TOELICHTING
1. Inleiding
De onderhavige regeling strekt tot instelling van het Adviescollege verdeling frequentieruimte
commerciële radio. Dit adviescollege wordt gevraagd advies uit te brengen over de
wijze waarop en de voorwaarden waaronder de vergunningen bestemd voor commerciële
radio-omroep kunnen worden uitgegeven voor de periode na 2022, alsmede over het beëindigen
van het gebruik van frequentieruimte voor commerciële analoge radio-omroep.
2. Achtergrond
De overheid heeft op het terrein van frequentiebeleid een ordenende, verdelende en
toezichthoudende rol. Het is de taak van de overheid om frequentieruimte zodanig te
verdelen dat zo goed mogelijk recht wordt gedaan aan de economische, maatschappelijke
en culturele belangen die met frequentiegebruik zijn gemoeid. Centrale doelstelling
van het frequentiebeleid is doelmatig frequentiegebruik. Dit betekent dat frequenties
efficiënt en effectief worden gebruikt. Uitgangspunt bij het frequentiebeleid is dus
ook een efficiënt werkende markt, onder waarborging van de publieke taak.
Op grond van de Telecommunicatiewet, en de Nota Frequentiebeleid 2016 is de hoofdregel
dat schaarse frequentievergunningen worden verdeeld middels een veiling.
Vergunningen voor commerciële radio-vergunningen zijn in de regel schaars. De commerciële
analoge radiovergunningen zijn in 2003 verdeeld middels een vergelijkende toets met
financieel bod. Sindsdien zijn de vergunningen niet opnieuw verdeeld, maar – onder
meer na overleg met de Tweede Kamer – tweemaal verlengd. Sinds 2011 zijn de analoge
vergunningen tevens gekoppeld aan digitale vergunningen om de transitie van analoog
naar digitaal te stimuleren.
De huidige vergunningen lopen tot 1 september 2022. Op korte termijn zal een besluit
moeten worden genomen omtrent de wijze van uitgifte van deze vergunningen voor de
periode na 1 september 2022. Verschillende factoren spelen hierbij een rol. Zo hebben de bestaande
marktpartijen aangegeven dat zij een aantal beperkingen en voorschriften van hun analoge
vergunningen als knellend ervaren. Bovendien hebben zij aangegeven dat zij geen nieuwe
verdeling willen maar dat zij de voorkeur geven aan wederom een verlenging. Daarnaast
hebben kleinere marktpartijen met hun huidige businessmodel moeite om invulling te
geven aan de digitaliseringsverplichting die aan de tweede verlenging ten grondslag
heeft gelegen. In lijn hiermee heeft de Tweede Kamer een motie van de leden Aartsen
(VVD) en Sneller (D66) aangenomen die de regering oproept om te onderzoeken op welke
wijze de huidige, voorwaarden voor commerciële radiozenders versoepeld dan wel afgeschaft
kunnen worden (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 VIII, nr. 120). Voorts speelt in dit kader de vraag mee naar de wenselijkheid om de thans verplichte
koppeling van vergunningen voor analoge radio met vergunningen voor digitale radio
al dan niet in stand te houden. Tot slot ligt ook het vraagstuk op tafel van het (moment
van) afschakelen van analoge FM radio.
De vele, vaak ook onderling tegenstrijdige, belangen van betrokken marktpartijen,
vergaande juridificering, de dynamiek van de sector en de politieke gevoeligheid van
het radiodistributiedossier maken het speelveld complex en vormen een uitdaging voor
de beleidsontwikkeling en -uitvoering.
Om tot een gewogen antwoord te komen op de vraag hoe de vergunningen bestemd voor
commerciële radio-omroep voor de periode na 2022 kunnen worden uitgegeven, is het
onder meer van belang dat wordt nagegaan of het bestaande juridisch kader al dan niet
aanpassing behoeft. De vraagstukken die leven op het terrein van commerciële radio
vragen om een structurele en toekomstbestendige aanpak. Hiervoor is het noodzakelijk
dat deze vraagstukken in onderlinge samenhang worden bezien. Alleen op deze wijze
kan er gekomen worden tot een duurzaam radiobeleid, dat recht doe aan alle betrokken
belangen. Het doel daarbij is om de complexiteit op het terrein waarop de sector actief
is, zoveel mogelijk terug te brengen.
3. Adviescollege
Als gevolg van de eerdere verlengingen, is een juridisch complex bouwwerk ontstaan.
Niet langer volstaat het toepassen van oplossingen, die alleen antwoord geven op de
vraag welke verdeelinstrument van toepassing is. In de transitiefase van analoog naar
digitaal is en wordt het steeds belangrijker om invulling te geven aan de maatschappelijke
context waarbij een evenwichtige belangenafweging centraal dient te staan. Dit maakt
het radiodossier ook op bestuurlijk terrein complex. Oplossingen voor de langere termijn
vragen om een integraal georiënteerde aanpak. Voor de advisering over de oplossing
daarvan is het wenselijk en noodzakelijk beroep te doen op onafhankelijke, externe
deskundigheid vanuit verschillende achtergronden: juridisch, economisch en bestuurlijk.
Met onafhankelijke, externe deskundigheid wordt de vereiste onafhankelijkheid van
het adviescollege geborgd.
Geen van de bestaande adviescolleges is geëquipeerd voor de vervulling van de specifieke
taakopdracht waarin de onderhavige regeling voorziet.
Tegen die achtergrond is gekozen voor de instelling van een nieuw, eenmalig adviescollege
met een afgebakende opdracht. Aangezien de advisering betrekking heeft op het te voeren
beleid, is sprake van een adviescollege in de zin van artikel 6, eerste lid, van de
Kaderwet adviescolleges. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
is medeondertekenaar van de instellingsregeling van het adviescollege, overeenkomstig
de Kaderwet adviescolleges. Deze toelichting is mede namens hem.
Na het uitbrengen van het advies wordt het adviescollege conform het bepaalde in artikel
vier, tweede lid, van deze regeling, van rechtswege opgeheven. Gelet op de mogelijkheid
die de Minister heeft om de termijn van 6 maanden te verlengen, komt de instellingsregeling
pas per 31 december 2020 te vervallen.
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, A.Th.B. Bijleveld-Schouten