Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, van 20 maart 2020, nr. IenW/BSK-2020/46825, houdende een specifieke uitkering in verband met snelfietsroutes (Regeling specifieke uitkering snelfietsroutes 2020–2022)

De Minister voor Milieu en Wonen,

Gelet op artikel 17, vijfde lid van de Financiële-verhoudingswet, de artikelen 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet Subsidies I en M;

Besluit:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Minister:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

ontvangers:

de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Flevoland, Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;

snelfietsroute:

route zoals opgenomen in de Afsprakenlijst Bestuurlijk Overleggen MIRT van 21 en 22 november 2018.

Artikel 2 Verlening specifieke uitkering

  • 1. De Minister verleent op aanvraag een specifieke uitkering aan de ontvangers voor het realiseren van een of meer snelfietsroutes.

  • 2. De specifieke uitkering bedraagt maximaal 40% van de totale kosten van de snelfietsroutes, met een maximum per ontvanger van € 1.857.142,–.

  • 3. Het plafond van de specifieke uitkeringen bedraagt € 22.285.704,–.

Artikel 3 Aan de uitkering verbonden verplichtingen

  • 1. De ontvangers besteden de specifieke uitkering uitsluitend aan uitgaven met betrekking tot de aanleg van snelfietsroutes met uitzondering van reguliere apparaatskosten.

  • 2. De ontvangers komen bij de realisatie van de snelfietsroutes de afspraken na die zijn opgenomen in de Afsprakenlijst Bestuurlijk Overleggen MIRT van 21 en 22 november 2018 over fietsstimulering en circulair bouwen.

Artikel 4 Voorschotverlening

  • 1. Gelijktijdig met de beschikking tot verlening van de uitkering verleent de Minister een voorschot van 100% van de specifieke uitkering.

  • 2. Het voorschot wordt in overleg met de betreffende ontvanger betaald in één of meer jaarlijkse delen gedurende de looptijd van het project.

Artikel 5 Verantwoording

De ontvangers leggen verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 6 Ambtshalve vaststelling

De Minister stelt binnen een half jaar na afloop van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend, op basis van de verantwoording, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet de specifieke uitkering ambtshalve vast.

Artikel 7 Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2023, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn verleend.

Artikel 8 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering snelfietsroutes 2020–2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Milieu en Wonen, S. van Veldhoven-van der Meer

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Aanleiding en doel van de specifieke uitkering

Groei van het fietsgebruik heeft grote maatschappelijke voordelen. Het oplossend vermogen van fietsen draagt bij aan belangrijke nationale doelen zoals bereikbaarheid, leefbaarheid, duurzaamheid en gezondheid. Dit kabinet heeft 100 miljoen euro uitgetrokken voor het versnellen van de aanleg van fietsroutes en het innoveren en vergroten van de stallingsmogelijkheden bij OV-knooppunten.

Op basis van deze regeling draagt het Rijk financieel bij aan de realisering van regionale snelfietsroutes. Het kan hierbij zowel gaan om de aanleg van nieuwe infrastructuur als om het aanbrengen van kwaliteitsverbeteringen in bestaande infrastructuur, zoals bijvoorbeeld het wegnemen van barrières of het vervangen van tegels door asfalt.

De aanleg van snelfietsroutes is in principe een decentrale verantwoordelijkheid, waarbij de provincies vaak een coördinerende rol vervullen. Een financiële bijdrage van het Rijk aan door de provincies voorgedragen routes leidt tot versnelling van de aanleg van een netwerk van regionale snelfietsroutes.

De noodzaak voor de specifieke uitkering

Feitelijke realisatie van de snelfietsroutes is van groot belang teneinde de beoogde groei van het fietsverkeer mogelijk te maken. Om de realisatie en de kwaliteit van de snelfietsroutes te bevorderen zijn rijksmiddelen noodzakelijk om te komen tot een versnelling van de aanleg van regionale netwerken.

2. De voorwaarden die worden opgelegd en de noodzakelijkheid daarvan

Besteding van de uitkering

De uitkering mag uitsluitend besteed worden aan de aanleg van een of meer snelfietsroutes. Uitgaven in verband met fietsstimulering en werkgeversaanpak mogen niet ten laste komen van de uitkering. Wel kan de evaluatie van effecten en gerichte communicatie over de betreffende snelfietsroutes onderdeel uitmaken van de scope van het project.

Fietsstimulering

Naast gezamenlijk investeren in fietsinfrastructuur is het anderszins stimuleren van fietsen door het Rijk en regio van groot belang om meer mensen op de fiets te krijgen. In de Bestuurlijke Overleggen zijn daarom ook afspraken gemaakt over de fietsstimulering op de betreffende trajecten.

3. De hoogte van de uitkering en de wijze van verdeling

Voor de aanleg van snelfietsroutes is door het kabinet € 26 miljoen beschikbaar gesteld. Dit bedrag wordt verdeeld over de 14 ontvangers (de provincies en de twee vervoerregio’s), Deze keuze leidt tot een mooie spreiding over heel Nederland. Daarmee wordt een brede impuls gegeven aan het investeren in goede fietsinfrastructuur.

Deze regeling betreft de afspraken die met de provincies zijn gemaakt over snelfietsroutes in de Bestuurlijke Overleggen MIRT 20181 (hierna: Afsprakenlijst). Omdat de rijksbijdrage voor de snelfietsroutes voor de twee vervoerregio’s via de Brede Doel Uitkeringen (BDU) loopt is de uitkering aan de vervoerregio’s niet in deze regeling opgenomen.

4. Verhouding tot bestaande regelgeving

Het nationaal bestuursrechtelijke kader voor deze regeling wordt gevormd door de Kaderwet subsidies I en M, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de Financiële-verhoudingswet. Daarnaast zijn de staatssteunregels van belang voor de onderhavige regeling.

Kaderwet subsidie I en M, Awb en Financiële-verhoudingswet

Op grond van deze regeling worden specifieke uitkeringen verstrekt aan provincies voor de realisering van snelfietsroutes. In artikel 4.21, derde lid, van de Awb is bepaald dat titel 4.2 (Subsidies) van die wet niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Artikel 2 van de Kaderwet subsidies I en M wijkt af van artikel 4.21, derde lid, van de Awb en bepaalt dat titel 4.2 van die wet wel van toepassing is op financiële middelen die worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Om die reden is titel 4.2 van de Awb van toepassing op deze regeling. Hierin zijn bepalingen opgenomen die relevant zijn of kunnen zijn voor de ontvangers zoals de artikelen 4:46 Awb (subsidievaststelling) en 4:57 Awb (terugvordering). Omdat op grond van deze regeling specifieke uitkeringen worden verstrekt is naast de Kaderwet subsidies I en M en de Awb ook de Financiële-verhoudingswet van toepassing. In artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet is de wijze van verantwoording van de specifieke uitkering geregeld.

Europeesrechtelijke aspecten

De onderhavige regeling is getoetst op mogelijke staatssteunelementen. De provincies krijgen een specifieke uitkering voor de aanleg van openbaar en algemeen toegankelijke infrastructuur die voordeel oplevert voor de samenleving als geheel. Ten aanzien van openbaar toegankelijke infrastructuur heeft de Europese Commissie overwogen dat geen sprake is van beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten of vervalsing van de mededinging (mededeling staatssteun overwegingen 211 en 212). Voorts wordt de bouw en exploitatie van openbare infrastructuur geacht geen economische activiteit te zijn maar een algemene maatregel van overheidsbeleid (mededeling staatssteun overweging 201).

Van belang is dat de begunstigden met de verstrekte middelen zelf geen staatssteun verstrekken (indirect voordeel) door aan ontwikkelaars of degenen die de infrastructuur aanleggen, een economisch voordeel te verschaffen. Hiervan is geen sprake indien de begunstigde de aanbestedingsregels volgt.

5. Administratieve lasten

De verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet verloopt via de jaarrekening van de provincie en de systematiek van ‘single information, single audit’ (SiSa-systematiek). Dit leidt tot de meest minimale uitvoeringslasten voor zowel de provincies als voor de rijksoverheid.

6. Consultatie

Op 28 juni 2018 is een informatiebijeenkomst gehouden voor provincies en vervoerregio’s over de beoogde inzet van de 100 miljoen fietsgelden uit het Regeerakkoord voor de aanleg van regionale snelfietsroutes en fietsparkeerplaatsen bij stations. Naar aanleiding van de inbreng van de decentrale overheden tijdens deze bijeenkomst is besloten om het voor snelfietsroutes beschikbare bedrag te verdelen over de 12 provincies en de 2 vervoerregio’s voor door hen aan te dragen concrete projecten. Tijdens de Bestuurlijke overleggen MIRT 2018 zijn concrete afspraken gemaakt over financiële bijdragen voor specifieke projecten. Verdere consultatie is derhalve niet meer nodig.

7. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het beleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2023 met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een uitkering die krachtens deze regeling is verstrekt. Omdat het de bedoeling van deze regeling is dat provincies snel gaan beginnen met het realiseren van snelfietsroutes, is ervoor gekozen om een horizonbepaling op te nemen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Verlening specifieke uitkering

In het eerste lid is bepaald dat de ontvangers een specifieke uitkering krijgen voor het realiseren van een of meer snelfietsroutes. In de afsprakenlijst is per ontvanger opgenomen voor welke snelfietsroute of snelfietsroutes een specifieke uitkering wordt verleend.

In het tweede lid is het maximum bedrag per ontvanger opgenomen. Alle provincies ontvangen een bedrag van € 1.857.142,–. Ook is bepaald dat de uitkering maximaal 40% van de totale kosten van de snelfietsroutes bedraagt, zodat zoveel mogelijk routes voor het beschikbare rijksgeld kunnen worden gerealiseerd. Dit betekent dat de financiering op basis van tenminste 60% cofinanciering door de regio rond moet zijn. In het derde lid is het plafond opgenomen.

Artikel 3 Aan de uitkering verbonden verplichtingen

Zoals in het algemeen deel van de nota van toelichting al is aangegeven mag deze uitkering alleen worden besteed aan de realisering van de snelfietsroutes met uitzondering van reguliere apparaatskosten. Ook moeten de afspraken worden nagekomen die in de Afsprakenlijst zijn opgenomen.

Artikel 4 Voorschotverlening

De ontvanger ontvangt gelijktijdig met het besluit tot verlening van de uitkering een voorschot van 100% van de specifieke uitkering dat in overleg met de betreffende ontvanger in één of meer jaarlijkse delen gedurende de looptijd van het project zal worden verleend.

Artikel 5 Verantwoording

De verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet verloopt via de jaarrekening van de provincie en de systematiek van ‘single information, single audit’ (SiSa-systematiek).

Artikel 6 Ambtshalve vaststelling

Nadat de activiteit is verricht en verantwoording is afgelegd over de specifieke uitkering op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, stelt de Minister de specifieke uitkering binnen een half jaar ambtshalve vast.

Artikel 7 Inwerkingtreding en horizonbepaling

Voor een toelichting op de inwerkingtreding en horizonbepaling wordt verwezen naar het algemene deel van de toelichting.

De Minister voor Milieu en Wonen, S. van Veldhoven-van der Meer

Naar boven