Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2020, 23104Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 24 april 2020, nr 2020-0000202924, houdende vaststelling van de regels voor subsidiëring van samenwerkingsverbanden ten behoeve van het ter verduurzaming uitvoeren van grootschalige innovatieve renovatieprojecten (Subsidieregeling Renovatieversneller)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, onderdeel e, en 4, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet overige BZK-subsidies en 6, zevende lid, 8, eerste en tweede lid, 10, 11, eerste en tweede lid, 12, vijfde lid, 14, 18, eerste lid, en 24, vijfde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanbieder:

onderneming die productie, levering, installatie of onderhoud van energiebesparende maatregelen, duurzame energie-installaties of ventilatiesystemen aanbiedt;

Kaderbesluit:

Kaderbesluit BZK-subsidies;

minister:

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

MKB-onderneming:

kleine, middelgrote of micro-onderneming als bedoeld in de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-onderneming (PbEG 2003, L124);

penvoerder:

de door een samenwerkingsverband als zodanig aangewezen organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband en die ten minste 50 woningen in het renovatieproject inbrengt;

renovatieproject:

renovatieproject als bedoeld in artikel 3;

samenwerkingsverband:

verband zonder rechtspersoonlijkheid niet zijnde een vennootschap, dat samenwerkt ten behoeve van de uitvoering van een renovatieproject en bestaat uit niet in een groep verbonden deelnemers, waaronder ten minste twee woningeigenaren die ieder ten minste 50 woningen in het renovatieproject inbrengen;

standaardmaatregelenpakket:

pakket bestaande uit energiebesparende maatregelen en eventueel een ventilatiesysteem dan wel een duurzame installatie dat op de woningen in het renovatieproject wordt toegepast;

vereniging van eigenaars:

vereniging van de eigenaars als bedoeld in artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

woning:

bestaande gebouwde onroerende zaak, die een zelfstandige woongelegenheid vormt alvorens renovatie plaatsvindt en in de basisregistratie als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen met een woonfunctie is geregistreerd, niet zijnde een woonwagen of woonboot, dan wel een bestaand appartement, dat een zelfstandige woongelegenheid vormt alvorens renovatie plaatsvindt en in voornoemde basisregistratie met een woonfunctie is geregistreerd;

woningcorporatie:

krachtens artikel 19, eerste lid, van de Woningwet toegelaten rechtspersoon;

woningeigenaar:

woningcorporatie, natuurlijke of rechtspersoon die een of meer voor verhuur bestemde woningen in eigendom heeft, eigenaar-bewoner of vereniging van eigenaars;

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van grootschalige innovatieve renovatieprojecten ter verduurzaming van woningen die worden uitgevoerd in het kader van een samenwerkingsverband.

Artikel 3. Subsidieactiviteiten en voorwaarden

De minister kan aan woningeigenaren die deelnemen aan een samenwerkingsverband subsidie verstrekken voor de renovatie van woningen, mits het renovatieproject ten behoeve waarvan in het samenwerkingsverband wordt samengewerkt:

  • a. bestaat uit toepassing van een of meer standaardmaatregelenpakketten in ten minste 150 woningen met een bouwjaar tot 1995, waarvoor niet reeds op grond van deze regeling subsidie is verstrekt, waardoor voor ten minste 90 procent van die woningen de netto warmtevraag na renovatie lager wordt dan 70 kWh per vierkante meter per jaar; en

  • b. per woning wordt uitgevoerd volgens het verduurzamingsplan, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1. Het subsidieplafond voor 2020 bedraagt € 19.500.000.

  • 2. Het subsidieplafond voor 2021 bedraagt € 19.250.000.

  • 3. Het subsidieplafond voor 2022 bedraagt € 28.750.000.

  • 4. Het subsidieplafond voor 2023 bedraagt € 28.500.000.

  • 5. Verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op basis van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 5. Aanvraagperioden

  • 1. In 2020 kan een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend met ingang van 29 juni 2020 tot en met 2 november 2020.

  • 2. De minister stelt voor de daaropvolgende jaren per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vast en maakt dit bekend in de Staatscourant uiterlijk twee weken voor de aanvang van het tijdvak waarvoor de aanvraagperioden worden vastgesteld.

Artikel 6. Aanvragers en aanvraagformulier

  • 1. Aanvragen voor subsidieverlening worden namens de woningeigenaren gebundeld ingediend door de penvoerder van een samenwerkingsverband.

  • 2. Gebundelde aanvragen als bedoeld in het eerste lid worden ingediend met gebruikmaking van een digitaal formulier dat door de minister beschikbaar is gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit, bevat de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens en verklaringen:

    • a. een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is te handelen namens de woningeigenaren die deelnemen aan het samenwerkingsverband;

    • b. een verduurzamingsplan waarin is opgenomen:

      • 1°. welk standaardmaatregelenpakket in welke woningen wordt toegepast en per woning de te behalen netto warmtevraag per vierkante meter per jaar na renovatie gemeten volgens de NTA 8800;

      • 2°. per woning: adres, naam van de eigenaar, de vloeroppervlakte en type woning;

      • 3°. per woning, indien van toepassing, een motivatie waarom de te behalen netto warmtevraag na renovatie niet lager is dan 70 kWh per vierkante meter per jaar;

      • 4°. welke proces- en productinnovaties worden gerealiseerd;

      • 5°. wat de te verwachten kostenreductie is uitgedrukt in integrale kosten voor de eigenaar, berekend met een model dat beschikbaar is op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

      • 6°. hoe de uitvoeringskwaliteit wordt gewaarborgd door middel van een toelichting op de opgenomen kwaliteitswaarborgen voor de geleverde bouwkwaliteit, energieprestatie, comfort en kwaliteit van het binnenklimaat;

      • 7°. de wijze waarop en de mate waarin:

        • i. bewoners worden betrokken bij de ontwikkeling van de renovatieplannen;

        • ii. de voorgestelde aanpak de overlast voor de bewoners beperkt;

        • iii. de voorgestelde plannen inspelen op de wensen van de bewoners;

        • iv. de bewoners worden geïnformeerd gedurende en na afloop van de renovatie; en

      • 8°. een mijlpalenplanning;

    • c. de volgende bijlagen bij het verduurzamingsplan:

      • 1°. een intentieverklaring van deelname aan een renovatieproject van de woningeigenaren in een samenwerkingsverband;

      • 2°. een intentieverklaring van de woningeigenaren in het samenwerkingsverband dat deze met een gespecificeerde groep aanbieders het renovatieproject gaat uitvoeren;

      • 3°. een intentieverklaring van de aanbieders die de renovatieprojecten gaan uitvoeren, waarbij inzicht wordt gegeven in de mate waarin bij de aanbieders standaardisatie en industrialisatie plaatsvindt en ketensamenwerking wordt bevorderd;

      • 4°. een intentieverklaring van de woningeigenaren van het samenwerkingsverband en de aanbieders over de uit te voeren vervolgprojecten met een specificatie van aantallen woningen; en

      • 5°. een verklaring dat een van de aanbieders die het renovatieproject gaan uitvoeren een MKB-onderneming is;

    • d. een verklaring waaruit blijkt dat de woningeigenaren, niet zijnde een eigenaar-bewoner of een vereniging van eigenaars die uitsluitend bestaat uit eigenaar-bewoners, voor de activiteiten waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt aangevraagd niet meer steun ontvangen dan is toegestaan op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en

    • e. als een woningeigenaar, niet zijnde een eigenaar-bewoner of een vereniging van eigenaars die uitsluitend bestaat uit eigenaar-bewoners, in totaal meer subsidie aanvraagt dan € 500.000: informatie over de grootte van zijn onderneming, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt voor 2020 per woning:

    • a. voor eengezinswoningen met een bouwjaar tot 1995 en een netto warmtevraag van 50 tot 70 kWh per vierkante meter per jaar na renovatie: € 3.000;

    • b. voor eengezinswoningen met een bouwjaar tot 1995 en een netto warmtevraag lager dan 50 kWh per vierkante meter per jaar na renovatie: € 7.000;

    • c. voor meergezinswoningen met een bouwjaar tot 1995 en een netto warmtevraag van 50 tot 70 kWh per vierkante meter per jaar na renovatie: € 2.000;

    • d. voor meergezinswoningen met een bouwjaar tot 1995 en een netto warmtevraag lager dan 50 kWh per vierkante meter per jaar na renovatie: € 4.000.

  • 2. De totale subsidie aan een woningeigenaar bedraagt niet meer dan € 7,5 miljoen en voor een renovatieproject niet meer dan € 10 miljoen.

  • 3. Indien een duurzame energie-installatie onderdeel uitmaakt van het standaardmaatregelenpakket, komt er een opslag op het forfaitair bedrag, genoemd in het eerste lid. De hoogte van deze opslag is gelijk aan het bedrag dat voor het betreffende type installatie geldt op basis van de subsidiemodule Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) volgens artikel 4.5.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

  • 4. Ten aanzien van de woningen, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b, onder 3°, geldt eenzelfde forfaitair bedrag als voor de overige woningen in het renovatieproject met hetzelfde standaardmaatregelenpakket.

  • 5. De minister stelt voor 2021, 2022 en 2023 de forfaitaire bedragen vast en maakt deze bekend in de Staatscourant twee weken voor aanvang van het tijdvak waarop deze bedragen van toepassing zijn.

Artikel 8. Afwijzingsgronden

Een subsidie wordt, onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van het Kaderbesluit, in ieder geval afgewezen:

  • a. voor zover voor een woning in het renovatieproject reeds subsidie is verstrekt op grond van deze regeling;

  • b. indien een woningeigenaar een onderneming is in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c. voor zover aan de woningeigenaar in totaal meer subsidie verstrekt zou worden dan geoorloofd is op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d. voor zover voor de renovatie van een woning het forfaitaire bedrag hoger is dan 30 procent van de subsidiabele kosten, zijnde de bijkomende investeringskosten, bedoeld in de artikelen 38, derde lid, en 41, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • e. indien de uitvoeringskwaliteit van het renovatieproject, inclusief het betrekken van de bewoners, niet voldoende is; of

  • f. indien de kwaliteit van het verduurzamingsplan niet voldoende is.

Artikel 9. Rangschikking renovatieprojecten

  • 1. Aan een renovatieproject wordt een hoger aantal punten toegekend naarmate het meer bijdraagt aan de in de bijlage bij deze regeling opgenomen rangschikkingscriteria.

  • 2. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het renovatieproject zijn toegekend.

Artikel 10. Adviescommissie Renovatieversneller

  • 1. De minister stelt een onafhankelijke Adviescommissie Renovatieversneller in die belast is met het beoordelen van en adviseren over de subsidieaanvragen aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 9 en de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 8, onderdelen e en f.

  • 2. De Adviescommissie Renovatieversneller bestaat uit een voorzitter en vier andere leden. Deze leden beschikken over voldoende expertise op technische, bouwfysische of economische aspecten van energierenovaties van woningen en kunnen een onafhankelijk advies geven.

  • 3. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd.

  • 4. De Adviescommissie Renovatieversneller stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.

Artikel 11. Verplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht:

  • a. ten minste 80 procent van de woningen waarvoor subsidie is verleend te renoveren overeenkomstig het verduurzamingsplan, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b;

  • b. binnen twee jaar, te rekenen vanaf de datum van de dagtekening van de subsidiebeschikking, de uitvoering van het renovatieproject te starten door de overeenkomst met uitvoerders van het renovatieproject te ondertekenen en hierover door de penvoerder te laten rapporteren aan de minister;

  • c. de uitvoering van de renovatie van de woning of woningen waarvoor subsidie is verleend binnen drie jaar na de datum waarop de uitvoering van de renovatie is gestart te voltooien;

  • d. via de penvoerder jaarlijks aan de minister te laten rapporteren over de voortgang van het renovatieproject; en

  • e. na renovatie een meting te laten uitvoeren van de netto warmtevraag per vierkante meter per jaar van de woningen volgens de NTA 8800 door een daartoe gecertificeerde partij en die meting te laten registreren in EP-online.

Artikel 12. Aanvraag vaststelling

  • 1. De penvoerder dient namens de woningeigenaren die deelnemen aan het samenwerkingsverband de aanvragen tot subsidievaststelling gebundeld in.

  • 2. De gebundelde aanvraag tot subsidievaststelling gaat, in afwijking van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van het Kaderbesluit, niet vergezeld van een controleverklaring.

Artikel 13. Bekendmaking van gegevens over steunverlening

  • 1. De minister maakt binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, als de steun aan een aanvrager meer bedraagt dan € 500.000.

  • 2. De minister publiceert de in artikel 11 van de algemene groepsvrijstellingsverordening bedoelde beknopte informatie met een link naar deze regeling op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, op een staatssteunwebsite, binnen twintig werkdagen na de inwerkingtreding ervan.

  • 3. De gegevens, bedoeld in dit artikel, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor 1 januari 2025 zijn verstrekt.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling renovatieversneller.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

BIJLAGE RANGSCHIKKINGSCRITERIA ALS BEDOELD IN ARTIKEL 9, EERSTE LID

Voor de rangschikking van de subsidieaanvragen zal het ingediende verduurzamingsplan inclusief bijlagen worden beoordeeld op de volgende criteria:

  • 1. Omvang van het renovatieproject (maximaal 35 punten). Het renovatieproject scoort hoger naarmate het meer woningen omvat.

  • 2. Opschalingspotentieel (maximaal 20 punten). Het renovatieproject scoort hoger naarmate het in een groter deel van de woningvoorraad kan worden herhaald. Gekeken wordt op welke woningtypen en locaties de standaardmaatregelenpakketten toe te passen zijn, naar de aantallen woningen in de vervolgprojecten en naar de intentie van het samenwerkingsverband en de gespecificeerde aanbieders om vervolgprojecten uit te voeren die voor 2030 tot realisatie komen.

  • 3. Mate van vernieuwing (maximaal 20 punten). Het renovatieproject scoort hoger naarmate het meer proces- en productinnovatie bevat. Het gaat bij procesinnovatie om hoe woningeigenaren onderling en met aanbieders gaan samenwerken, innovatieve contractvormen daarbij en welke kostenbesparende innovaties aanbieders in ketensamenwerking, industrialisatie, digitalisering, en installatie- en onderhoudsprocessen met behulp van het verduurzamingsplan willen gaan doorvoeren. Bij productinnovatie zal worden beoordeeld of een standaardmaatregelenpakket al breed op de markt is geïntroduceerd. Het renovatieproject scoort minder hoog als het standaardmaatregelenpakket al breed op de markt is verspreid.

  • 4. Verwachte kostendaling (maximaal 25 punten). Uit een via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beschikbaar gestelde uniforme berekeningsmethode van de te verwachten kostenreductie uitgedrukt in integrale kosten voor de eigenaar, ook wel aangeduid als Total Cost Of Ownership (TCO), moet duidelijk worden wat de integrale kosten van het verduurzamingsplan per woning zijn. Het renovatieproject scoort hoger naarmate:

    • er een grotere integrale kostendaling in het renovatieproject zal worden gerealiseerd. Om hier een indicatie van te kunnen geven dienen de deelnemende aanbieders in het TCO-model aan te geven wat de integrale kosten zouden bedragen van een (denkbeeldig) project ter omvang van 50 woningen van één opdrachtgever uitgevoerd volgens de gangbare werkwijze.

    • er een grotere integrale kostendaling per woning mogelijk is bij verdere opschaling van de verduurzamingsaanpak met het standaardmaatregelenpakket. De deelnemende aanbieders in het consortium dienen daarbij aan te geven welke verlaging van de integrale kosten zij kunnen aanbieden, indien na realisatie van het renovatieproject een vervolgopdracht verstrekt zou worden voor renovatieprojecten van verschillende omvang, bestaande uit 150, 500, 1.000, 5.000 of 10.000 woningen (exclusief prijswijzigingen en loonindexering).

TOELICHTING

Algemeen

1. Doel van de regeling

Om de voor de energietransitie noodzakelijke kostenreductie en het tempo van 200.000 woningen verduurzamen per jaar te bereiken, moet radicaal worden gebroken met de tot nu gangbare werkwijze bij woningrenovaties, zowel aan vraag- als aanbodzijde. Aan de vraagzijde zal het vastgoedmanagement van corporaties en andere verhuurders moeten veranderen zodat inkoopsamenwerking, gestandaardiseerd bundelen van de vraag, een meerjarige financiële planning en het principe van Total Cost of Ownership (TCO) de norm worden. Ook aan de aanbodzijde is innovatie noodzakelijk: ketensamenwerking, digitalisering, industrialisatie en integrale verantwoordelijkheid.

De onderhavige Subsidieregeling Renovatieversneller (hierna: de Subsidieregeling) heeft als doel een continue, gebundelde vraag van renovaties te creëren, waarop door aanbieders via ketensamenwerking een integraal, gestandaardiseerd en geïndustrialiseerd aanbod kan worden ontwikkeld ter verduurzaming van woningen. De Subsidieregeling beoogt daarbij een competitie te organiseren tussen projecten die voldoen aan de drempeleisen: ten minste 150 woningen, samenwerking tussen ten minste twee grotere verhuurders en verduurzaming tot een maximale warmtevraag van 70 kWh/m2 (volgens de NTA 8800). Subsidie wordt toegekend aan projecten met de grootste omvang, kans op opschaling, mate van vernieuwing en verwachte kostenreductie. Voorts geldt dat het projectplan, de uitvoeringswijze en het betrekken van bewoners bij het project voldoende moet zijn om subsidie toegekend te krijgen.

2. De Renovatieversneller

Inleiding

Het Klimaatakkoord stelt dat de kosten van verduurzaming in de gebouwde omgeving omlaag moeten met circa 20 tot 40 procent om de doelen voor 2030 (49 procent CO2-reductie) te kunnen halen. Dit is een grote opgave omdat tegelijkertijd ook het tempo van energierenovaties aanmerkelijk omhoog moet en daarmee, gezien de beperkte beschikbaarheid van arbeidskrachten in de bouwsector, ook de arbeidsproductiviteit in het renovatieproces. De Renovatieversneller is een programma van de Rijksoverheid (ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; hierna: BZK) en een aantal partners dat hier een bijdrage aan wil leveren. In januari 2020 hebben BZK, Techniek NL, Bouwend Nederland, Aedes en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) hun samenwerking als partners binnen het programma De Renovatieversneller in de vorm van een overeenkomst vastgelegd.

De Renovatieversneller is gericht op opschaling in de markt door vraagbundeling van gelijksoortig te renoveren woningen van meerdere woningeigenaren waardoor meer continuïteit in de vraag naar de verduurzaming van woningen wordt gecreëerd. Door het creëren van meer continuïteit en eenvormigheid in de vraag beoogt de Subsidieregeling aanbieders te stimuleren tot standaardisatie van maatregelen voor woningrenovatie, ontwikkeling van aanpakken die herhaalbaar zijn, efficiëntere ketensamenwerking en industrialisatie en digitalisering van het productie- en bouwproces. Meer industrialisatie en een verbeterde logistiek zijn niet alleen van belang voor een verbetering van de arbeidsproductiviteit en een vermindering van de faalkosten, maar ook voor het verduurzamen van het productie- en bouwproces zelf met het oog op vermindering van de uitstoot in de keten.

Wat is het probleem?

Het verduurzamen van woningen laat zich nu vaak nog niet over de levensduur van de investering terugverdienen. Met name wat meer ingrijpende of complexe vormen van isolatie zijn nog relatief duur. Innovatieve aanbieders zien kansen om deze kosten fors te verlagen. Zij zien mogelijkheden om te komen tot een efficiëntere organisatie met meer structurele ketensamenwerking (van leverancier tot installatie), industrialisatie van het productieproces met lagere arbeidskosten en standaardmaatregelpakketten per woningtype.

Randvoorwaarde voor deze gewenste marktontwikkeling is echter dat er een meer continue en gestandaardiseerde vraag ontstaat. Grote verhuurders, zoals woningcorporaties, kunnen hieraan door hun schaalgrootte een belangrijke bijdrage leveren, maar de huidige werkwijze is hier tot dusver onvoldoende op ingericht. Door gezamenlijk op grote schaal in te gaan kopen en de vraag naar woningtype en/of vervangingsmoment van het bouwdeel of de installatie te bundelen kunnen grote woningeigenaren naar inschatting een aanzienlijk kostenreductiepotentieel helpen realiseren. Door een eerste brede marktintroductie van nieuw ontwikkelde standaardmaatregelpakketten zal naar verwachting een wezenlijke bijdrage worden geleverd aan de kostenreductiedoelstelling in het Klimaatakkoord.

Inhoud programma Renovatieversneller

Het programma van de Renovatieversneller richt zich op de hierboven beschreven eerste, brede marktintroductie van nieuw ontwikkelde standaardmaatregelpakketten en de daarvoor noodzakelijke veranderingen aan zowel de vraag- als aanbodzijde. De Renovatieversneller is daartoe aan de ene kant ingericht als een landelijk ondersteuningsprogramma dat een stimulerende leeromgeving biedt waarin verhuurders en aanbieders samenwerken aan het bundelen van de vraag en aan de ontwikkeling van standaardmaatregelpakketten. Daarnaast is in het kader van de Renovatieversneller de onderhavige Subsidieregeling ingesteld voor de meest veelbelovende projecten waarbinnen verhuurders en innovatieve aanbieders voor het eerst op grote schaal gestandaardiseerde renovaties uitvoeren. Omdat het beschikbare subsidiebudget beperkt is, zullen de projecten op hun omvang, opschalingspotentieel, kostenreductie en mate van vernieuwing worden gerangschikt. De gesubsidieerde projecten moeten met behulp van kennisdeling (via het ondersteuningsprogramma) een voorbeeld worden voor andere verhuurders.

Doelen Renovatieversneller

De doelen van het programma van de Renovatieversneller zijn als volgt samen te vatten:

  • Opschaling en creëren van een meer continue vraag naar integrale energierenovaties naar aardgasvrij of aardgasvrij-ready doordat grote verhuurders overgaan op vraagbundeling en gezamenlijke inkoop;

  • Toepassing van vernieuwende methodieken van samenwerking en contractering gebaseerd op functionele eisen en lopend over de gehele levensduur van de woning met geborgde (energie)prestaties;

  • Een brede marktintroductie van gestandaardiseerde maatregelenpakketten die de experiment- en demonstratiefase reeds doorlopen hebben;

  • Kostenreductie van de verduurzaming van woningen door standaardisatie van innovatieve renovatie-aanpakken, efficiëntere ketensamenwerking en industrialisatie van het productieproces.

  • Dit alles zal leiden tot een snellere verduurzaming van de woningvoorraad en een verduurzaming van het productie- en bouwproces zelf.

3. Kern van de Subsidieregeling

De Subsidieregeling beoogt een werkwijze te stimuleren die gericht is op kostenreductie en opschaling in de gehele renovatieketen. Aanvragen voor subsidie kunnen worden gedaan door een penvoerder namens woningeigenaren binnen een samenwerkingsverband voor een renovatieproject. Om voor subsidie in aanmerking te komen gelden de volgende voorwaarden voor het project en het samenwerkingsverband waarvoor het project is opgericht:

  • ten minste twee woningeigenaren nemen deel die ieder ten minste 50 woningen inbrengen in het project;

  • een standaardpakket van energiebesparende maatregelen wordt toegepast op ten minste 150 woningen met een bouwjaar tot 1995;

  • waardoor tenminste 90 procent van die woningen naar een netto warmtevraag van maximaal 70 kWh/m2 per jaar wordt gerenoveerd;

  • voor de maximaal 10 procent van de woningen waarvoor met de toepassing van het standaardmaatregelenpakket de eis van maximaal 70 kWh/m2 per jaar niet wordt gehaald, wordt de achtergrond hiervan in een toelichting gemotiveerd (bijvoorbeeld hoekwoningen);

  • minstens één van de aanbiedende partijen is een MKB-onderneming; en

  • per woning wordt uitgevoerd volgens het bijgevoegde verduurzamingsplan.

Bij de aanvraag moeten in ieder geval worden ingediend:

  • een verklaring van de aanbieders die de projecten gaan uitvoeren waarmee inzicht wordt gegeven in de mate waarin bij de aanbieders standaardisatie en industrialisatie plaatsvindt en ketensamenwerking wordt bevorderd;

  • een verduurzamingsplan met daarin opgenomen:

    • welk standaardmaatregelenpakket in welke woningen (adres, naam eigenaar, vloeroppervlakte en type woning) wordt toegepast, en de te behalen netto warmtevraag per vierkante meter per jaar na renovatie gemeten volgens de NTA 8800;

    • welke proces- en productinnovaties worden gerealiseerd;

    • wat de Total Cost of Ownership (TCO) is, berekend met een model dat op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ter beschikking wordt gesteld;

    • wat de verwachte kostenverlaging is in het uit te voeren renovatieproject;

    • wat de verwachte kostenverlaging zal zijn bij verdere opschaling;

    • hoe de uitvoeringskwaliteit wordt gewaarborgd;

    • hoe de bewoners worden betrokken bij de renovatie; en

    • een mijlpalenplanning voor het gehele project.

Het budget voor de Subsidieregeling is voor de komende vier jaar € 96.000.000. Voor 2020 is het subsidieplafond € 19.500.000. Met als doel dat er meerdere samenwerkingsverbanden ontstaan, is er voor het jaar 2020 per project een maximum van € 10.000.000 vastgesteld.

De hoogte van de forfaitaire subsidiebedragen voor het jaar 2020 is afhankelijk van het woningtype, het type installatie dat in de woning wordt geplaatst en de netto warmtevraag na renovatie (kWh/m2 per jaar). Voor eengezinswoningen met een bouwjaar tot 1995 is het forfaitair bedrag € 3.000 per woning en bij renovatie naar een netto warmtevraag lager dan 50 kWh/m2 € 7.000 per woning. Voor meergezinswoningen met een bouwjaar tot 1995 is dit respectievelijk € 2.000 en € 4.000 per woning. Indien een duurzame energie-installatie onderdeel is van het standaardmaatregelpakket, geldt een additioneel forfaitair bedrag afhankelijk van het type installatie. De forfaitaire bedragen zullen in de komende jaren dalen, zodat aanvragers worden gestimuleerd snel een aanvraag te gaan doen.

Het project dient binnen twee jaar na subsidiebeschikking te zijn gestart en binnen drie jaar na de start te zijn afgerond.

De aanvragen worden conform de systematiek van een tender gerangschikt door ze te beoordelen op een aantal criteria: de omvang van het renovatieproject, het opschalingspotentieel, de mate van vernieuwing en de verwachte kostendaling. Voor de beoordeling van de aanvragen zal een adviescommissie worden ingesteld van vijf deskundigen. Zij zullen de voorstellen toetsen aan de hiervoor genoemde rangschikkingscriteria.

Voor de vaststelling van de subsidie geldt dat de woningeigenaar minstens 80 procent van de door hem ingebrachte woningen in het renovatieproject overeenkomstig het verduurzamingsplan moet hebben gerenoveerd (zie toelichting bij artikel 11). De Subsidieregeling kent nogal wat voorwaarden en verplichtingen die op elkaar ingrijpen. Om hier meer helderheid in te verschaffen is bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 11 een aantal scenario’s uitgewerkt. Daarin is aangegeven in welke gevallen woningeigenaren voor welke woningen subsidie ontvangen.

4. Regeldruk en administratieve lasten

De inhoudelijke nalevingkosten en de administratieve lasten vormen gezamenlijk de kosten die samenhangen met regeldruk. Het kabinet streeft er naar de regeldruk voor burgers, bedrijven en professionals terug te dringen.

Adviescollege Toetsing Regeldruk

Er is advies gevraagd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR). Het college constateert dat de nut en noodzaak van de regeling is onderbouwd en dat de administratieve lasten tot een minimum zijn beperkt. Naast een in het algemeen positief oordeel, heeft het college geadviseerd meer duidelijkheid te geven over de samenhang met de invoering van de NTA 8800, in te gaan op de betrokkenheid van het midden- en kleinbedrijf (MKB) en om de berekening van de administratieve lasten te specificeren. Het ATR concludeert dat de regeling kan worden vastgesteld nadat de aanbevelingen zijn verwerkt. Naar aanleiding hiervan wordt het volgende opgemerkt:

  • De invoering van de NTA 8800 als standaardbepalingsmethode voor de energieprestatie van woningen gaat in op 1 januari 2021. De software waarmee de netto warmtevraag per vierkante meter per jaar kan worden bepaald volgens NTA 8800, is voorhanden vanaf voorjaar 2020. Vanaf eind juni 2020 kunnen aanvragen worden ingediend. Dit biedt aanvragers voldoende mogelijkheid om deze software bij hun aanvraag te benutten. Aanvragers kunnen bij het indienen van de aanvraag aangeven van welke versie van de software zij gebruik hebben gemaakt.

  • Van de zestien bij de consultatie betrokken bedrijven behoort circa de helft tot het MKB. Het belang van het midden- en kleinbedrijf is bovendien behartigd door de prominent bij de consultatie betrokken brancheorganisaties Techniek NL en Bouwend Nederland.

  • De berekening van de administratieve lasten is hieronder nader gespecificeerd en uitgesplitst naar de (geschatte) kosten per project en de totale (geschatte) kosten voor de subsidieregeling in 2020.

  • Artikel 21 van het Kaderbesluit BZK-subsidies (hierna: het Kaderbesluit) bevat de minimumeisen voor een BZK-subsidie. Het advies van de ATR om in verband met de kenbaarheid de verplichtingen van dat artikel in de Subsidieregeling zelf op te nemen, is niet gevolgd, aangezien het wetstechnisch niet gebruikelijk en niet wenselijk is om bepalingen uit hogere regelgeving in gedelegeerde regelgeving over te nemen. In plaats daarvan is in de artikelsgewijze toelichting bij 12 (het artikel dat de additionele verplichtingen bevat) weergegeven welke verplichtingen reeds gelden op grond van artikel 21 van het Kaderbesluit.

De regeling heeft gevolgen voor de regeldruk voor bedrijven die subsidie willen ontvangen. Het gaat in het bijzonder om:

  • het voorbereiden en indienen van de subsidieaanvraag;

  • het uitvoeren van het project;

  • het rapporteren over de voortgang van het project langs vooraf vastgestelde mijlpalenplanning;

  • het aanleveren van de relevante rapportages ten behoeve van de vaststelling;

  • de rapportage over de monitoring van het proces van uitvoering van het renovatieproject;

  • het bijhouden en beheren van een financiële administratie over de uitgevoerde activiteiten;

  • het meewerken aan kennisoverdrachtsactiviteiten.

Bij de afronding van het project moet een bestuurdersverklaring worden aangeleverd en de administratie zal voor ten minste vijf jaar moeten worden bewaard voor het geval er een controle achteraf moet plaatsvinden.

Voor deze regeling wordt verwacht dat er het eerste jaar ongeveer tien aanvragen zullen worden ingediend. Uitgaande van de forfaitaire bedragen zullen er ongeveer zes aanvragen kunnen worden gehonoreerd op basis van het beschikbare subsidiebudget. Er wordt gehecht aan samenwerking tussen verschillende woningeigenaren en aanbieders in de projecten. Daarom wordt er in de berekening ook rekening gehouden met enige administratieve lasten voor deze partners, gemiddeld vijf per aanvraag. Op basis hiervan worden de administratieve lasten als volgt ingeschat:

Administratieve lasten (AL) subsidieregeling 2020

AL Aanvraag

€ 94.080

AL Tijdens uitvoering

€ 43.200

AL Eindverantwoording

€ 37.800

AL Totaal subsidieregeling 2020

€ 175.080

AL uitgedrukt in % van het totale subsidiebedrag (€ 19,5 miljoen)

0,90%

Uitgesplitst naar kosten voor gehonoreerde projecten gaat het om de volgende bedragen:

Administratieve lasten (AL) per project

AL Aanvraag

€ 10.620

AL Tijdens uitvoering

€ 7.200

AL Eindverantwoording

€ 6.300

AL Totaal per aanvraag

€ 24.120

5. Staatssteun

De Subsidieregeling behelst een staatssteunmaatregel voor woningeigenaren, die volgens de artikelen 38 en 41 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) niet aanmeldingsplichtig is. Daarbij zijn de volgende bepalingen relevant:

Artikel 38
  • 1. Investeringssteun om ondernemingen in staat te stellen energie-efficiëntie te behalen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

  • 3. De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energie-efficiëntie te behalen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

    • b) in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in energie-efficiëntie vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder energie-efficiënte investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn uitgevoerd. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met energie-efficiëntie verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten.

      De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie, komen niet in aanmerking.

  • 4. De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 30% van de in aanmerking komende kosten.

Artikel 41
  • 1. Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

  • 6. De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld:

    • c) voor bepaalde kleine installaties waar een minder milieuvriendelijke investering niet kan worden bepaald omdat geen installaties van beperkte omvang bestaan, vormen de totale investeringskosten die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming te bereiken, de in aanmerking komende kosten.

      De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.’

  • 7. De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

    • b) 30% van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 6, onder c.

Op grond van artikel 8 van de Subsidieregeling wordt een subsidieaanvraag geweigerd indien niet is voldaan aan de voorwaarden van de AGVV. In artikel 7, tweede lid, is de maximale subsidie aan een woningeigenaar zodanig bepaald dat de subsidie binnen de staatssteungrenzen van de AGVV blijft. Verwezen wordt naar de toelichting op dat artikel.

6. Uitvoering

Deze regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

7. Inwerkingtreding

De regeling biedt mede ondersteuning aan de Startmotor uit het Klimaatakkoord waarbij de afspraak is gemaakt tot 2023 100.000 woningen aardgasvrij te maken, met name in de corporatiesector. De regeling zal mede daarom in de vier jaren tot 2023 worden opengesteld met een toenemend budget en een naar verwachting afnemend forfaitair bedrag per woning. Hiermee worden aspirant-aanvragers gestimuleerd zo vroeg mogelijk een aanvraag voor subsidie te doen.

De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Voornemen is om aanvragers de mogelijkheid te bieden in mei 2020 bij RVO een projectidee te presenteren met als doel hierop feedback te ontvangen. Vanaf eind juni is het mogelijk een aanvraag in te dienen. De definitieve aanvraag om subsidie dient voor 2 november 2020 plaats te vinden. Dan sluit de aanvraagtermijn voor de regeling in 2020 (zie artikel 5 van de regeling). De relatief lange periode tot november wordt door partijen noodzakelijk geacht om te komen tot goede, eenvormige vraagbundeling en sterke consortia die in die vraag kunnen voorzien. Voor de jaren na 2020 worden elk jaar, twee weken voorafgaand aan de openstelling van de aanvraagperiode, de data van de openstellingsperiode gepubliceerd in de Staatscourant.

8. Consultatie

De conceptregeling is vanaf 18 november 2019 in consultatie gegaan. De consultatie bestond uit een uitnodiging om schriftelijk te reageren tot uiterlijk 2 december 2019 en is verstuurd aan 40 organisaties, waaronder bouwbedrijven, installatiebedrijven, corporaties, kennisinstellingen en brancheorganisaties. Op 25 november 2019 heeft een consultatiebijeenkomst plaatsgevonden waarvoor tien organisaties zijn uitgenodigd en vertegenwoordigers van de drie betrokken brancheorganisaties (Bouwend Nederland, Techniek NL en Aedes) om dieper op de conceptregeling in te gaan. Onder de tien deelnemende organisaties bevonden zich drie representanten uit de achterban van elk van de drie brancheorganisaties.

Een aantal criteria in de Subsidieregeling is aangepast naar aanleiding van de consultatie. In onderstaand schema wordt per criterium kort aangegeven wat de reacties in de consultatie waren en tot welke aanpassing is besloten.

Criterium

[keuze in conceptregeling]

Aanpassing naar aanleiding van consultatie

Aantal woningen in het project

[minimaal 500]

Consultatie: Op dit punt liepen de meningen sterk uiteen. Enerzijds vond men de eis van 500 woningen voor één project te hoog, anderzijds acht men 500 woningen te weinig voor bedrijven om te investeren in industrialisatie. Meer nog dan een hoog aantal woningen in het project is daarvoor continuïteit in de vraag nodig over een langere periode en een ‘productietempo’ van minstens 200 tot 600 woningen per jaar.

Aanpassing: minimumeis verlaagd naar 150 woningen; een extra rangschikkingscriterium voor het aantal woningen in het project boven de 150 toegevoegd. Dit criterium krijgt met 35 van de 100 punten een zwaar gewicht (zie bijlage bij de regeling). Er is een extra rangschikkingscriterium toegevoegd voor het uitzicht op en de omvang van vervolgprojecten.

Aantal woningeigenaren [minimaal 2] en aantal woningen per eigenaar [minimaal 1]

Consultatie: De conceptregeling eiste minimaal twee woningeigenaren en kende geen minimumaantal in te brengen woningen. Dat gaf de mogelijkheid aan een grote verhuurder om samen met een kleine private verhuurder of een eigenaar-bewoner een aanvraag te doen. Dit werd door een aantal deelnemers aan de consultatie (zoals De Bouwagenda) als niet wenselijk beschouwd, omdat dit vraagbundeling onvoldoende stimuleert.

Aanpassing: een samenwerkingsverband dient minstens te bestaan uit twee verhuurders of VVE’s die ieder minimaal 50 woningen inbrengen in het project.

Periode tussen subsidieverlening en start renovatie

[maximaal 1 jaar]

Consultatie: Corporaties en bouwers gaven aan dat één jaar te krap is om inspraak bewoners te organiseren, instemming bewoners te bereiken en de voorbereidingen voor de renovatie af te ronden. Corporaties gaven aan dat circa anderhalf jaar nodig is. Aedes vroeg om periode van twee jaar.

Aanpassing: maximale periode tussen subsidieverlening en start bouw verlengd tot twee jaar.

Periode tussen start en afronding renovatie

[maximaal 3 jaar]

Consultatie: Een periode van drie jaar van start verbouw tot oplevering woningen, bleek voldoende ruim volgens de geconsulteerde corporaties. Aedes vraagt om een periode van vier jaar na instemming huurders.

Aanpassing: geen aanpassing, periode gehandhaafd op drie jaar.

Eisen aan renovatie en energieprestatie

[minstens renoveren dak of gevel en minimaal Label A]

Consultatie: Er is een duidelijke voorkeur voor integrale maatregelpakketten. De minimumeis die wordt gesteld aan de energieprestatie van de woning mag ambitieuzer volgens installatie- en bouwbedrijven en partijen als TKI Urban Energy en De Stroomversnelling. De corporaties kunnen zich vinden in label A. Aedes en OnderhoudNL pleiten voor label B als prestatie-eis. Techniek NL ziet meer in het hanteren van een minimum (energie)labelsprong.

Aanpassing: Besloten is de minimumeis voor de energieprestatie te formuleren volgens de bepalingsmethodiek van het nieuwe energielabel (NTA 8800) als de maximale warmtevraag per vierkante meter vloeroppervlak per jaar. Deze minimumeis voor de energieprestatie is gelegd op 70 kWh/m2 per jaar. Voor een renovatie tot maximaal 50 kWh/m2 wordt een hoger forfaitair bedrag gegeven.

De eis aan het standaardmaatregelenpakket (minimaal dak of gevel) is komen te vervallen. De samenstelling van het maatregelpakket is vrij.

Subsidie voor installaties

[geen subsidie voor installaties]

Consultatie: Installaties buiten de regeling laten, bleek niet de voorkeur te hebben van de verschillende deelnemers.

Aanpassing: Installaties worden meegenomen in de Subsidieregeling. Het gaat daarbij zowel om ventilatie- als verwarmingssystemen.

Forfaitaire bedragen versus

[30% van subsidiabele kosten]

Consultatie: Duidelijk werd tijdens de consultatie dat de gehanteerde definitie van subsidiabele kosten lastig is voor aanvragers. Ook in de uitvoering en verantwoording achteraf geniet het werken met forfaitaire bedragen de voorkeur.

Aanpassing: Subsidie op basis van forfaitaire bedragen.

Hoogte subsidiebedrag

[maximaal 6.000 euro per woning]

Consultatie: Een maximumbedrag van 6.000 euro per woning werd door meerdere deelnemers als te laag gezien als subsidie voor een vergaande energieprestatieverbetering.

Aanpassing: Het stellen van een hogere minimumeis aan de energieprestatie en het meenemen van installaties (conform de ISDE-lijst) geeft de mogelijkheid om voor sommige woningtypen te komen tot een hoger forfaitair bedrag.

Rangschikkingscriterium

Herhalingspotentieel

Consultatie: Uitzicht op vervolgopdrachten werd door veel betrokkenen gezien als een belangrijk criterium dat zou moeten meewegen in de rangschikking. Omvang van het project meenemen als een apart criterium met het zwaarste gewicht.

Aanpassing: Naast de omvang van het project, worden afspraken over vervolgprojecten en omvang van die vervolgprojecten tot een apart criterium gemaakt.

Rangschikkingscriterium

Mate van vernieuwing

Consultatie: Sommige partijen (Techniek NL, Bouwend Nederland) zien dit criterium als overbodig: vernieuwing vormt geen doel in zich. Een groter aantal woningeigenaren in een samenwerkingsverband honoreren, is geen goede stimulans volgens corporaties, TKIUE en Aedes. Samenwerking tussen verhuurders is al complex genoeg. De Bouwagenda geeft aan dat vanwege het voorkomen van ‘business as usual’ dit criterium van groot belang is.

Aanpassing: Belonen extra woningeigenaren in samenwerkingsverband geschrapt. Overige vernieuwing aan vraagzijde en aanbodzijde als criterium handhaven vanwege het belang van het stimuleren van innovatieve aanpakken.

Rangschikkingscriterium

Mate van verduurzaming

Consultatie: Op dit punt liepen de meningen uiteen, afhankelijk van de visie op de andere onderdelen van de regeling. Een aantal partijen stelden voor niet te kijken naar het duurzaamheidsniveau na renovatie maar naar de sprong in energiezuinigheid.

Aanpassing: Er wordt een hogere energieprestatie-eis gesteld. En investeringen in duurzame installaties worden ook gesubsidieerd. Alle projecten zijn daarmee al in hoge mate duurzaam te noemen. Besloten is dit rangschikkingscriterium daarom te schrappen.

Rangschikkingscriterium

Verwachte kostendaling over de keten (TCO)

Consultatie: Dit criterium wordt als belangrijk gezien door Techniek NL en Bouwend Nederland.

Aanpassing: Gehandhaafd en na omvang van het project het hoogste gewicht toebedeeld.

Rangschikkingscriterium

Uitvoeringskwaliteit

Consultatie: Techniek NL stelt voor monitoring van verbruik en binnenklimaat op te nemen in dit criterium.

Aanpassing: Samengevoegd met criterium bewonerstevredenheid en monitoring van prestaties toegevoegd. Als afwijzingsgrond opgenomen.

Rangschikkingscriterium

Bewonerstevredenheid

Consultatie: Aedes geeft aan dat de wettelijke basis en de gevolgde werkwijzen van corporaties waarborgen dat belangen van huurders worden gediend. Daardoor is dit rangschikkingscriterium volgens Aedes overbodig. Techniek NL en Bouwend Nederland zien het als een belangrijk maar moeilijk vooraf vast te leggen criterium. Men is het eens dat alleen projecten waarin voldoende aandacht is voor bewoners kans mogen maken op subsidie.

Aanpassing: Als onderdeel van een afwijzingsgrond opgenomen.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de definitiebepalingen van deze Subsidieregeling.

Het begrip ‘samenwerkingsverband’ verwijst naar de groep van woningeigenaren die gezamenlijk een aanvraag doen voor subsidie voor een renovatieproject van een deel van hun woningbezit. Dit begrip ‘samenwerkingsverband’ omvat niet de aanbieders die de renovatie gaan uitvoeren.

Om verhuurders de mogelijkheid te bieden gespikkeld bezit in de renovatie mee te nemen, kan een individuele woningeigenaar of een vereniging van eigenaars (hierna: VVE) ook onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband. Om te waarborgen dat, conform de doelstelling van de onderhavige regeling, vraagbundeling plaatsvindt, is de eis gesteld dat ten minste twee woningeigenaren minimaal 50 woningen moeten inbrengen in het renovatieproject. Het moet gaan om twee niet aan elkaar gelieerde woningeigenaren. Indien een van beide woningeigenaren een VVE betreft, mag de andere woningeigenaar niet ook deel uitmaken van deze VVE.

Als voorbeeld kan gelden een samenwerkingsverband waarin een verhuurder en een vereniging van eigenaars waar deze verhuurder deel van uitmaakt, de twee partijen zijn die vijftig woningen inbrengen in het renovatieproject. Dit wordt niet beschouwd als een geldig samenwerkingsverband. In dit geval is er geen sprake van het stimuleren van samenwerking op vraagbundeling tussen woningeigenaren, doordat er al een verband van woningeigenaren is waarbinnen vraagbundeling plaatsvindt, namelijk de VVE.

Het begrip ‘woningeigenaar’ wordt in de regeling gebruikt om woningcorporaties, woningverhuurders (natuurlijke of rechtspersonen), eigenaar-bewoners of verenigingen van eigenaars aan te duiden, die binnen het samenwerkingsverband woningen inbrengen in het project.

Het begrip ‘penvoerder’ verwijst naar de woningeigenaar in het samenwerkingsverband die namens het samenwerkingsverband de aanvraag doet en de voortgangsrapportages over het renovatieproject verzorgt. De penvoerder is een van de woningeigenaren die minstens 50 woningen in het renovatieproject inbrengen.

Het begrip ‘aanbieders’ is gedefinieerd als ondernemingen die een renovatieproject uitvoeren. Daarbij worden de ondernemingen bedoeld die ontwerp, productie, levering, installatie en onderhoud van energiebesparende maatregelen en duurzame energie-installaties aanbieden.

Voor het begrip ‘renovatieproject’ wordt verwezen naar artikel 3 en artikel 6, onderdeel 3. In artikel 3 staat onder meer de minimale omvang en het ambitieniveau qua energieprestatie. In artikel 6, onderdeel 3 staat dat een renovatieproject gebaseerd moet zijn op een verduurzamingsplan met als bijlagen een aantal intentieverklaringen.

Het begrip ‘Midden- en Klein Bedrijf-onderneming (MKB)’ is juridisch vastgelegd in de bijlage bij de Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 (PbEG 2003, L124). Deze definitie wordt in onderhavige regeling gehanteerd als definitie van een MKB-onderneming. Daarin wordt als definitie voor MKB-onderneming gehanteerd: ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van grootschalige innovatieve renovatieprojecten ter verduurzaming van woningen die worden uitgevoerd in het kader van een samenwerkingsverband.

Hiermee beoogt onderhavige Subsidieregeling om voor een aantal veelbelovende innovatieve aanpakken via vraagbundeling en standaardisatie een brede marktintroductie te realiseren, om zo de randvoorwaarden te creëren voor (verdere) kostenreductie door industrialisatie en ketensamenwerking. Het uiteindelijke effect dat deze regeling wil sorteren is om ter verduurzaming van woningen kostenreductie en opschaling van de renovatiemarkt te realiseren over de hele renovatieketen van inkoop, ontwerp, productie, levering, installatie en onderhoud van energiebesparende maatregelen en duurzame energie-installaties in bestaande woningen.

Artikel 3. Verstrekken van de subsidie

Om het in artikel 2 genoemde doel te bereiken kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister van BZK) subsidie verstrekken aan de woningeigenaren in een samenwerkingsverband dat projectmatig woningrenovaties laat uitvoeren. Als opdrachtgever geldt een samenwerkingsverband van ten minste twee deelnemers die ieder minstens vijftig woningen inbrengen in het project (zie ook toelichting artikel 1). Deelnemers aan het samenwerkingsverband kunnen woningcorporaties zijn, overige verhuurders van woningen, eigenaren-bewoner en verenigingen van eigenaars.

Samenwerkingsverbanden van woningeigenaren dienen in overleg met vooraf gespecificeerde aanbieders een verduurzamingsplan te maken (zie ook artikel 6, onderdeel 3). Belangrijk element van het verduurzamingsplan is een gestandaardiseerd pakket bestaande uit energiebesparende maatregelen en waar wenselijk duurzame energie-installaties. Het pakket van energiebesparende maatregelen moet ervoor zorgen dat woningen voldoende energie-efficiënt zijn om van het aardgas af te kunnen gaan. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat een standaard netto warmtevraag uitgedrukt in kWh/m2 per jaar zal gaan aangeven hoe energie-efficiënt woningen dienen te zijn om dit niveau te bereiken.

Deze regeling gaat voor het budget van 2020 uit van een minimale energie-efficiëntie na renovatie op het niveau van een netto warmtevraag van 70 kWh/m2 per jaar. Dit is voor 90 procent van de woningen een harde ondergrens waaraan een woning binnen de looptijd van het renovatieproject moet gaan voldoen. Voor ten hoogste 10 procent geldt een uitzondering voor deze norm, maar geldt een inspanningsplicht om zo veel mogelijk aan deze eis te voldoen. Bij aanvraag dient de invulling van deze inspanningsplicht in het verduurzamingsplan gemotiveerd te worden met een beschrijving van het pakket van maatregelen en het te bereiken warmtevraagniveau. Reden voor deze uitzondering is dat hoekwoningen naar inschatting ingrijpender moeten worden gerenoveerd om aan dezelfde warmtevraag-eis te kunnen voldoen. Hetzelfde kan gelden voor appartementen gelegen op de begane grond, onder het dak of aan een kopgevel van een appartementengebouw. Soms kan zelfs met een ingrijpender pakket van maatregelen niet aan de warmtevraag-eis worden voldaan. Deze uitzondering wordt alleen gemaakt voor woningen die integraal onderdeel uitmaken van een te renoveren groep of blok van eengezinswoningen of appartementen en die door hun afwijkende vorm en/of ligging relatief meer warmteverliesoppervlak hebben per eenheid vloeroppervlak dan de andere woningen in het renovatieproject.

Het kan zijn dat het vaststellen van de standaard in het kader van het Klimaatakkoord aanleiding geeft om de regeling aan te passen voor de jaren 2021 tot en met 2023. De bovenste grens voor de netto warmtevraag in de regeling zal dan mogelijk op het niveau van de standaard worden gelegd.

Om te voorkomen dat de subsidie boven het toegestane percentage van 30 procent van de bijkomende investeringskosten uitstijgt (zie ook toelichting bij artikel 7), is de Subsidieregeling uitsluitend van toepassing op woningen gebouwd voor het jaar 1995. Vanaf 1995 zijn de woningen door veranderde eisen aan de nieuwbouw veel energie-efficiënter, waardoor de kosten van renovatie tot aardgasvrij lager uitvallen.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdeling

De Subsidieregeling betreft een reeks van vier subsidietenders die in de jaren 2020 tot en met 2023 jaarlijks door het ministerie van BZK worden opengesteld. In 2020 bedraagt het subsidieplafond € 19,5 miljoen. In 2021 is het subsidieplafond € 19,25 miljoen. Het subsidieplafond loopt op tot respectievelijk € 28,75 miljoen en € 28,5 miljoen in de tenders van 2022 en 2023 zoals onderstaande tabel laat zien.

Tabel 1. Subsidieplafonds Renovatieversneller 2020 tot en met 2023 (in miljoenen euro)
 

2020

2021

2022

2023

Totaal

Budget

19,5

19,25

28,75

28,5

96

De toekenning van de subsidie vindt plaats op volgorde van rangschikking tot het subsidieplafond is bereikt. Aanvragen die in de rangschikking boven het subsidieplafond uitkomen krijgen geen subsidie toegekend. De rangschikking wordt bepaald door RVO namens de minister van BZK, die daarbij wordt geadviseerd door een speciaal hiervoor ingestelde adviescommissie aan de hand van vooraf vastgestelde rangschikkingscriteria, zoals opgenomen in de bijlage bij de Subsidieregeling. Aangezien de eerste aanvraagperiode in november 2020 sluit (zie artikel 5) en het proces van beoordeling van de ingediende renovatieprojecten tijd vergt, zullen voor de tenderronde in 2020 de subsidiebeschikking en daarmee het aangaan van financiële verplichtingen in 2021 plaatsvinden.

Artikel 5. Aanvraagperioden

Voor de tender van 2020 kunnen de deelnemers aan een samenwerkingsverband (de woningeigenaren) een subsidieaanvraag doen met ingang van de datum van publicatie van deze regeling in de Staatscourant tot en met 2 november 2020. Het voornemen is om in mei 2020 aan samenwerkingsverbanden van woningeigenaren en consortia van aanbieders de mogelijkheid te bieden een projectidee te presenteren aan RVO om daarop advies te ontvangen. Nadere informatie hierover zal op de website van RVO worden gepubliceerd. Deze procedure is vrijwillig en niet verplicht voor het doen van een definitieve aanvraag en is daarom niet in de regeling opgenomen.

Voor de tenders van 2021, 2022 en 2023 zal de minister van BZK in de desbetreffende jaren een of meer aanvraagperioden vaststellen.

Artikel 6. Aanvragers en aanvraagformulier

Aanvragen voor subsidieverlening kunnen alleen gebundeld worden gedaan namens de woningeigenaren die deelnemen in een samenwerkingsverband van minimaal twee woningeigenaren die minstens 50 woningen in het renovatieproject inbrengen. Een van deze woningeigenaren dient namens alle bij het renovatieproject betrokken woningeigenaren de subsidieaanvraag in en is penvoerder van het samenwerkingsverband. Het ligt, gegeven de organisatielast, voor de hand dat een van de grote verhuurders als penvoerder zal optreden. De subsidie wordt bij realisatie van een renovatie direct verstrekt aan de woningeigenaren van het samenwerkingsverband. De penvoerder hoeft dus geen zorg te dragen voor de verdeling van de subsidie.

De aanbieders die de standaardmaatregel pakketten ontwikkelen, produceren, leveren en installeren, zijn geen (directe) subsidieaanvrager of -ontvanger. Wel dient in de (gebundelde) aanvraag een intentieverklaring opgenomen te zijn waaruit blijkt dat de gespecificeerde aanbieders het verduurzamingsplan voor het samenwerkingsverband zullen gaan uitvoeren. Dit biedt de aanbieders zekerheid dat zij ook kunnen profiteren van de planvorming voor standaardpakketten van energiebesparende maatregelen, ketensamenwerking en industrialisatie waarin zij een belangrijk aandeel zullen hebben.

Overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van het Kaderbesluit dient de subsidieaanvraag te worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar formulier. In artikel 6, tweede lid, van de Subsidieregeling betreft dit een op de website van RVO beschikbaar gesteld digitaal formulier.

Op grond van het derde lid, onderdeel a, wordt een bewijsstuk gevraagd dat de penvoerder namens het samenwerkingsverband optreedt. Dit bewijsstuk is onderdeel van het aanvraagformulier dat bij RVO moet worden ingediend. Hiervoor hoeft dus geen aparte verklaring te worden opgesteld.

Het verduurzamingsplan (derde lid, onderdeel b) vormt de basis voor het renovatieproject en de aanvraag van de subsidie. De verschillende elementen uit het verduurzamingsplan zullen in het aanvraagformulier worden opgevraagd. Het verduurzamingsplan dient te bestaan uit de volgende gegevens en documenten:

  • Per woning: woningkenmerken (adres, naam eigenaar, vloeroppervlakte, type woning) een beschrijving van het standaardpakket van energiebesparende maatregelen en eventueel ventilatiesystemen en duurzame installaties, de bijbehorende netto warmtevraag na renovatie, waarbij voor uitzonderingssituaties zoals hoekwoningen een aparte berekening wordt gemaakt;

  • Een toelichting op de uitzonderingsgevallen: een uitleg waarom in deze woningen de eis van maximaal 70 kWh/m2 per jaar met het standaardmaatregelenpakket niet wordt gehaald;

  • De kosten en baten die dit voor de woningeigenaar oplevert op grond van een berekening van de Total Cost of Ownership (zie toelichting bij artikel 9);

  • Een toelichting op de volgende onderdelen van het renovatieproject die corresponderen met de criteria die worden gehanteerd voor rangschikking van de aanvraag (zie toelichting bij artikel 9):

    • het aantal woningen in het renovatieproject,

    • het opschalingspotentieel van het verduurzamingsplan,

    • de mate van vernieuwing,

    • de verwachte kostendaling (op basis van TCO);

  • Een toelichting op de waarborgen voor de uitvoeringskwaliteit (zie artikel 8, onderdeel e);

  • Een toelichting op het betrekken van bewoners bij de renovatie (zie ook artikel 8, onderdeel e);

  • Een intentieverklaring van deelname aan een renovatieproject van de woningeigenaren in een samenwerkingsverband;

  • Een intentieverklaring van de woningeigenaren in het samenwerkingsverband dat deze met een gespecificeerde groep aanbieders het renovatieproject gaat uitvoeren;

  • Een intentieverklaring van de woningeigenaren en de aanbieders waarin afspraken over vervolgopdrachten zijn vastgelegd voorzien van een toelichting over het aantal en welke woningen en het standaardmaatregelpakket;

  • Een intentieverklaring van de aanbieders die de renovatieprojecten gaan uitvoeren, waarbij inzicht wordt gegeven in de mate waarin bij de aanbieders standaardisatie en industrialisatie plaatsvindt en ketensamenwerking wordt bevorderd;

  • Een verklaring dat een van de aanbieders die het renovatieproject gaan uitvoeren een MKB-onderneming is;

  • Een mijlpalenplanning op jaarbasis met in ieder geval de tijdsplanning van de start van het renovatieproject, de doorlooptijd en wanneer welke woningen gerenoveerd zijn;

  • Bescheiden zoals machtigingen van de penvoerder, bankrekeningnummer, et cetera.

Bovenstaande documenten en gegevens uit het verduurzamingsplan vormen ook het uitgangspunt voor de uiteindelijke vaststelling van de subsidie. In het verduurzamingsplan dient daarom per woning (inclusief de hooguit 10 procent uitzonderingsgevallen) te worden aangegeven:

  • 1. het adres,

  • 2. de naam van de eigenaar,

  • 3. het type woning (eengezins- of meergezinswoning),

  • 4. de gebruiksoppervlakte (GBO),

  • 5. welk maatregelenpakket in de woning wordt toegepast,

  • 6. de netto warmtevraag per vierkante meter per jaar na renovatie.

Ten aanzien van de woningen waarvoor de eis van 70 kWh/m2 per jaar met betrekking tot de energieprestatie niet gehaald wordt (dus de uitzonderingsgevallen), dient per woning toegelicht te worden waarom dit zo is. Ook voor andere uitzonderingsgevallen waarbij toepassing van het standaardmaatregelpakket niet leidt tot een netto warmtevraag in dezelfde warmtevraagklasse als in de overige woningen in het renovatieproject waarin hetzelfde maatregelpakket wordt toegepast, dient gemotiveerd te worden waarom dit het geval is. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om hoekwoningen of appartementen die onder het dak zijn gelegen. Zie ook de toelichting over de hoogte van subsidiebedragen voor uitzonderingsgevallen bij artikel 7.

In het verduurzamingsplan staat dus per woning welke netto warmtevraag de woning na renovatie met het standaardmaatregelpakket zal gaan halen. Dit dient te zijn gebaseerd op berekeningen volgens de NTA 8800 die desgevraagd moeten kunnen worden overlegd aan de RVO. Daarom is het raadzaam bij aanvraag te vermelden met welke versie van de rekensoftware voor de NTA 8800 deze berekeningen zijn gemaakt.

Ook dient het verduurzamingsplan te onderbouwen dat de toepassing van het standaardmaatregelenpakket in de regionale of landelijke woningvoorraad kan worden herhaald, dat er uitzicht is op vervolgprojecten met dezelfde maatregelpakketten, de uitvoering op een zo kostenefficiënt mogelijke manier over de hele keten plaatsvindt, wat de verwachte kostendaling is bij verdere opschaling van het renovatieproject, dat de renovatie leidt tot een comfortabele woning met een gezond binnenklimaat en dat er voldoende aandacht is voor bewoners(tevredenheid). Ook deze onderdelen van het verduurzamingsplan worden na start van het renovatieproject gebruikt om de voortgang te bepalen.

Zodra de uitvoering van het renovatieproject is gestart, is er periodiek (eens per jaar) een mogelijkheid om bevoorschotting te ontvangen via de RVO. De wijze van bevoorschotting wordt overeenkomstig artikel 23, derde lid, van het Kaderbesluit opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. Beoogd wordt voorschotten op de subsidie te verlenen van 80 procent van het forfaitaire bedrag (zie artikel 7). Voor subsidies aan woningeigenaren lager dan € 25.000 geldt echter dat bij subsidieverlening ingevolge artikel 23, eerste lid, van het Kaderbesluit het volledige subsidiebedrag zal worden bevoorschot (zie ook de toelichting op artikel 12).

De mijlpalenplanning moet laten zien dat het project binnen twee jaar na subsidieverlening van start zal gaan en drie jaar na de start is afgerond. Als blijkt uit de mijlpalenplanning dat dit niet het geval zal zijn, is dit een reden voor afwijzing van de aanvraag (zie artikel 11).

Verder dienen de woningeigenaren in het samenwerkingsverband nog een verklaring in te dienen (artikel 6, derde lid, onderdeel d) waarin zij aangeven dat zij niet meer subsidie ontvangen dan toegestaan in het kader van staatssteun volgens de AGVV. Dit geldt niet voor eigenaar-bewoners of VVE’s die uitsluitend bestaan uit eigenaar-bewoners.

Tenslotte dienen bij het derde lid, onderdeel e, woningeigenaren die meer dan € 500.000 aan subsidie aanvragen aan te geven wat de grootte (aantal werknemers en omzet) van de onderneming of organisatie is. Ook dit geldt niet voor eigenaar-bewoners of VVE’s met uitsluitend eigenaar-bewoners.

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

Er kan alleen subsidie worden verkregen voor woningen met een bouwjaar van voor 1995. Dit is het jaar dat de energieprestatienorm en -eis zijn ingevoerd voor de nieuwbouw en woningen energiezuiniger moesten worden gebouwd. Voor deze Subsidieregeling wordt er daarom van uitgegaan dat alleen bij woningen die voor 1995 zijn gebouwd nog meer uitgebreide pakketten van energiebesparende maatregelen nodig zijn om van het aardgas af te kunnen gaan.

Omdat de woningvoorraad voor 1995 divers is en niet in alle woningen dezelfde maatregelen haalbaar zijn dan wel al bij eerdere renovaties maatregelen zijn genomen, is er gekozen voor verschillende forfaitaire subsidiebedragen. Ten eerste is de hoogte van de forfaitaire subsidiebedragen afhankelijk gemaakt van het woningtype waarin het standaardmaatregelpakket wordt aangebracht. Een eengezinswoning ontvangt een hoger forfaitair subsidiebedrag dan een meergezinswoning omdat er doorgaans meer oppervlak gebouwschil is om te isoleren. Eengezinswoningen zijn gemiddeld ook minder compact (verhouding tussen verliesoppervlak en vloeroppervlak) dan appartementen en vergen daardoor hogere investeringen om op een bepaalde warmtevraag te worden gebracht. Daarnaast varieert het forfaitaire bedrag met de netto warmtevraag van de woning die na renovatie bereikt wordt, uitgedrukt in kWh/m2 per jaar (de ‘warmtebehoefte’ volgens de NTA 8800).

Eerste uitgangspunt is een relatief lage resterende warmtevraag (<50 kWh/m2/jaar) die past bij maatregelenpakketten waarin alle onderdelen van de gebouwschil vergaand moeten worden gerenoveerd en gebouwelementen volledig worden vervangen. Tweede uitgangspunt is een hogere warmtevraag (van 50 tot 70 kWh/m2/jaar) die ontstaat indien gekozen wordt voor een minder vergaand integraal maatregelenpakket dan wel een pakket waarbij alleen een van de gebouwelementen energetisch sterk wordt verbeterd. Verder is er bij de vaststelling van de forfaitaire bedragen van uitgegaan dat partijen investeren in kierdichting en een gezond en comfortabel binnenklimaat waarborgen via het ventilatiesysteem. Bij vaststelling van de forfaitaire bedragen is gebruik gemaakt van de kostenkengetallen van Arcadis (2019) en maatregelen die op dit moment gangbaar zijn in de markt. De veronderstelling is dat de maatregelenpakketten die in het kader van de Subsidieregeling zullen worden toegepast nog niet breed in de markt zijn toegepast en daarmee nog hogere kosten zullen hebben dan de maatregelen die bij de bepaling van de forfaitaire bedragen zijn gebruikt. Daarmee is het risico op oversubsidiëring beperkt.

Voor eengezinswoningen met een netto warmtevraag na renovatie van 50 tot 70 kWh/m2 per jaar bedraagt het forfaitair bedrag € 3.000 per woning en met een netto warmtevraag van minder dan 50 kWh/m2 is dit € 7.000 per woning. Voor meergezinswoningen is er een bedrag van € 2.000 per woning bij 50 tot 70 kWh/m2 en € 4.000 bij minder dan 50 kWh/m2 per jaar.

Indien een duurzame energie-installatie deel uitmaakt van het maatregelpakket, al dan niet geïntegreerd in een bouwdeel, is een opslag mogelijk op het forfaitair bedrag. De hoogte van de opslag is gelijk aan het bedrag dat voor dit type installatie via de ISDE-regeling kan worden verkregen. Hiertoe wordt in de onderhavige regeling de bij indiening van de aanvraag geldende ISDE-apparatenlijsten van RVO voor warmtepompen en zonneboilers gehanteerd. Deze ISDE-apparatenlijst is te raadplegen op de website van de RVO.

De forfaitaire bedragen voor eengezinswoningen en meergezinswoningen zullen in de komende jaren naar verwachting naar beneden worden bijgesteld.

Volgens artikel 7, tweede lid, mag de totale subsidie per woningeigenaar niet meer bedragen dan € 7,5 miljoen, wat binnen de grenzen van artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de AGVV, ligt, en kan het totale project niet meer dan € 10 miljoen subsidie krijgen.

Welk subsidiebedrag geldt voor de uitzonderingsgevallen in het verduurzamingsplan?

De uitzonderingsgevallen in het verduurzamingsplan zijn de woningen die (vanwege in het plan nader toegelichte motieven) niet met het toegepaste maatregelenpakket op een netto warmtevraag beneden de 70 kWh/m2 per jaar kunnen worden gebracht. Dit betreft maximaal 10 procent van de woningen in het renovatieproject. Het forfaitaire subsidiebedrag dat wordt verstrekt voor de renovatie van deze woningen wordt (volgens artikel 7, vierde lid) gelijkgesteld aan het forfaitaire bedrag dat wordt verstrekt voor de overige woningen in het renovatieproject met hetzelfde standaardmaatregelenpakket.

Dit betekent dat als de standaardwoningen in een renovatieproject met een standaardmaatregelpakket beneden de 50 kWh/m2 per jaar uitkomen en de uitzonderingsgevallen met hetzelfde maatregelpakket hoger dan 70 kWh/m2 per jaar, dan geldt voor de uitzonderingsgevallen het subsidiebedrag behorend bij de warmtevraagklasse kleiner dan 50 kWh/m2 per jaar. Indien de standaardwoningen in het renovatieproject met een standaardmaatregelpakket op een warmtevraag tussen 50 en 70 kWh/m2 per jaar komen, dan geldt voor de uitzonderingsgevallen (die met hetzelfde maatregelpakket hoger dan 70 kWh/m2 per jaar uitkomen) een subsidie conform de warmtevraagklasse 50 tot 70 kWh/m2.

Artikel 8. Afwijzingsgronden

Als een subsidieaanvraag niet voldoet aan de subsidievoorwaarden van artikel 3 kan de subsidie vanzelfsprekend niet worden verleend. Daarnaast gelden de algemene afwijzingsgronden die zijn opgenomen in de artikelen 12 en 13 van het Kaderbesluit BZK-subsidies. Zo zal een aanvraag worden afgewezen als er onvoldoende vertrouwen bestaat dat het renovatieproject daadwerkelijk zal worden uitgevoerd. In aanvulling op de algemene afwijzingsgronden in het Kaderbesluit, geldt nog een aantal afwijzingsgronden.

Volgens artikel 8, onderdeel a, kan geen subsidie worden verleend voor woningen in een renovatieproject die reeds subsidie op grond van de Subsidieregeling hebben gekregen. Indien voor een woning in het verduurzamingsplan reeds subsidie is verleend in het kader van de Subsidieregeling, komt die woning dus niet voor subsidie in aanmerking. Als daardoor de drempel van 150 woningen niet wordt gehaald, voldoet het renovatieproject niet aan de in artikel 3 gestelde eisen en kan de subsidie niet worden verleend.

Woningeigenaren in samenwerkingsverbanden kunnen wel voor meerdere projecten in één jaar subsidie aanvragen, maar niet voor dezelfde woningen. Aanbieders kunnen meerdere projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd uitvoeren. Ook kunnen woningeigenaren, samenwerkingsverbanden of aanbieders in latere jaren wederom subsidie aanvragen voor vervolgprojecten, zolang het niet dezelfde woningen betreft waarvoor eerder subsidie verleend is.

Volgens onderdeel b wordt een subsidieaanvraag afgewezen als een van de woningeigenaren in het samenwerkingsverband een onderneming in moeilijkheden is of bij een woningeigenaar een bevel tot terugvordering van steun uitstaat.

Volgens onderdeel c wordt een subsidieaanvraag afgewezen als een hogere subsidie zou worden toegekend dan toegestaan op grond van de AGVV. Als bijvoorbeeld het forfaitaire bedrag meer dan 30 procent van de subsidiabele kosten bedraagt, kan de aanvraag worden afgewezen (artikel 8, onderdeel d). Als subsidiabele kosten gelden in deze regeling uitsluitend de bijkomende investeringskosten per woning gemaakt door de woningeigenaren voor energiebesparende maatregelen. Onder bijkomende investeringskosten wordt verstaan de extra kosten die gepaard gaan met het aanbrengen van energiebesparende maatregelen bovenop de kosten van energiebesparende maatregelen bij een basisrenovatie. Aanname is hier dat de energiebesparende maatregelen bij een basisrenovatie beperkt blijven tot het plaatsen van HR++ glas en het standaard isoleren van de vloer.

Met de in artikel 7 vastgestelde forfaitaire bedragen betekent dit dat de bijkomende investeringen voor eengezinswoningen (uitgezonderd de investering voor een eventuele duurzame energie-installatie) ten minste een omvang van € 10.000 (inclusief BTW) per woning moeten hebben en voor meergezinswoningen ten minste € 6.666 (inclusief BTW). Deze ondergrens waarborgt dat de subsidie niet gaat naar zogenaamd laaghangend fruit, met ander woorden woningen die tegen relatief lage kosten gereed kunnen worden gemaakt om van het aardgas af te gaan.

Het kan bij uitzondering ook voorkomen dat woningen na toepassing van maatregelenpakketten van energiebesparende maatregelen onder de grens van een netto warmtevraag van 50 kWh/m2 komen en ook blijven onder de grens van € 23.333 (inclusief BTW) aan bijkomende investeringen voor eengezinswoningen, respectievelijk € 13.333 (inclusief BTW) voor meergezinswoningen. In zo’n geval zal niet het hogere forfaitaire bedrag van € 7.000, respectievelijk € 4.000 worden toegekend maar (mits de bijkomende investeringen hoger zijn dan € 10.000 respectievelijk € 6.666 zijn) van € 3.000, respectievelijk € 2.000.

Volgens onderdeel e wordt een project afgewezen indien de kwaliteit van uitvoering of het betrekken van bewoners als onvoldoende wordt beoordeeld. Voldoende kwaliteitswaarborgen voor de geleverde bouwkwaliteit, energieprestatie, comfort en kwaliteit van het binnenklimaat zijn van belang voor de woningeigenaar en de bewoners. De verwachte uitvoeringskwaliteit kan afgeleid worden van de productie- en installatiewijze, garanties die de aanbieders bereid zijn af te geven, en het monitoren van prestaties op het gebied van energie en binnenklimaat.

Ook de benadering van bewoners in het kader van het renovatieproject moet voldoende zijn. Het gaat daarbij om de wijze waarop en de mate waarin:

  • a. bewoners worden betrokken bij de ontwikkeling van de renovatieplannen,

  • b. de voorgestelde aanpak de overlast voor de bewoners beperkt,

  • c. de voorgestelde plannen inspelen op de (individuele) wensen van de bewoners,

  • d. de bewoners worden geïnformeerd gedurende en na afloop van de renovatie.

Onderdeel f is opgenomen om te waarborgen dat het verduurzamingsplan van voldoende kwaliteit is en voldoet aan alle hieraan gestelde normen in artikel 6 van de regeling.

Artikel 9. Rangschikking projecten

Zoals vermeld in paragraaf 6 voert RVO de regeling namens de minister van BZK uit. Om de aanvragen te helpen beoordelen is in artikel 10 een adviescommissie van experts ingesteld die de minister, dus RVO, adviseert. RVO, in naam van de minister van BZK, en de commissie zullen de ingediende aanvragen op een aantal criteria beoordelen en rangschikken. Deze criteria zijn opgenomen in de bijlage bij de regeling.

RVO en de commissie beoordelen de gegevens en documenten op de volgende punten:

  • 1. Omvang van het renovatieproject (maximaal 35 punten)

    Hoe groter het aantal woningen, hoe hoger het aantal punten op dit criterium.

    Woningen waarvoor al subsidie is verleend op grond van de Subsidieregeling tellen niet mee bij het bepalen van de omvang van het renovatieproject.

  • 2. Opschalingspotentieel (maximaal 20 punten)

    Het renovatieproject scoort hoger naarmate het in een groter deel van de woningvoorraad kan worden herhaald. Het gaat hierbij om de repeteerbaarheid van de verduurzamingsaanpak. Hier dient de aanvrager aan te geven op welke woningtypen de standaardmaatregelenpakketten toe te passen zijn en hoeveel voor het maatregelenpakket geschikte woningen lokaal (onder meer in het eigen bezit van de betrokken woningeigenaren), regionaal en landelijk voorkomen. Ook wordt gevraagd om via een verklaring vast te leggen welke intenties het samenwerkingsverband en de gespecificeerde aanbieders hebben om vervolgprojecten uit te voeren die voor 2030 tot realisatie komen. Daarbij dient per project te worden beschreven om welke maatregelenpakketten, aantallen en typen woningen het gaat.

  • 3. Mate van vernieuwing (maximaal 20 punten)

    Het renovatieproject scoort hoger naarmate het meer proces- en productinnovatie bevat. Het gaat bij procesinnovatie om hoe woningeigenaren onderling en met aanbieders gaan samenwerken en welke innovatieve contractvormen zij daarbij hanteren. En om welke kostenbesparende innovaties aanbieders in ketensamenwerking, industrialisatie, digitalisering en installatie- en onderhoudsprocessen met behulp van het verduurzamingsplan willen gaan doorvoeren. Bij productinnovatie zal tevens worden beoordeeld of een standaardmaatregelenpakket al breed op de markt is geïntroduceerd. Het renovatieproject scoort minder hoog als het standaardmaatregelenpakket al breed op de markt is verspreid.

  • 4. Verwachte kostendaling (maximaal 25 punten)

    Uit een via de website van RVO beschikbaar gestelde uniforme berekeningsmethode van de Total Cost of Ownership (TCO) moet duidelijk worden wat de integrale kosten van het verduurzamingsplan per woning zijn. Het renovatieproject scoort hoger naarmate voor een standaardwoning in het renovatieproject geldt dat:

    • er een grotere integrale kostendaling in het renovatieproject zal worden gerealiseerd. Om hier een indicatie van te geven, dienen de deelnemende aanbieders in het TCO-model te laten zien wat de integrale kosten voor een standaardwoning bedragen van het uit te voeren renovatieproject en van een (denkbeeldig) project ter omvang van 50 woningen van één opdrachtgever uitgevoerd volgens de gangbare werkwijze. De deelnemende aanbieders dienen ter toelichting in een kwalitatieve beschouwing aan te geven op welke punten kostenbesparingen in het uit te voeren renovatieproject worden behaald.

    • er een grotere integrale kostendaling per woning mogelijk is bij verdere opschaling van de verduurzamingsaanpak met het standaardmaatregelenpakket. De deelnemende aanbieders in het consortium dienen daarbij voor een standaardwoning aan te geven welke verlaging van de integrale kosten zij kunnen aanbieden, indien na realisatie van het renovatieproject een vervolgopdracht verstrekt zou worden voor renovatieprojecten van verschillende omvang, bestaande uit 150, 500, 1.000, 5.000 of 10.000 woningen (exclusief prijswijzigingen en loonindexering). Ook hier wordt gevraagd om in een kwalitatieve toelichting aan te geven op welke aspecten naar verwachting kostenbesparingen zullen worden bereikt.

Indien het renovatieproject niet bestaat uit één standaardwoning met één standaardmaatregelpakket, dan dient voor meerdere standaardwoningen en bijbehorende maatregelpakketten een TCO-berekening en een toelichting op de verwachte kostenverlaging te worden gemaakt.

De berekening van integrale kosten houdt rekening met de kosten en baten voor de eigenaar van een huurwoning gedurende de levensduur. Kosten als initiële investeringskosten, financieringskosten en onderhoudskosten worden afgezet tegen baten, zoals extra huurinkomsten, extra servicekosten en subsidies. In het te hanteren TCO-model wordt voor een standaardwoning in een renovatieproject het verschil bepaald tussen de integrale kosten bij een renovatie met toepassing van het standaardmaatregelenpakket en een renovatie zonder extra energiebesparende maatregelen, de zogenaamde netto TCO.

Artikel 10. Adviescommissie Renovatieversneller

Een adviescommissie van vijf experts wordt aangesteld door de minister om de aanvragen te beoordelen op de afwijzingsgronden onderdelen e en f (zie ook hierboven de toelichting op artikel 8) en het toekennen van punten voor de rangschikkingscriteria.

Via de expertise van de leden van de adviescommissie wordt de technische en economische kennis van de vastgoed- en bouwsector geborgd. Deze kennis is nodig voor een goede beoordeling van de kwaliteit, de bedrijfsmatige en economische impact, en de mate van innovatie van de voorgenomen grootschalige renovatieprojecten. De leden van de adviescommissie dienen daarbij onafhankelijk te zijn.

De commissie brengt advies uit aan RVO bij de beoordeling in de vorm van een schriftelijk advies. Daarnaast kan de adviescommissie door RVO worden geconsulteerd om te beoordelen of de subsidieverleningen in het kader van de Subsidieregeling nog steeds voldoen aan de in de Subsidieregeling gestelde doelen.

Met het oog op gewenste diversiteit is het voornemen om onder de vijf leden van de adviescommissie ten minste twee vrouwen te benoemen.

Artikel 11. Verplichtingen

Niet opgenomen in de Subsidieregeling bij artikel 11, want reeds opgenomen in artikel 21 van het Kaderbesluit, zijn diverse verplichtingen voor de subsidieontvanger. Het betreft de volgende verplichtingen:

  • a. de activiteit uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de beschikking tot subsidieverlening, of, indien direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven, overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de subsidievaststelling;

  • b. te voldoen aan de verplichtingen die door de minister aan de subsidie zijn verbonden;

  • c. op verzoek van de minister medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de gesubsidieerde activiteit, tenzij openbaarmaking daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd;

  • d. op verzoek van de minister alle medewerking te verlenen aan een door de minister ter zake van de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatieonderzoek, die de minister redelijkerwijs nodig heeft bij de uitvoering van dat evaluatieonderzoek;

  • e. indien een egalisatiereserve is gevormd, deze zo veilig mogelijk te beheren;

  • f. onverwijld schriftelijk mededeling te doen aan de minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem;

  • g. voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt ontvangen en voor de overige activiteiten een gescheiden administratie te voeren;

  • h. de in het kader van de subsidieverstrekking gevoerde administratie te bewaren tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling of, indien sprake is van staatssteun, gedurende een andere bij ministeriële regeling of bij beschikking aangegeven termijn;

  • i. op verzoek van de minister nadere informatie aan te leveren ten behoeve van nadere verantwoording aan de Europese Commissie, op basis van de artikelen 106, tweede en derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie dan wel een van de Europese steunkaders.

De subsidieontvangers zijn volgens artikel 21, onderdeel c, van het Kaderbesluit verplicht op verzoek van de minister informatie en data te delen over de uitgevoerde activiteiten in het renovatieproject. Een belangrijk onderdeel van het programma van de Renovatieversneller is het ophalen en verspreiden van data en kennis. Ten behoeve van het kennis- en leerprogramma wordt subsidieontvangers gevraagd om rapportages en gegevens op te leveren over de voorbereiding en uitvoering van het renovatieproject. Bij het opvragen van gegevens kan het zowel gaan om technische en financiële data per woning als om data op het niveau van het renovatieproject. Bovendien kan een subsidieontvanger tevens worden verzocht een bijdrage te leveren aan kennisoverdracht via het kennis- en leerprogramma en ervaringen en geleerde lessen op diverse wijzen (rapportage, presentatie, video) te delen.

Volgens artikel 11, onderdeel a, is een subsidieontvanger verplicht om minimaal 80 procent van zijn deel van de woningen in het renovatieproject volgens het verduurzamingsplan te realiseren.

Dit houdt in dat als een individuele woningeigenaar in het samenwerkingsverband minder dan 80 procent van door deze woningeigenaar ingebrachte woningen in het renovatieproject volgens het verduurzamingsplan renoveert binnen drie jaar na de start van het project, de minister de subsidie van alle woningen van deze woningeigenaar op € 0 kan vaststellen. Om subsidie te kunnen krijgen moet een woningeigenaar die één woning inbrengt deze woning dus geheel volgens het verduurzamingsplan renoveren om te voldoen aan deze verplichting.

Hoe werkt de bepaling van het minimale aantal volgens het verduurzamingsplan te renoveren woningen om in aanmerking te komen voor subsidie?

Het minimale aantal te renoveren woningen M waarbij wordt voldaan aan de verplichting in artikel 11, onderdeel a, wordt als volgt bepaald. Bij een subsidieontvanger die n woningen in het renovatieproject inbrengt, geldt dat m het aantal woningen is gelijk aan 80 procent van n, het aantal ingebrachte woningen in het project, oftewel m = 0,8 * n. Als m een geheel getal betreft, is het minimale aantal te renoveren woningen M gelijk aan m. Als m geen geheel getal is, wordt het naar boven afgerond op het eerstvolgende gehele getal om M te bepalen.

Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Een subsidie-ontvanger die 4 woningen inbrengt, moet deze 4 woningen alle renoveren. Immers, m = 0,8 * 4 en dus geldt: m = 3,2. Het getal m is geen geheel getal en wordt dus eerst naar boven afgerond op het eerstvolgende gehele getal: 4,0. En dus geldt in dit geval: M = 4. De subsidie-ontvanger moet dus al zijn woningen renoveren om subsidie te krijgen.

In artikel 11, onderdeel b, is de verplichting opgenomen om het project binnen twee jaar na subsidiebeschikking te starten en hierover te rapporteren via de penvoerder. De start van het renovatieproject is het moment van ondertekening van het uitvoeringscontract met de aanbieders door alle woningeigenaren aan het samenwerkingsverband. Bij deze start van het renovatieproject dienen alle woningen uit het bij de aanvraag ingediende verduurzamingsplan nog onderdeel uit te maken van het renovatieproject. Indien dit niet het meer het geval is, dient contact te worden opgenomen met RVO, zie ook artikel 11, onderdeel d.

De subsidieontvanger, een woningeigenaar in het samenwerkingsverband, heeft volgens artikel 11, onderdeel c, de plicht om binnen drie jaar na de start van het renovatieproject de renovatie van zijn woningen te voltooien. Dit betekent dat de minister de subsidie voor woningen die meer dan drie jaar na de start van het renovatieproject zijn gerenoveerd op € 0 kan vaststellen.

Verder heeft volgens artikel 11, onderdeel d, de subsidieontvanger een plicht om bij de jaarlijkse rapportagemomenten via de penvoerder over de voortgang van het project te rapporteren. Hierbij is er ook een verplichting om relevante zaken voor de doelstelling van de subsidie te melden, zoals bijvoorbeeld dat een woning dan wel een aanbieder uit het renovatieproject is weggevallen. Er zal dan een afweging gemaakt worden of het wegvallen de doelstelling van de subsidie buiten bereik brengt en of een wijzigingsvoorstel nodig is. Er kan bijvoorbeeld tijdens het project sprake zijn van verkoop van een woning waardoor de renovatie niet langer kan plaatsvinden.

Na afloop van de renovatie van een woning dient een subsidieontvanger de netto warmtevraag per vierkante meter te laten meten volgens de NTA 8800 door een hiertoe gecertificeerde adviseur. Dit is geregeld in artikel 11, onderdeel e. Deze meting moet worden geregistreerd in het centrale ICT-systeem (EP-online; https://www.ep-online.nl/ep-online/).

Wat betekenen de verplichtingen voor een succesvolle afronding van een project?

Wanneer krijgt een woningeigenaar die deelneemt aan het samenwerkingsverband nu wel of niet zijn subsidie? Om dit te verhelderen hebben we bij wijze van voorbeeld hieronder drie scenario’s uitgewerkt:

Scenario 1: Er zijn in het samenwerkingsverband vier corporaties die ieder 100 woningen inbrengen. Nog voor de start van de uitvoering van het renovatieproject blijkt dat een van de corporaties niet in staat is om voldoende instemming te krijgen bij de huurders voor het gehele renovatieproject en zich uit het samenwerkingsverband moet terugtrekken. Uit consultatie van RVO blijkt dat het wegvallen de doelstelling van de subsidie in gevaar brengt en dat het samenwerkingsverband op zoek moet naar een passende vervanging. Daarop vinden de drie overgebleven corporaties een andere corporatie die bereid is 100 woningen in het samenwerkingsverband in te brengen en dienen een wijzigingsvoorstel in.

Scenario 2: Er zijn twee woningeigenaren in het samenwerkingsverband: een VVE die 50 woningen inbrengt en een corporatie die 100 woningen inbrengt in het renovatieproject. De corporatie maakt geen onderdeel uit van de VVE. Volgens het verduurzamingsplan wordt in alle 150 appartementen hetzelfde maatregelpakket zonder duurzame energie-installatie toegepast dat de warmtevraag na renovatie reduceert tot 47 kWh/m2 per jaar. De VVE heeft vijf appartementen die op de hoek van het appartementengebouw liggen, waar een uitzondering voor wordt gemaakt. In deze hoekappartementen is het warmteverliesoppervlak veel groter, waardoor de netto warmtevraag na renovatie volgens het verduurzamingsplan modelmatig bepaald wordt op 71 kWh/m2.

Het samenwerkingsverband weet alle 50 appartementen van de VVE binnen drie jaar te laten renoveren en realiseert exact de vooraf berekende warmtevragen. De VVE krijgt voor elk van de 50 appartementen het subsidiebedrag behorend bij de hoogste warmtevraagklasse (<50 kWh/m2), te weten € 4.000. Dit geldt dus ook voor de uitzonderingen die boven de 70 kWh/m2 uitkomen. Van de 100 woningen van de corporatie renoveert het samenwerkingsverband er 82 binnen drie jaar en met een warmtevraag na renovatie van minder dan 50 kWh/m2. De rest is niet binnen drie jaar gereed. De corporatie krijgt voor elk van de 82 appartementen € 4.000 subsidie.

Scenario 3: Er zijn drie woningeigenaren in het samenwerkingsverband: corporatie A, corporatie B en corporatie C. Corporatie A brengt 75 eengezinswoningen in het renovatieproject in, corporatie B 80 eengezinswoningen en corporatie C 100 eengezinswoningen. In elke eengezinswoning in het renovatieproject wordt hetzelfde maatregelpakket toegepast met een warmtepomp die volgens de ISDE-apparatenlijst recht geeft op € 2000 subsidie. Volgens het verduurzamingsplan wordt beoogd een netto warmtevraag te halen van 61 kWh/m2 per jaar. Dat zou kunnen leiden tot een subsidie van in totaal (€ 3.000 + € 2.000 =) € 5.000 per woning na een geslaagde renovatie. Drie jaar na de start van het renovatieproject zijn de 75 woningen van corporatie A elk gerenoveerd zoals aangegeven in het verduurzamingsplan tot een warmtevraag beneden de 70 kWh/m2. Van corporatie B zijn 64 woningen gedaan volgens het verduurzamingsplan. En van corporatie C zijn na drie jaar 90 woningen gerenoveerd. Er zijn 75 woningen gerenoveerd tot 65 kWh/m2 en 15 woningen tot een netto warmtevraag boven 70 kWh/m2.

In dit geval krijgt corporatie A voor 75 woningen een subsidie van € 5.000 per woning, omdat al deze woningen voldoen aan het verduurzamingsplan. Corporatie B krijgt voor 64 woningen eenzelfde subsidie. Corporatie C heeft weliswaar 90 procent van zijn woningen gerenoveerd, maar slechts 75 volgens de specificaties in het verduurzamingsplan, te weten in de warmtevraagklasse 50-70 kWh/m2 per jaar. Hierdoor heeft corporatie C slechts 75 procent van de ingebrachte woningen in het renovatieproject volgens het verduurzamingsplan gerealiseerd. Dat is minder dan de vereiste 80 procent en om die reden krijgt corporatie C geen subsidie. Eventueel bij voorschot aan corporatie C uitbetaalde subsidie wordt teruggevorderd.

Artikel 12. Aanvraag vaststelling

Artikel 12, eerste lid, geeft aan dat de aanvragen tot vaststelling van de subsidie namens de betrokken woningeigenaren gebundeld moeten worden ingediend door de penvoerder.

Op grond van artikel 12, tweede lid, hoeft hierbij geen controleverklaring van een accountant worden meegeleverd. Via een bestuurdersverklaring moet inzicht worden gegeven in de gemaakte kosten.

In het Kaderbesluit zijn diverse bepalingen opgenomen voor de vaststelling en betaling van de subsidie. Het betreft onder meer de bepaling dat er voor de subsidievaststelling een eindverslag over de uitvoering en de resultaten van het project moet zijn opgenomen. In de beschikking tot subsidieverlening zal de plicht worden opgenomen om in het eindverslag ook een bestuurdersverklaring op te nemen van de woningeigenaren die meer dan € 125.000 subsidie ontvangen. De bestuurdersverklaring geeft een overzicht van de aan subsidiabele activiteiten gerelateerde werkelijke kosten en opbrengsten. In de verklaring geeft de subsidieontvanger niet meer aan dan:

  • 1. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting,

  • 2. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan,

  • 3. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is,

  • 4. wat, in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve is,

  • 5. wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden is, en

  • 6. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is.

In de subsidiebeschikking wordt vastgelegd dat voor woningen waarvoor de vooraf gestelde maximale warmtevraag is gerealiseerd, 80 procent van het forfaitaire subsidiebedrag als voorschot wordt verstrekt. Dit geldt alleen voor woningeigenaren die in totaal een subsidiebedrag hebben aangevraagd dat hoger ligt dan € 25.000. Deze woningeigenaren krijgen bevoorschotting op grond van de jaarlijkse rapportage met bijbehorende mijlpalenplanning die door de penvoerder aan RVO wordt verstrekt en de afmeldingen van de woningen in EP-online. Om de administratieve lasten te beperken geldt op grond van artikel 23 van het Kaderbesluit voor subsidies aan woningeigenaren van minder dan € 25.000 een ander regime. Deze woningeigenaren krijgen reeds bij subsidieverlening het volledige subsidiebedrag uitbetaald.

Artikel 13. Bekendmaking van gegevens over steunverlening

Artikel 13, eerste lid, bevat de verplichting tot bekendmaking van bepaalde gegevens, indien de subsidie aan een aanvrager meer bedraagt dan € 500.000. Binnen zes maanden na verlening moet transparantie worden betracht over de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de AGVV, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 500.000. Het gaat om alle staatssteun voor hetzelfde project of dezelfde activiteiten van de betreffende onderneming.

Daarnaast moet de minister (volgens artikel 13, tweede lid) op grond van artikel 11 van de AGVV via het elektronische aanmeldingssysteem van de Europese Commissie de beknopte informatie volgens de bijlage II over de krachtens deze verordening vrijgestelde steunmaatregel binnen 20 werkdagen na de inwerkingtreding ervan, aan de Commissie doen toekomen. Aangezien dit een verplichting van de minister is, waarvoor geen nadere gegevens van de subsidieaanvragers nodig zijn, is het stellen van nadere regels in deze subsidieregeling niet nodig.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Afgeweken is van de vaste-verandermomenten en de publicatietermijn van twee maanden voor inwerkingtreding. Hiertoe is besloten vanwege de dringende opgave die volgt uit het Klimaatakkoord. Het is van belang dat de versnelling van de renovatie en verduurzaming van woningen zo snel mogelijk van start gaat.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren