Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2020, 17598Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 maart 2020, nr. 2020-0000011303, houdende regels met betrekking tot de stimulering van aardgasvrije huurwoningen (Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 4, eerste en tweede lid, van de Kaderwet overige BZK-subsidies en de artikelen 6, vijfde lid, onderdeel b, en zevende lid, en 8, eerste en tweede lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

huurwoning:

woongelegenheid als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet die is bedoeld voor verhuur;

Kaderbesluit:

kaderbesluit BZK-subsidies;

minister:

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

verhuurder:

Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of meer huurwoningen in eigendom heeft;

warmteleverancier:

leverancier als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet;

warmtenet:

Warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel het stimuleren van het aardgasvrij maken van huurwoningen door middel van opschaling en versnelling van:

  • a. het aardgasvrij maken van huurwoningen en het aansluiten op warmtenetten van die aardgasvrije huurwoningen; en

  • b. het volledig aardgasvrij maken van huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 3. Aanvraagperiode en wijze van indienen

  • 1. Een aanvraag voor een subsidie kan worden ingediend van 1 mei 2020 tot en met 31 december 2023.

  • 2. Voor huurwoningen van een verhuurder die op grond van dezelfde overeenkomst met een warmteleverancier worden aangesloten op een warmtenet wordt één aanvraag ingediend.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op een aanvraag voor een subsidie voor het geheel aardgasvrij maken van huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 4. Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat door de minister ter beschikking is gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 184.300.000 voor het totaal van:

    • a. de aanvragen voor subsidies van € 25.000 of meer als bedoeld in hoofdstuk 2; en

    • b. de aanvragen voor subsidies voor uitsluitend het volledig aardgasvrij maken van huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 2. Het subsidieplafond voor aanvragen voor subsidies van minder dan € 25.000 als bedoeld in hoofdstuk 3, anders dan aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onder b, bedraagt € 10.000.000.

  • 3. De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 5. Staatssteun

  • 1. Een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 2 kan staatsteun bevatten en gerechtvaardigd worden door artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3 kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door de de-minimisverordening.

HOOFDSTUK 2. SUBSIDIES VAN € 25.000 OF MEER

Artikel 6. Verstrekken van een subsidie van € 25.000 of meer

  • 1. De minister kan aan verhuurders op aanvraag subsidie verstrekken van € 25.000 of meer voor activiteiten ten behoeve van het aardgasvrij maken en aansluiten op een warmtenet van meerdere huurwoningen of het volledig aardgasvrij maken van meerdere huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 2. Een subsidie kan uitsluitend worden verleend voor activiteiten die:

    • a. nog niet zijn aangevangen op het moment van aanvraag van de subsidie;

    • b. betrekking hebben op huurwoningen die gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd;

    • c. binnen vijf jaar na moment van aanvraag van de subsidie kunnen worden afgerond; en

    • d. als beoogd resultaat hebben dat huurwoningen na afronding van de activiteiten:

      • 1°. aardgasvrij zijn; en

      • 2°. zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 3. Het tweede lid, onder d, onder 2°, is niet van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 7. Subsidiabele kosten

  • 1. Een subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a. de kosten gerekend door de netbeheerder voor het afkoppelen van de aardgasaansluiting bedoeld voor ruimteverwarming, koken of warmtapwater en het verwijderen van de gasmeter;

    • b. het aanpassen of vervangen van het ruimteverwarmingssysteem en de voorzieningen voor koken en warmtapwater door middel van:

      • 1°. het verwijderen van de individuele of collectieve CV-ketel inclusief rookgasafvoer;

      • 2°. het aanpassen van de warmteafgiftesystemen ten behoeve van verwarming met lage temperatuur;

      • 3°. het verwijderen van het individuele warmtapwatertoestel;

      • 4°. het verwijderen van het gasfornuis; of

      • 5°. het installeren van een niet-gasgedreven warmtapwatervoorziening

    • c. andere bouwkundige aanpassingen die nodig zijn voor het aardgasvrij maken van de huurwoning of het aansluiten van de woning op een warmtenet, inhoudende:

      • 1°. het aankoppelen van het inpandig leidingnet voor ruimteverwarming aan het warmtenet en de warmtapwatervoorziening aan de afleverset;

      • 2°. het aanpassen van de meterkast en leidingen ten behoeve van elektrisch koken;

      • 3°. het verwijderen van de stijgleidingen;

      • 4°. bouwkundige aanpassingen ten behoeve van het plaatsen van de afleverset; of

      • 5°. het verwijderen van gasleidingen; en

    • d. de kosten gerekend door de warmteleverancier voor het aansluiten van de huurwoning op het warmtenet.

  • 2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn subsidiabel voor zover het gaat om kosten, die rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming en die als kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3. In afwijking van artikel 6, vierde lid, van het Kaderbesluit en met inachtneming van artikel 11, onder d, kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, die ook uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie

  • 1. Een subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a tot en met c, bedraagt ten hoogste 40 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 1.200 per huurwoning.

  • 2. Een subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, bedraagt ten hoogste 30 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 3.800 per huurwoning.

Artikel 9. Aanvraag van de subsidie

  • 1. Een aanvraag bevat:

    • a. adresgegevens van de huurwoningen waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b. indien van toepassing: het L-nummer van de aanvrager;

    • c. indien de aanvrager een natuurlijke persoon is: het burgerservicenummer van de aanvrager;

    • d. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt:

      • 1°. hoeveel de kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, bedragen;

      • 2°. dat de huurwoningen, bedoeld onder a, zullen worden aangesloten op een warmtenet; en

      • 3°. dat het aansluiten van de huurwoningen op een warmtenet binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag zal plaatsvinden;

    • e. een verklaring waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager voor de activiteiten waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt aangevraagd niet meer steun ontvangt dan is toegestaan op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • f. een verklaring van de verhuurder waaruit blijkt dat de huurwoningen gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd; en

    • g. als de verhuurder meer dan € 500.000 aanvraagt of ontvangt voor de kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid: informatie over de grootte van de onderneming, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder d, bevat een aanvraag voor subsidie voor activiteiten ten behoeve van het volledig aardgasvrij maken van huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat de huurwoningen zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 10. Subsidieverplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit te voeren binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag voor de subsidie; en

    • b. de minister te informeren wanneer de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verstrekt, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze.

  • 2. Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger een maal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.

  • 3. Artikel 19 van het Kaderbesluit is niet van toepassing op een subsidie als bedoeld in artikel 6.

Artikel 11. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor zover:

  • a. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen die niet zijn gelegen in Nederland;

  • b. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen die zijn gebouwd op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of na 1 juli 2018 en die niet zijn gelegen in een door college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld artikel 10, zevende lid, onder a, van de Gaswet;

  • c. de aanvraag is ingediend door een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of

  • d. een bedrag aan subsidie verstrekt zou worden dat hoger is dan geoorloofd is op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 12. Verlening, voorschot en vaststelling van de subsidie

  • 1. De hoogte van het voorschot bij verlening bedraagt 50 procent van de subsidie.

  • 2. Bij de aanvraag tot vaststelling wordt door de subsidieontvanger aangetoond dat is voldaan aan artikel 10 en de subsidieverplichtingen die zijn opgenomen in de verleningsbeschikking.

Artikel 13. Bekendmaking van gegevens over steunverlening

  • 1. De minister maakt binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening de gegevens bekend, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, als de subsidie aan een aanvrager meer bedraagt dan € 500.000.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

HOOFDSTUK 3. SUBSIDIES VAN MINDER DAN € 25.000

Artikel 14. Verstrekken van de subsidie

  • 1. De minister kan op aanvraag een subsidie van minder dan € 25.000 verstrekken aan verhuurders voor activiteiten ten behoeve van het aardgasvrij maken en aansluiten op een warmtenet van een of meerdere huurwoningen of het volledig aardgasvrij maken van een of meerdere huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 2. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden verleend voor activiteiten die:

    • a. zijn aangevangen na 17 september 2019 en ten tijde van de aanvraag lopend of afgerond zijn; b. betrekking hebben op huurwoningen die gedurende de twee jaar voor de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd;

    • c. binnen vijf jaar na moment van aanvraag van de subsidie kunnen worden afgerond; en

    • d. tot beoogd resultaat hebben dat huurwoningen na afronding van de activiteiten:

      • 1°. aardgasvrij zijn; en

      • 2°. zijn aangesloten op een warmtenet.

  • 3. Het tweede lid, onder d, onder 2°, is niet van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 15. Subsidiabele kosten

  • 1. Een subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a. de kosten gerekend door de netbeheerder voor het afkoppelen van de aardgasaansluiting bedoeld voor ruimteverwarming, koken of warmtapwater en het verwijderen van de gasmeter;

    • b. het aanpassen of vervangen van het ruimteverwarmingssysteem en de voorzieningen voor koken en warmtapwater door middel van:

      • 1°. het verwijderen van de individuele of collectieve CV-ketel inclusief rookgasafvoer;

      • het aanpassen van de warmteafgiftesystemen ten behoeve van verwarming met lage temperatuur;

      • 3°. het verwijderen van het individuele warmtapwatertoestel;

      • 4°. het verwijderen van het gasfornuis; of

      • 5°. het installeren van een niet-gasgedreven warmtapwatervoorziening;

    • c. andere bouwkundige aanpassingen die nodig zijn voor het aardgasvrij maken van de huurwoning of het aansluiten van de woning op een warmtenet, inhoudende:

      • 1°. het aankoppelen van het inpandig leidingnet voor ruimteverwarming aan het warmtenet en de warmtapwatervoorziening aan de afleverset;

      • 2°. het aanpassen van de meterkast en leidingen ten behoeve van elektrisch koken;

      • 3°. het verwijderen van de stijgleidingen;

      • 4°. bouwkundige aanpassingen ten behoeve van het plaatsen van de afleverset; of

      • 5°. het verwijderen van gasleidingen; en

    • d. de kosten gerekend door de warmteleverancier voor het aansluiten van de huurwoning op het warmtenet.

  • 2. In afwijking van artikel 6, vierde lid, van het Kaderbesluit en met inachtneming van artikel 13, onder a, van het Kaderbesluit, kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 14, eerste lid, die ook uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

Artikel 16. Hoogte van de subsidie

  • 1. Een subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en met c, bedraagt ten hoogste 40 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 1.200 per huurwoning.

  • 2. Een subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder d, bedraagt ten hoogste 30 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 3.800 per huurwoning.

Artikel 17. Aanvraag van de subsidie

  • 1. Een aanvraag bevat:

    • a. adresgegevens van de huurwoningen waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b. indien van toepassing: het L-nummer van de aanvrager;

    • c. indien de aanvrager een natuurlijke persoon is: het burgerservicenummer van de aanvrager;

    • d. een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt:

      • 1°. hoeveel de kosten, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder d, bedragen;

      • 2°. dat de huurwoningen, bedoeld onder a, zullen worden aangesloten op een warmtenet; en

      • 3°. dat het aansluiten van die huurwoningen op een warmtenet binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag zal plaatsvinden;

    • e. een verklaring van de verhuurder waaruit blijkt dat de huurwoning of de huurwoningen gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden zijn verhuurd; en

    • f. een verklaring waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager voor de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd niet meer steun ontvangt dan is toegestaan op basis van de de-minimisverordening.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder d, bevat een aanvraag voor subsidie voor activiteiten ten behoeve van het volledig aardgasvrij maken van huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat de huurwoningen zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 18. Subsidieverplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit te voeren binnen vijf jaar na het indienen van de aanvraag.

  • 2. Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger een maal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.

Artikel 19. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor zover:

  • a. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen die niet zijn gelegen in Nederland; of

  • b. de activiteiten zullen worden verricht in huurwoningen die zijn gebouwd op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd op of na 1 juli 2018 en die niet zijn gelegen in een door college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied als bedoeld artikel 10, zevende lid, onder a, van de Gaswet.

Artikel 20. Verlening en vaststelling van de subsidie

  • 1. Als een subsidie wordt verleend voor activiteiten die zijn afgerond ten tijde van de aanvraag, wordt bij verlening direct een beschikking tot subsidievaststelling afgegeven als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder a, van het Kaderbesluit.

  • 2. Als een subsidie wordt verleend voor activiteiten die nog niet zijn afgerond ten tijde van de aanvraag wordt de subsidie uiterlijk vijf jaar na indienen van de aanvraag ambtshalve vastgesteld als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onder b, van het Kaderbesluit.

HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN

Artikel 21. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2020, en vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn verstrekt.

Artikel 22. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Hoofdlijnen van de regeling

1.1 Aanleiding

Deze Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (hierna: SAH) is gericht op het aardgasvrij maken van huurwoningen en het aansluiten van die huurwoningen op warmtenetten. Hiermee wordt bijgedragen aan opschaling en versnelling van het aardgasvrij maken van huurwoningen, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord van juni 20191.

De regeling beoogt een stimulans voor de aansluiting van huurwoningen op warmtenetten door middel van een tijdelijke bijdrage in de kosten voor de aanpassing van de woning en de kosten van aansluiting op een warmtenet, en voor het geheel aardgasvrij maken van woningen die al op een warmtenet zijn aangesloten.

In het Klimaatakkoord, opgesteld door het Rijk en een groot aantal maatschappelijke partijen, is een samenhangend pakket van maatregelen opgenomen waarmee in 2030 een reductie van 49% van de uitstoot van broeikasgassen kan worden gerealiseerd. Onderdeel van dit pakket is de zogenoemde Startmotor, waarin partijen de ambitie hebben geformuleerd om in een periode van vier jaar minimaal 100.000 woningen aardgasvrij te maken of ervoor te zorgen dat de woningen klaar zijn om van het gas afgekoppeld te worden (‘aardgasvrij-ready’). De betrokken partijen zijn onder meer: Aedes, VNG, IVBN, Vastgoed Belang, Bouwend NL, Techniek Nederland, Netbeheer Nederland, Energie Nederland, OnderhoudNL en de warmtebedrijven. Omdat de aansluiting van huurwoningen op warmtenetten een impuls nodig heeft, stelt het kabinet, via een regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK), hiervoor budget beschikbaar2.

De Startmotor heeft tot doel een eerste opschaling van de verduurzaming van de woningvoorraad. Door grootschalig woningen aan te pakken kan een slag worden gemaakt in de kostenreductie van de verbouwing en het reduceren van CO2-uitstoot. Het kabinet ondersteunt de Startmotor middels twee sporen: enerzijds het stimuleren van het versneld aansluiten van woningen op een warmtenet en anderzijds het stimuleren van opschaling van de aanschaf van hybride warmtepompen en gebruik van geheel elektrische oplossingen (‘all electric’).

De SAH is een uitwerking van het eerste spoor. De regeling is gericht op het aardgasvrij maken van huurwoningen en aansluiting op een warmtenet. Dit betekent dat er na het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten geen gas meer wordt gebruikt in de woning.

Wanneer huurwoningen worden aangesloten op een warmtenet, moet er een net aangelegd worden of zijn en zal de verhuurder ook de woning aan moeten passen. Deze kosten voor het aardgasvrij maken van huurwoningen kunnen hoog zijn. Zonder een bijdrage van de Rijksoverheid zal de Startmotor niet of minder snel op gang komen. De bijdrage verlaagt de omvang van de investeringen die verhuurders moeten doen om woningen van het aardgasvrij te maken.

De ondersteuning van andere warmteopties volgens het tweede spoor kan plaatsvinden via andere instrumenten, zoals de Renovatieversneller en de Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE). Dat zijn (toekomstige) regelingen die zich richten op innovatieve toepassingen binnen de woning en toepassing van hernieuwbare energie.

Daarnaast zijn heffingplichtige verhuurders bij het realiseren van verduurzamende maatregelen ondersteund met de wijziging van de Regeling Vermindering Verhuurderheffing Verduurzaming 20143, die met name is gericht op isolatiemaatregelen in de woning.

In het Klimaatakkoord is aangegeven dat gemeenten in een transitievisie warmte het tijdpad schetsen waarin wijken van het aardgas gaan. De (versnelde) aansluiting van woningen op warmtenetten kan vooruitlopen op deze of wijkuitvoeringsplannen die gemeenten op dit moment opstellen. Gelet op de afspraken die hierover in het Klimaatakkoord zijn gemaakt, is het uitgangspunt dat de gekozen opties vooraf zijn afgestemd met de gemeente.

Door middel van de SAH kunnen ongeveer 55.000 huurwoningen op een warmtenet worden aangesloten, die daarmee van het aardgas af worden gehaald. In de cijfermatige onderbouwing van het Klimaatakkoord is uitgegaan van het streefbeeld in de periode 2019-2030 van meer dan 350.000 op het warmtenet aan te sluiten woningen. Een bijdrage in de kosten zorgt voor een betere benutting van het potentieel van projecten die nu nog niet rendabel zijn.

Daarmee wordt tevens ervaring opgedaan waardoor verhuurders die nog onbekend zijn met deze vorm van warmtelevering vertrouwen kunnen krijgen in warmtelevering door een warmtenet.

Het kabinet heeft voor de regeling een budget van in totaal € 200 miljoen beschikbaar gesteld in de periode 2020–2023, waarvan €6 miljoen wordt gebruikt voor het uitvoeren van de subsidieregeling. Een bedrag van € 10 miljoen is gereserveerd voor aanvragen die kleiner zijn dan € 25.000. Deze aanvragen moeten bij aanvraag in een verder stadium van realisatie zijn dan de grote aanvragen. Door deze reservering voor kleine aanvragen is het risico op snelle uitputting van het budget kleiner, waardoor deze groep meer tijd geboden wordt om aan de subsidievoorwaarden te voldoen.

1.2 Reikwijdte

De regeling is bedoeld voor verhuurders van bestaande huurwoningen, voor zowel woningen onder als boven de liberalisatiegrens. Huurwoningen die zijn gebouwd op grond van een omgevingsvergunning die is aangevraagd na 1 juli 2018 zijn uitgesloten, omdat deze al aardgasvrij dienen te worden opgeleverd. Uitzondering zijn de nieuwbouw-huurwoningen waarvoor op grond van artikel 10, zevende lid, van de Gaswet, is bepaald dat er toch op gas kan worden aangesloten.

De aanvrager kan subsidie aanvragen voor:

  • 1. De kosten die worden gemaakt in de woning of ten behoeve van de woning om deze geschikt te maken voor aansluiting op een warmtenet:

    • de kosten gerekend door de netbeheerder voor het afkoppelen van de aardgasaansluiting en het verwijderen van de gasmeter;

    • de kosten voor het aanpassen of vervangen van het ruimteverwarmingssysteem en de voorzieningen voor koken en warmtapwater, te weten het verwijderen van de CV-ketel, het warmtapwatertoestel en/of gasfornuis, het aanpassen van het warmteafgiftesysteem voor lage temperatuur verwarming en het installeren van niet-gasgedreven warmtapwatervoorziening.

  • 2. andere bouwkundige aanpassingen, zoals het aankoppelen van het inpandig leidingnet voor ruimteverwarming aan het warmtenet en/of het aankoppelen de warmtapwatervoorziening aan de afleverset, het aanpassen van de meterkast en leidingen ten behoeve van elektrisch koken, het eventueel verwijderen van de stijgleidingen, bouwkundige aanpassingen ten behoeve van het plaatsen van de afleverset en/of het verwijderen van gasleidingen.

  • 3. de kosten gerekend door de warmteleverancier voor het aansluiten van de huurwoning op het warmtenet. Hiermee wordt zowel de aansluitbijdrage als de projectbijdrage bedoeld. De hoogte van de kosten voor de aansluiting van een complex op een warmtenet is per situatie verschillend, afhankelijk van de ligging, warmtebronnen en de specifieke kosten voor de benodigde uitbreiding van een distributienet.

Voor de kosten onder 1. en 2. kan een bijdrage worden aangevraagd van 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.200 voor de benodigde aanpassingen aan de woning. Voor de kosten onder 3. kan een bijdrage worden verleend van 30% van de kosten tot ten hoogste € 3.800 per woning.

Met deze subsidiebedragen wordt binnen de grenzen van het Europese staatssteunkader een substantiële bijdrage gegeven in de werkelijke gemiddelde kosten van de woningaanpassing en aansluiting op het warmtenet. De aanvrager zal in een verklaring bevestigen dat voor de aangevraagde maatregelen niet meer is aangevraagd dan om grond van het staatssteunkader is toegestaan. Indien er sprake is van andere activiteiten (bijvoorbeeld isolatie van de woning of het realiseren van innovatieve duurzame energiebronnen) kan voor dezelfde woning wel subsidie worden aangevraagd op grond van andere subsidieregelingen van de Rijks- of decentrale overheid.

1.3 Werkwijze

De subsidie kan worden aangevraagd bij het digitale loket van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). De aanvraag moet vergezeld gaan van een aantal bewijsstukken, onder meer de identificatiegegevens van de aanvrager, de adresgegevens van de woningen, de overeenkomst met het warmtebedrijf waaruit de hoogte van de aansluitkosten blijkt en ingevulde verklaringen waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de staatssteunregels en de eis dat de woning in de voorafgaande twee jaar ten minste drie maanden is verhuurd. Voor een meer gedetailleerde toelichting op de aanvraagvereisten word verwezen naar het artikelsgewijze deel van deze toelichting.

Gezien de beoogde opschaling en versnelling van de aansluiting op warmtenetten, zoals in het kader van de Startmotor is afgesproken, is de verwachting dat er aanvragen van behoorlijke omvang zullen worden gedaan. Aanvragen van enkele woningen zullen de uitzondering zijn. Aanvragen voor woningen in eigendom van een verhuurder die op grond van hetzelfde contract bij een warmteleverancier worden aangesloten op een warmtenet dienen gebundeld te worden aangevraagd. Dergelijke aanvragen zullen daardoor doorgaans binnen het kader vallen voor subsidies van € 25.000 of meer. De aanvraag dient mede daarom vergezeld te gaan van een overeenkomst van de verhuurder met de warmteleverancier met betrekking tot de hoogte van de aansluitkosten. Een gecombineerde aanvraag voor een bijdrage voor de aanpassing (ten behoeve) van de woning en voor een bijdrage in de door de warmteleverancier gerekende kosten is mogelijk.

Aanvragen om subsidie voor het afkoppelen van de gasaansluiting van woningen die nog uitsluitend nog voor kookgas dan wel voor warm tapwater (en niet voor verwarming van de woningen) zijn aangesloten kunnen ook worden gehonoreerd. Hiervoor kan dus een aanvraag voor uitsluitend de aanpassing van de woning worden gedaan. Het wordt, gelet op de doelstelling van de regeling, gestimuleerd om ook dergelijke projecten ook zoveel mogelijk te bundelen in één aanvraag.

De werkzaamheden van grote projecten van meer dan € 25.000 mogen bij aanvraag nog niet zijn begonnen en dienen binnen vijf jaar te worden afgerond. Mede uit de inbreng van de internetconsultatie blijkt dat deze termijn voldoende wordt geacht voor de voorbereiding, de bewonersinstemming, de financiering en de benodigde besluitvormingsprocessen.

Indien aantoonbaar buiten de verantwoordelijkheid van de aanvrager vertraging ontstaat kan eenmaal een jaar uitstel worden verleend. De aanvrager dient eventuele vertraging en (kleiner) aantal aangevraagde woningen direct te melden aan RVO. Dit kan aan de hand van een melding in het e-formulier.

Na goedkeuring van de aanvraag wordt een voorschot van 50% van de subsidie uitgekeerd. Na melding door de verhuurder dat de werkzaamheden zijn afgerond, wordt de subsidie vastgesteld en vindt uitkering plaats van de laatste 50%. Indien het totaal aangevraagde subsidiebedrag het beschikbare budget overschrijdt, kan het voorschot ook later dan bij verlening worden uitgekeerd. In de verleningsbrief zal worden aangegeven op welke termijn het voorschot zal worden uitgekeerd. De aanvrager heeft dan wel duidelijkheid over het te verlenen subsidiebedrag.

In voorkomende gevallen kan ook een aanvraag worden gedaan om een bedrag van ten hoogste € 25.000. Hierbij gaat het om woningen die in een later stadium alsnog worden aangesloten op een warmtenet, dan wel om warmtenetten van een zeer beperkte omvang.

Om te voorkomen dat reeds gerealiseerde woningen voor subsidie in aanmerking zouden, geldt voor deze aanvragen dat niet eerder dan 17 september 2019 met de werkzaamheden mag zijn gestart. Dat is de datum waarop de ondersteuning van de verhuurders bekend werd.

De verhuurder dient bij het voornemen tot aansluiting van woningen op warmtenetten instemming te verwerven van de huurders. Hierdoor is het draagvlak onder bewoners voor de maatregelen gegarandeerd.

2. Effecten voor het milieu

Het afkoppelen van huurwoningen van het aardgasnet en het aansluiten op een warmtenet leidt tot CO2-reductie. De omvang van de besparing hangt af van de voedingsbronnen van het warmtenet (bijvoorbeeld restwarmte, biomassa of geothermie) en de specifieke kenmerken van het warmtenet (de hulpwarmtebron voor piekverbruik, de stroombron voor de elektrische pompen en de temperatuur van de afgeleverde warmte). Het CO2-effect van volledige uitnutting van deze maatregel wordt geschat op een CO2 besparing van 40% tot 70% en dat geeft een CO2-reductie van 76 kTon/jaar tot 134 kTon/jaar respectievelijk. Structureel is dat 0,08 en 0,13 Mton CO2- reductie. Hierbij is gerekend met een gemiddelde CO2-uitstoot van aardgas van een huurwoning van 1,91 ton CO2/jaar/woning CBS 20184), waarmee 100.000 huurwoningen in 2018 een gezamenlijke CO2-uitstoot van 190 kTon/jaar hebben.

De huidige warmtenetten leiden tot gemiddeld circa 50% minder CO2-uitstoot dan individuele CV-ketels. Dit blijkt uit een analyse van de gelijkwaardigheidsverklaringen die beschikbaar zijn voor de huidige warmtenetten5 en dit is qua ordegrote in overeenstemming met de studie naar ketenemissies Warmtelevering 2016* en de Factsheet naar Bio-energie voor collectieve verwarming van het Expertise Centrum Warmte 2019.

De bandbreedte is gebaseerd op de prestaties van de huidige warmtenetten geregistreerd in de gelijkwaardigheidsverklaringen van huidige netten op databank van Bureau CRG en de CO2-doelstellingen voor stadswarmtenetten in 2030 in het Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord is voor woningen en utiliteitsgebouwen afgesproken dat de warmtebedrijven voor stadswarmtenetten een gemiddelde CO2-reductie zullen realiseren van 70% in 2030 ten opzichte van een CV-ketel op aardgas. Voor 2050 is het doel dat de CO2-uitstoot veroorzaakt door warmtelevering aan woningen bijna nul is voor Nederland. De Minister van Economische Zaken en Klimaat is voornemens om in de Warmtewet eisen aan de duurzaamheid op te nemen, zodat er een waarborg is dat warmtenetten in 2050 CO2-neutrale warmte leveren.

3. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving

3.1 Kaderwet en Kaderbesluit BZK-subsidies

Deze regeling is gebaseerd op het Kaderbesluit BZK-subsidies en de daaraan ten grondslag liggende Kaderwet overige BZK-subsidies. Het Kaderbesluit BZK- subsidies bevat bepalingen die zich richten tot degene die subsidie aanvraagt of ontvangt. In voorkomend geval zullen subsidieaanvragers of -ontvangers daarom met regels uit het Kaderbesluit BZK-subsidies te maken krijgen, ook wanneer die regels niet expliciet zijn genoemd in deze subsidieregeling. Als er regels gelden vanuit het Kaderbesluit BZK-subsidies is dit toegelicht in het artikelsgewijze deel van de toelichting.

3.2 Staatssteunrecht

In de SAH zijn regels opgenomen die voortkomen uit het staatssteunrecht. Als de overheid subsidie verleent aan een onderneming kan dit te kwalificeren zijn als staatssteun. Het begrip ‘onderneming’ dient daarbij breed uitgelegd te worden; het uitvoeren van een economische activiteit (ook zonder winstoogmerk) kan er op zichzelf al toe leiden dat er sprake is van een onderneming. De activiteit die aanvragers onder deze subsidieregeling verrichten, te weten het verhuren van woningen, kan doorgaans gezien worden als economische activiteit. Hierdoor is er sprake van staatssteun.

Staatssteun is gereguleerd op Europees niveau en zal op basis van Europese recht gerechtvaardigd moeten worden. In deze subsidieregeling is gebruik gemaakt van twee Europese verordeningen ter rechtvaardiging van de gegeven steun. Dit onderscheid is gemaakt om aan te sluiten bij de gebruikelijke kaders uit het Kaderbesluit BZK-subsidies en om te kunnen differentiëren tussen kleine en grote subsidies. Een relevant verschil tussen kleine en grote subsidies voor de SAH is het moment waarop de aanvraag voor subsidie kan worden ingediend (voor, tijdens of na het verrichten van de activiteiten). Daarnaast zijn er verschillen in administratieve verplichtingen, de maximale steunhoogte en de mogelijkheid tot cumulatie met andere soorten staatssteun.

Voor grote subsidies (€ 25.000 of meer) geldt een bepaling van het deel ‘Steun voor milieubescherming’ van de algemene groepsvrijstellingsverordening7. Dit heeft onder meer tot gevolg dat er sprake moet zijn van een aantoonbaar stimulerend effect van de subsidies, waardoor de subsidies alleen voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten kunnen worden aangevraagd. Daarnaast zal de aanvrager rekening moeten houden met de maximale steunhoogtes uit de algemene groepsvrijstellingsverordening, zoals de maximale steunintensiteit (in deze regeling: 40%) en het maximum van 15 miljoen per onderneming per project.

Op grond van artikel 11 van de algemene groepsvrijstellingsverordening zal de Minister van BZK daarnaast via het elektronische aanmeldingssysteem van de Europese Commissie de beknopte informatie over de SAH doen toekomen. Het gaat dan om de informatie als bedoeld in bijlage II van de algemene groepsvrijstellingsverordening die binnen 20 werkdagen na de inwerkingtreding van de SAH moet zijn verstuurd. Aangezien dit een verplichting van de minister is, waarvoor geen nadere gegevens van de subsidieaanvragers nodig zijn, is het stellen van nadere regels in deze subsidieregeling niet nodig. Voor zeer grote subsidies van meer dan € 500.000 zal de minister bovendien de gegevens van de steunontvanger openbaar moeten maken. Dit is opgenomen in artikel 13 van de SAH.

De kleinere subsidies (minder dan € 25.000) worden gerechtvaardigd door de de-minimisverordening8. De de-minimisverordening gaat uit van de gedachte dat de staatssteun is gerechtvaardigd door de beperkte hoogte ervan. Dit kader geeft daarom een maximum voor het bedrag dat de subsidieontvanger mag ontvangen aan de-minimissteun (over het algemeen: € 200.000,– per drie belastingjaren). Hierbij is van belang dat alle ontvangen de-minimissteun meetelt, dus ook de-minimissteun die is verstrekt op grond van andere subsidies van het Rijk of de decentrale overheid. De de-minimissteun mag, in tegenstelling tot steun op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, ook worden verleend op het moment dat de activiteiten lopende zijn of al zijn afgerond. In het artikelsgewijze deel van de toelichting is (waar relevant) aandacht voor de specifieke regels uit de twee Europese verordeningen.

3.3 Privacyrecht

In het kader van de beoordeling van de aanvraag van de subsidie zullen adresgegevens van de huurwoningen van de verhuurder dienen te worden opgenomen in de aanvraag en worden verwerkt door RVO in naam van de Minister van BZK. Deze adresgegevens kunnen door RVO in naam van de Minister van BZK worden gecombineerd met onder andere persoonsgegevens uit de basisregistratie personen (hierna: BRP). Daarmee zijn de adresgegevens van de betreffende bewoners van de huurwoningen van de verhuurder die de subsidie aanvraagt persoonsgegevens in de zin van de Algemene verordening persoonsgegevensbescherming (hierna: AVG) geworden, aangezien zij te herleiden zijn tot een persoon en de persoonsgegevensverwerking plaatsvindt in Nederland. Deze verwerking van persoonsgegevens is noodzakelijk in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanvraag van de subsidie, doordat op die wijze nagegaan kan worden of de woning niet wordt bewoond door de aanvrager van de subsidie/eigenaar van de woning. Als er sprake is van zelfbewoning is er geen sprake van een huurwoning en de subsidie niet worden verstrekt. Dit is een voorwaarde voor de verstrekking van de subsidie. De controle vindt plaats door middel van aselecte steekproeven bij aanvragen van verhuurders waarbij niet op andere wijze (zonder verwerking van persoonsgegevens) kan worden vastgesteld dat er sprake is van een huurwoning. De verstrekking van persoonsgegevens van de huurders van de huurwoningen van de verhuurder die subsidie op grond van deze regeling aanvraagt, die vanuit de BRP aan de Minister van BZK plaatsvindt, wordt gereguleerd door de kaders die de Wet basisregistratie persoonsgegevens hiertoe stelt. Dit betekent dat de persoonsgegevensverstrekking plaats zal vinden op grond van een autorisatiebesluit door de Minister van BZK op grond van artikel 3.2 van de Wet basisregistratie personen, waarbij de Minister van BZK een toets uitvoert opdat alleen die gegevens verstrekt worden die noodzakelijk zijn voor de taakuitvoering van de Minister van BZK in het kader van deze subsidieverstrekking. Dit autorisatiebesluit zal gepubliceerd moeten worden in de Staatscourant en zal onder andere terug te vinden zijn op de website van de Rijksdienst voor identiteitsgegevens.

Daarnaast zullen persoonsgegevens van de verhuurder die de subsidieaanvraag doet worden verwerkt door RVO in naam van de Minister van BZK, indien de verhuurder een natuurlijke persoon betreft, namelijk het burgerservicenummer (bsn). De verwerking van het bsn is noodzakelijk om de rechtmatigheid van de subsidieaanvraag te kunnen beoordelen, doordat deze identificatie van de verhuurder mogelijk maakt indien het een natuurlijke persoon betreft. In artikel 10 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (hierna: Wabb) is neergelegd dat het overheidsorganen is toegestaan het bsn te gebruiken bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak. In dit geval maakt RVO in naam van de Minister van BZK gebruik van het bsn in het kader van de beoordeling van de subsidieaanvraag op grond van deze regeling en voldoet hiermee aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 10 Wabb.

De rechtmatigheid van bovenstaande persoonsgegevensverwerkingen vindt haar grondslag in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de AVG; het zal dan een persoonsgegevensverwerking zijn die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang van de verwerkingsverantwoordelijke, namelijk het verstrekken van subsidie door de Minister van BZK voor het aansluiten van bestaande huurwoningen op warmtenetten en het volledig aardgasvrij maken van woningen die al op een warmtenet zijn aangesloten. Zorg gedragen wordt dat de gegevens niet langer bewaard zullen worden dan noodzakelijk is voor het bereiken van de doelen van de persoonsgegevensverwerking. Er zullen in het kader van de subsidieaanvraag geen bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 9 van de AVG worden verwerkt.

4. Uitvoering en toezicht

Namens de Minister van BZK zal RVO in mandaat de subsidieaanvragen beoordelen en al dan niet subsidie verlenen. De aanvragen tot subsidieverlening en vaststelling zullen zoveel mogelijk geautomatiseerd beoordeeld worden op basis van bekende gegevens over de woningen, zoals toetsing op eigendom, gebouwtype en afsluiting van het aardgas. Voor de staatssteuntoets kan gebruik worden gemaakt van een op de RVO-site beschikbaar gestelde de-minimisverklaring.

Daarnaast zal RVO controleren of het subsidiegeld besteed wordt aan de activiteiten waarvoor het geld is verstrekt. RVO handhaaft daarbij programmatisch; op basis van risico- en doelgroepanalyses worden controles uitgevoerd. RVO heeft door het uitvoeren van meerdere subsidieregeling en andere instrumenten voor deze doelgroep een goed beeld van het nalevingsgedrag van de doelgroep. Aan de hand van selecte en aselecte steekproeven wordt vastgesteld of de subsidie rechtmatig wordt besteed. Als uit de steekproeven blijkt dat er een risico is dat subsidie niet rechtmatig wordt besteed, dan wordt de door RVO gehanteerde controlemix aangepast. Waar mogelijk zal RVO de op projectniveau gemaakte kosten toetsen, en niet op de kosten gemaakt per woning, om te voorkomen dat verhuurders nodeloos gedetailleerde administraties moeten voeren.

5. Administratieve lasten

De administratieve lasten voor de aanvragers en ontvangers van subsidie zijn op te delen in twee categorieën: subsidies van € 25.000 of meer en aanvragen van minder dan € 25.000. De totale lasten zijn hieronder weergegeven. Onder de tabel is toegelicht hoe tot de genoemde administratieve lasten is gekomen.

 

Handeling

uren

uurtarief

totale kosten

aantal aanvragen

totaal

 

aanvragen boven €25.000

         

1.

Indienen aanvraag

3

€ 50

€ 150

900

€ 135.000

2.

Aanvraag tot vaststelling

3

€ 50

€ 150

900

€ 135.000

3.

Melding

0,5

€ 50

€ 25

100

€ 2.500

4.a.

Controle: vragen

3

€ 50

€ 150

90

€ 13.500

4.b.

Controle: bezoek

8

€ 50

€ 400

30

€ 12.000

 

aanvragen tot €25.000

         
 

Aanvraag/verlening/vaststelling

3

€ 50

€ 150

550

€ 82.500

 

Totaal

       

€ 380.500

5.1 Subsidies van € 25.000 of meer

De aanvraag om een bijdrage op grond van de SAH zal leiden tot administratieve lasten bij de aanvrager. De hoogte hiervan wordt voor de aanvrager om een subsidie van meer dan € 25.000 bepaald door de tijd die moet worden besteed aan de aanvraag van de subsidie, het doen van een melding bij eventuele uitloop van de activiteiten en ten slotte, na realisatie, de aanvraag tot vaststellen van de subsidie.

Verhuurders die aanvragen zullen de volgende inspanningen moeten verrichten:

  • 1. het indienen van een aanvraag

    De aanvrager zal ten behoeve van de aanvraag gegevens over de woningen binnen het project moeten verzamelen. Voor de aanvraag van een project waarin de gegevens van alle woningen zullen ingevoerd zal gemiddeld 3 uur benodigd zijn.

  • 2. Een verzoek tot vaststelling van de subsidie

    De aanvrager zal een verzoek tot vaststelling doen, waarbij de gegevens van het betreffende project moeten worden bijgevoegd, zoals de kopie van de afsluitende nota van het gasbedrijf c.q. van de aansluitnota voor het warmtebedrijf.

    De inspanningen onder 1. en 2. zijn vergelijkbaar. Ook voor deze handeling drie uur per project wordt gerekend.

  • 3. Melding afwijking aanvraag

    De aanvrager dient melding te maken van afwijkingen van de aanvraag, zoals vertragingen en een kleiner aantal woningen dan aangevraagd. Dit kan aan de aam de hand van een eenvoudige melding in het e-formulier bij RVO. De administratieve lasten hiervan zijn zeer gering.

  • 4. Controle

    In het kader van controle op de gesubsidieerde activiteiten zullen aanvragers desgevraagd moeten reageren op administratieve vragen en kunnen zij mogelijk te maken krijgen met projectbezoek terplekke. Met het beantwoorden van schriftelijke vragen om verduidelijking zal doorgaans 2 tot 4 uur gemoeid zijn. Verwacht wordt dat dit dergelijke vragen in maximaal 10% van de projecten gesteld zullen worden. Bij een mogelijk fysiek bezoek aan een project zal de aanvrager 8 uur moeten reserveren. Dit zal ten hoogste in 3% van de projecten voorkomen.

Gemiddeld zal er voor deze groep aanvragers van een subsidie van meer dan € 25.000 een inspanning worden gevraagd van circa 9 uur. De daarmee gemoeide kosten worden geschat op € 330. Uitgaande van circa 900 aanvragen gedurende de looptijd van deze subsidie zal voor deze groep aanvragers de administratieve lasten minder dan € 300.000 bedragen.

5.1 Subsidies van minder dan € 25.000

Er is ook een categorie aanvragers die subsidie aanvragen voor een project van beperkte omvang (minder dan € 25.000). De verwachting is dat niet meer dan 5% van de woningen aangevraagd worden in een project met een omvang van minder dan 5 woningen. De bijdrage voor deze woningen wordt in één keer verleend. De tijdsbesteding van een dergelijke aanvraag is beperkt tot maximaal 3 uur.

Daarnaast zal er een groep aanvragers zijn die uitsluitend een aanvraag doet om subsidie voor het afkoppelen van de gasaansluiting voor koken en warmtapwater, waarmee de woning geheel aardgasvrij wordt. De tijdsbesteding voor een aanvraag daarvan is ook maximaal 3 uur.

Gemiddeld zal voor deze groep aanvragers de administratieve lasten € 150 bedragen. Uitgaande van in totaal 55 aanvragen gedurende de looptijd van deze subsidie, betekent dit € 82.500.

De totale administratieve lasten van deze regeling worden daarmee geschat op € 380.500.

6. Advies en consultatie

6.1 Consultatie van verhuurders, huurders en belangenverenigingen

Met oog op het opstellen van deze regeling is overlegd met Aedes, vereniging van woningcorporaties, Vastgoed Belang, de Woonbond, en IVBN, en met een aantal betrokkenen uit de praktijk bij verhuurders, warmte- en netwerkbedrijven. In dit overleg is instemming getoond ten aanzien van de noodzaak van de regeling. De inhoudelijke verwerking van het commentaar van deze organisaties stemt grotendeels overeen met de resultaten van de internetconsultatie.

6.2 Advies Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)

In haar advies van 16 januari 2020 gaf het Adviescollege aan geen opmerkingen te hebben met betrekking tot de toetsing van nut en noodzaak, respectievelijk de minder belastende alternatieven. Voor enkele andere zaken werd aandacht dan wel nadere uitleg gevraagd.

Bij inwerkingtreding op 1 mei is voor de aanvrager de voorbereidingstermijn korter dan de gebruikelijke termijn van minimaal twee maanden. Gezien de zeer uitgesproken voorkeur in de internetconsultatie om vooral vast te houden aan spoedige inwerkingtreding en de concepttekst van de regeling al geruime tijd openbaar is, is het in het belang van de aanvragers om af zien van verder uitstel. De afwijking van de invoeringstermijn is nader toegelicht in deze toelichting.

De ATR constateerde verder dat uit de concepttoelichting onvoldoende blijkt welke rol huurders hebben bij totstandkoming van de regeling en bij de besluitvorming. In de toelichting is voorzien in deze lacune. Voorts achtte de ATR de periode van drie jaar, waarbinnen de aansluiting op het warmtenet moet zijn gerealiseerd, te krap. Dit signaal is ook door verhuurders afgegeven in de internetconsultatie. In de regeling is daarom nu een realisatietermijn van vijf jaar opgenomen. De ATR adviseert daarnaast meer aandacht te schenken aan de regeldrukeffecten van de individuele aanvrager en verzoekt de regeldrukeffecten conform de rijksbrede methodiek in beeld te brengen. De tekst inzake de regeldrukeffecten is uitgebreid. Tenslotte adviseert de ATR alle verplichtingen uit artikel 21 Kaderbesluit BZK-subsidies opnemen in de regeling en daaruit volgende lasten in beeld brengen. Aan dit advies kon niet worden tegemoetgekomen, aangezien hogere regelgeving, zoals het Kaderbesluit, niet kan worden overgenomen in lagere regelgeving. Het ligt daarom, net als voor de andere artikelen uit het Kaderbesluit BZK-subsidies, ook niet voor de hand om de lasten ervan te berekenen. Wel is in de toelichting meer aandacht voor eventuele eisen die volgen uit het Kaderbesluit BZK-subsidies naast deze regeling.

6.3 Advies Autoriteit Persoonsgegevens

In haar advies van 4 februari 2020 wijst de Autoriteit Persoonsgegevens op een incongruentie tussen de toelichting en de conceptregeling met betrekking tot de controle van RVO op de rechtmatigheid van de subsidieverstrekking. Het was voor de Autoriteit Persoonsgegevens onduidelijk waarom RVO controleert of een woning op het moment van aanvraag verhuurd is, omdat verhuur op het moment van aanvraag geen vereiste is in de regeling. De toelichting is aangepast om duidelijk te maken dat RVO de controle uitvoert om te bepalen of de eigenaar van de woning niet tevens woonachtig is op het adres van de huurwoning. Als dat het geval is, zal er namelijk geen sprake zijn van een woning die is bedoeld voor verhuur. De tekst van de toelichting is hiermee overeen gebracht met de eisen in artikel 6 en 14 van de regeling.

6.4 Internetconsultatie

De conceptregeling en toelichting stonden van 14 december 2019 tot en met 26 januari 2020 open voor consultatie. Er zijn 22 reacties (waarvan 20 openbaar) binnengekomen van brancheorganisaties, verhuurders, particulieren en adviesbureaus. Uit de reacties bleek tevredenheid over financiële ondersteuning van verhuurders bij het aardgasvrij maken van woningen door aansluiting op warmtenetten.

Enkele particulieren zetten vraagtekens bij het nut van het klimaatbeleid in het algemeen en daarmee van deze regeling in het bijzonder. Deze reacties hebben niet geleid tot aanpassing, omdat deze buiten de reikwijdte van de regeling vallen. De doelstelling van de regeling sluit bovendien aan bij de ondertekening door Nederland van het klimaatakkoord van Parijs en het met het Regeerakkoord en Klimaatakkoord ingezette klimaatbeleid.

In het merendeel van de inbreng werd gepleit voor een verlenging van de realisatietermijn van de gesubsidieerde activiteiten van drie jaar naar vijf jaar. Besloten is om hieraan tegemoet te komen. Ook is, onder strikte voorwaarden, een verlenging mogelijk van een jaar.

Voorts werd in een aantal reacties gevraagd naar de mogelijkheid tot samenloop van subsidies. De regeling en toelichting maakt nu duidelijk dat samenloop is toegestaan, mits voor dezelfde activiteiten niet meer steun wordt verkregen dan is toegestaan op grond van het Europese staatssteunkader. Voor grote aanvragen die gerechtvaardigd worden door de algemene groepsvrijstellingsverordening (€ 25.000 of meer) geldt globaal het maximum van 40% van de subsidiabele kosten en in totaal € 15 miljoen per project, per onderneming. Bij kleine aanvragen (minder dan € 25.000) mag er niet meer dan € 200.000 aan zogenoemde de-minimissteun worden verleend per drie belastingjaren. Bij het toetsen van cumulatie van staatssteun kunnen echter meerdere staatssteunkaders en -regels een rol spelen. De SAH controleert daarom niet op samenloop met andere subsidies die later worden aangevraagd dan de SAH-subsidie, op subsidies die vallen binnen een ander staatssteunkader of op subsidies voor andere activiteiten. De rechtmatigheid van de verstrekking van die andere subsidies zal bij de betreffende aanvragen van die subsidies getoetst (moeten) worden.

De eis dat de aanvraag van meerdere woningen in eigendom van een verhuurder moet worden gecombineerd leidde tot vragen, mede over de uitvoerbaarheid ervan. Hierop zijn de regeling en toelichting tekstueel aangepast. Alle woningen binnen een contract van een warmteleverancier zullen in een aanvraag worden gedaan.

Een deel van de respondenten stelt aan de orde dat bij warmtenetprojecten vaak sprake is van een combinatie van huurders en eigenaar-bewoners. Men pleit voor openstelling voor eigenaar-bewoners. Deze problematiek is herkenbaar, maar zal in de toekomst nader moeten worden geadresseerd. Gezien de afspraken uit het Klimaatakkoord ten aanzien van de Startmotor heeft het kabinet budget vrijgesteld voor de ondersteuning van uitsluitend verhuurders, waardoor eigenaar-bewoners niet in aanmerking komen.

In de reacties wordt ook aangedrongen op zo laag mogelijke administratieve lasten. Bij het opstellen van de regeling zijn de uitvoerbaarheid en de lasten voor aanvragers expliciet meegewogen. De voorwaarden en verplichtingen die kunnen leiden tot lasten voor de aanvragers zijn evenredig en noodzakelijk voor het verstrekken van de subsidies en het uitvoeren van de regeling.

In de inbreng komt daarnaast de behoefte naar voren om ook tussenstappen naar aardgasvrij te subsidiëren, bijvoorbeeld door bij mutatie van een huurwoning al het kookgas af te sluiten of de warmwatervoorziening aardgasvrij te maken. Aan dit verzoek kan niet tegemoet worden gekomen, omdat dit zich slecht verhoudt met de doelstelling van de Startmotor om binnen afzienbare termijn woningen aardgasvrij te maken.

Een aantal reacties bevat een pleidooi om subsidie niet te besteden voor aansluitingen aan reeds bestaande netwerken, maar uitsluitend aansluitingen op een nieuw warmtenet te subsidiëren. De aansluiting op nieuwe netwerken wordt gezien als complexer, waardoor de subsidie dan zou worden ingezet in de lastiger situaties. Deze regeling ondersteunt de startmotor, gericht op het versneld aansluiten van woningen op een warmtenet. Gekozen is om hierin geen onderscheid te maken en ook de laatste stap bij het afkoppelen van woningen met alleen nog kookgas en warmtapwater te subsidiëren. Hierdoor kan een complex of buurt volledig aardgasvrij worden gemaakt.

Ten slotte is de vraag gesteld hoe de bijdrage wordt vastgesteld als onverhoopt minder aardgasvrije woningen worden gerealiseerd, dan wel de kosten van realisatie hoger zijn dan in de aanvraag was aangegeven. Er wordt van uitgegaan dat de overeenkomst met het warmtebedrijf voldoende zekerheid biedt over het aantal woningen dat wordt aangesloten op een warmtenet. Daarnaast moet op het moment van aanvragen voldoende inzicht zijn in de kosten van de realisatie van de aardgasvrije woningen en het aansluiten op een warmtenet. De vast te stellen subsidie kan overigens nooit hoger zijn dan in de subsidieverlening is aangegeven. Deze reactie heeft daarom niet geleid tot wijziging van de regeling.

6.5 Code interbestuurlijke verhoudingen

De VNG heeft in de reactie op de concept-regeling gewezen op de afspraken in het Klimaatakkoord, waar is afgesproken dat gekozen (warmte- of andere) opties vooraf worden afgestemd met de betreffende gemeente, dat Aedes vervolgens voor de optie “warmtenet” zorgt voor matchmaking tussen woningcorporaties, gemeenten, warmtebedrijven etc. en dat deze keuzes passen binnen de wijkgerichte aanpak en de te voeren regie op de werkzaamheden in de openbare ruimte. De VNG pleitte voor een verklaring van de aanvrager dat de keuzen passen binnen de plannen die er zijn voor de betreffende wijk. Hieraan is niet tegemoet gekomen. In deze regeling is het uitgangspunt dat het overleg tussen gemeente en verhuurders plaats heeft gevonden, mede op grond van de verplichting in de Woningwet aan de (sociale) verhuurders om de gemeente uitgebreid te informeren over de verduurzamingsplannen.

Dit uitgangspunt is bevestigd in het Startmotorkader (ondertekend voorjaar 2020) waarin sociale verhuurders en warmteleveranciers afspraken maken over de voorwaarden voor warmtenetten. Doel daarvan is in lijn met de doelstellingen van de startmotor om op projectniveau sneller tot afspraken te komen. De inzet is synergie met de wijkgerichte aanpak te realiseren waar in zo vroeg mogelijk stadium met de gemeente wordt afgestemd.

De VNG pleitte daarnaast voor openstelling van de regeling voor eigenaar bewoners, aangezien dat de wijkgerichte aanpak zou versnellen. In bovenstaande met betrekking tot de internetconsultatie is aangegeven waarom niet op dit verzoek kan worden ingegaan.

Overleg met provincies en waterschappen was in het kader van deze regeling niet relevant.

7. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 mei 2020. Er wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn van twee maanden. Hiertoe is besloten om nadeel voor de doelgroep te voorkomen. Een spoedige inwerkingtreding is voor verhuurders, zo blijkt ook uit de openbare consultatie, van belang om de gewenste projecten uit te kunnen voeren.

Artikelsgewijs deel

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In artikel 1 zijn definities gegeven voor enkele begrippen in de regeling. Voor het begrip “huurwoning” is aangesloten bij het begrip “woongelegenheid” zoals opgenomen in de Woningwet. Dit heeft onder meer tot gevolg dat ook niet-gebouwen, zoals woonwagens, onder de definitie van “huurwoning” kunnen vallen. Het begrip “huurwoning” vereist verder dat de woning is bedoeld voor verhuur. Er is bijvoorbeeld geen sprake van een woning bedoeld voor verhuur als de eigenaar van de woning ook de bewoner is van de woning.

Artikel 2. Doel van de regeling

In artikel 2 is het (tweeledige) doel van de regeling opgenomen: enerzijds het opschalen en versnellen van het aardgasvrij maken van huurwoningen en het aansluiten van die woningen op warmtenetten, en anderzijds het volledig aardgasvrij maken van huurwoningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet. Het laatste doel ziet bijvoorbeeld op situaties waarbij woningen al zijn aangesloten op een warmtenet voor de ruimteverwarming, maar nog gebruik gemaakt wordt van gas om te koken of het tapwater te verwarmen. Met de regeling wordt het opschalen en versnellen van het gebruiken van warmtenetten bevorderd, evenals het versnellen en opschalen van het afsluiten van gas.

Artikel 3. Aanvraagperiode en wijze van indienen

In artikel 3 is bepaald wanneer en hoe aanvragen kunnen worden ingediend. Hierbij is van belang dat woningen van dezelfde verhuurder, die op grond van dezelfde aansluitovereenkomst met een warmteleverancier op een warmtenet worden aangesloten, in één aanvraag ingediend moeten worden. Het projectmatig en gezamenlijk aansluiten van woningen op een warmtenet sluit aan bij de doelstelling van deze regeling, te weten het opschalen en versnellen van aansluiten op en gebruiken van warmtenetten. Voor gevallen waarin de woningen al zijn aangesloten op een warmtenet geldt deze eis niet, maar wordt wel de mogelijkheid geboden om ook de subsidie voor die woningen gebundeld aan te vragen.

Een aanvraag wordt ingediend via het formulier dat RVO daarvoor beschikbaar heeft gesteld op de website. Als een aanvraag incompleet is en de aanvrager op grond van de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid krijgt om deze aan te vullen, zal de dag van indiening van de (alsnog) volledige aanvraag tellen als de dag van binnenkomst (artikel 9, eerste lid, Kaderbesluit BZK-subsidies).

Artikel 4. Subsidieplafond en wijze van verdeling

In artikel 4 zijn de subsidieplafonds opgenomen voor de looptijd van de regeling (2020 tot en met 2023). De regeling kent twee subsidieplafonds. Het eerste plafond van ruim € 184 miljoen is beschikbaar voor aanvragen van € 25.000 of meer en voor aanvragen ten behoeve van het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet. Het lagere subsidieplafond van € 10 miljoen is beschikbaar voor aanvragen van minder dan € 25.000 voor activiteiten waarbij de huurwoningen aardgasvrij gemaakt worden én worden aangesloten op een warmtenet. Dat betekent dat een subsidie voor bijvoorbeeld het afsluiten van gas voor uitsluitend het koken in huurwoningen ten laste gaat van het hogere subsidieplafond, ook als het gaat om een aanvraag van minder dan € 25.000. Op deze manier wordt een deel van het budget beschikbaar gehouden voor kleinere verhurende partijen die hun aardgasvrij gemaakte woningen willen aansluiten op een warmtenet.

Daarnaast bepaalt artikel 4 dat de verdeling van het subsidieplafond plaatsvindt aan de hand van de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. De volgorde van binnenkomst wordt gerekend in dagen; aanvragen die op dezelfde dag binnenkomen worden dus als gelijk beschouwd in de volgorde. Als het plafond uitgeput raakt en daardoor niet alle aanvragen van één bepaalde dag van binnenkomst toegekend kunnen worden, wordt er tussen de aanvragen geloot (artikel 9, tweede lid, Kaderbesluit BZK-subsidies).

Artikel 5. Staatssteun

Artikel 5 geeft aan dat de subsidies die op grond van deze regeling worden verstrekt staatssteun (kunnen) bevatten. De steun van € 25.000 of meer wordt gerechtvaardigd door het deel ‘Steun voor milieubescherming’ uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Subsidies van minder dan € 25.000 worden gerechtvaardigd door de de-minimisverordening. Het effect van deze twee staatssteunkaders is beschreven in de paragraaf 3 (Verhouding tot hoger recht) in het algemeen deel van deze toelichting.

Hoofdstuk 2. Subsidies van € 25.000 of meer

Artikel 6. Verstrekken van de subsidie

Artikel 6 beschrijft de mogelijkheid van subsidieverstrekking van € 25.000 of meer. Subsidies kunnen op grond van deze regeling voor twee doeleinden verstrekt worden: het aardgasvrij maken van woningen en aansluiting van die woningen op een warmtenet, en het volledig aardgasvrij maken van woningen die al zijn aangesloten op een warmtenet.

Er zijn vier voorwaarden gesteld aan de activiteiten waarvoor een subsidie van € 25.000 of meer verstrekt kan worden. De eerste voorwaarde is dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, nog niet zijn aangevangen. Met deze voorwaarde wordt gewaarborgd dat er sprake is van een stimulerend effect van de subsidie, zoals vastgelegd in de algemene groepsvrijstellingsverordening en het Kaderbesluit BZK-subsidies. Ten tweede kan de subsidie alleen worden verstrekt als de woning gedurende de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie maanden is verhuurd. Met deze verklaring wordt onderbouwd dat de woning is bedoeld voor verhuur en er sprake is van enige bestendigheid daarin. Ten derde moet uit de aanvraag blijken dat de activiteiten worden afgerond binnen vijf jaar na het indienen van de aanvraag. Die termijn loopt vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend. Tot slot moeten de activiteiten tot resultaat hebben dat de woningen daadwerkelijk worden aangesloten op een warmtenet, tenzij de woningen al zijn aangesloten op een warmtenet en de subsidie slechts wordt verleend voor het volledig aardgasvrij maken van die woningen.

Artikel 7. Subsidiabele kosten

In artikel 7 is beschreven welke kosten subsidiabel zijn. Voor een toelichting op het soort activiteiten waarvoor subsidie kan worden verleend wordt verwezen naar paragraaf 1 (Hoofdlijnen van de regeling) van het algemeen deel van de toelichting.

In het tweede lid is bepaald dat kosten als subsidiabel worden aangemerkt als het subsidiabele kosten zijn als bedoeld in artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Hiermee wordt aangesloten bij het staatssteunkader opgenomen in het deel ‘Steun voor milieubescherming’ uit de algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel 36 uit dat deel van de algemene groepsvrijstellingsverordening geeft regels over investeringssteun die wordt verleend om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen.

In artikel 6 van het Kaderbesluit BZK-subsidies is bovendien bepaald dat de kosten direct verbonden moeten zijn met de gesubsidieerde activiteiten en dat de kosten controleerbaar moeten zijn.

In het derde lid van artikel 7 is bepaald dat er ook activiteiten gesubsidieerd kunnen worden die uit andere hoofde eveneens gesubsidieerd of gefinancierd zijn of worden. Hierbij zullen wel de maximale bedragen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening in acht genomen moeten worden.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie

Artikel 8 bepaalt de maximale hoogte van de subsidie. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de kosten die worden gerekend door de warmteleverancier en de overige kosten. Dit onderscheid is toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting. De genoemde maximumbedragen geven aan welk bedrag er per woning maximaal kan worden gesubsidieerd. Bij de aanvraag zal dan ook duidelijk moeten worden gemaakt wat de kosten per woning bedragen.

Artikel 9. Aanvraag van de subsidie

Bij de aanvraag van een subsidie moet bepaalde informatie en documentatie verstrekt worden. Een deel van deze aanvraagvereisten is al opgenomen in het Kaderbesluit BZK-subsidies (artikel 11). Die aanvraagvereisten zijn:

  • een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

  • een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een bijdrage leveren aan de doelstellingen van de betreffende subsidieregeling;

  • een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

  • een tijdsplanning van de activiteit;

  • indien voorschotten worden aangevraagd, een weergave van de liquiditeitsbehoefte gedurende het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, zo mogelijk per tijdvak van drie maanden;

  • het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat; en

  • indien van toepassing, het inschrijfnummer van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel.

In de regeling zijn een aantal aanvullende aanvraagvereisten gesteld. Ten eerste wordt gevraagd om de adressen van de woningen waar de activiteiten plaatsvinden. Deze adresgegevens zijn onder meer nodig voor de controle (administratief en ter plaatse) die kan worden verricht bij subsidieontvangers.

Ter identificatie van de aanvrager wordt gevraagd om, indien van toepassing, het L-nummer van de woningcorporatie. Als de aanvrager een natuurlijke persoon is wordt het burgerservicenummer overlegd (in plaats van een inschrijfnummer van de Kamer van Koophandel of het L-nummer).

Daarnaast wordt gevraagd om een overeenkomst met de warmteleverancier waaruit blijkt: 1) hoe hoog de bijdrage is die de verhuurder moet betalen voor het aansluiten op het warmtenet, 2) dat de in de aanvraag genoemde adressen worden aangesloten op het warmtenet en 3) dat het aansluiten binnen vijf jaar plaatsvindt.

Ook moet de subsidieaanvrager verklaren dat er niet meer subsidie is aangevraagd dan is toegestaan op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening en dat de woning in de afgelopen twee jaar ten minste drie maanden is verhuurd. De maximale subsidiehoogte in de algemene groepsvrijstellingsverordening is op twee plekken terug te vinden. In artikel 36 van die verordening is bepaald dat in het algemeen maximaal 40% van de subsidiabele kosten vergoed mag worden. Dit sluit ook aan bij de maximale hoogte van de subsidie zoals opgenomen in artikel 8 van deze regeling. Daarnaast geeft artikel 4, eerste lid, onder s, van de algemene groepsvrijstellingsverordening een algemene drempel van € 15 miljoen per onderneming per project. De aanvrager van de subsidie, die vanuit het staatsteunkader te kwalificeren is als onderneming, kan daarom maximaal € 15 miljoen per project aanvragen.

Tot slot is als aanvraagvereiste toegevoegd dat de verhuurder, indien er sprake is van een onderneming als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, moet aangegeven wat de grootte van de onderneming is. Deze eis geldt indien de aanvrager voor de activiteiten meer dan € 500.000 aan staatssteun aanvraagt of ontvangt via de SAH of andere regelingen. Met de grootte wordt in de algemene groepsvrijstellingsverordening gedoeld op het aantal werknemers, de omzet en het balanstotaal.

Als er sprake is van aanvraag voor het volledig aardgasvrij maken van woningen die reeds zijn aangesloten op een warmtenet hoeft er geen aansluitovereenkomst met de warmteleverancier overlegd te worden. In plaats daarvan verklaart de aanvrager dat de woningen al zijn aangesloten op een warmtenet.

Artikel 10. Subsidieverplichtingen

De subsidieontvanger heeft een aantal verplichtingen waaraan voldaan moet worden na het ontvangen van de subsidie. Een deel van deze verplichtingen is opgenomen in het Kaderbesluit BZK-subsidies. In artikel 17, derde lid, onder a, van het Kaderbesluit BZK-subsidies is vastgelegd dat de subsidieontvanger zo spoedig mogelijk een schriftelijke melding moet doen als duidelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet of niet op tijd kunnen worden uitgevoerd. In artikel 21 van het Kaderbesluit BZK-subsidies zijn meer algemene verplichtingen opgenomen, zoals het uitvoeren van de activiteiten conform aanvraag en het vijf jaar lang bewaren van de administratie die is gevoerd ten behoeve van die gesubsidieerde activiteiten.

In de regeling is een tweetal verplichtingen gesteld die gelden naast de verplichtingen uit het Kaderbesluit BZK-subsidies. Allereerst moet de subsidieontvanger de activiteiten uitvoeren binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag. Ten tweede is de subsidieontvanger verplicht om de minister, of namens de minister: de RVO, te informeren als de activiteiten zijn afgerond.

Het tweede lid bevat een hardheidsclausule die kan worden gebruikt indien het verrichten van de activiteiten binnen de gestelde vijf jaar niet mogelijk blijkt buiten de schuld van de aanvrager om. De aanvrager kan in dat geval een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen tot uitstel. De Minister van BZK kan maximaal één keer uitstel verlenen van ten hoogste 12 maanden.

Het derde lid bepaalt dat artikel 19 van het Kaderbesluit niet van toepassing is. Dat betekent dat de ontvanger van de subsidie geen jaarlijks voortgangsverslag hoeft in te dienen. Dit laat onverlet dat de subsidieaanvrager een schriftelijke melding moet doen als aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteiten niet of niet op tijd worden uitgevoerd.

Artikel 11. Afwijzingsgronden

In artikel 11 zijn afwijzingsgronden opgenomen. Als één of meer van de genoemde situaties van toepassing is, zal de aanvraag afgewezen worden. Er volgt dan geen inhoudelijke beoordeling meer. Aanvullend op het Kaderbesluit BZK-subsidies is in deze regeling opgenomen at de aanvraag wordt afgewezen als de activiteiten niet in Nederland plaatsvinden, als de activiteiten plaatsvinden in woningen die op grond van de Gaswet al aardgasvrij opgeleverd zouden moeten zijn of als de subsidieaanvraag niet voldoet aan de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 12. Voorschot en vaststelling van de subsidie

In artikel 12 is bepaald hoe de vaststelling van de subsidie plaatsvindt. Subsidieverstrekking kent twee stappen: verlening en vaststelling. Bij de subsidies van € 25.000 of meer zijn deze stappen gescheiden in de tijd. Bij het toekennen van de aanvraag wordt er subsidie verleend. Er wordt daarbij gewerkt met een voorschot van 50% (zoals opgenomen in het eerste lid). Het voorschot wordt in beginsel binnen 6 weken uitgekeerd, maar van deze termijn kan worden afgeweken in de verleningsbeschikking. Na afronding van de activiteiten zal de subsidieontvanger een aanvraag moeten indienen tot vaststelling van de subsidie. In de vaststellingsbeschikking kan vervolgens de resterende 50% worden toegekend.

Vaststelling van de subsidie geschiedt conform artikel 17, tweede lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies. Dat houdt in dat bij het verlenen van de subsidie in de beschikking wordt aangegeven wanneer de activiteiten moeten zijn verricht en wanneer er een aanvraag tot vaststelling moet zijn ingediend door de subsidieontvanger. De subsidieontvanger zal dan moeten aantonen dat de activiteiten zijn verricht en dat voldaan is aan de subsidieverplichtingen.

Artikel 13. Bekendmaking van gegevens over steunverlening

Op grond van artikel 9, eerste lid, onder c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening moeten lidstaten informatie publiceren over steunverleningen van meer dan € 500.000 euro. De informatie die openbaar wordt gemaakt is opgenomen in bijlage III van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Het betreft onder meer de naam van de begunstigde, informatie over het soort onderneming (MKB of niet) en de hoogte van het steunbedrag. De gegevens worden op grond van de Algemene groepsvrijstellingsverordening bovendien tien jaar bewaard.

Hoofdstuk 3. Subsidies van minder dan € 25.000

Artikel 14. Verstrekking van de subsidie

Artikel 14 bepaalt voor welke activiteiten een subsidie van minder dan € 25.000 kan worden verstrekt. In tegenstelling tot subsidies van € 25.000 of meer kunnen deze kleinere subsidies alleen worden verstrekt voor activiteiten die al zijn aangevangen of afgerond. De activiteiten moeten evenwel pas na 17 september 2019 zijn gestart. Dit is de datum waarop bekend is gemaakt dat de subsidies beschikbaar zouden komen (Prinsjesdag) en aldus kan worden aangenomen dat er een stimulerend effect van kan zijn uitgegaan.

Artikel 15. Subsidiabele kosten

De kosten die gesubsidieerd kunnen worden zijn gelijk aan de activiteiten bij subsidies van € 25.000 of meer. Kortheidshalve wordt verwezen voor de toelichting op het soort activiteiten waarvoor subsidie kan worden verleend naar paragraaf 1 (Hoofdlijnen van de regeling) van het algemeen deel van de toelichting.

In artikel 6 van het Kaderbesluit BZK-subsidies is bovendien bepaald dat de kosten direct verbonden moeten zijn met de gesubsidieerde activiteiten en dat kosten die reeds uit andere hoofden gesubsidieerd worden kunnen bovendien niet nogmaals vergoed worden (artikel 6, vierde lid, Kaderbesluit BZK-subsidies).

In het tweede lid is bepaald dat er ook activiteiten gesubsidieerd kunnen worden die uit andere hoofde eveneens gesubsidieerd of gefinancierd zijn of worden. Hierbij dient wel het maximumbedrag uit de de-minimisverordening voor de-minimissteun in acht genomen te worden.

Artikel 16. Hoogte van de subsidie

De hoogte van de subsidies zijn gelijk aan die bij subsidies van € 25.000 of meer. Kortheidshalve wordt daarom voor de toelichting verwezen naar de toelichting op artikel 8.

Artikel 17. Aanvraag van de subsidie

Het Kaderbesluit BZK-subsidies en deze regeling bevatten aanvraagvereisten voor de subsidie. Voor de eisen uit het Kaderbesluit BZK-subsidies wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij artikel 9 van deze regeling. Hetzelfde geldt voor het vereiste om een overeenkomst met de warmteleverancier te overleggen. Een aanvraagvereiste dat specifiek geldt voor aanvragen van subsidies van minder dan € 25.000 is de verklaring van de aanvrager dat er geen sprake is van overschrijding van het maximumbedrag dat op grond van de de-minimisverordening verstrekt mag worden. Deze verklaring zal onderdeel zijn van het aanvraagformulier dat ter beschikking wordt gesteld door RVO.

Artikel 18. Subsidieverplichtingen

Diegene die een subsidie ontvangt heeft op basis van artikel 18 en het Kaderbesluit BZK-subsidies een aantal verplichtingen. In artikel 21 van het Kaderbesluit BZK-subsidies zijn meer algemene verplichtingen opgenomen, zoals het uitvoeren van de activiteiten conform aanvraag en het vijf jaar lang bewaren van de administratie die is gevoerd ten behoeve van die gesubsidieerde activiteiten. In artikel 18 van deze regeling is een aanvullende eis gesteld: de activiteiten worden uitgevoerd binnen vijf jaar na indienen van de aanvraag. Het tweede lid bevat de mogelijkheid om uitstel te verlenen voor deze termijn, indien het buiten de schuld om niet mogelijk blijkt om de activiteiten binnen vijf jaar te verrichten. De aanvrager zal in dat geval een schriftelijk en gemotiveerd verzoek moeten doen. De Minister van BZK kan de termijn één keer met maximaal 12 maanden verlengen.

Artikel 19. Afwijzingsgronden

De afwijzingsgronden in artikel 19 zijn gelijk aan de gronden genoemd in artikel 11. Voor een toelichting wordt daarom verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op dat artikel. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het Kaderbesluit BZK-subsidies bepaalt dat een aanvraag voor een subsidie ook wordt afgewezen indien er een hoger bedrag aan subsidie verstrekt zou worden dan is toegestaan op grond van de de-minimisverordening. Deze afwijzingsgrond is (alleen) van toepassing op de subsidieaanvragen van minder dan € 25.000, omdat deze aanvragen vallen binnen het staatssteunkader van de de-minimisverordening.

Artikel 20. Verlening en vaststelling van de subsidie

Het Kaderbesluit BZK-subsidies biedt voor subsidies van minder dan € 25.000 twee mogelijkheden voor het verlenen en vaststellen van de subsidies. De eerste optie is het gelijktijdig verlenen en vaststellen van de subsidie door het gezamenlijk afgeven van de verlenings- en vaststellingsbeschikkingen. De tweede optie is het opnemen van een datum in de verleningsbeschikking waarop de activiteiten moeten zijn afgerond en de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld.

In deze regeling is de eerste optie (direct vaststellen) van toepassing verklaard op subsidies van minder dan € 25.000 voor activiteiten die al zijn afgerond. De tweede optie (ambtshalve vaststellen) wordt gebruikt voor activiteiten die nog niet zijn afgerond. De termijn voor het afronden van de activiteiten en het ambtshalve vaststellen is gesteld op maximaal vijf jaar na indienen van de aanvraag. Deze termijn komt overeen met de termijn gesteld die is gesteld in artikel 18.

Conform Kaderbesluit BZK-subsidies is er in beide gevallen sprake van een 100 procent uitbetaling/voorschot bij verlening.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 21. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking op 1 mei 2020, zoals is toegelicht in paragraaf 7 (Inwerkingtreding) van het algemeen deel van deze toelichting. Conform artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 bevat deze regeling een horizonbepaling waarmee de regeling binnen vijf jaar afloopt. De relevante bepalingen in deze regeling blijven wel, ook na het vervallen ervan, van toepassing op lopende subsidietrajecten.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Kamerbrief Kabinetsaanpak Klimaatbeleid, Tweede Kamer 2018–2019, 32 813 nr 342.

X Noot
2

In het Klimaatakkoord is fiscale ondersteuning van de huursector genoemd via de Energie Investeringsaftrek (EIA). De maatregelen voor warmtenetten passen echter niet in de maatregelen die door de EIA worden ondersteund. De SAH komt dus in de plaats van deze afspraken in het Klimaatakkoord.

X Noot
5

Zie gelijkwaardigheidsverklaringen op de databank van Bureau CRG https://www.bcrg.nl/

X Noot
7

Artikel 36 (en de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1) van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187).

X Noot
8

verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352).