Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatscourant 2020, 21085Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 maart 2020, nummer 2702963, houdende wijziging van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op artikel 3, derde lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel e komt te luiden:

e. echtgenoot:

de echtgenoot, geregistreerde partner of ongehuwde partner die met een ander samenwoont en een gezamenlijke huishouding voert;

2. Onderdeel f komt te luiden:

f. alleenstaande ouder:

de ongehuwde tot wiens huishouden een of meer kinderen behoren die hij verzorgt en opvoedt en die geen gezamenlijke huishouding voert met een ander;

B

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c vervalt ‘anders dan de vreemdeling die op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 of de Regeling opvang asielzoekers voor opvang in aanmerking komt,’.

2. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. een hier te lande verblijvende vreemdeling, aan wie een verblijfsvergunning is verleend in verband met het zijn van slachtoffer van mensenhandel, die de ouder of verzorger is van één of meer minderjarige, bij deze vreemdeling verblijvende kinderen, die rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, onder f, g of h van de Vreemdelingenwet 2000, ten aanzien van wie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is afgegeven, tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder f, g of h van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘een opvangcentrum als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet’ vervangen door ‘een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde categorieën vreemdelingen wordt geen financiële toelage of dekking van kosten van medische verstrekkingen geboden indien anderszins in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor de vreemdeling wordt of is voorzien.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel i wordt ’21 of 22 jaar’ vervangen door ’21 jaar of ouder’.

2. Onderdeel j vervalt.

E

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 21, onder c’ vervangen door ‘artikel 21, onder b’.

2. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4, onder a:

    • 1°. 70% van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen, tenzij het betreft twee echtgenoten die beiden vreemdeling als bedoeld in artikel 4, onder a zijn, in welk geval de echtgenoten ieder 50% van de berekeningsbasis toekomt, verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen;

    • 2°. 90% van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen, indien deze vreemdeling een alleenstaande ouder is.

3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘artikel 4, onder c of e’ vervangen door ‘artikel 4, onder c, d of e’ en wordt ‘10% van de berekeningsbasis’ vervangen door ‘30% van de berekeningsbasis’.

4. Het tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. voor het kind of de kinderen van de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d: 20% van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen.

5. In het tweede lid, onderdeel g, wordt ‘17,5 procent van de berekeningsbasis’ vervangen door ‘het bedrag, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, van de Participatiewet’.

6. Aan het tweede lid, onderdeel h, wordt na ‘in aanmerking te nemen inkomen’ toegevoegd ‘, tenzij het betreft een alleenstaande ouder die gezinshereniging beoogt met een Nederlands kind, in welk geval aan de alleenstaande ouder 70% van de berekeningsbasis toekomt, verminderd met het in aanmerking te nemen vermogen’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 30 maart 2020

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol

TOELICHTING

ALGEMEEN

Deze wijzigingsregeling bevat een aantal aanpassingen van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (hierna: Rvb). Een categorie vreemdelingen ten aanzien van wie het COA belast was met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden, wordt uit de regeling geschrapt omdat er geen personen meer zijn die aan de voorwaarden voldoen. Voorts wordt een algemene bepaling opgenomen die regelt dat er geen aanspraak op Rvb-verstrekkingen bestaat indien anderszins in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden van de betreffende vreemdelingen wordt of is voorzien. Ook bevat deze regeling een aantal wijzigingen die verband houden met de Participatiewet, waaronder veranderingen in de percentages op basis waarvan de hoogte van de financiële toelage wordt berekend.

De invoeringstermijn van deze regeling bedraagt minder dan twee maanden.

Hiermee wordt afgeweken van het in het Kabinetsstandpunt inzake Vaste Verandermomenten neergelegde uitgangspunt. Ook de inwerkingtredingsdatum wijkt af van de vaste verandermomenten. Deze uitzonderingen zijn toegestaan omdat deze regeling, gelet op de doelgroep, ongewenste nadelen voorkomt en omdat het reparatiewetgeving betreft (Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onder a en c, van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Het COA, dat belast is met de uitvoering van deze regeling, is hierop voorbereid.

ARTIKELSGEWIJS

A (artikel 1)

In artikel 1 vervalt de definitie van ‘kind’ (ten laste komend kind als bedoeld in de Participatiewet) en wordt de definitie van ‘echtgenoot’ (echtgenoot als bedoeld in de Participatiewet) aangepast. De verwijzing naar de Participatiewet in de definitie van ‘kind’ is niet meer juist. In die wet wordt een ten laste komend kind gedefinieerd als een kind voor wie kinderbijslag wordt betaald. Voor een kind als bedoeld in de Rvb wordt echter geen kinderbijslag en kindgebonden budget betaald omdat de Rvb betrekking heeft op een kind dat (nog) niet beschikt over een verblijfsververgunning. Een nieuwe definitie van kind wordt niet nodig geacht.

Omdat de verwijzing naar de Participatiewet in de definitie van ‘kind’ is geschrapt is omwille van de consistentie de verwijzing naar die wet ook uit de definitie van ‘echtgenoot’ gehaald. De aangepaste omschrijving van ‘echtgenoot’ sluit aan bij de definitie in het reguliere vreemdelingenbeleid. Verder wordt in verband met de wijziging van artikel 6 van deze regeling, aan artikel 1 het begrip ‘alleenstaande ouder’ toegevoegd. De definitie van dit begrip is ingegeven door de bepaling in de Participatiewet, waarbij de verwijzing in die wet naar ‘ten laste komend kind’ achterwege is gelaten, en de omschrijving van ‘verzorger’ in artikel 1, onderdeel h, van de Rvb.

B (artikel 2)

In artikel 2, eerste lid, onderdeel c, wordt de verwijzing naar opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) of de Regeling opvang asielzoekers (Roa) geschrapt omdat aan artikel 3 een vierde lid is toegevoegd. Daarin wordt bepaald dat er geen recht op verstrekkingen ingevolge de Rvb bestaat, indien al op andere wijze in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden wordt of is voorzien. De uitsluiting in onderdeel c van Rvb-verstrekkingen in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming op grond van de Rva 2005 of de Roa, is daarmee overbodig.

De categorie in onderdeel d is niet meer actueel omdat er geen reguliere aanvragen van voor 1 juli 1998 meer openstaan. Zie ook het algemene deel hierboven. In onderdeel d is een nieuwe categorie vreemdelingen opgenomen die in aanmerking komt voor een financiële toelage op grond van de Rvb. Het betreft slachtoffers van mensenhandel aan wie op grond hiervan een verblijfsvergunning is verleend en die hier te lande verblijven met één of meer minderjarige kinderen. Sinds 1 januari 2016 is de eenoudertoeslag in de bijstand voor het kind (20% van de gezinsnorm) vervallen en de uitkering vastgesteld op 70% van de gezinsnorm. Op grond van de Participatiewet wordt die 20% uitgekeerd door de Belastingdienst in de vorm van een kindgebonden budget. Bij slachtoffers van mensenhandel aan wie op grond van de aangifte snel (binnen 24 uur na de aangifte van mensenhandel) een verblijfsvergunning is verleend doet zich de situatie voor dat het kind/de kinderen nog geen verblijfsvergunning heeft/hebben omdat onderzoek nodig is of aan de voorwaarden wordt voldaan. Hiermee kan enige tijd gemoeid zijn, bijvoorbeeld omdat er nog geen geboorteakte van het kind/de kinderen beschikbaar is. Zolang geen verblijfsvergunning is verleend aan het kind/de kinderen en deze niet is/zijn ingeschreven in de Basisregistratie personen, is er geen recht op het kindgebonden budget. Deze situatie doet zich niet voor bij slachtoffers van eergerelateerd geweld of huiselijk geweld omdat eerst een beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning wordt genomen als het dossier van de ouder en het kind/de kinderen compleet is. Het nieuwe onderdeel d in verbinding met artikel 6, tweede lid, onder d, maakt het mogelijk dat bovenstaande 20% van de gezinsnorm op grond van deze regeling wordt betaald totdat aan het kind/de kinderen een verblijfsvergunning is verleend en een burgerservicenummer is toegekend.

C (artikel 3)

In het derde lid wordt de verwijzing naar artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet COA veranderd in een verwijzing naar artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van die Wet. In artikel 3, derde lid, onderdeel a, is immers geen sprake van een opvangcentrum zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Rvb, maar van ‘de materiële en immateriële opvang van asielzoekers’. Daarnaast sluit de term ‘opvangvoorziening’ in plaats van ‘opvangcentrum’ beter aan bij de in de Wet COA en de Rva 2005 gehanteerde terminologie.

Verder wordt aan artikel 3 een vierde lid toegevoegd, dat het mogelijk maakt dat het COA een financiële toelage of de dekking van kosten van medische verstrekkingen weigert indien op andere grond dan de Rvb in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden wordt of is voorzien. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan gevallen waarin de vreemdeling al verstrekkingen ontvangt om in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden te voorzien omdat hij verblijft of, in de periode waarvoor de financiële toelage is gevraagd, heeft verbleven in een gezinslocatie of een asielzoekerscentrum of omdat er al een gemeentelijke uitkering wordt verstrekt.

D (artikel 4)

De categorieën i en j zijn samengevoegd tot één categorie vreemdelingen van 21 jaar of ouder in onderdeel i. Hiermee wordt aangesloten bij de Participatiewet, waarin de aparte categorie van 21- en 22-jarigen is vervallen. Als gevolg van de samenvoeging is onderdeel j van artikel 4 overbodig.

E (artikel 6)

De foutieve verwijzing in het eerste lid naar artikel 21, onder c, van de Participatiewet wordt gecorrigeerd. Artikel 21 heeft geen onderdeel c. Er dient verwezen te worden naar de norm voor gehuwden tussen de 21 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 21, onder b, van de Participatiewet.

In artikel 6, tweede lid, onderdeel a, sub 1, wordt bepaald dat echtgenoten die beiden verblijf hebben vanwege mensenhandel, eergerelateerd geweld of huiselijk geweld, ieder recht hebben op een financiële toelage die 50% van de berekeningsbasis bedraagt, verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen. Op basis van de oude, thans gewijzigde regel, zouden zij elk een financiële toelage van 70% van de berekeningsbasis ontvangen, hetgeen onnodig en onwenselijk is.

In artikel 6, tweede lid, onderdeel a, sub 2, wordt de berekening van de hoogte van de financiële toelage (het percentage van de berekeningsbasis) nader gespecificeerd, indien het betreft vreemdelingen die in Nederland verblijf hebben vanwege mensenhandel, eergerelateerd geweld of huiselijk geweld. In de praktijk tot 1 januari 2016 bedroeg de financiële toelage al lange tijd 90% van de berekeningsbasis indien het gaat om een alleenstaande ouder tot wiens huishouding één of meer kinderen behoren. Zoals hierboven vermeld is de eenoudertoeslag in de bijstand voor het kind (20% van de gezinsnorm) vervallen en de uitkering vastgesteld op 70% van de gezinsnorm. Voor uitkering door de Belastingdienst van die 20% in de vorm van een kindgebonden budget dient de ouder in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning. Slachtoffers van mensenhandel1, eergerelateerd geweld en huiselijk geweld die in afwachting zijn van de beslissing op de aanvraag van de verblijfsvergunning, komen daarom niet in aanmerking voor het kindgebonden budget. Omdat de slachtoffers hun eigen bijdrage voor de opvang uit de Rvb betalen wordt de hoogte van de uitkering ook in deze situatie vastgesteld op 90% van de gezinsnorm. Hiermee wordt artikel 6 op dit punt in overeenstemming gebracht met de praktijk van voor 1 januari 2016. De uitkering wordt verstrekt totdat de ouder een verblijfsvergunning heeft gekregen. Daarna is de Participatiewet van toepassing.

In onderdeel c van artikel 6, tweede lid, verandert het maximum van 10 procent van de berekeningsbasis in 30 procent. Dit vloeit voort uit de omstandigheid dat de in Nederland verblijvende echtgenoot tot wiens huishouden reeds één of meer kinderen behoren op grond van de Participatiewet 70 procent ontvangt (indien er geen kostendelende medebewoners zijn). Het bestaande onderdeel d in artikel 6, tweede lid, is opgenomen in onderdeel c.

Zie voor toelichting op het nieuwe onderdeel d van artikel 6, tweede lid, de toelichting bij artikel 2.

De wijziging van het tweede lid, onderdeel g, vloeit voort uit artikel 20, eerste lid, onder a, van de Participatiewet, waarin voor jongeren van 18, 19 en 20 jaar de norm voor algemene bijstand is opgenomen.

Zoals vermeld zijn in artikel 4 de categorieën i en j conform de Participatiewet samengevoegd tot één categorie vreemdelingen van 21 jaar of ouder. Voor vreemdelingen in de leeftijd van 23 jaar of ouder komt de financiële toelage op grond van artikel 6, tweede lid, onder h, 50% van de berekeningsbasis te bedragen in plaats van 70%. Dit is gerechtvaardigd omdat bij die 70% een toelage van 20% was inbegrepen voor alleenstaanden terwijl het hier gaat om gezinsherenigers die inwonen bij hun bloedverwant (kostendelersnorm van de bijstand). In artikel 6, tweede lid, onderdeel h, is verder voorzien dat wanneer het gaat om een alleenstaande ouder die verblijf beoogt bij een Nederlands kind recht bestaat op een toelage van 70% van de berekeningsbasis.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol


X Noot
1

Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van artikel 8, onder k, Vreemdelingenwet 2000 een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.