Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2020, 28715Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 25 mei 2020, nr. WJZ/ 20057781, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een eenmalige specifieke uitkering voor het inwinnen van extern advies ten behoeve van de Transitievisie Warmte (Regeling specifieke uitkering Extern Advies Warmtetransitie)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Expertise Centrum Warmte:

onderdeel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, dat als kenniscentrum gemeenten ondersteunt bij technische, economische en duurzaamheidsvraagstukken die zich voordoen bij de warmtetransitie van gebouwen;

Handreiking voor lokale analyse:

handreiking voor het proces om de resultaten van de Startanalyse aan te passen aan de lokale situatie;

minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

Startanalyse:

analyse gemaakt door het Planbureau voor de Leefomgeving die voor iedere gemeente op buurtniveau een indicatie van de kosten geeft voor implementatie van aardgasvrije warmtestrategieën;

Transitievisie Warmte:

gemeentelijk beleidsdocument gericht op het aardgasvrij maken van gebouwen door middel van een wijkgerichte aanpak.

Artikel 2 Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

  • 1. De minister kan op aanvraag aan een gemeente een eenmalige specifieke uitkering verstrekken voor de kosten voor het inwinnen van extern advies ten behoeve van activiteiten in het kader van de totstandkoming en uitwerking van een Transitievisie Warmte.

  • 2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten:

    • a. het interpreteren van de Startanalyse;

    • b. het verrijken van de Startanalyse, zoals omschreven in de Handreiking voor lokale analyse;

    • c. het vertalen van het beleid, dat is vastgelegd in een Transitievisie Warmte, naar een aanpak voor de uitvoering.

Artikel 3 Hoogte, plafond en verdeling

  • 1. Een specifieke uitkering bedraagt € 20.660 per gemeente.

  • 2. De minister kan per gemeente één specifieke uitkering verstrekken.

  • 3. De minister kan in totaal ten hoogste € 7.334.300 aan specifieke uitkeringen verstrekken, waarvan ten hoogste € 3.305.600 ten behoeve van het jaar 2020 en ten hoogste € 4.028.700 ten behoeve van het jaar 2021.

  • 4. De minister verdeelt het plafond, bedoeld in het derde lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 4 Aanvraag

  • 1. Een specifieke uitkering wordt op aanvraag verstrekt.

  • 2. Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend tot en met 1 juni 2021.

  • 3. Een aanvraag bevat in ieder geval:

    • a. de naam van de gemeente;

    • b. de contactgegevens van de contactpersoon bij de gemeente;

    • c. de datum van de aanvraag;

    • d. een omschrijving van de activiteit of activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarvoor extern advies ingewonnen moet worden;

    • e. de verwachte datum waarop het inwinnen van het externe advies is afgerond.

  • 4. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 5 Weigeringsgronden

Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt geweigerd, indien:

  • a. de aanvraag geen betrekking heeft op het inwinnen van extern advies voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

  • b. het externe advies is ingewonnen vóór het indienen van de aanvraag;

  • c. op voorhand duidelijk is dat niet voldaan kan worden aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 8.

Artikel 6 Verlening

Binnen 13 weken na de aanvraag neemt de minister een besluit omtrent de verlening van de specifieke uitkering.

Artikel 7. Voorschot

  • 1. Gelijktijdig met de beschikking tot verlening van de specifieke uitkering verleent de minister ambtshalve een voorschot van 100% van het in artikel 3, eerste lid, bedoelde bedrag.

  • 2. Het voorschot wordt in één keer betaald.

Artikel 8 Verplichtingen

De gemeente die op grond van deze regeling een eenmalige specifieke uitkering ontvangt:

  • a. besteedt het verleende bedrag aan de aan derden verschuldigde kosten voor extern advies;

  • b. besteedt het verleende bedrag niet aan de verschuldigde omzetbelasting die voor het verlenen van het extern advies bij de gemeente in rekening wordt gebracht;

  • c. wint het extern advies in voor 1 januari 2022;

  • d. draagt er zorg voor dat over het ingewonnen extern advies een verslag wordt opgesteld en verstrekt dit verslag binnen vier weken na opstelling daarvan aan het Expertise Centrum Warmte;

  • e. werkt mee aan een door de minister ingestelde evaluatie ten behoeve van kennisopbouw en -deling door het Expertise Centrum Warmte.

Artikel 9 Verantwoording en ambtshalve vaststelling

  • 1. De gemeente legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

  • 2. Nadat de minister de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ontvangen, stelt de minister binnen 22 weken na die ontvangst de uitkering ambtshalve vast.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2020.

Artikel 11 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering Extern Advies Warmtetransitie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 25 mei 2020

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Tot 2050 worden circa 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen in Nederland aardgasvrij gemaakt. Dat is de inzet van de ‘wijkgerichte aanpak’ voor de gebouwde omgeving, als onderdeel van het Klimaatakkoord dat het kabinet op 28 juni 2019 heeft gepresenteerd.

In het Klimaatakkoord hebben partijen, waaronder de Minister van EZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), afgesproken dat gemeenten als eerste stap in deze warmtetransitie uiterlijk eind 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) vaststellen. Een TVW is een gemeentelijk beleidsdocument, waarin een gemeente het strategisch beleid voor het aardgas vrij maken van wijken schetst en globaal het tijdspad geeft waarmee de gemeente wijk voor wijk aardgasvrij wil worden. Op basis van de TVW maken gemeenten per wijk een uitvoeringsplan, waarin het beleid uit de TVW wordt uitgewerkt ten behoeve van de uitvoering.

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten bij het voorbereiden, opstellen en uitwerken van de TVW worden ondersteund door het Expertise Centrum Warmte (ECW). Het ECW is ondergebracht bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland onder eindverantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Het ECW is een kenniscentrum, dat gemeenten ondersteunt bij technische, economische, juridische en duurzaamheids-vraagstukken die zich voordoen bij de voorbereiding en de uitvoering van een TVW. Het ECW ontwikkelt hulpmiddelen, zoals een leidraad en factsheets, organiseert informatiebijeenkomsten en beschikt over een telefonische helpdesk die gemeenten helpt bij specifieke vragen over de (aanpak van de) warmtetransitie.

2. Doel van deze regeling

In een TVW legt een gemeente beleidskeuzes voor het aardgasvrij maken van gebouwen en woningen vast. Voor het opstellen en uitwerken van een TVW hebben gemeenten behoefte aan specifieke technisch-economische kennis waarover zij vaak zelf (nog) niet beschikken. De warmtetransitie is voor gemeenten immers een relatief nieuw beleidsterrein en de TVW is een nieuw beleidsinstrument. Veel gemeenten zullen voor de kennis die nodig is voor het opstellen en het uitwerken van de TVW een beroep willen doen op een externe adviseur. Het doel van deze regeling is om gemeenten daarin te faciliteren.

Op basis van deze regeling kan een gemeente in aanmerking komen voor een eenmalige specifieke uitkering voor het inwinnen van extern advies ten behoeve van werkzaamheden die moeten worden verricht bij de totstandkoming en de uitwerking van de TVW. Het betreft activiteiten waarvoor in veel gevallen specialistische kennis is vereist waarover gemeenten vaak zelf (nog) niet beschikken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om kennis die nodig is voor het verzamelen en verwerken van technisch-economische gegevens, het analyseren van data met behulp van (reken)modellen en het toepassen van een afwegingskader om tot een prioritering te komen voor de uitvoering.

Een externe adviseur kan een gemeente ondersteunen bij het uitvoeren van (een deel van) deze activiteiten. Hiermee draagt deze regeling bij aan twee doelen. Het inschakelen van externe adviseurs zal ten eerste een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van de TVW’s, die dienen als beleidsmatige basis voor het realiseren van de warmtetransitie. Ten tweede zullen gemeenten leren van de door de adviseurs toegepaste kennis en werkwijzen. Deze leerervaring zorgt ervoor dat gemeenten in het vervolgproces van de warmtetransitie minder afhankelijk zijn van externe adviseurs.

Een gemeente kan op basis van deze regeling in aanmerking komen voor een eenmalige specifieke uitkering voor kosten voor ingewonnen extern advies, gemaakt voor 1 januari 2022.

3. Het externe advies

Op grond van deze regeling kan een gemeente een eenmalige specifieke uitkering aanvragen voor het inwinnen van extern advies ten behoeve van drie activiteiten in het kader van de totstandkoming en uitwerking van de TVW. In deze paragraaf worden de drie activiteiten toegelicht.

A: Het interpreteren van de Startanalyse

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft voor iedere gemeente een Startanalyse opgesteld. De Startanalyse is een technisch-economische analyse om voor elke buurt of wijk een eerste globale selectie te kunnen maken in de kansrijke aardgasvrije strategieën. Een aardgasvrije strategie bestaat uit maatregelen die gericht zijn op vermindering van de warmtevraag (isolatie) en op het aanleggen, aanpassen of verzwaren van een energie-infrastructuur waarmee gebouwen duurzaam verwarmd kunnen worden. Voor een buurt of wijk kunnen uit de Startanalyse meerdere kansrijke aardgasvrije strategieën naar voren komen.

De resultaten van de Startanalyse worden per gemeente gepubliceerd in een online viewer en tabellen met data. De rekenmethodes en strategieën worden in een gemeenterapport toegelicht. Aanvullend op het gemeenterapport wordt ook een datapakket verstrekt. Met dit datapakket kan een gemeente aanvullende analyses maken met behulp van rekenmodellen of GIS-tools.

Het gemeenterapport, de achtergronddocumentatie en de online viewer zijn bedoeld om resultaten van de Startanalyse inzichtelijk te maken. Toch kan het voorkomen dat een gemeente niet over de kennis beschikt om de resultaten van de Startanalyse te analyseren, daaruit conclusies te trekken en vervolgacties te bepalen. In dat geval zal een gemeente een beroep willen doen op een externe adviseur die ervaring heeft met de interpretatie van het gebruikte rekenmodel Vesta MAIS.

Deze externe adviseur kan voor een gemeente de interpretatie van de resultaten van de Startanalyse uitvoeren of daarin ondersteunen. Het gaat daarbij onder meer om het beoordelen van de robuustheid van de resultaten van de Startanalyse en om het maken van een eerste schifting in haalbare en onhaalbare aardgasvrije strategieën. Daarnaast is in sommige gevallen advies nodig over de omgang met de schaarste van en onzekerheden rondom groen gas en waterstof in de gebouwde omgeving. Ook kan het nodig zijn om te laten beoordelen hoe de resultaten van de Startanalyse zich verhouden tot modelberekeningen die een gemeente eerder heeft uitgevoerd of heeft laten uitvoeren.

B: Het verrijken van de resultaten van de Startanalyse

Om per wijk of buurt een goede afweging te kunnen maken van de kansrijke aardgasvrije strategieën en een verstandig tijdspad voor de uitvoering te kunnen bepalen, dient de Startanalyse te worden geverifieerd en waar nodig bijgesteld te worden aan de hand van de lokale situatie. De resultaten van de Startanalyse worden in dat geval aangevuld met lokale data, zodat de technisch-economische afweging van de strategieën die uit de Startanalyse naar voren is gekomen, beter aansluit op de lokale werkelijkheid. Dit wordt het verrijken van de Startanalyse genoemd.

Gemeenten kunnen voor het verrijken van de Startanalyse gebruik maken van de ‘Handreiking voor lokale analyse’ (hierna: de Handreiking) die door het ECW is ontwikkeld. Deze Handreiking is beschikbaar op de website van het ECW (www.expertisecentrumwarmte.nl).

Door het verrijken van de Startanalyse met lokale data kan een gemeente zelf in kaart brengen welke aardgasvrije strategieën per buurt of wijk realistisch zijn en wat een verstandige wijkvolgorde is voor het aardgasvrij maken van de gemeente. De Handreiking structureert het stapsgewijze proces dat een gemeente daarvoor kan doorlopen. De Handreiking onderscheidt twee sporen voor deze verrijking. Het eerste spoor heeft betrekking op het WAT: In dit spoor wordt bepaald met welke strategieën de buurten of wijken van een gemeente aardgasvrij kunnen worden gemaakt. Het tweede spoor betreft het WANNEER. In dit spoor wordt bepaald wat een verstandig moment is om een buurt of wijk aardgasvrij te maken.

Deze twee sporen hangen met elkaar samen en geven in gezamenlijkheid inzicht om te komen tot een keuze van wijken die voor 2030 van het aardgas af gaan en welke aardgasvrije strategie of strategieën daarvoor kansrijk zijn.

Voor het eerste spoor (het WAT) beschrijft de Handreiking dat lokale data kan worden verzameld bij stakeholders. Stakeholders zijn o.a. de netbeheerders, vastgoedbeheerders en drinkwaterbedrijven. De data die bij deze stakeholders wordt opgehaald wordt vergeleken met de uitgangspunten die het PBL heeft gehanteerd voor de Startanalyse. Wanneer de opgehaalde data afwijkt van deze uitgangspunten, kan de Startanalyse daarop worden aangepast en opnieuw worden doorgerekend. Ook kan de lokale data door (of in opdracht van) een gemeente kwalitatief of kwantitatief worden geanalyseerd door middel van een geschikt rekenmodel.

Het tweede spoor heeft betrekking op het bepalen van het tijdspad waarop wijken tot 2050 aardgasvrij worden gemaakt (het WANNEER). De Handreiking beschrijft (prioriteits)criteria die een gemeente betrekt bij het bepalen van dit tijdspad. Een gemeente bepaalt op basis van beschikbare informatie over een wijk welke criteria prioriteit hebben. Op basis van de criteria wordt door een gemeente een afweging gemaakt. De Handreiking beschrijft dat deze afweging kan worden gemaakt op basis van een model, bijvoorbeeld een wegingskader.

Vervolgens kan in overleg met de betrokken stakeholders per wijk één of meerdere aardgasvrije strategieën worden gekozen en een tijdpad worden uitgestippeld om wijken stapsgewijs aardgasvrij te maken. Het resulterende beleid en de onderbouwing daarvan worden door de gemeente vastgelegd in de TVW.

Voor het uitvoeren van de activiteiten in het kader van het WAT- en het WANNEER-spoor is specialistische kennis vereist. Het kwantitatief analyseren van de lokale data in een rekenmodel, vraagt bijvoorbeeld specialistische kennis over het te hanteren rekenmodel en de afweging van kosten en baten van de warmtestrategieën. Maar ook het wegen van de prioriteitscriteria en het onderbouwen van de beleidskeuzes die een gemeente vastlegt in de TVW kan om specialistische kennis vragen. Als deze kennis (nog) niet beschikbaar is binnen de gemeentelijke organisatie, dan zal een gemeente daarvoor een beroep willen doen op een externe adviseur.

C: Het vertalen van het beleid, dat is vastgelegd in een TVW naar een aanpak voor de uitvoering

Nadat het beleid is vastgelegd in een TVW, vindt het proces plaats van uitwerking en uitvoering van deze TVW. In het kader van de uitwerking vindt een nadere technisch-economische analyse plaats op wijk- of buurtniveau om van de aardgasvrije strategieën die zijn vastgelegd in de TVW tot een definitieve keuze te komen voor de duurzame warmtevoorziening in een wijk. Ook de mogelijkheden om andere ambities op andere beleidsterreinen mee te nemen in de uitvoering (zogenaamde meekoppelkansen) worden bij de uitwerking meegenomen. Een gemeente legt het gekozen aardgasvrije alternatief, de activiteiten die nodig zijn om dat alternatief te verwezenlijken en een planning voor de uitvoering vast in een uitvoeringsplan voor een wijk. Bij het uitwerken wordt ook overwogen of het voor de uitvoering van de beleidskeuzes nodig is om juridisch bindende instrumenten in te zetten, bijvoorbeeld het bestemmingsplan, een verordening of – na inwerkingtreding van de Omgevingswet – het Omgevingsplan.

Ook voor deze fase kan een gemeente een beroep willen doen op een externe adviseur. Daarbij kan het gaan om vraagstukken die spelen ten aanzien van het meekoppelen van ambities op andere beleidsterreinen, het opstellen van een realistische planning en de afwegingen die een gemeente maakt over de beschikbare (juridische en financiële) instrumenten om het uitvoeringsplan te realiseren.

4. Uitvoeringslasten en gemeentelijke lasten

De regeling zal namens de minister worden uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Een aanvraag kan worden gedaan via een digitaal portaal.

De administratieve lasten voor een gemeente als gevolg van deze regeling worden bepaald door het indienen van een aanvraag, het opstellen van een verslag (artikel 8, onderdeel c), het deelnemen aan de (telefonische) evaluatie (artikel 8, onderdeel d) en de sisa-verantwoording. Om de administratieve lasten voor de gemeenten laag te houden en de uitvoeringslast voor RVO te beperken, is gekozen voor een vast bedrag: de eenmalige specifieke uitkering voor een gemeente bedraagt 20.660 euro. Dit bedrag is exclusief btw. De verschuldigde btw kan een gemeente via het BTW-compensatiefonds vergoed krijgen.

De uitvoeringslasten voor gemeenten worden verder beperkt door voor de verantwoording over de besteding van de uitkering aan te sluiten bij het systeem van single information single audit (sisa), zoals opgenomen in artikel 17a, van de Financiële-verhoudingswet. De sisa-verantwoordingswijze sluit aan bij het reguliere jaarrekeningproces van de gemeente.

5. Subsidietitel Awb

Ingevolge artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de subsidietitel van de Awb niet van toepassing op subsidies die worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Omdat deze regeling gebaseerd is op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies is, gelet op artikel 3, vierde lid, van deze Kaderwet, deze subsidietitel wel van toepassing op de specifieke uitkeringen die op grond van deze regeling aan gemeenten worden verstrekt.

6. Artikelsgewijs

Artikel 1

Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen.

Handreiking voor lokale analyse

De Handreiking voor lokale analyse is een door het ECW ontwikkeld document met werkwijzen en tips om gemeenten te ondersteunen bij het verrijken van de Startanalyse met lokale data. Voor een nadere toelichting over de Handreiking wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting. De Handreiking is beschikbaar op de website van het ECW.

Startanalyse

De Startanalyse is een door het PBL uitgevoerde technisch-economische analyse op basis waarvan voor iedere buurt een eerste globale selectie kan worden gemaakt in de aardgasvrije strategieën die voor een buurt kansrijk kunnen zijn.

Op de website van het ECW is meer informatie beschikbaar over de Startanalyse en de aardgasvrije strategieën.

Artikel 2

Dit artikel regelt dat gemeenten een eenmalige specifieke uitkering aan kunnen vragen voor de kosten voor het inwinnen van extern advies voor drie activiteiten die worden verricht voor het opstellen en het uitwerken van de TVW. Voor een toelichting over deze activiteiten wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemene deel van deze toelichting.

Artikel 3

De eenmalige specifieke uitkering bedraagt 20.660 euro per gemeente. Dit is een vast bedrag. Deze uitkering wordt besteed voor de kosten die een gemeente maakt voor het inwinnen van extern advies. Over het inwinnen van extern advies is een gemeente btw verschuldigd. Over een adviesopdracht van 20.660 euro wordt 4.340 euro aan btw bij een gemeente in rekening gebracht. Deze verschuldigde btw kan een gemeente via het BTW-compensatiefonds vergoed krijgen. Inclusief deze vergoeding op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds gaat het derhalve om een bedrag van 25.000 euro.

Een bedrag van 25.000 euro is naar verwachting voldoende om advies bij een gekwalificeerde externe adviseur in te kunnen winnen. Bovendien maakt de hoogte van dit bedrag in combinatie met de lage administratieve lasten voor gemeenten om een aanvraag in te dienen, het voor gemeenten aantrekkelijk genoeg een specifieke uitkering aan te vragen.

De minister kan op grond van deze regeling aan een gemeente maximaal één specifieke uitkering verstrekken. Indien alle gemeenten een beroep doen op deze regeling, dan wordt in totaal een bedrag van 7.334.300 euro aan specifieke uitkeringen verstrekt, waarvan 3.305.600 euro in 2020 en 4.028.700 euro in 2021. Deze bedragen zijn als plafond in artikel 3, derde lid, vastgelegd.

Artikel 4

Specifieke uitkeringen worden alleen op aanvraag verstrekt. Een aanvraag kan worden ingediend tot en met 1 juni 2021.

Een aanvraag voor een specifieke uitkering dient naast de gegevens van de aanvrager en de datum van de aanvraag, een omschrijving op hoofdlijnen te bevatten van de activiteiten waarvoor extern advies wordt ingewonnen en de datum waarop het adviestraject naar verwachting is afgerond.

De aanvraag kan worden ingediend op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Voorafgaand aan het indienen van de aanvraag kan een gemeente eerst een telefonisch startgesprek voeren met het ECW. Het voeren van dit startgesprek is geen vereiste voor het indienen van de aanvraag, maar wordt wel aanbevolen. Het kan er toe bijdragen dat een gemeente direct een volledige aanvraag indient. Het ECW kan een gemeente ook behulpzaam zijn bij het formuleren van vragen die aan een externe adviseur worden voorgelegd.

Artikel 5 Weigeringsgronden

In artikel 5 is bepaald in welke gevallen de aanvraag wordt geweigerd.

Omdat het niet wenselijk is dat uitkeringen worden verstrekt voor reeds verleende adviezen wordt een aanvraag op grond van onderdeel b geweigerd indien het externe advies door de gemeente is ingewonnen voordat de aanvraag voor de specifieke uitkering is ingediend. Dit is het geval als de activiteiten waarvoor het externe advies wordt ingewonnen, reeds zijn uitgevoerd.

Artikel 6 en 7 Verlening en voorschot

Wanneer de aanvraag voldoet aan de voorwaarden in deze regeling wordt een eenmalige specifieke uitkering van 20.660 euro verstrekt. Gemeenten ontvangen na het besluit omtrent de verlening een voorschot van 100%. Het voorschot wordt in één keer uitbetaald.

Artikel 8

Voor een gemeente die op grond van deze regeling een specifieke uitkering ontvangt, geldt een aantal verplichtingen:

Onderdeel a bepaalt dat de uitkering besteed moet worden aan de aan derden verschuldigde kosten voor extern advies. Er dient derhalve een opdracht te worden verstrekt aan een externe adviseur voor het inwinnen van advies. De uitkering kan niet gebruikt worden ter dekking van loonkosten van de gemeente.

In onderdeel b is bepaald dat de uitkering niet mag worden aangewend om de omzetbelasting (btw) die een externe adviseur in rekening brengt bij de gemeente, te bekostigen. Op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds kan een gemeente de verschuldigde btw vergoed krijgen.

In onderdeel d is bepaald dat een gemeente die een specifieke uitkering ontvangt over het verleende externe advies een verslag opstelt en dit verslag binnen vier weken aan het ECW verstrekt. Indien door de externe adviseur een rapport wordt opgesteld in het kader van de adviesopdracht, dan kan dit rapport dienen als het vereiste verslag.

Onderdeel e bepaalt dat een gemeente meewerkt aan een evaluatie. Deze evaluatie wordt door het ECW uitgevoerd en bestaat uit een kort (telefoon)gesprek met de contactpersoon van de gemeente, waarin het verkregen externe advies wordt besproken en ook wordt ingegaan op de kennis die bij een gemeente is opgedaan, dan wel bij een gemeente nog ontbreekt.

Door het verstrekken van verslagen aan het ECW (onderdeel d) en de evaluatiegesprekken (onderdeel e) krijgt het ECW een goed beeld van de kennisvragen die bij gemeenten leven, de externe adviezen die zijn ingewonnen en de leerervaringen die gemeenten hebben opgedaan met deze adviezen. Deze informatie is voor het ECW van belang om de kennisontwikkeling en -deling door het ECW goed aan te laten sluiten bij de vraagstukken die zich in de praktijk voordoen.

Artikel 9 Verantwoording en ambtshalve vaststelling

Voor de verantwoording wordt aangesloten bij het systeem van single information single audit (sisa), zoals opgenomen in artikel 17a, van de Financiële-verhoudingswet. Gemeenten leggen met dit systeem verantwoording af over de besteding van de uitkering. Indien in deze verantwoording wordt gemeld dat de besteding van de uitkering is afgerond, neemt de minister na ontvangst ervan ambtshalve een besluit over de vaststelling van de uitkering.

Uit artikel 4:46, eerste lid, van de Awb volgt dat in het normale geval, waarin het externe advies is verleend zoals voorzien en de ontvanger van de uitkering aan zijn verplichtingen heeft voldaan, de eenmalige uitkering overeenkomstig de verlening moet worden vastgesteld.

In artikel 4:46, tweede lid, van de Awb zijn de gevallen aangegeven waarin de minister kan besluiten om niet over te gaan tot het vaststellen van de eenmalige uitkering overeenkomstig de verlening. In deze gevallen kan de minister de uitkering lager vaststellen. Dit kan ook betekenen dat de uitkering op nihil wordt vastgesteld.

Artikel 4:57 van de Awb biedt een grondslag om onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes