Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
overigStaatscourant 2020, 2841Interne regelingen

Wijziging van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden met het oog op het gebruik van de G-pas en de uitbreiding van zaaksoorten waarin digitaal geprocedeerd wordt in strafzaken en in verband met het tijdstip waarop in strafzaken uitspraak wordt gedaan

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

(...)

  • 1.2.1 Uitspraken van de civiele kamer en de belastingkamer worden in de regel gedaan op vrijdag om 10.00 uur. Uitspraken van de strafkamer worden in de regel gedaan op dinsdag om 12.30 uur.

(...)

HOOFDSTUK 4 STRAFZAKEN

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

4.1.1 Reikwijdte
  • 4.1.1.1 Dit hoofdstuk heeft betrekking op de wijze van procederen en de voortgang van het geding in alle zaken waarvan de tweede meervoudige kamer (strafkamer) van de Hoge Raad kennisneemt.

4.1.2 Onvoorziene gevallen
  • 4.1.2.1 In alle gevallen waarop dit hoofdstuk betrekking heeft en waarin dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, overeenkomstig de eisen van een goede procesorde, zo mogelijk nadat de betrokken partij(en) in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken.

Paragraaf 4.2 Gebruik van het webportaal van de Hoge Raad in strafzaken

  • 4.2.1 De tweede meervoudige kamer van de Hoge Raad bepaalt, in overeenstemming met de procureur-generaal, in welke zaken de mogelijkheid digitaal te procederen is opengesteld en welke procesdeelnemers in die zaken de mogelijkheid hebben gebruik te maken van het webportaal van de Hoge Raad.

  • 4.2.2 Dit besluit wordt bekend gemaakt op de website van de Hoge Raad.

  • 4.2.3 Tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer in een bepaald geval anders heeft beslist, kan een door een advocaat te verrichten proceshandeling in het webportaal feitelijk ook worden verricht door een gemachtigde van de advocaat, mits deze gemachtigde beschikt over een inlogmiddel als bedoeld in 2.1.1.f.

  • 4.2.4 Tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer in een bepaald geval anders heeft beslist, wordt een proceshandeling in het webportaal, die feitelijk is verricht door een gemachtigde van een advocaat, geacht te zijn verricht door de advocaat die de machtiging heeft verleend.

  • 4.2.5 Indien een procesdeelnemer in een zaak gebruik maakt van de mogelijkheid digitaal te procederen, verricht hij in die zaak vanaf dat moment alle proceshandelingen, waaronder het indienen van stukken en verzoeken, uitsluitend in het webportaal. Van digitaal procederen in deze zin is sprake indien en vanaf het moment dat een (gemachtigde van een) procesdeelnemer in de desbetreffende zaak een bericht en/of document heeft geplaatst in het webportaal.

  • 4.2.6 Indien een procesdeelnemer digitaal procedeert, vindt toezending van (afschriften van) processtukken, alsmede kennisgeving van beslissingen, aan deze procesdeelnemer uitsluitend plaats door het plaatsen van (afschriften van) deze documenten in het webportaal. Als de datum en het tijdstip waarop een (afschrift van) een processtuk of de kennisgeving van een beslissing aan een procesdeelnemer is verzonden, gelden de datum en het tijdstip waarop een (afschrift) van dat document wordt geplaatst in het webportaal.

  • 4.2.7 Verricht een (gemachtigde van een) procesdeelnemer die digitaal procedeert een proceshandeling niet in het webportaal maar op de voor procesdeelnemers die niet digitaal procederen voorgeschreven wijze, dan wordt de procesdeelnemer de gelegenheid geboden tot herstel van zijn verzuim van de in artikel 4.2.3 genoemde verplichting binnen een daartoe door de rolraadsheer gestelde termijn.

  • 4.2.8 Van het bepaalde in artikel 4.2.3 tot en met 4.2.5 kan in bijzondere gevallen op verzoek van de betrokken procesdeelnemer of ambtshalve door de rolraadsheer worden afgeweken.

  • 4.2.9 Waar ingevolge een wettelijke regeling of ingevolge dit reglement een proceshandeling schriftelijk dient te geschieden, wordt ingeval een procesdeelnemer digitaal procedeert aan deze verplichting voldaan door plaatsing van een bericht en/of document in het webportaal, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift of door de rolraadsheer anders is bepaald.

  • 4.2.10 Een bericht of document dat door een procesdeelnemer in het webportaal is geplaatst, geldt als ondertekend door deze procesdeelnemer. Is deze procesdeelnemer een gemachtigde die niet de hoedanigheid van advocaat heeft, dan dient het bericht of document te zijn voorzien van de handtekening van een advocaat, indien en voor zover bij of krachtens de wet of ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad of dit reglement ondertekening door een advocaat is vereist.

  • 4.2.11 Als tijdstip waarop een bericht of document door de Hoge Raad is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht of document het webportaal heeft bereikt. Dit tijdstip wordt vermeld in de in artikel 2.3.7 genoemde ontvangstbevestiging.

  • 4.2.12 Wordt een proceshandeling verricht na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn en is de procesdeelnemer van oordeel dat deze termijnoverschrijding het verontschuldigbare gevolg is van een technische verstoring, dan dient hij dit ten tijde van de verrichting van de proceshandeling uitdrukkelijk kenbaar te maken.

Paragraaf 4.3 Verloop van de procedure

4.3.1 Roldatum en rolbeslissingen
  • 4.3.1.1 De rolzitting van de enkelvoudige strafkamer wordt gehouden op de in paragraaf 1.2 bedoelde dagen.

  • 4.3.1.2 Alle beslissingen worden mondeling ter rolzitting genomen, tenzij hierna anders is bepaald of de rolraadsheer op verzoek van de procureur-generaal, van partijen of ambtshalve besluit dat een beslissing schriftelijk zal worden genomen. De rolraadsheer kan, indien dat hem geraden voorkomt, zaken verwijzen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling en beslissing door deze kamer.

  • 4.3.1.3 Een partij mag zich ter voorbereiding van een rolbeslissing tevoren via het webportaal dan wel schriftelijk tot de rolraadsheer wenden, mits zij – indien zij niet digitaal procedeert – tegelijkertijd een afschrift van haar brief toestuurt aan de procureur-generaal.

4.3.2 Aanbrengen van de zaak en doorhaling op de rol
  • 4.3.2.1 Alle zaken waarin beroep in cassatie is ingesteld, worden nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, op de rol ingeschreven.

  • 4.3.2.2 Na intrekking van het cassatieberoep wordt de zaak doorgehaald op de rol. Het cassatieberoep kan worden ingetrokken totdat de zaak op de terechtzitting van de strafkamer als bedoeld in artikel 438, eerste lid, Sv in behandeling is genomen. Indien de procureur-generaal niet op die zitting op de voet van artikel 439, eerste lid, Sv zijn conclusie heeft genomen kan het cassatieberoep – in afwijking van de tweede volzin – worden ingetrokken totdat de procureur-generaal op een latere zitting zijn conclusie heeft genomen.

4.3.3 Indienen van cassatiemiddelen
  • 4.3.3.1 Middelen van cassatie worden voorgesteld bij schriftuur.

  • 4.3.3.2 De schriftuur bevat de gegevens van de zaak waarop zij betrekking heeft, te weten de instantie door welke, de datum waarop en het zaaknummer waaronder, alsmede de naam van degene in wiens zaak de bestreden beslissing is gegeven.

  • 4.3.3.3 Indien een procesdeelnemer digitaal procedeert, geschiedt de indiening van de schriftuur door plaatsing in het webportaal. Wordt niet digitaal geprocedeerd, dan geschiedt de indiening van de schriftuur hetzij door inlevering bij de centrale balie, hetzij door verzending per post of koeriersdienst, hetzij door verzending via de fax (mits gevolgd door inlevering of verzending van het originele exemplaar). Een schriftuur die langs elektronische weg maar niet in het webportaal (bijvoorbeeld: per e-mail) is ingediend, wordt niet in behandeling genomen.

  • 4.3.3.4 De schriftuur van een advocaat dient de verklaring te bevatten dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door degene namens wie hij optreedt. Bij verzuim de hiervoor bedoelde verklaring af te leggen, stelt de rolraadsheer de advocaat in de gelegenheid tot het alsnog afleggen van die verklaring binnen een daartoe te stellen termijn.

  • 4.3.3.5 De schriftuur dient te zijn ondertekend door degene die haar indient. Bij verzuim hiervan wordt de indiener de gelegenheid geboden tot herstel van het verzuim binnen een daartoe te stellen termijn. Artikel 4.2.8 is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.3.3.6 Een in het webportaal geplaatste schriftuur geldt als tijdig ingediend indien deze op de laatst mogelijke dag van de voor indiening in de wet bepaalde termijn, maar voor 24.00 uur, het webportaal heeft bereikt. In andere gevallen geldt dat een schriftuur die is ingekomen op de laatst mogelijke dag maar na sluiting van de centrale balie om 16.30 uur, wordt geacht te laat te zijn ingediend, met dien verstande dat een per fax verzonden schriftuur die ter griffie van de Hoge Raad is begonnen binnen te komen vóór 24.00 uur op de laatste dag van de geldende termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingediend.

4.3.4 Benadeelde partij
  • 4.3.4.1 Aan de benadeelde partij wordt een afschrift verzonden van de schriftuur van de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, indien deze betrekking heeft op de vordering van de benadeelde partij en zij wordt door de griffier gewezen op haar bevoegdheid binnen dertig dagen na de verzending van dat afschrift door tussenkomst van een advocaat een verweerschrift in te dienen. Aan de partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt een afschrift van de schriftuur van de benadeelde partij verzonden.

4.3.5 Slachtoffer
  • 4.3.5.1 Van elk ingesteld en ingetrokken beroep in cassatie wordt binnen veertien dagen nadat dit beroep is ingesteld onderscheidenlijk ingetrokken, kennisgegeven aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht.

  • 4.3.5.2 Aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht wordt mededeling gedaan van de dag, het tijdstip en de plaats waar het in 4.3.9 bedoelde pleidooi wordt gehouden, alsmede van de zitting waar de uitspraak wordt gedaan.

4.3.6 Toezending en inzage stukken
  • 4.3.6.1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.8 wordt ten behoeve van de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken die digitaal procedeert, onder wie begrepen de advocaat van de benadeelde partij, een afschrift in het webportaal geplaatst van de kernstukken – dat zijn de rechterlijke beslissingen en de processen-verbaal van de zittingen in de feitelijke instantie(s) – alsmede van andere afzonderlijk gevraagde processtukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich daartegen verzet. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken.

  • 4.3.6.2 Aan de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een ingesteld beroep wil tegenspreken die niet digitaal procedeert, waaronder begrepen de advocaat van de benadeelde partij, wordt op diens schriftelijk verzoek door de griffie per post een afschrift gezonden van de in artikel 4.3.6.1 genoemde stukken behoudens indien (a) hij daarvan reeds in het bezit is, of (b) de omvang van het gevraagde zich daartegen verzet. In dat laatste geval wordt de raadsman gewezen op zijn bevoegdheid tot het nemen van inzage in de stukken.

  • 4.3.6.3 Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in artikel 437, tweede lid, Sv onderscheidenlijk artikel 447, vijfde lid, Sv genoemde termijn een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer. Indien hij digitaal procedeert, wordt het verzoek gedaan door plaatsing ervan in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, geschiedt dit verzoek schriftelijk.

  • 4.3.6.4 Als raadsman in de zin van de voorgaande bepalingen wordt uitsluitend aangemerkt de advocaat die van zijn optreden kennis heeft gegeven aan de griffier, dan wel aan de griffier heeft medegedeeld dat hij als aangewezen raadsman optreedt. Ingeval hij digitaal procedeert, geschiedt deze kennisgeving bij wijze zoals voorzien in het webportaal. Indien hij niet digitaal procedeert, dient het kennisgeven schriftelijk te geschieden bij aan de griffier van de Hoge Raad gericht separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven – door vermelding van de naam van degene aan wie bijstand wordt verleend, het parketnummer en, voor zover bekend, het zaaknummer van de Hoge Raad – op welke zaak het optreden betrekking heeft.

4.3.7 Verlenging termijnen
  • 4.3.7.1 Een verzoek om verlenging van een door de wet of de rolraadsheer gestelde termijn moet worden gemotiveerd en dient binnen die termijn – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – in het webportaal te worden geplaatst. Indien de betrokken procesdeelnemer niet digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het verzoek schriftelijk – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – aan de rolraadsheer.

  • 4.3.7.2 Het verzoek wordt in ieder geval afgewezen, indien:

    • a. het niet is gemotiveerd,

    • b. het na het verstrijken van de termijn is ontvangen, of

    • c. de wet verlenging van de termijn niet toestaat.

  • 4.3.7.3 Een volgend verzoek om verlenging met betrekking tot dezelfde aangelegenheid wordt niet toegewezen.

  • 4.3.7.4 Op het verzoek om verlenging wordt binnen één week na de ontvangst beslist. De beslissing wordt aan de verzoeker en bij toewijzing zo nodig ook aan de andere partijen medegedeeld.

  • 4.3.7.5 Van het voorgaande kan in bijzondere gevallen door de rolraadsheer worden afgeweken.

4.3.8 Toepassing van artikel 80a RO
  • 4.3.8.1 Nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen wordt, in beginsel aan de hand van de cassatieschriftuur en de voor de beoordeling daarvan relevante gedingstukken, onderzocht of de betrokken zaak in aanmerking komt voor toepassing van artikel 80a RO. Daartoe worden de stukken aan de procureur-generaal ter hand gesteld. De procureur-generaal heeft tenminste twee weken de gelegenheid zich te beraden op het bepalen van een standpunt met betrekking tot de toepassing van artikel 80a RO. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat artikel 80a RO niet voor toepassing in aanmerking komt, neemt hij een op schrift gestelde conclusie.

  • 4.3.8.2 Ingeval de procureur-generaal afziet van het innemen van een standpunt beslist de meervoudige kamer over de toepassing van artikel 80a RO.

  • 4.3.8.3 De beslissing over het toepassing geven aan artikel 80a RO wordt ter rolzitting uitgesproken.

4.3.9 Toelichting en tegenspraak
  • 4.3.9.1 Het beroep en/of de middelen kunnen schriftelijk of mondeling (hierna: het pleidooi) worden toegelicht.

  • 4.3.9.2 Een schriftelijke toelichting kan ter rolzitting worden overgelegd dan wel tot aan de dag voor de rolzitting worden ingediend overeenkomstig hetgeen in 4.3.3 is bepaald.

  • 4.3.9.3 Voor het houden van een pleidooi moet op de dag van indiening van de schriftuur een afzonderlijk (gemotiveerd) verzoek worden gedaan bij de rolraadsheer. Na zo een verzoek wijst de griffier de procesdeelnemer op zijn bevoegdheid tot het overleggen van een schriftelijke toelichting. Indien de betrokken procesdeelnemer digitaal procedeert, wordt het verzoek gedaan door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. Indien de betrokken procesdeelnemer niet digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het verzoek schriftelijk – separaat van de schriftuur of enig ander stuk – aan de rolraadsheer.

  • 4.3.9.4 Behoudens ingeval de gronden waarop het verzoek steunt ongenoegzaam zijn, stelt de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, na overleg met de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi zou moeten worden gehouden, een zitting vast voor het pleidooi.

  • 4.3.9.5 Voor het pleidooi wordt ten hoogste 20 minuten gereserveerd. Indien de verwachting bestaat dat meer tijd nodig is, dient daartoe uiterlijk een week voor de datum van het pleidooi toestemming te worden gevraagd aan de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi wordt gehouden.

  • 4.3.9.6 Het bepaalde in artikel 4.3.9.1 tot en met artikel 4.3.9.5 geldt ook voor het geval de raadsman het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep wil tegenspreken.

4.3.10 Conclusie van de procureur-generaal
  • 4.3.10.1 Na de afronding van de schriftelijke procedure of na het pleidooi wordt de datum bepaald voor de conclusie van de procureur-generaal. Aan de procesdeelnemer die digitaal procedeert, geschiedt de in artikel 439, derde lid, Sv bedoelde toezending van een afschrift van de conclusie door plaatsing ervan in het webportaal. Ingeval een afschrift van de conclusie (een schriftelijk standpunt daaronder begrepen) van de procureur-generaal per post is toegezonden, kan de in artikel 439, vijfde lid, Sv genoemde procesdeelnemer binnen twee weken na de dag waarop dat afschrift is verzonden, schriftelijk commentaar op de conclusie geven. Indien de procesdeelnemer digitaal procedeert, geschiedt de indiening van het schriftelijk commentaar door plaatsing ervan in het webportaal. Procedeert de procesdeelnemer niet digitaal, dan geeft hij zijn schriftelijk commentaar op de conclusie bij brief gericht aan de voorzitter van de strafkamer.

  • 4.3.10.2 Artikel 4.3.3.4 is op de indiening van het schriftelijk commentaar op de conclusie van overeenkomstige toepassing.

4.3.11 Uitspraak
  • 4.3.11.1 Op de terechtzitting waarop de conclusie van de procureur-generaal wordt genomen, bepaalt de rolraadsheer de datum waarop uitspraak zal worden gedaan en verwijst hij de zaak naar de meervoudige kamer.

  • 4.3.11.2 Indien de Hoge Raad niet op de vastgestelde datum uitspraak doet, wordt hiervan mededeling gedaan aan de betrokken partij(en) alsook aan het slachtoffer dat daarom heeft verzocht. Daarbij wordt tevens de nieuwe uitspraakdatum medegedeeld.

  • 4.3.11.3 Onverminderd het bepaalde in artikel 444 Sv wordt ten behoeve van de procesdeelnemer die in een zaak digitaal procedeert, een afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad in het webportaal geplaatst.

4.3.12 Procedure na prejudiciële beslissing
  • 4.3.12.1 Indien de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt, schorst hij het geding. Het geding wordt na de beantwoording van de prejudiciële vragen hervat. Op de daartoe bepaalde rolzitting wordt desgevraagd een datum bepaald voor het indienen van opmerkingen. Indien wordt afgezien van het indienen van schriftelijke opmerkingen, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een (nadere) conclusie door de procureur-generaal.

4.3.13 Procedure in herzieningszaken
  • 4.3.13.1 De Hoge Raad slaat geen acht op een aanvullende herzieningsaanvraag noch op een verzoek tot het verrichten van (nader) onderzoek of het inwinnen van advies als bedoeld in artikel 465, vijfde lid, Sv alvorens op de initiële herzieningsaanvraag is beslist, tenzij de Hoge Raad beslist dat de aanvullende aanvraag bij de behandeling van de zaak kan worden betrokken.

  • 4.3.13.2 De raadsman die de herzieningsaanvraag op de voet van artikel 467, tweede lid, Sv mondeling wil toelichten (hierna: het pleidooi), kan daartoe op de dag van indiening van de herzieningsaanvraag een gemotiveerd verzoek doen bij de rolraadsheer. De procesdeelnemer die digitaal procedeert, dient het verzoek in door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. De procesdeelnemer die niet digitaal procedeert dient het verzoek in bij separaat schrijven.

  • 4.3.13.3 Behoudens ingeval de herzieningsaanvraag op de voet van artikel 465 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen dan wel de gronden waarop het verzoek steunt ongenoegzaam zijn, stelt de rolraadsheer, gehoord de procureur-generaal, na overleg met de voorzitter van de kamer ten overstaan waarvan het pleidooi zou moeten worden gehouden, een terechtzitting vast voor het pleidooi.

  • 4.3.13.4 Een verzoek tot de in artikel 473, vierde lid, Sv bedoelde opschorting van de tenuitvoerlegging van de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, moet worden ingediend bij de Hoge Raad. De procesdeelnemer die digitaal procedeert, dient het verzoek in door plaatsing van een afzonderlijk bericht in het webportaal. De procesdeelnemer die niet digitaal procedeert dient het verzoek in bij separaat schrijven. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk. De griffier doet onverwijld mededeling aan de verzoeker van de beslissing van de Hoge Raad.

Aldus vastgesteld door de gerechtsvergadering van de Hoge Raad der Nederlanden op 20 december 2019. De wijzigingen treden op 1 februari 2020 in werking.

Wijziging van het Besluit betreffende het gebruik van het webportaal van de Hoge Raad in strafzaken, zoals bedoeld in art. 4.2.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden, met het oog op het gebruik van de G-pas en de uitbreiding van zaaksoorten waarin digitaal geprocedeerd wordt in strafzaken.

Besluit betreffende het gebruik van het webportaal van de Hoge Raad in strafzaken, zoals bedoeld in art. 4.2.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden

Overeenkomstig artikel 4.2.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft de tweede meervoudige kamer van de Hoge Raad, in overeenstemming met de procureur-generaal, bepaald dat de mogelijkheid bij de Hoge Raad digitaal te procederen is opengesteld in:

  • a. de zaken, waarin op of na 17 december 2018 cassatieberoep is ingesteld en die zijn ingeleid met:

    • een dagvaarding van de verdachte om ter terechtzitting van de Nederlandse strafrechter te verschijnen; of

    • de in art. 36e, eerste lid, Sr bedoelde vordering van het Openbaar Ministerie. Onder deze zaken worden niet verstaan de strafzaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in art. 1, eerste lid, Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

  • b. de zaken, waarin op of na 1 februari 2020 cassatieberoep is ingesteld op de voet van:

    • art. 2, eerste lid, Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

    • art. 1, eerste lid, Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

    • art. 31, eerste lid, Uitleveringswet;

    • art. 32, eerste lid, Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

    • art. 446, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; of

    • art. 552d, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; en

  • c. de zaken, waarin op of na 1 februari 2020 een aanvraag tot herziening in de zin van art. 457, eerste lid, Wetboek van Strafvordering wordt ingediend, dan wel op of na 1 februari 2020 ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag aan de procureur-generaal wordt verzocht een nader onderzoek in te stellen als bedoeld in art. 461, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.

Overeenkomstig artikel 4.2.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft de tweede meervoudige kamer van de Hoge Raad, in overeenstemming met de procureur-generaal, voorts bepaald dat de volgende procesdeelnemers de mogelijkheid hebben gebruik te maken van het webportaal van de Hoge Raad:

  • a. de daartoe in het bijzonder door het Openbaar Ministerie aangewezen leden van het Openbaar Ministerie;

  • b. de raadsman van degene die beroep in cassatie heeft ingesteld of een namens het Openbaar Ministerie ingesteld beroep wil tegenspreken;

  • c. de advocaat van de benadeelde partij; en

  • d. de gemachtigde van de onder b. of c. vermelde procesdeelnemer die beschikt over een inlogmiddel als bedoeld in 2.1.1.f van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.

Dit besluit wordt overeenkomstig artikel 4.2.2 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden bekend gemaakt op de website van de Hoge Raad. In overeenstemming met de procureur-generaal kan de tweede meervoudige kamer van de Hoge Raad dit besluit te allen tijde wijzigen.

Aldus vastgesteld door de gerechtsvergadering van de Hoge Raad der Nederlanden op 20 december 2019. De wijzigingen treden op 1 februari 2020 in werking.