Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2020, 14946Besluiten van algemene strekking

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gebruik meststoffen ter uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn

Ten geleide:

Op grond van artikel 92, eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur waarin regels worden gesteld met betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden gebracht, ten einde deze aldaar te laten of aan de bodem worden toegevoegd, ten einde de structuur of de kwaliteit van de bodem te beïnvloeden, in de Staatscourant bekendgemaakt en wordt aan een ieder de gelegenheid geboden om binnen 4 weken na de bekendmaking opmerkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Op de website www.internetconsultatie.nl wordt het ontwerpbesluit eveneens geconsulteerd. U wordt verzocht uw inbreng via die website aan te leveren.

(versie 5 maart 2020)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, nr. WJZ /.........., gedaan mede namens Onze Minister voor Milieu en Wonen;

Gelet op de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 15, eerste lid, en 65 van Wet bodembescherming en artikel I, onderdeel A, van de Wet van 29 mei 2017 houdende additionele regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij (Wet grondgebonden groei melkveehouderij) (Stb. 2017, 228);

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van .........., nr. ..........);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van .........., nr. WJZ /.........., gedaan mede namens Onze Minister voor Milieu en Wonen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit gebruik meststoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

Onder vernummering van het zesde lid tot het negende lid worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 6. Onverminderd het derde lid is het verboden in de periode van 16 februari tot en met 31 maart drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib te gebruiken op bouwland, gelegen op zandgrond of lössgrond, indien het perceel wordt gebruikt voor de teelt van maïs als hoofdteelt.

  • 7. De landbouwer meldt de voorgenomen teelt van maïs als hoofdteelt op het perceel uiterlijk op 31 januari aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met gebruikmaking van een door die minister beschikbaar gesteld middel.

  • 8. De in het zevende lid bedoelde melding bevat:

    • a. naam en adres van de gebruiker van het desbetreffende perceel; en

    • b. een kadastrale of topografische aanduiding van het desbetreffende perceel alsmede een opgave van de oppervlakte ervan.

B

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6

Het is verboden dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen te gebruiken anders dan door een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding over het perceel waarop de meststoffen worden gebruikt, dan wel een zo precies mogelijke plaatsing op het perceel.

C

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6Aa

  • 1. Het is verboden meststoffen te gebruiken op bouwland, gelegen op klei- of lössgrond, indien het desbetreffende perceel wordt aangewend voor een ruggenteelt.

  • 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing, indien:

    • a. er op het perceel een opvanggreppel is aangelegd evenwijdig aan en op minimaal 1 meter van de watergang met een minimale breedte van 50 cm en een minimale diepte van 30 cm; of

    • b. er op het perceel sprake is van meerdere drempels van minimaal 5 centimeter hoog en op gelijke afstand van ten hoogste 2 meter van elkaar geplaatst, uitgezonderd de tijdelijke situatie dat de afwezigheid van drempels wordt gerechtvaardigd door dreigende gewasschade vanwege extreme weersomstandigheden.

D

Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt in artikel 7 een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan in overeenstemming met Onze Minister, op aanvraag en gehoord de Technische commissie bodem, ten behoeve van onderzoek ontheffing verlenen van een in artikel 8a gestelde verplichting, op basis van een ingediend onderzoeksplan.

E

In artikel 8, derde lid, wordt ‘Artikel 7, tweede lid’ vervangen door ‘Artikel 7, derde lid’.

F

In artikel 9 wordt ‘als bedoeld in artikel 4b, derde lid’, vervangen door ‘dat representatieve grondmonsters als bedoeld in artikel 4b, vierde lid, analyseert’.

ARTIKEL II

Hoofdstuk Xa van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet vervalt.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

De Minister voor Milieu en Wonen,

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

Dit besluit wijzigt het Besluit gebruik meststoffen (hierna: Bgm)en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: UbM). De onderhavige wijzigingen van het Bgm zullen per 1 januari 2021 ook in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) worden opgenomen.

In het Bgm zijn voorschriften gegeven voor het gebruik van meststoffen, de zogenaamde gebruiksvoorschriften. Samen met het stelsel van gebruiksnormen, productierechten en mestverwerking (opgenomen in de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde regelgeving) strekken de gebruiksvoorschriften tot implementatie van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG 1991, L 375; hierna Nitraatrichtlijn).

In het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2018-2021 (Bijlage bij Kamerstukken II, 33 037, nr. 250) (hierna: zesde actieprogramma) zijn de maatregelen beschreven die Nederland gedurende de looptijd van het zesde actieprogramma zal nemen om onder andere de nitraatuitspoeling uit landbouwgrond naar het grond- en oppervlaktewater in Nederland te verminderen. Het betreft voorschriften over de wijze van aanwenden van meststoffen om gewassen van nutriënten te voorzien, alsmede over handelingen op of in de bodem die kunnen leiden tot veranderingen in de uit- of afspoeling van nutriënten. Een deel van de maatregelen uit het zesde actieprogramma die per 1 januari 2021 ingaan, maakt deel uit van dit besluit, het andere deel wordt bij ministeriële regeling geregeld. Daarnaast vinden verduidelijkingen en wetstechnische correcties plaats.

Per 1 januari 2021 is voorzien dat de Omgevingswet (hierna: Ow) in werking treedt waardoor het Bgm zal vervallen. Conform de in het kader van de Ow gemaakte afspraken, wordt daarom per 1 januari 2021 zowel het Bgm aangepast (onderhavig besluit) als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

2. Wijzigingen

De wijzigingen worden hierna beschreven.

2.1 Aanpassing uitrijdperiode op bouwland voorafgaand aan teelt van maïs op zand- en lössgronden

In het zesde actieprogramma is aangekondigd dat per 1 januari 2021 enkele maatregelen worden doorgevoerd rondom de teelt van maïs op zand- en lössgronden waarbij het principe van precisiebemesting uitgangspunt is: de juiste mest wordt op de juiste plaats, op de juiste manier, op het juiste tijdstip en in de juiste hoeveelheid toegediend om zo precies mogelijk te voorzien in de behoefte van gewas en bodem en daarmee emissies zoveel mogelijk te beperken.

Uit eerder wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het toepassen van rijenbemesting in maïs, een vorm van precisiebemesting, goed aansluit bij dit principe en tot een vermindering van nitraatuitspoeling leidt1. Uit recent onderzoek2 en praktijkervaringen van agrariërs komt echter naar voren dat rijenbemesting onder minder optimale omstandigheden tot verdichting van de bodem kan leiden en daardoor kan leiden tot minder opname van stikstof door het gewas met een grotere kans op nitraatuitspoeling naar het grondwater als gevolg.

Om op een andere manier invulling te geven aan precisiebemesting, wordt de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib voorafgaand aan de teelt van maïs op zand- en lössgronden aangepast. Op deze manier wordt het juiste tijdstip van toepassing gegarandeerd. Op bouwland, waarop dus geen gras als hoofdteelt staat, gelegen op zand- en lössgronden wijzigt de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib voorafgaand aan de teelt van maïs dan ook van 15 februari tot en met 15 september naar 1 april tot en met 15 september.

De landbouwer dient de voorgenomen teelt van mais uiterlijk 31 januari te melden bij RVO.nl en daarbij aan te geven om welk bedrijf het gaat. Ook dient hij via een kadastrale of topografische aanduiding aan te geven welk perceel het betreft en wat de oppervlakte van het perceel is waarop de maïs geteeld zal gaan worden. Indien drijfmest wordt uitgereden op dit gemelde perceel voorafgaand aan 1 april, is de landbouwer in overtreding. Ook zal de landbouwer in overtreding zijn, wanneer blijkt dat maïs geteeld wordt op een perceel dat niet gemeld is.

Deze aanpassing zal alleen gelden voor drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib, omdat een eigenschap van vaste dierlijke mest en steekvast zuiveringsslib is dat een groot deel van de stikstof in organische gebonden vorm aanwezig is en daardoor pas na langere tijd voor opname van het gewas beschikbaar komt.

2.2 Wijziging artikel 6

Precisiebemestingstechnieken maken het mogelijk om binnen een perceel met een variabele bodemgesteldheid de meststof niet gelijkmatig, maar plaats-specifiek te bemesten. Zo kan de bemesting op het perceel optimaal worden toegesneden op verschillen in bodemgesteldheid binnen het perceel. Agrariërs die gebruikmaken van dergelijke technieken moeten kunnen laten zien dat de meststof niet gelijkmatig maar, rekening houdend met de verschillen in bodemgesteldheid en gewas, wordt toegediend. Anders blijft de verplichting gelden voor het zo gelijkmatig mogelijk verspreiden van de dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen. De onderhavige wijziging van dit besluit maakt precisiebemesting binnen een perceel mogelijk en stimuleert het efficiënt gebruik van meststoffen. Deze maatregel volgt niet uit het zesde actieprogramma.

2.3 Voorkomen afspoeling ruggenteelten op klei- en lössgrond

Bij neerslag kan oppervlakkige afspoeling van percelen plaatsvinden naar nabijgelegen wateren. Het wordt voor landbouwers met ruggenteelten op klei- of lössgrond in beginsel verplicht deze afspoeling te bemoeilijken en te voorkomen door middel van waarneembare hindernissen zoals aangekondigd in het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn. Daarmee borgt de maatregel tegelijkertijd een efficiëntere infiltratie van meststoffen in de bodem en betere opname door het gewas, alsmede het tegengaan van bodemerosie en afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen. Het is in beginsel verboden om percelen gelegen op klei- of lössgrond te bemesten wanneer de percelen aansluitend worden gebruikt voor een ruggenteelt. Bemesting voorafgaand aan ruggenteelt is wel toegestaan indien de landbouwer maatregelen neemt om oppervlakkige afspoeling te bemoeilijken. Hij heeft de keuze uit een tweetal maatregelen, namelijk het frezen van een opvanggreppel parallel aan de watergang rondom het perceel zonder aansluiting op oppervlaktewater of het aanleggen van drempeltjes tussen de ruggen.

Deze maatregelen dienen altijd zichtbaar aanwezig te zijn op het perceel. Anders is een maatregel immers niet functioneel en kan hij bovendien niet waargenomen worden bij inspectie. Een zorg kan zijn dat door de aanleg van drempeltjes regenwater te lang kan blijven staan, waardoor bijvoorbeeld waterrot kan optreden in aardappelen. Dat is niet wenselijk, en daarom zal de landbouwer deze maatregel mogen opheffen wanneer dit dreigt. Daarna zullen de drempeltjes ook weer zo snel mogelijk opnieuw moeten worden aangelegd.

2.4 Verbreding reikwijdte ontheffing

Aan de reikwijdte van artikel 7 wordt artikel 8a toegevoegd waardoor wordt voorzien in de mogelijkheid voor Onze Minister ontheffing te verlenen in het kader van onderzoek in overeenstemming met de Minister voor Milieu en Wonen ten behoeve van de verplichting tot het telen van een aangewezen vanggewas of hoofdteelt na de teelt van maïs. Hiermee kan ook op dit onderwerp onderzoek gedaan worden dat tot nieuwe inzichten en verdere beleidsontwikkeling kan leiden.

2.5 Verduidelijkingen en wetstechnische correcties
2.5.1 Vervallen verklaring Hoofdstuk Xa. Verantwoorde groei melkveehouderij van het Ubm

De bepaling over verantwoorde groei melkveehouderij in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) (Hoofdstuk Xa) worden voor de duidelijkheid geschrapt, aangezien de bepalingen per 1 januari 2018 zijn opgenomen in de Meststoffenwet zelf (artikel 21) en bij die wijziging van de Meststoffenwet de grondslag voor regeling bij AMvB is vervallen. De genoemde wijzigingswet betreft de Wet van 29 mei 2017, houdende additionele regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij (Wet grondgebonden groei melkveehouderij) (Stb. 2017, 228).

3. Effecten bedrijfsleven en overheid

3.1 Bedrijfseffecten
3.1.1 Regeldruk

De aanpassing in de uitrijdperiode op bouwland voorafgaand aan de teelt van maïs leidt tot een toename van de regeldruk als gevolg van de melding die landbouwers uiterlijk 31 januari aan de minister moeten doen indien zij maïs gaan telen. Aan de berekening ligt de gecombineerde opgave van 2019 ten grondslag van landbouwers die in die jaren maïs hebben geteeld. Voor de melding wordt gerekend met 2,5 minuut aanmelden op Mijn RVO, een kwartier voor het verzamelen van gegevens en 1,2 minuut voor het doorvoeren van het perceelnummer. Daarbij wordt gerekend met een tarief per persoon per uur van € 37. Daarmee komt de totale regeldruk op € 249.428.

PM ATR

3.1.2 Overige bedrijfseffecten

Voor een landbouwer kan de aanpassing van de uitrijdperiode van drijfmest voorafgaand aan de teelt van maïs leiden tot mogelijke aanvullende afzetkosten voor mest. De omvang van deze kosten is niet te duiden omdat dit per bedrijf kan verschillen.

De aanleg van drempeltjes of andere waarneembare hindernissen tussen en rondom ruggenteelten op klei- of lössgrond brengt kosten met zich mee voor een loonwerker die deze werkzaamheden moet uitvoeren.

3.1.3. Uitvoerings- en handhavingslasten

De aanpassing van de uitrijdperiode op bouwland voorafgaand aan de teeltmaïs leidt houdt een uitvoeringslast bij RVO.nl als gevolg van de melding die door de landbouwer gedaan moet worden.

Ook leiden de wijzigingen tot eenmalige kosten bij RVO.nl en NVWA doordat communicatiegegevens op de website en instructies voor medewerkers aanpassing behoeven en informatiesystemen aangepast moeten worden.

PM uitvoerings- en handhavingstoets

4. Milieueffecten

In deze paragraaf vindt beschrijving van de milieueffecten van de voorliggende wijzigingen plaats.

4.1 Aanpassing uitrijdperiode op percelen voorafgaand aan teelt van maïs

Deze maatregel is erop gericht om de afspoeling en uitspoeling van nutriënten in de periode voorafgaand aan de teelt van maïs te verminderen door de uitrijdperiode van drijfmest aan te passen, en aan te laten sluiten bij het eerste moment van opname van meststoffen door het gewas. Dit voorkomt dat meststoffen voortijdig afspoelen naar het oppervlaktewater of uitspoelen naar het grondwater in relatief nattere perioden in februari en maart. Uit eerdere onderzoeken blijkt dat mestaanwending begin februari kan leiden tot een lagere opname van stikstof door het gewas, omdat maïs vaak pas aan het einde van april gezaaid wordt. Daardoor wordt een deel van de opgebrachte stikstof verloren door denitrificatie en een deel door uitspoeling3.

Vanwege een afname in stikstofverlies via denitrificatie als gevolg van het aanpassen van deze uitrijdperiode, zal ook lachgasemissie in de periode voor 1 april verminderd worden. Daar staat tegenover dat mest die wordt aangewend na 1 april vanwege gemiddeld hogere temperaturen iets meer ammoniakemissie geeft.

4.2 Wijziging artikel 6

Een van de componenten van precisiebemesting is het toedienen van meststoffen op de juiste plaats. De huidige formulering maakt een gedifferentieerde verdeling van de aangewezen meststoffen over een perceel niet mogelijk. De wijziging dient om binnen een perceel precisiebemesting mogelijk te maken. Daarmee kan beter worden geborgd dat deze stoffen niet emitteren naar oppervlakte- en grondwater.

4.3 Voorkomen afspoeling ruggenteelten op klei- of lössgrond

Naast dat deze maatregel bodemerosie beperkt en zorgt voor een betere benutting van meststoffen op het perceel, voorkomt deze ook de afspoeling van zowel meststoffen als gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater. Naar verwachting zal deze maatregel niet leiden tot meer nitraatuitspoeling naar grondwater. Hogere gewasopbrengsten door betere beschikbaarheid van water en meststoffen zorgen voor betere stikstofefficiëntie en minder risico op uitspoeling.

5 Consultatie

PM

6 Voorhang en nahang

PM

7 Inwerkingtreding en vaste verandermomenten

Overeenkomstig het zesde actieprogramma is inwerkingtreding voorzien op 1 januari 2021.

8. Artikelsgewijs

Artikel 1, onderdeel A

Aan artikel 4 van het Bgm worden een zesde, zevende en achtste lid toegevoegd waarin de uitrijdperiode van drijfmest en vloeibaar zuiveringsslib wordt gewijzigd, indien op het desbetreffende perceel maïs zal worden geteeld als hoofdteelt. Voor de controle op de naleving van de uitrijdperiode is voor de landbouwer een meldingsplicht opgenomen ten aanzien van de teelt van maïs. In het achtste lid, van artikel 4 van het Bgm zijn de inhoudelijke eisen aan deze melding opgenomen.

Artikel I, onderdeel B

In artikel 6 wordt een verduidelijking aangebracht om, naast de verplichting tot een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding van meststoffen over het perceel, ook de mogelijkheid te bieden van het toepassen van precisiebemesting binnen het perceel.

Artikel I, onderdeel C

Artikel 6Aa, eerste lid, bevat een verbod om meststoffen te gebruiken op bouwland indien het perceel wordt aangewend voor een ruggenteelt. Dit verbod geldt niet indien de landbouwer een van de in het tweede lid van artikel 6Aa opgenomen maatregelen neemt.

Daarbij voorziet de maatregel van artikel 6Aa, tweede lid, onder b, in een uitzondering om in geval van dreigende gewasschade door extreme weersomstandigheden (extreme neerslag). In een dergelijk geval kan het gewas verloren gaan als het water niet tijdig in de grond infiltreert. De landbouwer mag dan tijdelijk de aangelegde drempels doorprikken zodat het overtollige water weg kan en schade aan het gewas wordt voorkomen. Hierbij geldt een verplichting tot herstel van de eerder genomen maatregel, zodra de situatie de uitzondering niet meer rechtvaardigt.

Artikel I, onderdeel D

In artikel 7 wordt een lid ingevoegd waarmee de mogelijkheid wordt gegeven tot het verlenen van een ontheffing van een in artikel 8a opgenomen verplichting.

Artikel I, onderdeel E

In artikel 8, derde lid, wordt in verband met het toevoegen van een (nieuw) tweede lid aan artikel 7, de verwijzing naar artikel 7, tweede lid, aangepast naar artikel 7, derde lid.

Artikel II

De grondslag voor artikel 70a van het Ubm (het enige artikel van hoofdstuk Xa Ubm) is sinds 1 januari 2018 vervallen met de inwerkingtreding van de Wet grondgebonden groei melkveehouderij. Dit betekent dat artikel 70a niet meer geldt en dat hoofdstuk Xa geen inhoud heeft. Om dit te verduidelijken wordt geregeld dat Hoofdstuk Xa. Verantwoorde groei melkveehouderij van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet vervalt.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,


X Noot
1

Milieueffectrapportage van maatregelen zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Op planniveau. P. Groenendijk, G.L. Velthof, J.J. Schroder, T.J de Koeijer en H.H. Luesink, 2017.

X Noot
3

Lammers, H.W. (1984). Een berekende stikstofwerkingscoëfficiënt voor diverse dierlijke organische meststoffen. De Buffer 30(5): 169–198.