Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 19721Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 30 maart 2020, nr. PO/17939832, tot wijziging van de Subsidieregeling lerarenbeurs in verband met het vaststellen van het subsidieplafond, de verdeling van de budgetten en de bedragen per studieverlofuur voor het studiejaar 2020–2021

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet OCW-subsidies en artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling lerarenbeurs wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt in de begripsbepaling van orthopedagogisch-didactisch centrum ‘artikel 18a, lid 10, van de Wet op het primair onderwijs’ vervangen door ‘artikel 18a, lid 10a, van de Wet op het primair onderwijs’.

B

In artikel 3 wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2a. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de minister ook subsidie verstrekken voor het volgen van een opleiding in het Verenigd Koninkrijk, indien:

    • a. voor het eerste jaar van die opleiding uiterlijk in 2020 subsidie wordt aangevraagd; of

    • b. door de leraar voor de desbetreffende opleiding voor een tweede of derde studiejaar subsidie wordt aangevraagd en de minister de leraar reeds eerder voor de opleiding op grond van deze regeling subsidie heeft verstrekt.

C

Aan artikel 4 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Voor het studiejaar 2020–2021 is een bedrag van € 49.600.000 beschikbaar voor verstrekking van subsidies op grond van deze regeling.

D

Onder vernummering van het zesde tot zevende lid wordt in artikel 6 na het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. De verdeling van het beschikbare bedrag voor het studiejaar 2020–2021 over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:

    • a. € 14.000.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

    • b. € 23.000.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;

    • c. € 6.500.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het beroepsonderwijs en educatie; en

    • d. € 6.100.000 is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.

E

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a. Termijn indiening wijziging

Aanvragen tot wijziging van het aangevraagde subsidiebedrag en de aangevraagde studieverlofuren kunnen jaarlijks worden ingediend tot en met 15 oktober van het studiejaar waarvoor subsidie is aangevraagd.

F

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Het eerste lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b vervalt ‘in dienst is of was bij een bevoegd gezag dan wel een andere werkgever, en’.

b. In onderdeel c wordt ‘is’ telkens vervangen door ‘is of was’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het criterium genoemd in het eerste lid, onder b, wordt bij elke aanvraag aangetoond met een door het bevoegd gezag ondertekende werkgeversverklaring voorzien van een stempel van het bevoegd gezag.

G

Aan artikel 22 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De subsidiebedragen voor het studiejaar 2020–2021 voor een studieverlofuur zijn voor een subsidieontvanger in de sector:

    • a. basisonderwijs: € 37,79;

    • b. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: € 39,58;

    • c. voortgezet onderwijs: € 42,86;

    • d. beroepsonderwijs en educatie: € 44,07; en

    • e. hoger beroepsonderwijs: € 48,00.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

Algemeen

Met de onderhavige regeling is de Subsidieregeling lerarenbeurs gewijzigd. De Subsidieregeling lerarenbeurs stelt bevoegde leraren in staat een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding te volgen om daarmee hun kwalificatieniveau te verhogen. De leraar ontvangt subsidie voor studiekosten die dient als een tegemoetkoming in de kosten van studie, studiemiddelen en reiskosten. Zijn werkgever kan subsidie ontvangen om de leraar studieverlof te verlenen en een vervanger aan te stellen.

De wijzigingen betreffen de bijstelling van het budget in 2020 en de verdeling hiervan over de onderwijssectoren, een explicitering van de voorwaarde dat ook voor herhaalaanvragen (een subsidie-aanvraag voor een tweede of derde studiejaar) een werkgeversverklaring benodigd is en een verlenging van de periode waarin wijzigingen ingediend kunnen worden van het aangevraagde subsidiebedrag en de aangevraagde studieverlofuren.

Het beschikbare budget voor de Lerarenbeurs is in 2020 49,6 miljoen euro. Dat is een vermindering ten opzichte van het budget in 2019, te weten 78 miljoen euro. Reden is een intensivering van de aanpak van het lerarentekort. Daartoe heeft de Tweede Kamer een aantal amendementen op de begroting van OCW aangenomen, waardoor er meer geld gaat naar de regionale aanpak personeelstekorten, de Regeling subsidie zij-instroom en de Subsidieregeling onderwijsassistenten opleiding tot leraar en naar het Samen Opleiden via de opleidingsscholen. De financiële dekking daarvoor heeft de Tweede Kamer gevonden in het budget voor de Lerarenbeurs. Het gaat om 28,5 miljoen in 2020.

Met dit budget voor de Lerarenbeurs kunnen in 2020 alle ‘herhaalaanvragen’ (aanvragen voor een tweede of derde studiejaar) gehonoreerd worden. Dat betekent dat alle leraren die nu al een lerarenbeurs krijgen hun opleiding met de beurs kunnen vervolgen of afmaken. Het budget voor de Lerarenbeurs dat vervolgens nog over is voor leraren die in 2020 willen starten met een bachelor- of masteropleiding, zal hierdoor beperkt zijn.

Aan de regeling wordt tevens toegevoegd dat het aangevraagde subsidiebedrag en de aangevraagde studieverlofuren nog gewijzigd kunnen worden tot en met 15 oktober van het jaar van de aanvraag in geval van een verhoging. Het is namelijk niet altijd bekend wat de instellingscollegegelden zijn op het moment van aanvragen. Ook kunnen de werkgever en werknemer, na aanvang van de studie, overeenkomen om de aangevraagde studieverlofuren te verhogen. Het bieden van de mogelijkheid om nog een bepaalde periode het collegegeld te wijzigen of de verlofuren aan te passen, voorkomt dat een te hoge inschatting wordt gemaakt aan de voorkant en geld gerestitueerd moet worden.

Inwerkingtreding en vaste verandermomenten

Er wordt in deze wijzigingsregeling afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimale invoeringstermijn van twee maanden. Niemand wordt benadeeld door deze afwijking.

Regeldruk

De regeldruk verandert niet met deze wijziging.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel B (artikel 3)

Met de Lerarenbeurs mogen leraren ook een opleiding volgen buiten Nederland, maar binnen de Europese Unie en het Koninkrijk der Nederlanden, die vergelijkbaar is met een bachelor- of masteropleiding in Nederland voor wat betreft niveau, kwaliteit en afsluitend examen. Vanwege de Brexit valt het Verenigd Koninkrijk niet meer onder de Europese Unie. Om te voorzien in een overgangsperiode worden leraren die een studie willen volgen in het Verenigd Koninkrijk in staat gesteld om in 2020 nog voor een eerste keer een Lerarenbeurs aan te vragen. Vanaf de aanvraagronde in 2021 wordt de Lerarenbeurs alleen nog verstrekt aan leraren die voor een tweede of derde keer een beurs aanvragen om hun studie in het Verenigd Koninkrijk te kunnen vervolgen of afmaken.

Artikel I, onderdeel F (artikel 14)

Aan artikel 14 wordt een lid toegevoegd om expliciet te maken dat een werkgeversverklaring ook bij een herhaalaanvraag moet worden overlegd.

Om aanspraak te kunnen maken op de Lerarenbeurs, geldt als voorwaarde dat een leraar op het moment van de aanvraag in dienst is – of in de twaalf kalendermaanden daaraan voorafgaand – in dienst is geweest bij een bevoegd gezag. Om te bepalen of een aanvrager aan deze voorwaarde voldoet, wordt een werkgeversverklaring gevraagd. Deze werkgeversverklaring moet worden ondertekend door de werkgever en zijn voorzien van een stempel van de school. Voorheen was dit niet expliciet in de regeling opgenomen voor een tweede of derde aanvraag.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob