TOELICHTING
Op twee bedrijven in Brabant is vastgesteld dat nertsen zijn besmet met SARS-CoV-2.
Op 16 april heeft er onder leiding van de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding
(CiB) een deskundigenberaad zoönosen (DBZ) plaatsgevonden om de het risico van infecties
bij dieren voor de humane gezondheid te beoordelen. Ik heb de Tweede Kamer daar in
mijn brief van 22 april 2020 over geïnformeerd. Het DBZ heeft geconcludeerd dat transmissie
van mens op dier mogelijk is, maar dat de impact van besmetting bij dieren op humane
gezondheid als verwaarloosbaar wordt ingeschat aangezien effectieve mens op mens transmissie
de stuwende kracht van de epidemie is. Er is verder op dit moment geen reden om aan
te nemen dat het virus zich op dit nertsenbedrijf op andere wijze verspreidt dan het
tussen mensen doet, namelijk via druppels of aerosolen over korte afstand.
In het licht van bovenstaande beoordeelt het RIVM dat dit besmette nertsenbedrijf
op dit moment geen extra risico voor de volksgezondheid oplevert.
Om een goed beeld te krijgen van de aard en omvang van besmettingen op nertsenbedrijven
en eventuele besmettingen van nertsen op andere bedrijven, is het wel belangrijk dat
houders van deze dieren een plicht wordt opgelegd om, wanneer zij verschijnselen van
besmetting met SARS-CoV-2 constateren, dit aan de Minister van LNV (de Voedsel- en
Warenautoriteit) te melden (artikel 2, eerste lid). Het gaat hier om ademhalingsklachten
bij deze dieren of een verhoogde mortaliteit. Wanneer op voorhand al duidelijk is
dat hieraan een andere oorzaak dan SARS-CoV-2 ten grondslag ligt, geldt de meldingsplicht
uiteraard niet (artikel 2, tweede lid). Deze meldplicht maakt het ook mogelijk om
meer onderzoek te kunnen doen en zo meer epidemiologische kennis op te doen van COVID-19
bij nertsen.
De meldplicht wordt opgelegd op basis van artikel 31b, tweede lid, in samenhang met
artikel 19, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd). Op grond van artikel
100 van de Gwwd geldt de meldplicht ook voor dierenartsen en voor personen die in
het kader van werkzaamheden die in een onderzoeksinstelling worden verricht de genoemde
ziekteverschijnselen aantreffen.
Verder geldt voor houders de plicht om inlichtingen te verstrekken en medewerking
te verlenen en al datgene te doen wat in hun vermogen ligt om de aard van de ziekte
zo spoedig mogelijk te doen vaststellen (artikel 31b, tweede lid, in samenhang met
artikel 20, eerste lid, van de Gwwd).
Op grond van artikel 31b, eerste lid, van de wet kan de Minister van LNV in individuele
gevallen besluiten om ten aanzien van nertsen die deze ziekteverschijnselen vertonen,
enkele maatregelen te treffen: afzonderen, opstallen, ophokken, op een plaats houden,
opsluiten of afzonderen van dieren (artikel 22, eerste lid, onder a, b, en i, van
de Gwwd), als er in dat geval een gevaar voor de diergezondheid of, naar het oordeel
van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de volksgezondheid kan zijn.
Het is van belang om zo snel mogelijk zicht te hebben op mogelijke andere besmettingen
op nertsenhouderijen. Op grond van artikel 31 van de Gwwd treedt deze regeling daarom
onmiddellijk na de bekendmaking in werking. De bekendmaking geschiedt in afwijking
van artikel 4 van de Bekendmakingswet via de media. Om dezelfde reden is afgeweken
van het beleid van vaste verandermomenten.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten