Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 26759Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 mei 2020, nr. PO/24137474, houdende regels voor een experiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de gemeenten Amsterdam, Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

G5-gemeenten:

gemeente Amsterdam, de gemeente Almere, de gemeente Den Haag, de gemeente Rotterdam en de gemeente Utrecht;

minister:

minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

noodplan:

plan van bevoegde gezagsorganen en gemeenten in de G5-gemeenten betreffende noodmaatregelen lerarentekort genaamd Noodplan lerarentekort Amsterdam, Actie in perspectief (Den Haag), Slim organiseren (Rotterdam), Actieplan Utrecht Leert of Noodplan lerarentekort Almere;

school:

school als bedoeld in artikel 1 van de WPO of artikel 1 van de WEC;

WEC:

Wet op de expertisecentra;

WPO:

Wet op het primair onderwijs.

Artikel 2. Doel experiment

Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken:

  • a. welke impact de mogelijkheid om bij een tekort in de formatie van een school af te wijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 3, onder de aldaar genoemde voorwaarden, heeft op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen; en

  • b. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.

Artikel 3. Het experiment

Het bevoegd gezag dat met een school deelneemt aan het experiment mag afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b, van de WEC en daarbij andere onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC aanbieden als onderwijstijd, indien:

  • a. er sprake is van een dusdanig groot tekort in de formatie van een school dat het onderwijs niet volledig kan worden gegeven door een leraar die in het bezit is van een getuigschrift, een erkenning van beroepskwalificaties of een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en in artikel 3, eerste lid, onder b, van de WEC of er is sprake van een school die een tekort in de formatie heeft vanwege solidariteitsafspraken die voortvloeien uit het noodplan;

  • b. de afwijking niet ziet op onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke oefening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a tot en met c, van de WPO en in artikel 13, eerste lid, onder a tot en met d, van de WEC;

  • c. de activiteiten passen binnen de uitgangspunten van het onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de WPO en artikel 11 van de WEC;

  • d. de afwijking in ieder geval niet meer dan in totaal 22 uren per maand omvat van de onderwijstijd, bedoeld in artikel 8, negende lid, onder b, van de WPO en in artikel 12, eerste lid, onder b, van de WEC; en

  • e. het bevoegd gezag zich blijft inspannen om het grote tekort in de formatie van een school te verminderen, zodat het onderwijs weer kan worden gegeven binnen de kaders van de WPO en WEC.

Artikel 4. De aanvraagprocedure en voorwaarden voor deelname aan het experiment

  • 1. Het bevoegd gezag dat wil deelnemen aan het experiment kan bij de minister een aanvraag doen, mits het bevoegd gezag het noodplan in de betreffende stad heeft ondertekend.

  • 2. Alleen scholen die liggen in een G5-gemeente kunnen deelnemen aan het experiment.

  • 3. De aanvraag voor deelname aan het experiment wordt gedaan in de periode van 14 mei 2020 tot en met 7 juni 2020. Aanvragen die na deze datum worden ingediend worden afgewezen. Een bevoegd gezag dat nog niet meedoet aan het experiment kan in de daaropvolgende jaren de aanvraag voor deelname indienen in de periode van 1 maart tot en met 31 maart voorafgaand aan het bedoelde schooljaar. Ook hiervoor geldt dat aanvragen na 31 maart in het betreffende jaar worden afgewezen.

  • 4. Het bevoegd gezag overlegt bij de aanvraag:

    • a. de contactgegevens van het bevoegd gezag; en

    • b. een beschrijving van de uitvoering van het noodplan in de betreffende stad waarin in ieder geval het volgende is opgenomen:

      • 1°. Een overzicht van de wijze waarop het bevoegd gezag voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en

      • 2°. De wijze waarop onbevoegde docenten worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.

Artikel 5. Selectie en beslistermijn

  • 1. Voor toelating tot het experiment beoordeelt de minister of de aanvraag voldoet aan de voorschriften uit artikel 4.

  • 2. De minister besluit uiterlijk op 1 juli 2020 op de aanvragen, bedoeld in artikel 4, derde lid, eerste volzin, tot deelname aan het experiment. In de daaropvolgende jaren besluit de minister uiterlijk op 15 mei.

Artikel 6. Looptijd van het experiment

  • 1. Het experiment begint op 1 augustus van een schooljaar en eindigt op 31 juli 2024.

  • 2. Bevoegde gezagsorganen en scholen die deelnamen aan het experiment voldoen vanaf de start van het schooljaar 2024–2025 weer aan de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3.

Artikel 7. Melding gebruik en beëindiging van het gebruik van het noodplan

  • 1. Een school van een bevoegd gezag dat deelneemt aan het experiment kan pas gebruik maken van de in artikel 3 geboden mogelijkheden, nadat de school melding heeft gemaakt bij het onderzoeksbureau van het besluit dat zij voornemens is om de acties uit het plan, bedoeld in artikel 4, vierde lid, onder b, daadwerkelijk ten uitvoer te brengen.

  • 2. De melding bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:

    • a. de contactgegevens van het bevoegd gezag en van de betreffende school;

    • b. de dagtekening;

    • c. een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau als bedoeld in artikel 8, eerste lid;

    • d. een omschrijving van de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en

    • e. de verwachte duur van de afwijking van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3 in de vorm van een verwachte startdatum en een verwachte einddatum, waarbij de einddatum niet later ligt dan op 31 juli volgend op de melding.

  • 3. De mogelijkheid gebruik te maken van de in de artikel 3 geboden mogelijkheden verloopt op 31 juli van het schooljaar waarin de melding is gedaan. Tijdens de looptijd van het experiment kan een nieuwe melding worden gedaan, waardoor opnieuw gebruik kan worden gemaakt van de in de artikel 3 geboden mogelijkheden.

  • 4. Bevoegde gezagsorganen en scholen die deelnemen aan het experiment streven ernaar om zo snel als mogelijk terug te keren naar een situatie waarbij afwijken van de wet niet meer noodzakelijk is en zij maken er dan ook melding van op het moment dat zij terugkeren naar deze situatie.

  • 5. De afmelding, bedoeld in het vierde lid, geschiedt gedurende het schooljaar waarin de melding, bedoeld in het eerste lid, is gedaan als blijkt dat het gebruik van het plan op schoolniveau niet meer noodzakelijk is.

  • 6. De afmelding, bedoeld in het vierde en vijfde lid bevat:

    • a. de contactgegevens van het bevoegd gezag en de betreffende school;

    • b. de dagtekening;

    • c. de situatie die aanleiding is voor het afmelden;

    • d. een omschrijving van de wijze waarop werd afgeweken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en

    • e. de startdatum en einddatum van de afwijking van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3.

Artikel 8. Plan op schoolniveau

  • 1. Voordat een school een eerste melding doet als bedoeld in artikel 7, stelt de school een plan op schoolniveau op en legt dit ter instemming voor aan de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen. Indien het plan op schoolniveau inhoudelijk wordt gewijzigd is opnieuw instemming van de medezeggenschapsraad nodig.

  • 2. In het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt opgenomen:

    • a. in welke situaties op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het plan op schoolniveau, en

    • b. de procedure die wordt gevolgd na inzet van het plan op schoolniveau om het gebruik hiervan zo spoedig mogelijk te beëindigen.

Artikel 9. Onderzoek en evaluatie

  • 1. Bevoegde gezagsorganen en scholen die deelnemen aan dit experiment werken mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat gericht is op het verschaffen van inlichtingen aan de minister ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid.

  • 2. Bij het onderzoek zal in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze en in welke mate scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de frequentie van de afwijkingen, het type afwijkingen en de impact daarvan op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen.

  • 3. De minister schakelt een onderzoeksbureau in ten behoeve van de meldingen, bedoeld in artikel 7 en het onderzoek bedoeld in de eerste twee leden.

Artikel 10. Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

  • 2. Deze beleidsregel vervalt met ingang van 31 juli 2024.

Artikel 11. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

I. Algemeen

Deze beleidsregel vormt de basis voor de uitvoering van de andere dag- en weekindeling op scholen in de G5 in verband met de aanpak van het lerarentekort. In de beleidsregel staat van welke wet- en regelgeving kan worden afgeweken door scholen die deelnemen aan het experiment. De beleidsregel bepaalt verder hoe de experimenteerruimte kan worden aangevraagd, wat de looptijd is en hoe de monitoring wordt gewaarborgd.

Leeswijzer

Formeel is het bevoegd gezag, en niet de school, drager van rechten en plichten op grond van de onderwijswetgeving. Omwille van de leesbaarheid wordt in deze toelichting het ‘bevoegd gezag van een school’ ook wel aangeduid als ‘bestuur’ of ‘schoolbestuur’.

Inleiding

De personeelstekorten zijn op veel scholen een groeiend probleem. De arbeidsmarktramingen laten bovendien zien dat de verwachte tekorten de komende jaren verder toenemen. Het is een prioriteit voor het kabinet om de tekorten aan te pakken samen met de schoolbesturen, scholen, opleidingen en gemeenten. De aanpak bevat maatregelen om de instroom van leraren te verhogen, leraren te behouden en anders te werken op scholen. Deze maatregelen hebben effect, maar in een aantal regio’s is dit op korte termijn niet voldoende.

De omvang van de tekorten verschilt per regio en is het grootst in de grote steden. Dat zijn Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Almere. In deze steden hebben schoolbesturen en gemeenten de noodklok geluid voor het primair onderwijs. Zij geven aan dat er noodmaatregelen nodig zijn om de continuïteit, kwaliteit en kansengelijkheid van het onderwijs aan hun leerlingen te kunnen borgen en hebben hiervoor noodplannen opgesteld1. Naar aanleiding van deze plannen worden extra maatregelen genomen specifiek voor het primair onderwijs in de grote steden, waaronder de ruimte voor een andere dag- en weekindeling zoals in deze beleidsregel beschreven.

Meer ruimte voor andere dag- en weekindeling

Op grond van de Experimentenwet onderwijs geeft deze beleidsregel scholen voor primair onderwijs, inclusief het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs, in de grote steden ruimte om af te wijken op twee punten van de WPO en de WEC. Gezien de grote tekorten in deze steden krijgen zij tijdelijk meer ruimte voor de inzet van andere professionals dan bevoegde leraren (hierna: andere professionals). Daarmee wordt afgeweken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b van de WEC. Daarbij is er ook ruimte om andere activiteiten aan te bieden binnen onderwijstijd als bedoeld in artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC. Het doel van het experiment is om in ieder geval te onderzoeken wat de impact is van het afwijken van bovenstaande artikelen op de omgang met de personeelstekorten, onderwijskwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs. De ruimte wordt geboden voor de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2024.

Scholen die meedoen kunnen het tekort aan leraren opvangen door binnen de onderwijstijd een andere dag- of weekindeling te kiezen en daarbij andere professionals in te zetten. In de noodplannen die de steden hebben opgesteld staan verschillende varianten. Zo kunnen scholen er bijvoorbeeld voor kiezen om een hele dag in een week anders in te vullen voor een groep leerlingen of om dat over meerdere dagen in de week te verspreiden. Deze tijd kan bijvoorbeeld worden ingevuld met activiteiten gericht op creatieve, sociale of digitale vaardigheden die door andere professionals worden verzorgd. Andere activiteiten zijn ook mogelijk, zolang het doel past binnen de uitgangspunten en doelen van het onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de WPO en artikel 11 van de WEC en de activiteiten niet louter gericht zijn op het opvangen van leerlingen.

Voorwaarden

Om de kwaliteit van het onderwijs en kansengelijkheid voor leerlingen te waarborgen zijn de volgende voorwaarden aan deelname gesteld. Scholen mogen voor een andere dag- of weekindeling kiezen als er sprake is van een dusdanig tekort in de formatie van een school dat de kwaliteit en continuïteit niet gegarandeerd kan worden. Het is aan besturen en scholen om te bepalen of hier sprake van is. Scholen mogen hier ook voor kiezen als zij een tekort in de formatie hebben als gevolg van solidariteitsafspraken met andere scholen in de stad. Een voorbeeld hiervan is de afspraak in Amsterdam dat ook scholen waar (nog) geen grote tekorten zijn toewerken naar een tekort van 3% op de formatie.

De beleidsregel biedt ruimte om maximaal 22 uur per maand – dus niet gemiddeld – het onderwijs door andere professionals te laten verzorgen. Dit komt neer op een dag (5,5 uur) per week. De professionals kunnen niet worden ingezet voor de vakken Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke opvoeding. Met zintuigelijke en lichamelijke opvoeding wordt het bewegingsonderwijs bedoeld dat binnen het curriculum valt. Sport- en spelactiviteiten die daarbuiten vallen mogen wel door andere professionals worden aangeboden. De wettelijke onderwijstijd blijft gelijk, maar wordt deels anders ingevuld.

Indien een school een vaste dag in de week een alternatief programma heeft en deze dag vijf in plaats van vier keer in een maand voorkomt, dan valt de vijfde dag binnen de ruimte die in deze beleidsregel wordt geboden. Dus stel een school heeft op vrijdag een alternatief programma voor leerlingen en de vrijdag komt vijf keer in een maand voor dan mag het alternatieve programma vijf keer in die maand op vrijdag worden georganiseerd.

Het blijft zo dat voor elke leerling, groep leerlingen en/of klas er een bevoegde leraar verantwoordelijk is. Deze beleidsregel creëert enkel de mogelijkheid om het onderwijs voor een deel van de onderwijstijd te laten verzorgen door andere professionals. De professionals moeten bekwaam worden geacht om activiteiten voor leerlingen te verzorgen. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij het bestuur. Het bestuur draagt ook de verantwoordelijkheid dat de andere professionals over een VOG beschikken en dat zij niet zijn uitgesloten van het geven van onderwijs door een rechterlijke uitspraak. Ook de andere voorschriften uit wet- en regelgeving blijven gelden.

Deelname

Besturen met scholen voor primair onderwijs kunnen meedoen met scholen die binnen de grenzen van de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht of Almere zijn gelegen en als zij deelnemen aan de noodplannen waarin afspraken zijn gemaakt over de solidariteit tussen besturen.

Besturen kunnen in de periode 14 mei tot en met 7 juni 2020 een aanvraag sturen aan het ministerie van OCW via het e-mailadres noodplannenG5@minocw.nl. Bij de aanvraag levert het bestuur een beknopte uitwerking in van wat in het noodplan op stadsniveau staat beschreven over een andere dag- en weekindeling. Daarin moet in ieder geval worden aangegeven op welke manier het bestuur voornemens is af te wijken van de wet. Dat kan bijvoorbeeld door de varianten voor een andere dag- en weekindeling te beschrijven, zoals een hele dag anders invullen voor een groep leerlingen of het verdelen van uren over meerdere dagen. Andere varianten zijn ook mogelijk. Daarnaast moet worden beschreven hoe de professionals worden begeleid. Er wordt een format opgesteld voor de aanvraag.

Als een bestuur een aanvraag doet, kunnen alle scholen binnen het bestuur meedoen mits zij binnen de G5-gemeenten staan. Een bestuur hoeft dus niet bij de aanvraag al te beslissen welke scholen gebruik gaan maken van de ruimte. De beleidsregel gaat uit van een aan- en afmeldsysteem. Scholen die gebruik willen maken van de extra ruimte kunnen zich aanmelden bij het onderzoeksbureau wat de impact van het experiment monitort. De school mag dan afwijken van de eerder genoemde artikelen. De school mag het hele schooljaar afwijken indien nodig (ook als dit nodig is in het kader van solidariteitsafspraken in de stad of wijk), maar zodra het onderwijs weer binnen de wettelijke kaders kan worden gegeven, meldt de school zich af bij hetzelfde onderzoeksbureau. De school kan zich weer aanmelden zodra de situatie daarom vraagt. Om te bevorderen dat besturen en scholen steeds bedenken of het nog nodig is om af te wijken van wet- en regelgeving en of het onderwijs daar weer binnen gegeven kan worden, worden alle deelnemende scholen aan het eind van het schooljaar automatisch afgemeld. Zoals hierboven beschreven kan de school zich in het nieuwe schooljaar weer aanmelden als de situatie daarom vraagt. Er wordt door het onderzoeksbureau een format ontwikkeld voor het aan- en afmelden.

Scholen die zich voor het eerst aanmelden bij het onderzoeksbureau moeten een plan op schoolniveau hebben dat instemming heeft van de medezeggenschapsraad. Dit plan is een verdere uitwerking van de experimentaanvraag door het bestuur. In dit plan staat beschreven in welke situaties en op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van de ruimte op de betreffende school. Ook moet duidelijk worden wat de school doet om de formatie weer rond te krijgen zodat deelname aan het experiment kan worden beëindigd. Dit plan hoeft niet met de aanmelding meegestuurd te worden, maar dient wel op aanvraag beschikbaar te zijn. Bijvoorbeeld wanneer het onderzoeksbureau daarom vraagt. Een bewijs van instemming door de medezeggenschapsraad moet wel worden meegestuurd. Indien een school zich na een afmelding weer aanmeldt, hoeft er niet opnieuw instemming van de medezeggenschap te worden gevraagd tenzij het plan op schoolniveau inhoudelijk is gewijzigd ten opzichte van de eerste melding. Met ‘inhoudelijk’ worden wijzingen bedoeld als in artikel 8, tweede lid.

Besturen die in 2020 een aanvraag doen ontvangen een beschikking voor de komende vier schooljaren. Besturen die na 2020 een aanvraag doen, bijvoorbeeld omdat zij eerder nog niet meededen of hun aanvraag te laat was ingediend, ontvangen een beschikking voor de resterende schooljaren tot en met 31 juli 2024. In 2021, 2022 en 2023 kan een aanvraag worden ingediend in de periode 1 maart tot en met 31 maart.

De minister heeft de bevoegdheid om deelname van een bestuur of een school te beëindigen indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het experiment.

Instemming medezeggenschapsraad

Er moet voldoende draagvlak zijn voor een andere dag- of weekindeling bij personeel (team), ouders en bestuur. Het experiment maakt geen uitzondering op de WMS. Dit betekent dat de medezeggenschapsraad moet instemmen met de plannen voor een andere indeling van de onderwijstijd. Zo heeft de personeelsgeleding bijvoorbeeld instemmingsrecht ten aanzien van de arbeids- en rusttijdenregeling (artikel 12, eerste lid onder f WMS) en de oudergeleding heeft bijvoorbeeld instemmingsrecht ten aanzien van de onderwijstijd (artikel 13, eerste lid, onder h WMS). Vanwege het belang van draagvlak en betrokkenheid van ouders en personeel wordt voor deelname aan het experiment daarom tevens een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad verlangd.

Inspectie

De inspectie houdt toezicht op alle besturen en scholen in Nederland. Dat blijft zij ook doen voor de besturen en scholen die samenwerken in de noodplannen voor de G5 en gebruik maken van deze beleidsregel. De besturen en scholen die hiervan gebruik maken hebben extra ruimte om uitvoering te geven aan het noodplan en daarmee beter om te gaan met de tekorten. Op het geheel aan tijdelijke maatregelen zoals opgenomen in de plannen voor de G5 houdt de inspectie adaptief toezicht.

Administratieve lasten

De administratieve lasten van deze beleidsregel worden zoveel mogelijk beperkt voor de besturen en scholen. De lasten hangen vooral samen met de experimentaanvraag door besturen en het opstellen van een plan op schoolniveau door scholen. Daarnaast zijn besturen en scholen verplicht om deel te nemen aan onderzoeksactiviteiten. Het onderzoeksbureau zal de besturen en scholen niet meer belasten dan nodig is. Verder zijn de lasten per school afhankelijk van het aantal keren aan- en afmelden. Ook dit wordt zo licht mogelijk ingericht om de scholen niet meer te belasten dan nodig.

Financiële gevolgen

De ruimte die met deze beleidsregel wordt geboden hoeft geen financiële gevolgen te hebben voor besturen en scholen. Het ministerie betaalt de kosten voor het monitoren van dit experiment.

Onderzoek en evaluatie

Voor het onderzoek en de evaluatie van deze beleidsregel wordt een onafhankelijk onderzoeksbureau geworven. De onderzoekers zullen het gebruik van de extra ruimte gedurende de gehele looptijd monitoren evenals de impact hiervan op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen. Op die manier kan worden geleerd van de andere- dag en weekindeling. Op basis van het eindrapport dat in 2024 wordt opgeleverd kan worden bepaald of de uitkomsten van het experiment aanleiding geven voor wijziging van wet- en regelgeving. Scholen zijn verplicht om op verzoek mee te werken aan het onderzoek.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2. Doel Experiment

Dit artikel geeft het doel aan van het experiment. Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken welke impact de mogelijkheid om bij een tekort in de formatie van een school af te wijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 3 onder de aldaar genoemde voorwaarden, heeft op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen. Verder heeft dit experiment tot doel om te onderzoeken of de uitkomsten van de het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.

Artikel 3. Het experiment

Dit experiment maakt het mogelijk voor schoolbesturen om onder voorwaarden op twee punten af te wijken van de WPO en WEC, namelijk ten aanzien van de inhoud van het onderwijs en ten aanzien van degene die voor de klas staat.

Afwijken van artikel 9 van de WPO of artikel 13 van de WEC – het aanbieden van activiteiten als onderwijstijd

Artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC regelen de inhoud van het onderwijs. De artikelen bepalen onder andere dat het onderwijs de volgende onderwijsactiviteiten (waar mogelijk in samenhang) omvat: zintuiglijke en lichamelijke oefening, Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, Engelse taal, enkele kennisgebieden, expressie-activiteiten, bevordering van sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer, bevordering van gezond gedrag. Bij de kennisgebieden wordt volgens dit artikel in elk geval aandacht besteed aan: aardrijkskunde, geschiedenis, de natuur, waaronder biologie, maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting en geestelijke stromingen.

Het bestuur dat met een school deelneemt aan het experiment mag andere onderwijsactiviteiten aanbieden als bedoeld in artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC als onderwijs en die mee laten tellen als onderwijstijd. De activiteiten passen binnen de uitgangspunten en doelen van het onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de WPO en artikel 11 van de WEC en zijn niet louter gericht op het opvangen van leerlingen.

Afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en artikel 3, eerste lid, onder b, van de WEC

Onderwijs mag – samengevat – slechts worden gegeven door degene die:

  • 1. In het bezit is van een verklaring omtrent gedrag;

  • 2. In het bezit is van

    • a. een getuigschrift afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderzoek en wetenschappelijk onderzoek waaruit blijft dat ten aanzien van onderwijsactiviteiten is voldaan aan de bekwaamheidseisen;

    • b. een erkenning van beroepskwalificaties verleend ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven, of

    • c. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de WPO/ artikel 162 e van de WEC. 2

  • 3. Niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten.

Dit artikel regelt dat het bestuur voor het geven van onderwijs onder voorwaarden mag afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO/WEC. Dat betekent dat het bestuur iemand onderwijs mag laten geven die níet in het bezit is van een WHW-getuigschrift, een erkenning van beroepskwalificaties of een geschiktheidsverklaring als bedoeld in genoemd artikel.3

De voorwaarden voor deze afwijkingen

Het bestuur mag alleen onder de volgende voorwaarden gebruik maken van deze mogelijkheid om af te wijken van de WPO of WEC;

a. Een groot tekort in de formatie van de school of naleven solidariteitsafspraken die voortvloeien uit het noodplan

Er moet sprake zijn van een groot tekort in de formatie van een school waardoor het onderwijs niet volledig kan worden gegeven binnen de kaders van de WPO en WEC. Ook kan het zijn dat een school conform de solidariteitsafspraken met de andere besturen die het noodplan ondertekend hebben onderwijs geven dat niet binnen de kaders van de WPO en WEC past.

b. Alleen voor vakken buiten het kerncurriculum

Het onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en voor zintuigelijke en lichamelijke oefening dient te allen tijde te worden gegeven door een docent die overeenkomstig de WPO/WEC bevoegd en bekwaam is. Voor deze vakken geldt de afwijkingsmogelijkheid niet. Met zintuigelijke en lichamelijke opvoeding wordt het bewegingsonderwijs bedoeld dat binnen het curriculum valt. Sport- en spelactiviteiten die daarbuiten vallen mogen wel door andere professionals worden aangeboden.

c. Tijdelijkheid

De afwijking mag in ieder geval niet meer dan in totaal 22 uur per maand van de onderwijstijd als bedoeld in artikel 8, negende lid, van de WPO en in artikel 12, eerste lid, onder b, van de WEC betreffen. Indien een school een vaste dag in de week een alternatief programma heeft en deze dag vijf in plaats van vier keer in een maand voorkomt, dan valt de vijfde dag binnen de ruimte die met deze beleidsregel wordt geboden.

d. Inspanningsverplichting

Ook bij deelname zal het bestuur zich moeten blijven inspannen om het tekort in de formatie van de school/ scholen te verminderen, zodat het onderwijs weer zo spoedig mogelijk overeenkomstig de wettelijke vereisten kan worden gegeven. Hierbij dienen scholen rekening te houden met de solidariteitsafspraken uit de noodplannen.

Het afwijken van artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO/WEC mag voor zowel de onderwijsactiviteiten genoemd in artikel 9 WPO en 13 WEC (met uitzondering van het onderwijs in de Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en voor zintuigelijke en lichamelijke oefening) als voor de andere onderwijsactiviteiten bedoeld in dit artikel.

Volledigheidshalve; VOG en geen rechterlijk verbod blijven wel vereist.

Volledigheidshalve, de vereisten dat degene die voor de klas staat in het bezit moet zijn van een VOG (artikel 3, eerste lid, onder a, van de WPO/WEC) blijft gelden. Dit geldt ook voor het vereiste dat degene die voor de klas staat niet krachtens rechtelijke uitspraak mag zijn uitgesloten van het geven van onderwijs (artikel 3, eerste lid, onder c, van de WPO/WEC).

Artikel 4. De aanvraagprocedure en voorwaarden voor deelname aan het experiment

Eerste, tweede en derde lid – Aanvraagprocedure en voorwaarden

Alleen een bestuur dat medeondertekenaar is van de noodplannen kan meedoen. Het bestuur moet daartoe een aanvraag doen in de periode van 14 mei 2020 tot en met 7 juni 2020. In de daarop volgende jaren kan de aanvraag voor deelname worden gedaan in de periode van 1 maart tot en met 31 maart. Dit betekent dat besturen die zich later aansluiten bij het gemeentelijke noodplan alsnog mee kunnen doen. De deelnemende scholen moeten zijn gelegen in een G5-gemeente.

Vierde lid – Bij de aanvraag te overleggen zaken

Het bestuur dient bij de aanvraag te overleggen:

  • de contactgegevens van het bestuur

  • een beschrijving van de uitvoering van noodplan van de betreffende stad waarin de volgende zaken zijn beschreven:

    • Een overzicht van de wijze waarop het bestuur voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3;

    • De wijze waarop onbevoegde docenten worden begeleid bij het geven van onderwijsactiviteiten als bedoeld in artikel 3.

Er wordt een format opgesteld waarmee de besturen een aanvraag kunnen indienen.

Artikel 5. Selectie en beslistermijn

Eerste lid – Beoordeling van de aanvraag

Voor toelating tot het experiment beoordeelt de Minister of de aanvraag voldoet aan de vereisten van artikel 4. Dit betekent dat uit de aanvraag het volgende moet blijken:

  • De deelnemende scholen moeten zijn gevestigd in een G5-gemeente;

  • De aanvraag moet zijn gedaan in de periode van 14 mei 2020 tot en met 7 juni 2020 of in de jaren daarop in de periode van 1 maart tot en met 31 maart; en

  • In het plan zijn de zaken die daarin opgenomen moeten worden voldoende beschreven.

Tweede lid – Beslistermijn

Uiterlijk op 1 juli 2020 besluit de minister op aanvragen tot deelname aan het experiment. In de daarop volgende jaren besluit de minister uiterlijk op 15 mei. Dit betekent dat besturen die in eerste instantie niet voldoen aan de voorwaarden van het experiment omdat zij nog niet deelnamen aan de noodplannen alsnog een aanvraag kunnen indienen.

Artikel 6. Looptijd van het experiment

In dit artikel wordt bepaald dat het experiment 4 schooljaren zal duren. Dit betekent dat scholen die deelnemen aan het experiment vanaf de start van het schooljaar 2024-2025 weer aan artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO en WEC en artikel 9 van de WPO en artikel 13 van de WEC moeten voldoen. Dit betekent dat vanaf dat moment alleen bevoegde leraren onderwijs mogen geven en dat alleen de onderwijsactiviteiten die zijn voorgeschreven door de WPO of de WEC meetellen als onderwijstijd.

Artikel 7. Melding gebruik en beëindiging van het gebruik van het noodplan

Eerste lid – Meldingsverplichting

Scholen die deelnemen moeten dat op het moment dat zij gebruik maken van de ruimte in deze beleidsregel melden bij het onderzoeksbureau. Hetzelfde geldt als het gebruik van de ruimte die in de beleidsregel wordt geboden wordt beëindigd. In ieder geval eindigt het gebruik van de ruimte op 31 juli van het schooljaar waarin de melding is gedaan.

Tweede lid – Inhoud van de melding

Een melding moet de contactgegevens van het bestuur en de betreffende school bevatten, de dagtekening, de wijze waarop wordt afgeweken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3, een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad en de te verwachten duur van de afwijking aan de hand van een start- en einddatum.

Derde lid – Automatische stop

De mogelijkheid af te wijken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3 eindigt ieder schooljaar uiterlijk op 31 juli.

Vierde, vijfde en zesde lid – Einde gebruik van het noodplan/afmelden

Het gebruik van de ruimte die in deze beleidsregel wordt geboden eindigt in ieder geval automatisch op 31 juli van het schooljaar waarin de melding tot het starten is gedaan. Dit betekent dat scholen die in het nieuwe jaar wederom gebruik willen maken van de ruimte die met de beleidsregel wordt geboden, dit wederom moeten melden bij het onderzoeksbureau. Verder eindigt het gebruik van de extra ruimte wanneer de extra ruimte niet meer noodzakelijk is en het bestuur of de school dit bij het onderzoeksbureau meldt of als het experiment beëindigd wordt. Indien de school zich gedurende het schooljaar afmeldt omdat gebruik van de ruimte die in de beleidsregel wordt geboden niet langer noodzakelijk is dan bestaat de afmelding uit:

  • de contactgegevens van het bestuur en de betreffende school;

  • de dagtekening;

  • de situatie die aanleiding is voor het stoppen van het gebruiken van het plan op schoolniveau;

  • een omschrijving van de wijze waarop werd afgeweken van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3; en

  • de startdatum en einddatum van de afwijking van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 3.

Artikel 8 Plan op schoolniveau

Voordat scholen een aanmelding doen, dienen zij een plan op schoolniveau op te stellen en dat ter instemming, conform de WMS, voor te leggen aan de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen. In dit plan dient te worden beschreven op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het noodplan en tevens de procedure die wordt gevolgd na inzet van het plan op schoolniveau om het gebruik hiervan zo spoedig mogelijk te beëindigen.

Artikel 9. Onderzoek en evaluatie

Eerste lid

Het experiment zal – zoals gebruikelijk bij experimenten – begeleid worden door een onderzoek en evaluatie ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid. Deelnemers aan dit experiment zijn verplicht mee te werken aan door of namens de minister hiertoe ingestelde onderzoekingen.

Tweede lid

Het onderzoek zal onder meer gericht zijn op de wijze en de mate waarin scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de frequentie van de afwijkingen, het type afwijkingen en de effecten daarvan op de kwaliteit, kansengelijkheid, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen.

Derde lid

De Minister schakelt een onderzoeksbureau in om het onderzoek en de procedure rond de meldingen uit te voeren.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

De namen van deze plannen zijn: Noodplan lerarentekort Amsterdam, Actie in perspectief (Den Haag), Slim organiseren (Rotterdam), Actieplan Utrecht Leert en Noodplan lerarentekort Almere. De plannen zijn voor publicatie van deze beleidsregel met het ministerie van OCW gedeeld.

X Noot
2

Zie voor de precieze formulering artikel 3, eerste lid, onder b, van de WPO of de WEC.

X Noot
3

Idem.