TOELICHTING
In het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart
(CDNI) is in artikel 9.01, derde lid, een verbod op het lozen van bedrijfsafvalwater
uit keukens, eetruimten, wasruimten en bijkeukens (hierna: grijs water), daaronder
begrepen toiletwater (hierna: zwart water), opgenomen voor – kort gezegd – schepen
met meer dan 50 personen aan boord. Artikel 9.01, vijfde lid, van het CDNI bepaalt
dat dit verbod niet geldt voor zeeschepen in zeehavens aan zeetoegangswegen die moeten
voldoen aan de bepalingen van Annex IV van het Internationaal Verdrag ter voorkoming
van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978
daarbij (hierna: MARPOL). Voor zeeschepen is MARPOL Annex IV van toepassing zodra
het schip buitengaats komt. Tot 3 mijl uit de kust geldt daarbij dat alleen behandeld
zwart water geloosd mag worden. Er zijn in MARPOL geen lozingsvoorwaarden gesteld
ten aanzien van grijs water. Binnengaats is MARPOL Annex IV niet van toepassing maar
is wel de Waterwet van toepassing.
Artikel 9.01, vijfde lid van het CDNI is niet correct geïmplementeerd in de Nederlandse
wetgeving, waardoor lozingen van grijs en zwart water van zeeschepen in Nederlandse
havens nu in geen enkel geval mogelijk zijn. Met de onderhavige wijziging van de Scheepsafvalstoffenregeling
(hierna: SAR) worden voorwaarden geformuleerd waaronder de lozingen mogen plaatsvinden.
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is belast met het toezicht op en de handhaving
van de regelgeving die bij het onderhavige wijzigingsbesluit gewijzigd wordt. Het
onderhavige wijzigingsbesluit is voor een HUF-toets (handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid
en fraudebestendigheid) aan de ILT voorgelegd en is handhaafbaar, uitvoerbaar en niet
fraudegevoelig bevonden. Door de ILT is voorgesteld om uit te gaan van de normen voor
zuiveringsinstallaties zoals die zijn opgenomen in MEPC.159(55), omdat die praktisch
gelijkwaardig is aan MEPC.227(64). Door verwijzing naar die norm kunnen schepen met
installaties van voor 2016 ook voldoen aan de nieuwe lozingsvoorwaarden.
Administratieve lasten
De administratieve lasten blijven met de aanpassing van deze regeling ongewijzigd.
Internetconsultatie
Er heeft geen internetconsultatie plaats gevonden over deze regeling. Met deze wijziging,
en de wijziging van artikel 77 van het SAB, wordt de, al bestaande maar tot nu toe
niet geïmplementeerde, in artikel 9.01, vijfde lid, van het CDNI opgenomen vrijstelling
voor zeeschepen van het verbod tot lozen van huishoudelijke afvalstoffen in de vaarweg
in de scheepsafvalstoffenregelgeving geïmplementeerd. De implementatie van internationale
regelgeving wordt als uitzonderingsgrond genoemd in de brief van de Minister van Justitie
van 15 januari 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 279, nr. 62) op grond waarvan internetconsultatie achterwege kan blijven.
Artikelsgewijs
A
In artikel 2, onder a, van de SAR is bepaald dat het Scheepsafvalstoffenbesluit (hierna:
SAB) niet van toepassing is op zeeschepen die zich bevinden in zeehavens of op daarheen
leidende zeetoegangswegen. De clausulering met betrekking tot de MARPOL-naleving is niet in dat artikel
opgenomen. Hierdoor zijn zeeschepen uitgezonderd van de lozingsregels voor huishoudelijk
afvalwater, ongeacht of die schepen zich in de havens houden aan de regels op grond
van MARPOL. Zeeschepen vallen daardoor onder het lozingsverbod van artikel 6.2 van
de Waterwet waardoor zowel zwart- als grijs water niet geloosd mag worden. Met de
onderhavige wijziging van de regeling wordt de nu opgenomen uitzondering voor zeeschepen
uit de regeling geschrapt en verplaatst naar artikel 77, tweede lid, van het SAB.
De generieke buiten toepassing verklaring van het SAB op zeeschepen heeft onbedoeld
ook tot gevolg dat de bepalingen uit het CDNI die wel gelden voor zeeschepen niet
goed zijn geïmplementeerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor artikel 9.01, lid 1, van het
CDNI dat is opgenomen in artikel 4 van het SAB.
B
Hoofdstuk 14a van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is per 7 oktober 2018
vervallen en verplaatst naar Hoofdstuk 18 van bijlage 1.1a bij de Binnenvaartregeling.
In die bijlage is de ‘Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften
voor binnenschepen’ opgenomen. De verwijzing is hierop aangepast.
C
In artikel 77, derde lid, van het SAB is bepaald dat er bij ministeriële regeling
voorschriften kunnen worden gesteld aan een zuiveringsinstallatie aan boord van schepen
waar meer dan 50 personen (passagiers en/of bemanningsleden) tegelijkertijd aan boord
kunnen zijn. Een dergelijke lozing kan een behoorlijke omvang hebben en de kwaliteit
van het oppervlaktewater zwaar belasten. Een dergelijke lozing is toegestaan indien
aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden wordt voldaan, kort gezegd, wanneer
het zwarte en grijze water via de zuiveringsinstallatie wordt geloosd. Bovendien moet
de zuiveringsinstallatie wat de werking betreft zijn toegesneden op de behandeling
van zowel zwart als grijs water afkomstig van het aantal passagiers dat maximaal aan
boord kan zijn. In het eerste lid is bepaald dat indien het afvalwater in een zuiveringsinstallatie
wordt behandeld het effluent (het gezuiverde afvalwater dat na het doorlopen van de
zuiveringsinstallatie wordt geloosd), moet voldoen aan de onder a. en b. opgenomen
lozingseisen. Deze zijn door de Internationale Maritieme Organisatie (hierna: IMO)
op 13 oktober 2006 aangenomen middels resolutie MEPC.159(55) ‘Revised Guidelines on
implementation of effluent standards and performance tests for sewage treatment plants’.
Deze voorschriften zijn opgesteld door de Marine Environment Protection Committee
(hierna: MEPC) van de IMO en op 1 januari 2010 in werking getreden. Deze resolutie
vervangt resolutie MEPC.2(VI) die hetzelfde onderwerp betreft. De normen uit de resolutie
zijn van toepassing bij de certificering van een zuiveringsinstallatie. De specificaties
waaraan het effluent moet voldoen zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.1 van de resolutie.
Deze voorschriften zijn afhankelijk van de installatiedatum van een zuiveringsinstallatie. Voor zuiveringsinstallaties die op of na 1 januari
2010 zijn geïnstalleerd gelden de normen zoals opgenomen in hoofdstuk 4.1.
Voor de maximumwaarden die zijn opgenomen bij de in het eerste lid onder c voorgeschreven
controles wordt uitgegaan van steekmonsters. Analoog aan eisen aan de zuiveringsinstallaties
in de binnenvaart wordt de maximumwaarde op basis van een willekeurig steekmonster
voor BZV5 en CZV vastgelegd op 40mg/l respectievelijk 180 mg/l. Indien de zuiveringsinstallatie
goed wordt onderhouden en kundig wordt bediend (als voorwaarde opgenomen in het tweede
lid van dit artikel) en de BZV5 en CZV eisen goed worden nageleefd, heeft een eis voor de total suspended solids
zoals die is opgenomen in de resoluties weinig toegevoegde waarde. Deze is daarom
niet als lozingseis opgenomen. Voor de pH wordt de maximumwaarde van resolutie MEPC.159(55)
overgenomen. De effluenteisen van zuiveringsinstallaties die zijn geplaatst na 1 januari 2010 komen overeen
met eisen die normaal in Nederland worden gesteld aan een rioolwaterzuiveringsinstallatie
en systemen voor individuele behandeling van afvalwater. Een controle kan ook bestaan
uit een controle op monitoringsgegevens van het effluent die door het schip zelf worden
bijgehouden. Dit ter beoordeling van de toezichthouder op betrouwbaarheid en volledigheid
van die gegevens. Door het vrijwillig beschikbaar stellen van de monitoringsgegevens
bestaat op voorhand meer zekerheid voor het schip of voldaan wordt aan de gestelde
maximumwaarden.
Het uit een zuiverinstallatie afkomstige zuiveringsslib mag op grond van het derde
lid niet in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht. Indien het slib niet conform
voorschrift 11, eerste lid, van bijlage IV bij MARPOL, op zee wordt of kan worden
geloosd, moet dit worden afgegeven aan een havenontvangstvoorziening.
Artikel II
Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2020, tegelijk met de wijziging van het
Scheepsafvalstoffenbesluit. Dit is in overeenstemming met de vaste verandermomenten
voor ministeriële regelingen.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
C. van Nieuwenhuizen Wijbenga