Buiten toepassing laten rijkscoördinatieregeling Zonnepark Westermeerdijk, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat

Datum: 5 juni 2020

Nummer: DGKE-WO/20138865

DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT,

Overwegende:

  • dat Westermeerweg Zon B.V. (hierna: Westermeerweg Zon) het voornemen heeft het Zonnepark Westermeerdijk te realiseren, een zonnepark in de gemeente Noordoostpolder van ten minste 50 MW;

  • dat dit initiatief op grond van artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder b, Elektriciteitswet 1998, onder de rijkscoördinatieregeling valt, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening;

  • dat de rijkscoördinatieregeling, voor zover hier van belang, gelet op artikel 3.35, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening met zich brengt dat voor het hiervoor bedoelde project een inpassingsplan wordt vastgesteld door de Ministers van Economische Zaken en Klimaat (hierna: EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK), en dat de voorbereiding en bekendmaking van het inpassingsplan door de Minister van EZK worden gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking met andere voor de uitvoering van het project benodigde besluiten;

  • dat de Minister van EZK, in afwijking van het voorgaande, op grond van artikel 9b, vierde lid, Elektriciteitswet 1998 kan bepalen dat voor een bepaald project geen inpassingsplan wordt voorbereid en de voorbereiding en bekendmaking van andere besluiten niet door hem worden gecoördineerd;

  • dat deze bevoegdheid kan worden toegepast indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van de desbetreffende productie-installatie, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van Zonnepark Westermeerdijk benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de rijkscoördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden;

  • dat deze situatie zich bij dit project voordoet, omdat er al uitvoerige en constructieve overleggen tussen de initiatiefnemers, de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder zijn gevoerd, de gemeente Noordoostpolder voornemens is een omgevingsvergunning te verlenen en het zonnepark (in beginsel) past binnen het provinciale beleid voor duurzame energie en de Structuurvisie Zon van de provincie Flevoland en binnen de structuurvisie ‘Zon in de Polder’ van de gemeente Noordoosterpolder;

  • ervan uitgaande dat er geen strijdigheid is met windpark NOP Argowind;

  • dat er ook overigens geen bijzondere belemmeringen zijn die in de weg staan aan een voorspoedig verloop van de benodigde procedures, zonder dat de rijkscoördinatieregeling wordt toegepast;

  • dat, gelet op het voorgaande, Solarfields mij bij brief van 12 december 2019 heeft verzocht de rijkscoördinatieregeling buiten toepassing te laten;

  • dat vervolgens de bij het project betrokken bestuursorganen – de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder – zijn gehoord over het voornemen de rijkscoördinatieregeling buiten toepassing te laten;

  • dat de gemeente Noordoostpolder bij brief van 23 april 2020 heeft aangegeven te kunnen instemmen met het voornemen;

  • dat de provincie Flevoland bij brief van 29 april 2020 heeft aangegeven te kunnen instemmen met het voornemen.

Gelet op:

Artikel 9b, vierde lid, aanhef en onder a Elektriciteitswet 1998;

Besluit:

Artikel 1

Geen van de procedures, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening zijn van toepassing op de besluitvorming inzake het in ontwikkeling zijnde Zonnepark Westermeerdijk, voorzien in de gemeente Noordoostpolder.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking de dag na die waarop het bekend is gemaakt. Dit besluit wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, namens deze: A. van den Bosch, Waarnemend directeur Warmte en Ondergrond

Tegen dit besluit staat geen bezwaar of beroep open (artikel 7.1 in samenhang met artikel 8.5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1 van hoofdstuk 1 van bijlage 2 bij deze zelfde wet).

Naar boven