder, of van de ouder en partner samen ingeval van een partner. Dit inkomensgegeven is in het besluit niet aangewezen als gegeven dat de Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de SVB. De SVB heeft het inkomensgegeven wel nodig in het kader van haar taak beschikkingen te nemen en de daarbij behorende onderbouwing en uitleg te geven. Het gaat om het gegeven zoals verwerkt door de Belastingdienst/Toeslagen op de peildatum.

Het betreft een voor het boven omschreven doel noodzakelijk gegeven, in aanvulling op de overige in het besluit genoemde (beperkte) gegevens: het BSN van de ouder en kind(eren), het IBAN waarop de kinderopvangtoeslag wordt uitbetaald en de waarden uit de formule.

Om ouders zo goed mogelijk van informatie te voorzien kunnen ouders met hun DigiD inloggen op MijnSVB.nl om inzicht te krijgen in de gegevens die zijn gebruikt om de tegemoetkoming vast te stellen. De gegevens van een ouder zijn daarmee alleen inzichtelijk voor de ouder zelf. Medewerkers van de SVB hebben geen toegang tot deze gegevens. Enkel als een ouder daar expliciet om verzoekt kan een daartoe geautoriseerde SVB-medewerker inzicht worden gegeven in een kopie van zijn gegevens in MijnSVB.

Ook wanneer deze regeling voor de feitelijke uitvoering tot een afronding is gekomen, kunnen bij ouders nog vragen ontstaan (bijvoorbeeld bij de belastingaangifte 2020). Ouders kunnen ook dan, hoewel de tegemoetkomingsregelingen zijn uitgewerkt, met vragen over de tegemoetkoming terecht bij respectievelijk de SVB (beschikking en betaling) en de Belastingdienst/Toeslagen (bezwaar- en beroepsprocedure).

3. Gevolgen

De beschikking tegemoetkoming eigen bijdrage is gericht aan ouders. De tegemoetkoming wordt ambtshalve gedaan op basis van de reeds verwerkte gegevens van ouders bij de Belastingdienst/Toeslagen. Ouders ontvangen de tegemoetkoming zonder dat zij een administratieve handeling moeten plegen. De regeldruk voor ouders is daardoor nihil.

4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De conceptregeling is voor uitvoeringstoets uitgezet bij de Belastingdienst/Toeslagen en de SVB. De uitkomsten van de toetsen zijn positief.

Belastingdienst/Toeslagen

Gezien de korte termijn heeft de Belastingdienst/Toeslagen een beperkte toets uitgebracht waarin wordt ingegaan op gegevensuitwisseling tussen de SVB en Belastingdienst/Toeslagen, de communicatie en de bezwaar- en beroepsprocedure.

De Belastingdienst/Toeslagen zal voor de uitvoering van deze regeling alleen nieuwe en/of positieve verschillen ten opzichte van het eerste berekeningsbestand (ten behoeve van de tegemoetkoming op grond van het besluit) aan de SVB leveren. De Belastingdienst/Toeslagen verwacht daarvoor ongeveer 10 werkdagen nodig te hebben zodat medio september de gegevens geleverd kunnen worden. Met betrekking tot de communicatie merkt de Belastingdienst/Toeslagen op dat de website op de regeling moet worden aangepast, met name voor juiste verwijzingen naar onder meer het portal van de SVB, procesbeschrijvingen en handelingsperspectief voor de belanghebbende.

Beperkte capaciteit heeft de Belastingdienst/Toeslagen doen besluiten de bezwaar- en beroepsprocedure uit te besteden aan een externe partij, onder verantwoordelijkheid van de Belastingdienst/Toeslagen. Hiermee zijn kosten gemoeid van circa 50.000 euro. De inschatting is dat overige kosten van uitbesteding binnen de financiële kaders vallen die eerder beschikbaar zijn gesteld. Definitieve bedragen kan de Belastingdienst/Toeslagen nog niet geven.

SVB

De SVB heeft eerder een uitvoeringstoets op het besluit uitgebracht en sluit met betrekking tot de handhaafbaarheid van de regeling en de gevolgen voor beleids- en verantwoordingsinformatie aan op die toets. Zo zal een taakverdeling tussen de SVB en de Belastingdienst/Toeslagen gelden zoals in het besluit bepaald is: de tegemoetkoming wordt van rechtswege (namens de minister van Financiën) door de SVB vastgesteld, de SVB zal na het beschikken tot uitbetaling overgaan en de eerstelijns klantcontacten verzorgen. Wel is voor de uitbetaling van de tegemoetkoming extra ICT nodig.

De SVB deelt mee dat voor de uitvoerbaarheid van belang is dat de SVB tijdig over de tekst van de ministeriële regeling beschikt en kort na de peildatum van 4 september het bestand van betreffende ouders van de Belastingdienst/Toeslagen ontvangt. De SVB streeft naar uitbetaling op grond van de regeling in oktober 2020. In de verdere voorbereiding van de regeling zal daar rekening mee worden gehouden.

Daarnaast beveelt de SVB aan om de afbakening van de groep van ouders die in aanmerking komt voor de tegemoetkoming goed toe te lichten. Ten aanzien van de kring van rechthebbenden is benadrukt dat alleen de situaties zoals beschreven, recht kunnen geven op een tegemoetkoming op grond van deze regeling. De SVB schat de uitvoeringskosten op minimaal 3 miljoen en maximaal 5 miljoen euro. Deze marge in de kosten is gelegen in enkele onzekerheden en aannames omtrent de uitvoering van de regeling.

Handhaving

De tegemoetkomingsregeling geeft een duidelijk afgebakend kader met vaste elementen. De elementen zijn de bij de Belastingdienst/Toeslagen verwerkte gegevens waardoor ouders geen aanvraag hoeven in te dienen. De SVB gaat na het beschikken direct over tot betalen waarbij geen controle kan plaatsvinden of de betaling van de ouder van de eigen bijdrage in de kosten van de kinderopvang daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Deze systematiek geldt naar het voorbeeld van het besluit, ook voor deze regeling.

Hoewel deze regeling een uitbreiding geeft ten opzichte van het besluit van de kring van rechthebbenden, is de uitbreiding zeer beperkt. De uitbreiding is rechtstreeks gekoppeld aan toekenningen voor kinderopvangtoeslag die de Belastingdienst/Toeslagen heeft gedaan in de periode na 6 april 2020 maar tot en met 4 september 2020 voor ‘nieuwe’ kinderen. Nu toekenningen van kinderopvangtoeslag alleen kunnen worden gedaan voor kinderen met een kloppend burgerservicenummer – wat een uniek persoonsnummer is – is strategisch gedrag van ouders op dit punt uitgesloten. De bij de nieuwe situatie (met meer kinderen) behorende tegemoetkoming wordt berekend op basis van de formule in het besluit (toetsingsinkomen, uren kinderopvang etc.); daarvoor gelden de gebruikelijke controles, binnen de kinderopvangtoeslagsystematiek.

Overigens volgt deze regeling ook de systematiek van het besluit, wat bijvoorbeeld betekent dat er ouders zijn die meer aan tegemoetkoming ontvangen dan zij op basis van hun door de Belastingdienst/Toeslagen vastgestelde gegevens in 2021 aan eigen bijdrage moeten betalen. Maar er zijn ook ouders die minder ontvangen. Het kabinet accepteert deze uitkomsten en vraagt aan ouders begrip voor verschillen in uitkomsten.

5. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen voor de tegemoetkoming eigen bijdrage van deze regeling bedragen circa € 72 miljoen. Dit betreffen de kosten voor de tegemoetkoming in deze regeling en de uitvoering. Voor de tegemoetkoming eigen bijdrage is, over de periode 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020, in de Tweede en Derde incidentele suppletoire begroting SZW eenmalig een totaalbedrag van € 325 miljoen gereserveerd voor het totale beslag aan de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO.

6. Ontvangen adviezen

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) zijn gevraagd advies uit te brengen op de conceptregeling.

De AP heeft blanco advies uitgebracht. Het ATR heeft de conceptregeling beoordeeld op de gevolgen voor de regeldruk en administratieve lasten. De ATR heeft vastgesteld dat zowel de verlenging van de compensatieperiode als de uitbreiding van de doelgroep van de regeling geen gevolgen voor de regeldruk hebben (door de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming), en kan zich in de beschrijving vinden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepaling

De begrippen van het besluit gelden ook voor deze regeling. Daaraan is de begripsbepaling besluit toegevoegd.

Artikel 2. Verlenging periode

In dit artikel wordt op grond van artikel 8 van het besluit de periode waarop de tegemoetkoming volgens dat besluit betrekking heeft, verlengd tot en met 7 juni 2020. Daardoor loopt de periode van de tegemoetkoming, voor het besluit en daarmee voor deze regeling, van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020. De wijze van beschikken en betalen wijzigt voor het besluit niet: de tegemoetkoming wordt in een keer vastgesteld en betaald over de gehele periode.

Artikel 3. Gegevensuitwisseling

In dit artikel wordt de gegevensuitwisseling van de Belastingdienst/Toeslagen naar de SVB met een gegeven uitgebreid. Het betreft het geschatte toetsingsinkomen van de ouder, of van de ouder en partner samen ingeval er een partner is.

Artikel 4. Uitbreiding kring van rechthebbenden

Dit artikel regelt een uitbreiding van de groep aan wie een tegemoetkoming kan worden toegekend. Het betreft voor de uitvoering duidelijk afgebakende groepen die buitengewoon nadeel ondervinden van de peildatum van het besluit, te weten 6 april 2020.

Onderdeel a van dit artikel ziet op ouders aan wie na 6 april 2020 voor de eerste keer kinderopvangtoeslag is toegekend. Deze ouders hebben daardoor in het geheel geen tegemoetkoming gekregen over de periode van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020.

Onderdeel b van dit artikel ziet op de ouders aan wie na 6 april voor een tweede of volgend kind kinderopvangtoeslag is toegekend. Deze ouders hebben daardoor voor minder kinderen een tegemoetkoming gekregen over de periode van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020.

Artikel 5. Peildatum

Dit artikel geeft een nieuwe peildatum ter bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming voor de nieuwe groepen rechthebbenden. Voor de berekening van de tegemoetkoming voor deze groepen gebruikt de Belastingdienst/Toeslagen de gegevens die zijn verwerkt op 4 september 2020. De berekening gebeurt op grond van de formule van het besluit.

Ouders die na 6 april 2020 voor het eerst een aanvraag kinderopvangtoeslag hebben ingediend of indienen bij de Belastingdienst/Toeslagen die betrekking heeft op de periode van 16 maart 2020 tot en met 7 juni 2020 en van wie de gegevens zijn verwerkt op 4 september 2020, kunnen dankzij de nieuwe peildatum alsnog in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Dit geldt ook voor ouders die na 6 april 2020 een aanvraag kinderopvangtoeslag voor een tweede of volgend kind doen over die periode en van wie de gegevens zijn verwerkt op 4 september 2020. Alleen als uit herberekening een hogere tegemoetkoming volgt, ontvangt deze ouder een wijzigingsbeschikking. Het meerdere ten opzichte van de betaling vanwege de eerste beschikking, wordt uitbetaald.

Nieuwe aanvragen en wijzigingsaanvragen voor kinderopvangtoeslag kennen een vaste verwerkingstijd. Aanvragen die zijn gedaan kort voor 4 september 2020 kunnen daardoor niet worden meegenomen.

Artikel 6. Inwerkingtreding

Deze regeling kent twee inwerkingtredingsmomenten.

Voor het deel dat ziet op de verlenging van de tegemoetkomingsperiode en de uitbreiding van de gegevensuitwisseling tussen de Belastingdienst/Toeslagen en de SVB treedt de regeling zo spoedig mogelijk na publicatie in werking. Dat is nodig omdat deze elementen het besluit wijzigen en aanvullen en op basis van het gewijzigde en aangevulde besluit de tegemoetkomingen op basis van de peildatum 6 april 2020 moeten worden vastgesteld. Het beschikken en betalen van deze tegemoetkomingen is voorzien in juni en juli 2020.

Voor het deel dat de regeling ziet op (de tegemoetkoming voor) nieuwe groepen rechthebbenden kan deze in werking treden met ingang van 1 augustus 2020. Het beschikken en betalen van deze tegemoetkomingen is voorzien in oktober 2020.

De regeling vervalt met ingang van 1 juni 2022. Op het moment dat het besluit vervalt, vervalt ook deze regeling. Bij gerechtelijke procedures vanwege besluiten op basis van deze regeling, blijft toepassing van de regeling gelden ook na de vervaldatum, omwille van een goede afwikkeling ervan.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Naar boven