Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 24 maart 2020, nr. WJZ/ 19185916, tot instelling van het Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio (Regeling instelling Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio)

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad;

Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges;

Besluiten:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. adviescollege:

Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio;

b. commerciële media-instelling:

commerciële media-instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Mediawet 2008;

c. Minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat.

Artikel 2

  • 1. Er is een Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio.

  • 2. Het adviescollege heeft tot taak de Minister te adviseren over:

    • a. de wijze van verdelen of verlengen van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte door of ten behoeve van commerciële media-instellingen voor de periode na 1 september 2022;

    • b. de mogelijkheden om na het jaar 2022 huidige voorwaarden van vergunningen die commerciële media-instellingen als belemmerend ervaren te versoepelen of af te schaffen;

    • c. het afschakelen van frequentieruimte voor commerciële analoge radio;

    • d. eventuele wijzigingen van de Telecommunicatiewet die dienstig kunnen zijn ter uitvoering van het advies ten aanzien van de onderwerpen, bedoeld in de onderdelen a, b en c.

  • 3. Bij het uitvoeren van zijn taak houdt het adviescollege rekening met de economische, maatschappelijke en culturele belangen die met het gebruik van frequentieruimte zijn gemoeid, en met de verschillende Europeesrechtelijke en nationaalrechtelijke normen en beginselen inzake de verdeling van schaarse publieke rechten in het algemeen en vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte in het bijzonder.

Artikel 3

Het adviescollege bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.

Artikel 4

  • 1. Het adviescollege brengt uiterlijk binnen 6 maanden nadat de voorzitter en de andere leden van het adviescollege door de Minister zijn benoemd schriftelijk advies uit aan de Minister.

  • 2. Na het uitbrengen van het advies als bedoeld in het eerste lid is het adviescollege opgeheven.

  • 3. De Minister kan de in het eerste lid genoemde termijn verlengen bij een in de Staatscourant te vermelden besluit.

Artikel 5

  • 1. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van het adviescollege geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

  • 2. De archiefbescheiden van het adviescollege worden na zijn opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Artikel 6

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 6 maart 2020.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2020.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling instelling Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 24 maart 2020

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, A.Th.B. Bijleveld-Schouten

TOELICHTING

1. Inleiding

De onderhavige regeling strekt tot instelling van het Adviescollege verdeling frequentieruimte commerciële radio. Dit adviescollege wordt gevraagd advies uit te brengen over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de vergunningen bestemd voor commerciële radio-omroep kunnen worden uitgegeven voor de periode na 2022, alsmede over het beëindigen van het gebruik van frequentieruimte voor commerciële analoge radio-omroep.

2. Achtergrond

De overheid heeft op het terrein van frequentiebeleid een ordenende, verdelende en toezichthoudende rol. Het is de taak van de overheid om frequentieruimte zodanig te verdelen dat zo goed mogelijk recht wordt gedaan aan de economische, maatschappelijke en culturele belangen die met frequentiegebruik zijn gemoeid. Centrale doelstelling van het frequentiebeleid is doelmatig frequentiegebruik. Dit betekent dat frequenties efficiënt en effectief worden gebruikt. Uitgangspunt bij het frequentiebeleid is dus ook een efficiënt werkende markt, onder waarborging van de publieke taak.

Op grond van de Telecommunicatiewet, en de Nota Frequentiebeleid 2016 is de hoofdregel dat schaarse frequentievergunningen worden verdeeld middels een veiling.

Vergunningen voor commerciële radio-vergunningen zijn in de regel schaars. De commerciële analoge radiovergunningen zijn in 2003 verdeeld middels een vergelijkende toets met financieel bod. Sindsdien zijn de vergunningen niet opnieuw verdeeld, maar – onder meer na overleg met de Tweede Kamer – tweemaal verlengd. Sinds 2011 zijn de analoge vergunningen tevens gekoppeld aan digitale vergunningen om de transitie van analoog naar digitaal te stimuleren.

De huidige vergunningen lopen tot 1 september 2022. Op korte termijn zal een besluit moeten worden genomen omtrent de wijze van uitgifte van deze vergunningen voor de periode na 1 september 2022. Verschillende factoren spelen hierbij een rol. Zo hebben de bestaande marktpartijen aangegeven dat zij een aantal beperkingen en voorschriften van hun analoge vergunningen als knellend ervaren. Bovendien hebben zij aangegeven dat zij geen nieuwe verdeling willen maar dat zij de voorkeur geven aan wederom een verlenging. Daarnaast hebben kleinere marktpartijen met hun huidige businessmodel moeite om invulling te geven aan de digitaliseringsverplichting die aan de tweede verlenging ten grondslag heeft gelegen. In lijn hiermee heeft de Tweede Kamer een motie van de leden Aartsen (VVD) en Sneller (D66) aangenomen die de regering oproept om te onderzoeken op welke wijze de huidige, voorwaarden voor commerciële radiozenders versoepeld dan wel afgeschaft kunnen worden (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 VIII, nr. 120). Voorts speelt in dit kader de vraag mee naar de wenselijkheid om de thans verplichte koppeling van vergunningen voor analoge radio met vergunningen voor digitale radio al dan niet in stand te houden. Tot slot ligt ook het vraagstuk op tafel van het (moment van) afschakelen van analoge FM radio.

De vele, vaak ook onderling tegenstrijdige, belangen van betrokken marktpartijen, vergaande juridificering, de dynamiek van de sector en de politieke gevoeligheid van het radiodistributiedossier maken het speelveld complex en vormen een uitdaging voor de beleidsontwikkeling en -uitvoering.

Om tot een gewogen antwoord te komen op de vraag hoe de vergunningen bestemd voor commerciële radio-omroep voor de periode na 2022 kunnen worden uitgegeven, is het onder meer van belang dat wordt nagegaan of het bestaande juridisch kader al dan niet aanpassing behoeft. De vraagstukken die leven op het terrein van commerciële radio vragen om een structurele en toekomstbestendige aanpak. Hiervoor is het noodzakelijk dat deze vraagstukken in onderlinge samenhang worden bezien. Alleen op deze wijze kan er gekomen worden tot een duurzaam radiobeleid, dat recht doe aan alle betrokken belangen. Het doel daarbij is om de complexiteit op het terrein waarop de sector actief is, zoveel mogelijk terug te brengen.

3. Adviescollege

Als gevolg van de eerdere verlengingen, is een juridisch complex bouwwerk ontstaan. Niet langer volstaat het toepassen van oplossingen, die alleen antwoord geven op de vraag welke verdeelinstrument van toepassing is. In de transitiefase van analoog naar digitaal is en wordt het steeds belangrijker om invulling te geven aan de maatschappelijke context waarbij een evenwichtige belangenafweging centraal dient te staan. Dit maakt het radiodossier ook op bestuurlijk terrein complex. Oplossingen voor de langere termijn vragen om een integraal georiënteerde aanpak. Voor de advisering over de oplossing daarvan is het wenselijk en noodzakelijk beroep te doen op onafhankelijke, externe deskundigheid vanuit verschillende achtergronden: juridisch, economisch en bestuurlijk. Met onafhankelijke, externe deskundigheid wordt de vereiste onafhankelijkheid van het adviescollege geborgd.

Geen van de bestaande adviescolleges is geëquipeerd voor de vervulling van de specifieke taakopdracht waarin de onderhavige regeling voorziet.

Tegen die achtergrond is gekozen voor de instelling van een nieuw, eenmalig adviescollege met een afgebakende opdracht. Aangezien de advisering betrekking heeft op het te voeren beleid, is sprake van een adviescollege in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is medeondertekenaar van de instellingsregeling van het adviescollege, overeenkomstig de Kaderwet adviescolleges. Deze toelichting is mede namens hem.

Na het uitbrengen van het advies wordt het adviescollege conform het bepaalde in artikel vier, tweede lid, van deze regeling, van rechtswege opgeheven. Gelet op de mogelijkheid die de Minister heeft om de termijn van 6 maanden te verlengen, komt de instellingsregeling pas per 31 december 2020 te vervallen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, A.Th.B. Bijleveld-Schouten

Naar boven