Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juni 2020, nr. 2020-0000068933, tot wijziging van Bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de invoering van een wettelijke grenswaarde voor dieselmotoremissie

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 4.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Besluit:

ARTIKEL I

In onderdeel B2 van bijlage XIII, behorend bij artikel 4.19, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenregeling, Lijst van wettelijke grenswaarden op grond van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt in alfabetische volgorde de volgende regel ingevoegd:

Dieselmotoremissie (als respirabel elementair koolstof)

 

0,01

   

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2020.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 2 juni 2020

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

TOELICHTING

Algemeen

Met de onderhavige wijziging van Bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling (hierna Arboregeling) wordt voorzien in toevoeging van een wettelijke grenswaarde voor dieselmotoremissie (hierna DME). DME is afkomstig van dieselmotoren die petroleumdiesel als brandstof gebruiken. Het bestaat uit een mengsel van gassen en deeltjes die geproduceerd worden tijdens de verbranding van diesel in de motor. De emissie bevat stoffen die bij inademing schadelijk zijn voor de gezondheid.

Sinds 2007 is het beleid om de wettelijke grenswaarden, zo mogelijk, vast te stellen op een gezondheidskundig veilig niveau (drempelwaarde). Dit geeft helderheid over de gezondheidsbescherming.

Voor carcinogenen met een drempelwaarde wordt de wettelijke grenswaarde op het door de Gezondheidsraad bepaalde veilige gezondheidskundige niveau vastgesteld. Veel kankerverwekkende stoffen werken echter op een zodanige wijze in het lichaam dat er geen veilige gezondheidskundige grenswaarde te bepalen is. Als hier sprake van is dan wordt de grenswaarde afgeleid van risicogrenzen. Het betreft een streefrisico en een verbodsrisico. Daarbij wordt een extra kans op kanker als gevolg van beroepsmatige bloostelling van 1 op de miljoen blootgestelde werknemers per jaar als streefrisico gehanteerd. Dit komt overeen met een risico van 4 per 100.000 bij 40 jaar beroepsmatige blootstelling; oftewel 4x10-5. Een risico van 1 op de 10.000 blootgestelde werknemers wordt gehanteerd als verbodsrisico, dat wil zeggen als het maximale te accepteren risico. Dit komt overeen met een risico van 4 per 1.000 bij 40 jaar beroepsmatige blootstelling, oftewel 4x10-3.

Op verzoek van de Staatsecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Gezondheidsraad voor de beroepsmatige blootstelling aan uitstoot (emissie) van dieselmotoren blootstellingsconcentraties afgeleid ten behoeve van het vaststellen van een wettelijke grenswaarde. De blootstellingsconcentratie die overeenkomt met het streefrisiconiveau is 0,011 µg EC/m3. De blootstellingsconcentratie die overeenkomt met het verbodsrisiconiveau is 1,03 µg EC/m3. De blootstelling aan dieselmotoremissie is uitgedrukt in respirabele elementaire koolstofdeeltjes. Dit is de beste blootstellingsmarker voor dieselmotoremissie omdat die goed te meten is en een nauwkeurige weergave geeft van de concentratie (roet)deeltjes in de emissie.

De SER-subcommissie Grenswaarden Stoffen op de Werkplek kwam bij het toetsen van de haalbaarheid van het Gezondheidsraad advies tot de constatering dat het op dit moment, mede vanwege de achtergrondconcentraties, niet mogelijk is een wettelijke grenswaarde vast stellen tussen het streefrisiconiveau en het verbodsniveau. Daarom heeft de SER-Commissie Arbeidsomstandigheden nader overleg gevoerd en vervolgens geadviseerd om een wettelijke grenswaarde voor dieselmotoremissie vast te stellen op het niveau van 10 µg EC/m3. Na 4 jaar zal dan worden bezien of verlaging mogelijk is. De onderbouwing voor een wettelijke grenswaarde boven het verbodsrisiconiveau is dat het van belang is om een grenswaarde voor DME in de regelgeving op te nemen. Zo ontstaat een minimaal gelijk beschermingsniveau voor alle werknemers die worden blootgesteld aan DME. Tevens is een wettelijke grenswaarde van 10 µg EC/m3 realistisch, gebaseerd op de vigerende grenswaarde voor DME in arbocatalogi, zoals bijvoorbeeld de arbocatalogi van de carrosseriebranche, Defensie, de mobiliteitsbranche en de technische groothandel. Daarom is deze grenswaarde voor de betrokken sectoren en bedrijven werkbaar en haalbaar. Het streven is dat sectoren toe werken naar een blootstelling onder het verbodsrisiconiveau maar dit heeft tijd nodig. Sectoren die in hun arbocatalogus een lagere grenswaarde hanteren, zullen dit blijven doen, aangezien deze grenswaarde als stand der techniek binnen de eigen sector wordt gehanteerd. Daarnaast blijft de wettelijke verplichting gelden om de blootstelling aan DME tot een zo laag mogelijk niveau te brengen als technisch uitvoerbaar is.

Ook de Europese Unie werkt aan het stellen van meer Europese grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen. In Richtlijn (EU) 2019/130 van het Europees Parlement en de Raad van 16 januari 2019 tot wijziging van Richtlijn 2004/37/EG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (PbEU 2019, L 30) wordt voor een aantal stoffen grenswaarden voorgeschreven, waaronder voor DME. Deze richtlijn dient uiterlijk 20 januari 2021 in nationale regelgeving te zijn geïmplementeerd. Voor DME geldt een afwijkende termijn. De onderhavige wijziging van Bijlage XIII van de Arboregeling staat los van voornoemde richtlijn en strekt niet ter implementatie daarvan, maar betreft de realisatie van een al langer bij betrokken partijen bestaande wens tot het stellen van een nationale grenswaarde ter zake. Binnen Europa zijn lidstaten op basis van Richtlijn (EU) 2019/130 verplicht uiterlijk 21 februari 2023 een wettelijke grenswaarde voor DME (van 0,05 mg/m3) in te voeren (en voor de mijn- en tunnelbouw per 21 februari 2026). Nederland loopt met de invoering van een wettelijke grenswaarde voor DME van 0,01 mg/m3 per 1 juli daarop vooruit en kiest voor striktere bescherming van werknemers ten opzichte van de bescherming die Richtlijn (EU) 2019/130 biedt.

In een brief aan de Tweede Kamer, dd. 13 februari 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 25 883, nr. 373), heeft ondergetekende al laten weten dat zij voornemens was per 1 juli 2020 deze wettelijke grenswaarde voor DME in te voeren. Aldus werden de betrokken bedrijven in staat gesteld de eventueel nog noodzakelijke maatregelen tijdig te treffen.

Administratieve lasten

Voor alle gevaarlijke stoffen op de werkplek geldt allereerst dat de werkgever zelf grenswaarden moet vaststellen op een zodanig niveau dat geen nadelig gezondheidseffect optreedt. Deze private grenswaarden zijn het uitgangspunt van het stelsel. In specifieke gevallen stelt de overheid publieke (wettelijke) grenswaarden. Dit is het geval voor DME waarvoor met de onderhavige wijzing van Bijlage XIII van de Arboregeling een wettelijke grenswaarde is vastgelegd. Voor stoffen waarvoor geen wettelijke grenswaarde bestaat moet de werkgever zelf private grenswaarden (blijven) bepalen.

Bedrijven waar blootstelling aan dieselmoteremissie kan voorkomen, zullen eenmalig moeten controleren of zij aan de nieuwe wettelijke grenswaarde voldoen. Het effect op de administratieve lasten van bedrijven is daarmee naar verwachting klein.

Nalevingskosten

DME was al opgenomen in de SZW-lijst met kankerverwekkende stoffen en processen, bedoeld in artikel 4.11 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hierdoor werden bedrijven waar blootstelling aan DME mogelijk is, er al toe genoodzaakt tot het zo laag als technisch uitvoerbaar houden van de blootstelling. Maatregelen die genomen kunnen worden, moeten genomen worden, mits zij technisch uitvoerbaar zijn. Dit betekent dat de invoering van de nieuwe wettelijke grenswaarde voor DME alleen van belang is voor bedrijven waar men er om moverende redenen nog niet toe is gekomen om de blootstelling aan DME te beperken tot een niveau dat lager is dan de nieuwe wettelijke grenswaarde.

Het totaal aantal bedrijven waarvoor er nalevingskosten zullen zijn, is hiermee dus beperkt. De bedrijven die nog niet tot een blootstelling kunnen komen onder de nieuwe wettelijke grenswaarde, zullen een plan van aanpak moeten opstellen met een stappenplan in de tijd, dat aangeeft hoe en op welke termijn zij aan de nieuwe wettelijke grenswaarde kunnen voldoen. In het plan van aanpak zal geëxpliciteerd en beargumenteerd moeten worden welke technische maatregelen ingevoerd zullen worden, waarom noodzakelijke maatregelen nu om technisch redenen nog niet genomen kunnen worden, wanneer dat wel het geval zal zijn en op welke wijze de werknemers in de tussentijd adequaat zullen worden beschermd.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Naar boven