Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 29729Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 3 juni 2020, nr. 24605150, houdende regels voor subsidieverstrekking voor een inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op de voorschoolse educatie om peuters met een indicatie voor voorschoolse educatie extra ondersteuning te bieden vanwege achterstanden, veroorzaakt door de sluiting van kindercentra vanwege COVID-19 (Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

DUS-I:

Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;

houder van een kindercentrum:

houder van een kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang;

inhaal- en ondersteuningsprogramma ve:

programma als bedoeld in artikel 3, tweede lid;

instelling:

kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang, dat met een aanbod van voorschoolse educatie is geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang en dat voorschoolse educatie verzorgt aan ve-peuters;

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Minister:

Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

subsidieontvanger:

houder van een kindercentrum die ten behoeve van zijn instelling subsidie ontvangt;

ve-peuter:

peuter, die ten tijde van de sluiting van de instelling door COVID-19 een indicatie voor voorschoolse educatie had en nog niet is toegelaten tot het basisonderwijs.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling is van toepassing op subsidies die op grond van deze regeling worden verstrekt.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De Minister verstrekt subsidie aan een houder van een kindercentrum om op een instelling een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve te organiseren in de periode van 4 juli 2020 tot en met 3 januari 2021 voor ten minste vijf ve-peuters.

  • 2. Een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve is een aanbod waar ve-peuters minimaal 2 weken en maximaal 5 weken gebruik van maken, aanvullend op maar buiten het reguliere programma en buiten de reguliere weken van voorschoolse educatie, met als doel om een ve-peuter extra ondersteuning te bieden van ten minste 10 uur en ten hoogste 16 uur per week vanwege achterstanden veroorzaakt door de sluiting van instellingen vanwege COVID-19.

  • 3. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor activiteiten waarvoor de instelling reeds vanuit het Rijk of een gemeente bekostiging ontvangt.

Artikel 4. Subsidieplafond

Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling is een subsidiebedrag van ten hoogste € 7.000.000,00 beschikbaar.

Artikel 5. Subsidiebedrag

Het subsidiebedrag bestaat uit:

  • a. een vast bedrag voor de coördinatie van het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve, ten bedrage van € 500,00 per instelling; en

  • b. een variabel bedrag voor de uitvoering van het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve, dat wordt berekend door het aantal ve-peuters dat naar verwachting zal deelnemen aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder b, te vermenigvuldigen met € 12,00 voor elk klokuur per week, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder c en dat te vermenigvuldigen met het aantal weken, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder d.

Artikel 6. Wijze van verdeling beschikbare middelen

  • 1. Indien de middelen, bedoeld in artikel 4 ontoereikend zijn om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, worden de aanvragen door middel van loting gerangschikt.

  • 2. Indien de toekenning van subsidie voor ten minste 90% van het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 5, een overschrijding van het subsidieplafond zou voorkomen, laat de Minister de loting, bedoeld in het eerste lid, achterwege. In dat geval wordt binnen de grenzen van het subsidieplafond voor ten minste 90% van het subsidiebedrag waarvoor subsidie is aangevraagd subsidie toegekend.

Artikel 7. Subsidieaanvraag

  • 1. Een houder van een kindercentrum kan voor elk van zijn instellingen afzonderlijk van 15 juni 2020 tot en met 28 juni 2020 een subsidieaanvraag indienen.

  • 2. Aanvragen ingediend na 28 juni 2020 worden afgewezen.

  • 3. Voor de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van het digitale aanvraagformulier dat is te vinden op de website www.dus-i.nl.

  • 4. In afwijking van de artikelen 3.4 tot en met 3.7 van de Kaderregeling bevat de aanvraag:

    • a. een vermelding van de instelling, inclusief LRK-nummer, waarvoor subsidie voor het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve wordt aangevraagd;

    • b. een prognose van het aantal ve-peuters dat naar verwachting zal deelnemen aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve;

    • c. het aantal klokuren per week dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve omvat;

    • d. het aantal weken per ve-peuter waarin het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve zal worden aangeboden;

    • e. een verklaring dat:

      • i. de geprognosticeerde peuters ve-peuters zijn;

      • ii. het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve aanvullend op, maar buiten het programma en buiten de reguliere weken van voorschoolse educatie wordt aangeboden;

      • iii. geen subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten waarvoor de instelling reeds vanuit het Rijk of een gemeente wordt gefinancierd; en

      • iv. de gemeente waar de instelling is gevestigd op de hoogte is van het doen van deze aanvraag.

Artikel 8. Subsidieverplichtingen

  • 1. Voor deelname aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve wordt aan ouders of verzorgers van de ve-peuters geen vergoeding gevraagd.

  • 2. Onverminderd de verplichtingen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, voert de subsidieontvanger een overzichtelijke, controleerbare en doelmatige administratie die zo is ingericht dat daaruit te allen tijde kan worden afgeleid hoeveel ve-peuters aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve hebben deelgenomen.

  • 3. Inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve waarvoor subsidie is aangevraagd kunnen worden uitgevoerd tot en met uiterlijk 3 januari 2021.

  • 4. De kwaliteitseisen die voortvloeien uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en het Besluit kwaliteit kinderopvang zijn van overeenkomstige toepassing op de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve.

  • 5. In afwijking van het vierde lid, wordt, indien het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve wordt gegeven aan een groep ve-peuters die groter is dan acht, ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie ingezet. De andere medewerker is een beroepskracht, beroepskracht ve of beroepskracht in opleiding te zijn in de zin van de Wet kinderopvang.

  • 6. Onverminderd artikel 5.7 van de Kaderregeling maakt de subsidieontvanger er bij de Minister melding van indien:

    • a. het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen, minder is dan 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt; en

    • b. indien het aantal uren dan wel het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve daadwerkelijk is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt.

Artikel 9. Subsidieverstrekking, betaling en verantwoording

  • 1. De subsidies worden binnen acht weken na 28 juni 2020 verleend. De Minister stelt de subsidie ambtshalve vast binnen 22 weken na 3 januari 2021.

  • 2. De subsidieontvanger toont op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3. De activiteiten gelden als volledig verricht, indien:

    • a. ten minste 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen; en

    • b. het aantal klokuren en weken waarvoor subsidie is verstrekt, volledig is aangeboden.

  • 4. Indien het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen, minder is dan 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt stelt de Minister de subsidie naar evenredigheid lager vast.

  • 5. Indien het aantal klokuren dan wel het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve daadwerkelijk is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt stelt de Minister de subsidie naar evenredigheid lager vast indien het bedrag van de lagere vaststelling hoger is dan 10% van het verleende subsidiebedrag.

  • 6. De Minister verstrekt een voorschot van 100%, en betaalt dat voorschot in één keer.

Artikel 10. Evaluatie

De Minister evalueert deze regeling uiterlijk in 2021.

Artikel 11. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma aanvullend op voorschoolse educatie 2020–2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

1. Algemene toelichting

Aanleiding

Op 15 maart 2020 werd besloten dat naast scholen, mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten ook kindercentra met ingang van 16 maart 2020 zouden worden gesloten in het kader van de bestrijding van de verspreiding van het coronavirus. Met de reguliere kinderopvang is daarmee toen ook het aanbod van voorschoolse educatie aan peuters met een risico op een onderwijsachterstand stilgelegd. Vanaf 11 mei zijn de kindercentra weer geopend en is ook de voorschoolse educatie weer van start gegaan. Door de tijdelijke sluiting hebben peuters met een indicatie voor voorschoolse educatie evenwel een extra risico gelopen op een verdere vergroting van hun achterstand.

Veel van deze peuters krijgen in de zomerperiode normaliter geen voorschoolse educatie omdat de aanbieder de voorschoolse educatie alleen in de schoolweken aanbiedt. Hierdoor kan de achterstand verder oplopen. De fysieke sluiting van kindercentra betekent voor veel van deze peuters het risico dat hun onderwijsachterstand verder groeit. Dit heeft effect op de aansluiting met de basisschool, de kansengelijkheid en op de ontwikkeling en het leervermogen van de meest kwetsbare kinderen. Deze regeling stelt subsidie beschikbaar voor kindercentra die een inhaal- en ondersteuningsprogramma willen organiseren aanvullend op de voorschoolse educatie.

2. Uitvoering van de regeling

DUS-I heeft de regeling getoetst op uitvoerbaarheid, en acht de regeling uitvoerbaar.

3. Regeldruk

Administratieve lasten als zodanig betreffen de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid. Het gaat om het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie aan de overheid. Deze lasten doen zich voor bij de subsidieaanvraag, voldoen aan de subsidieverplichtingen en bij de verantwoording. Van instellingen wordt gevraagd te melden hoeveel ve-peuters daadwerkelijk hebben deelgenomen aan het programma. Voor het invullen van het aanvraagformulier wordt geschat dat een tijdsinvestering van een uur per aanvraag nodig is. In dit formulier wordt alleen de benodigde informatie opgevraagd, om de administratieve lasten tot het minimum te beperken. Voor voeren van de administratie en het doen van de melding van het aantal ve-peuters dat daadwerkelijk aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen wordt een uur per aanvraag gerekend. Uitgaande van € 45,00 per uur bedragen de administratieve lasten per subsidieaanvraag dus € 90,00.

4. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (de Kaderregeling) is van toepassing op subsidies die op grond van deze regeling worden verstrekt. In de Kaderregeling zijn algemene subsidieregels opgenomen over onder andere de verplichtingen van subsidieontvangers.

Meldingsplicht

De meldingsplicht van subsidieontvangers is in de Kaderregeling opgenomen. Subsidieontvangers moeten alle omstandigheden melden die relevant zijn voor de subsidieverstrekking. Dat is bijvoorbeeld het geval zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan. In dat geval maakt de subsidieontvanger hiervan onverwijld en schriftelijk een melding. De melding wordt bij DUS-I gemaakt. Zie aanvullend ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.

5. Caribisch Nederland

De regeling is niet van toepassing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor Caribisch Nederland wordt vanuit het programma BES(t) 4 kids met de openbare lichamen afgestemd hoe extra ondersteuning wordt geboden aan kindercentra.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

Een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve is een ontwikkelingsgericht programma dat aanvullend op en buiten de voorschoolse educatie om plaatsvindt, maar dat daar inhoudelijk goed op aansluit. De subsidie is dan ook niet bedoeld voor programma’s die reeds op andere wijze met een rijksbijdrage of door de gemeente worden gefinancierd, inclusief de reguliere voorschoolse educatie. Het programma vindt plaats met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden en is bedoeld om het grotere risico dat kinderen door de coronamaatregelen lopen op een onderwijsachterstand te mitigeren.

Een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve is een aanbod waar deelnemende ve-peuters minimaal 2 weken en maximaal 5 weken gebruik van maken. Het aantal uren is ten minste 10 uur en ten hoogste 16 uur per week.

Aan het programma dienen ten minste vijf ve-peuters deel te nemen. Dit minimum aantal is opgenomen omdat het niet doelmatig wordt geacht om een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve aan te bieden aan slechts enkele ve-peuters. Het is niet vereist dat deze ve-peuters gedurende de reguliere voorschoolse educatie door het jaar heen ook op hetzelfde kindercentrum een aanbod krijgen. Het is ook mogelijk om ve-peuters van verschillende kindercentra gezamenlijk een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve te bieden op één van deze kindercentra. De houder die het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve gaat aanbieden vraagt in dat geval dan ook de subsidie aan voor ve-peuters die gedurende de reguliere voorschoolse educatie door het jaar heen naar een ander kindercentrum gaan. Hierdoor wordt het realiseren van een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve in dunner bevolkte gebieden gemakkelijker. Wel dient gestreefd te worden naar zo veel mogelijk vaste stamgroepen en vaste gezichten. Zie daarvoor de toelichting op artikel 8.

Het programma moet plaatsvinden in weken waarin de deelnemende ve-peuters geen reguliere voorschoolse educatie ontvangen, bijvoorbeeld wanneer de instelling in de zomer-, herfst- of kerstvakantie normaal gesproken gesloten is voor ve-opvang. Het aanbod in het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve telt dan ook niet mee voor het minimale aanbod ve van 960 uur voor peuters met een risico op een onderwijsachterstand in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar dat vanaf 1 augustus 2020 verplicht wordt. Een aanbod later dan 3 januari 2021 (het einde van de kerstvakantie) wordt niet gesubsidieerd, omdat het gezien de relatief korte duur van de voorschoolse educatie (anderhalf jaar) belangrijk is dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve tijdig plaats vindt.

Het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve is geen voorschoolse educatie, maar een aanvulling hierop voor de tijd die gemist is door de sluiting van de kindercentra door covid-19. Er hoeft door de GGD en de Inspectie van het Onderwijs dus ook geen apart toezicht gehouden te worden op dit aanbod. Om de kwaliteit van kinderopvang voor de ve-peuters te borgen is in de subsidieverplichtingen (artikel 8) opgenomen dat het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en het Besluit kwaliteit kinderopvang van overeenkomstige toepassing zijn voor wat betreft de kwaliteitseisen. Zie voor een verdere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.

Artikel 5. Subsidiebedrag

Het subsidiebedrag bedraagt € 12,00 per ve-peuter per klokuur en daarnaast een vast bedrag van € 500,00 per kindercentrum die een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve aanbiedt (aan minimaal 5 peuters met een indicatie voor voorschoolse educatie, zoals genoemd in artikel 3). Het subsidiebedrag wordt berekend op basis van de prognose van het aantal deelnemende ve-peuters en het aantal klokuren aanbod per week en het aantal weken zoals door de houder aangegeven in de aanvraag (zie artikel 8). Het gaat om een aanbod van minimaal twee weken en maximaal vijf weken waarin een aanbod van minimaal 10 en maximaal 16 klokuren per week wordt verzorgd. Het subsidiebedrag per ve-peuter per week zal niet minder zijn dan € 120,00 en niet meer dan € 192,00 gezien het maximaal te subsidiëren aantal uren van 16 per week (zie artikel 1). Indien het tweede lid van artikel 6 wordt toegepast (verdelen naar rato) dan is het subsidiebedrag per ve-peuter per week niet lager dan € 108,00.

Rekenvoorbeeld: als een houder voor een van haar kindercentra prognosticeert dat acht ve-peuters deelnemen en als voor dit kindercentrum subsidie wordt aangevraagd voor een programma van 16 klokuren per week voor een duur van twee weken, dan is de berekening als volgt:

€ 500,00 + 8 ve-peuters * 16 uren per week * € 12,00 * 2 weken = € 3572,00.

Artikel 6. Wijze van verdeling beschikbare middelen

Er is een subsidieplafond ingesteld. Indien de totale som van alle in aanmerking komende aanvragen dat plafond overstijgt, vindt loting plaats om te bepalen welke kindercentra subsidie zullen ontvangen. Echter, als een toekenning van tenminste 90% van het subsidiebedrag ervoor zou zorgen dat de totale som van alle in aanmerking komende aanvragen wel onder het subsidieplafond blijft, dan wordt er niet geloot. In dat geval wordt er voor de in aanmerking komende aanvragen tenminste 90% van het in artikel 5 bedoelde subsidiebedrag toegekend.

In het geval dat het subsidieplafond niet wordt uitgeput, vloeien de overgebleven middelen terug naar ’s Rijks kas.

Artikel 7. Subsidieaanvraag

De houder van één of meerdere kindercentra kan voor elk van haar kindercentra die in het LRK geregistreerd staat als ve-locatie een aanvraag indienen middels een online aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van DUS-I. Een houder kan voor één of meerdere instellingen subsidie aanvragen. De houder dient deze aanvragen afzonderlijk van elkaar in te dienen. Er is dus sprake van één aanvraag per instelling.

In het digitale aanvraagformulier dient de houder een prognose te geven van het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve zal deelnemen. De houder dient verder aan te geven hoeveel weken het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve zal duren en wat het aantal klokuren per week is. Op basis van deze gegevens zal de subsidie worden berekend. De houder dient onder meer ook te verklaren dat het bij het geprognosticeerde aantal peuters om peuters met een ve-indicatie gaat.

De subsidieontvanger dient verder de gemeente waar de instelling is gevestigd op de hoogte te brengen van deze aanvraag. De gemeente speelt een belangrijke rol bij de reguliere voorschoolse educatie en bij de lokale educatieve agenda. Vanuit de regierol van de gemeente op het gebied van onderwijsachterstandenbestrijding is het van belang dat de gemeente op de hoogte is van eventuele inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve die in de gemeente worden aangeboden. De gemeente kan tevens een (faciliterende) rol vervullen in het succesvol uitvoeren van de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s ve. Dat kan bijvoorbeeld door het delen van kennis en ervaring van de gemeente op het gebied van het organiseren van zomerscholen. Ook kan het zijn dat het kindercentrum gebruik maakt van huisvesting die in eigendom is van de gemeente en die normaliter in de vakanties gesloten is. De gemeente kan dan toestemming verlenen om deze huisvesting in de vakantieperiode te benutten voor het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve. In het digitale aanvraagformulier dient verklaard te worden dat de gemeente geïnformeerd is over de subsidieaanvraag.

Artikel 8. Subsidieverplichtingen

Bij de regeling is geen limitatieve opsomming gevoegd van kosten die voor de regeling subsidiabel zijn. Dat betekent dat de subsidie ingezet mag worden voor alle kosten die de houder noodzakelijk acht om het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve te organiseren.

Het georganiseerde inhaal- en ondersteuningsprogramma ve dient te voldoen aan de kwaliteitseisen uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en het Besluit kwaliteit kinderopvang. Het waarborgen van de kwaliteit van het aanbod is belangrijk. Echter, de tweede beroepskracht die moet worden ingezet als de groep groter is dan acht ve-peuters hoeft niet per se een beroepskracht voorschoolse educatie te zijn, maar mag ook een andere beroepskracht of beroepskracht in opleiding zijn in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet Kinderopvang. Deze eis uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie wordt dus niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Hiervoor is gekozen om de instellingen tegemoet te komen in de uitvoerbaarheid van het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve.

Omdat het om een extra aanbod gaat buiten de reguliere voorschoolse educatie om wordt verwacht dat het niet altijd haalbaar zal zijn voor de instellingen om met dezelfde stamgroepen en vaste gezichten te werken als in het aanbod door het jaar heen. Met schriftelijke toestemming van de ouders kan het kind opgevangen worden in een andere stamgroep dan de stamgroep waar het kind normaal wordt opgevangen, zoals is geregeld in artikel 9, negende lid, Besluit kwaliteit kinderopvang. Wel is wenselijk dat er door de instelling naar wordt gestreefd om gedurende het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve zoveel als mogelijk het aanbod door dezelfde personen te laten verzorgen en om de stamgroep gedurende het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve zoveel mogelijk gelijk te houden aan de stamgroep van het reguliere aanbod.

Indien blijkt dat minder dan 85% van het geprognosticeerde aantal ve-peuters aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen dan waarvoor subsidie is verstrekt, dan moet de subsidieontvanger dat aan DUS-I melden. De subsidieontvanger moet het ook aan DUS-I melden indien het aantal klokuren per week of het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt. Voor beide meldingen kan er rechtstreeks contact opgenomen worden met DUS-I via de mail. De subsidieontvanger kan daarbij een toelichting geven.

Artikel 9. Subsidieverstrekking, betaling en verantwoording

Op uiterlijk 3 juli 2020 wordt bekend gemaakt welke subsidies voor welk bedrag worden verleend. Uiterlijk acht weken na 28 juni worden de subsidies verleend. De betaling van de subsidie geschiedt in één keer. Naar verwachting geschiedt de betaling uiterlijk in september 2020. De vaststelling vindt ambtshalve uiterlijk binnen 22 weken na 3 januari 2021 plaats (het moment waarop de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend uiterlijk zijn verricht).

De subsidie wordt naar evenredigheid lager vastgesteld indien het aantal ve-peuters dat aan het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve heeft deelgenomen, minder is dan 85% van het aantal ve-peuters waarvoor subsidie is verstrekt. In dat geval worden de activiteiten geacht niet volledig te zijn uitgevoerd, en wordt een gedeelte van de subsidie teruggevorderd.

De subsidie wordt tevens naar evenredigheid lager vastgesteld indien het aantal klokuren dan wel het aantal weken dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma ve is aangeboden minder is dan het aantal waarvoor subsidie is verstrekt. Ook in dat geval worden de activiteiten geacht niet volledig te zijn uitgevoerd, en wordt een gedeelte van de subsidie teruggevorderd. De subsidie wordt in dit geval echter alleen lager vastgesteld en terugvordering vindt alleen plaats indien het bedrag van de lagere vaststelling hoger is dan 10% van het verleende subsidiebedrag. Hiervoor is gekozen om heel veel kleine terugvorderingen met bijbehorende verwerkingskosten en administratieve lasten te voorkomen. Hierdoor wordt in de vaststelling van de subsidie rekening gehouden met kleine afwijkingen die in de uitvoering kunnen voorkomen ten opzichte van subsidieaanvraag.

Rekenvoorbeeld 1: een houder heeft subsidie aangevraagd voor een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve voor acht ve-peuters voor 16 klokuren per week voor een duur van twee weken. De aangevraagde subsidie bedraagt € 500,00 + 8 ve-peuters * 16 uren per week * € 12,00 * 2 weken = € 3.572,00. In de praktijk hebben slechts 7 ve-peuters deelgenomen. De subsidie wordt niet lager vastgesteld, aangezien meer dan 85% van het geprognotiseerde aantal ve-peuters heeft deelgenomen.

Rekenvoorbeeld 2: een houder heeft subsidie aangevraagd voor een inhaal- en ondersteuningsprogramma ve voor acht ve-peuters voor 16 klokuren per week voor een duur van twee weken. De aangevraagde subsidie bedraagt € 500,00 + 8 ve-peuters * 16 uren per week * € 12,00 * 2 weken = € 3.572,00. In de praktijk zijn slechts 10 klokuren per week aangeboden. Bij 10 klokuren per week had deze houder een subsidie verleend gekregen van € 500,00 + 8 ve-peuters * 10 uren per week * € 12,00 * 2 weken = € 2.420,00. De afwijking bedraagt € 3.572,00 - € 2.420,00 = € 1.152,00. Deze afwijking is hoger dan de drempel van 10% van het aangevraagde subsidiebedrag. De afwijking is immers hoger dan € 357,20. De subsidie wordt lager vastgesteld, namelijk op € 2.420,00.

Artikel 10 Evaluatie

Uiterlijk in 2021 wordt de subsidieregeling geëvalueerd. Deelnemende instellingen zijn verplicht om mee te werken aan dit onderzoek.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob