Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2020, 11733Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 20 februari 2020, nr. WJZ/19298665, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met de invoering van een subsidiemodule voor mkb-werkplaatsen

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 15, 16, 17, eerste lid, 18, eerste lid, 25 en 44, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

In de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt na titel 3.23 een titel ingevoegd, luidende:

Titel 3.24. Mkb-werkplaatsen

Artikel 3.24.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

expertbedrijf:

bedrijf dat deskundig is op het gebied van ten minste een productiviteitsverhogende technologie;

mkb-werkplaats:

regionaal, open kennisnetwerk van een of meer onderwijsinstellingen, met een focus op een of meer productiviteitsverhogende technologieën, waarbinnen de onderwijsinstelling of de onderwijsinstellingen tezamen met partijen in de regio mkb-ondernemers, met name die met een kleine onderneming, helpt of helpen met hun digitaliseringsvraagstukken, door in ieder geval:

  • a. het afnemen van intakes bij mkb-ondernemers ten behoeve van het in kaart brengen van de vragen van mkb-ondernemers en het samenbrengen van student en mkb-ondernemer voor het maken van een roadmap;

  • b. studenten in te zetten die roadmaps maken voor mkb-ondernemers; en

  • c. het geven van algemene voorlichting en het breed delen en verspreiden van kennis met betrekking tot digitalisering;

onderwijsinstelling:

instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.3.2a of 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of als bedoeld in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a tot en met i;

roadmap:

door een of meer studenten opgesteld advies, met praktische tips en concreet handelingsperspectief, aan een mkb-ondernemer met betrekking tot zijn digitaliseringsmogelijkheden.

Artikel 3.24.2. Subsidieverstrekking

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderwijsinstelling of aan een onderwijsinstelling in een samenwerkingsverband van onderwijsinstellingen voor het initiëren en opzetten van een mkb-werkplaats en voor het verrichten van de volgende activiteiten in het kader van die mkb-werkplaats:

  • a. het in kaart brengen van de digitaliseringsvraagstukken van mkb-ondernemers en het samenbrengen van student en mkb-ondernemer voor het maken van een roadmap;

  • b. algemene voorlichting en brede kennisdeling en -verspreiding op het gebied van digitalisering en brede verspreiding van de resultaten van de mkb-werkplaats, op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, middels in ieder geval een openbaar toegankelijk digitaal platform;

  • c. het monitoren en evalueren van de effecten en resultaten van de mkb-werkplaats;

  • d. het geven van openbare en brede bekendheid aan de mkb-werkplaats.

Artikel 3.24.3. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 450.000 per aanvraag.

Artikel 3.24.4. Niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie:

  • a. kosten die direct toerekenbaar zijn aan het maken van individuele roadmaps voor mkb-ondernemers;

  • b. kosten die verband houden met vervolgactiviteiten die uit de gemaakte roadmaps voortkomen; en

  • c. kosten die aan expertbedrijven verschuldigd zijn.

Artikel 3.24.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.24.6. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is drie jaar.

Artikel 3.24.7. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. onvoldoende vertrouwen bestaat in structurele voortzetting van de mkb-werkplaats na afloop van de subsidieperiode door middel van structurele inbedding van de mkb-werkplaats in het onderwijscurriculum;

  • b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager of de aanvragers kan of kunnen voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.24.10;

  • c. voor de mkb-werkplaats reeds door de rijksoverheid subsidie is verstrekt;

  • d. geen regionale overheid betrokken is als regionale partner bij de mkb-werkplaats;

  • e. na toepassing van artikel 3.24.8, eerste lid, minder dan 9 punten zijn toegekend aan onderdeel a van dat lid of minder dan 12 punten zijn toegekend aan onderdeel c of onderdeel d van dat lid.

Artikel 3.24.8. Rangschikkingscriteria
  • 1. De minister kent een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. de kwaliteit van het projectplan hoger wordt geacht;

    • b. de potentiële impact van de mkb-werkplaats op de regio hoger wordt geacht;

    • c. de mkb-werkplaats effectiever bijdraagt aan de digitalisering van mkb-ondernemers;

    • d. de mkb-werkplaats meer bijdraagt aan verbetering van het praktijkleren voor de aan de mkb-werkplaats verbonden studenten;

    • e. de betrokkenheid van partijen in de regio groter is.

  • 2. Het aantal punten bedraagt bij de onderdelen a, b en e van het eerste lid ten minste één en ten hoogste achttien punten, en bij de onderdelen c en d van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 23 punten.

  • 3. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend.

Artikel 3.24.9. Adviescommissie
  • 1. Er is een Adviescommissie mkb-werkplaatsen die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en in artikel 3.24.7, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.24.8.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden.

  • 3. De voorzitter en de andere leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste vier jaar.

Artikel 3.24.10. Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. Indien een subsidieontvanger naast de niet-economische activiteiten voor de mkb-werkplaats ook economische activiteiten verricht, voert de subsidieontvanger met betrekking tot de financiering van en de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding.

  • 2. Indien een subsidieontvanger voor activiteiten binnen de mkb-werkplaats expertbedrijven inzet, worden deze uitsluitend ingezet om mee te denken met de student en de onderwijsinstelling, instrumentarium te ontwikkelen en online tools beschikbaar te stellen, voor het begeleiden van studenten en om de kwaliteit van de geleverde resultaten te bewaken. Aan mkb-ondernemers wordt binnen de mkb-werkplaats niet rechtstreeks geadviseerd door expertbedrijven.

  • 3. De resultaten en tussenresultaten van de mkb-werkplaats worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform.

  • 4. Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform.

  • 5. De mkb-werkplaats is een open netwerk, inhoudende in ieder geval dat iedere mkb-ondernemer die geïnteresseerd is in digitalisering, zich kan melden bij de mkb-werkplaats voor een intake en dat geïnteresseerde partijen in de regio zich, onder transparante en redelijke voorwaarden, bij de mkb-werkplaats kunnen aansluiten.

  • 6. Opdrachtverlening aan een derde voor uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.24.2, of een deel daarvan, vindt plaats op basis van transparante en redelijke criteria en tegen ten hoogste marktconforme tarieven.

  • 7. De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de effecten en resultaten van de mkb-werkplaats.

Artikel 3.24.11. Informatieverplichtingen
  • 1. Een aanvraag voor subsidie op grond van deze titel bevat ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager of aanvragers, waaronder het post- en bezoekadres en het rekeningnummer van de aanvrager of aanvragers;

    • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager of aanvragers, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

    • c. indien van toepassing: gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;

    • d. een projectplan;

    • e. een begroting en financieel plan, waaruit blijkt hoe de aanvrager of de aanvragers het deel dat de aanvrager of aanvragers zelf in de subsidiabele kosten bijdraagt of bijdragen, gaat of gaan financieren en, indien van toepassing, een intentieverklaring van de betrokken derden-financiers;

    • f. een activiteitenplanning; en

    • g. een samenvatting van het projectplan.

  • 2. Het projectplan bevat in ieder geval een beschrijving van:

    • a. de doelstelling en de productiviteitsverhogende technologie of technologieën waarop de mkb-werkplaats gericht is;

    • b. de activiteiten van de mkb-werkplaats, inclusief de planning van deze activiteiten;

    • c. de wijze waarop regionale partijen, waaronder in ieder geval een regionale overheid, betrokken zijn bij de mkb-werkplaats;

    • d. de wijze waarop de effecten en resultaten van de mkb-werkplaats worden gemonitord en geëvalueerd;

    • e. het verwachte aantal te bereiken mkb-ondernemers gedurende de subsidieperiode en in het bijzonder het te verwachten aantal te bereiken mkb-ondernemers met een kleine onderneming;

    • f. de wijze waarop de aanvrager of aanvragers ervoor zorgt draagt of zorg dragen dat studenten toegang hebben tot de mkb-werkplaats, de wijze waarop de mkb-werkplaats bijdraagt aan verbetering van het praktijkleren van studenten en de wijze waarop dit in het onderwijscurriculum tot uitdrukking komt; en

    • g. de wijze waarop de aanvrager of aanvragers na de subsidieperiode zorg draagt of dragen voor continuering van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt.

Artikel 3.24.12. Staatssteun

Deze regeling bevat geen staatssteun.

Artikel 3.24.13. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2025, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

ARTIKEL II

In de tabel, behorende bij artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020, wordt na de rij met titel 3.23 een rij ingevoegd, luidende:

Titel 3.24: mkb-werkplaatsen

3.24.2

   

02-04-2020 t/m

19-05-2020

€ 2.000.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 20 februari 2020

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

TOELICHTING

I. Algemeen

1.1. Aanleiding en doel

Het ‘Jaarbericht Staat van het mkb’ (hierna: Jaarbericht) van het Comité voor Ondernemerschap van de jaren 20171, 20182 en 20193 wijst erop dat het op dit moment goed gaat met het midden- en kleinbedrijf (mkb) in Nederland, maar dat dit geen reden is om achterover te leunen. In de betreffende jaarberichten wordt een winstwaarschuwing gegeven. Door toenemende krapte op de arbeidsmarkt (door onder meer vergrijzing) wordt arbeidsproductiviteit voor bedrijven de belangrijkste bron van toekomstige groei en concurrentievermogen. En hoewel arbeidsproductiviteit per bedrijf en bedrijfstak sterk uiteenloopt, zijn kleinere bedrijven gemiddeld genomen een stuk minder productief dan grotere bedrijven. De gemiddelde arbeidsproductiviteit is het afgelopen jaar in het kleinbedrijf zelfs afgenomen, met op termijn nadelige gevolgen voor hun verdienvermogen. Volgens het Jaarbericht uit 2017 is er door productiviteitsgroei bij deze mkb-bedrijven nog veel economische groei te realiseren. De Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) geeft in zijn advies ‘Verspreiding – De onderbelichte kant van innovatie"4 aan dat er in Nederland ruimte is om de diffusie van kennis en innovaties te verbeteren om daarmee de productiviteit te verhogen.

Digitalisering transformeert de economie en samenleving in snel tempo en biedt kansen voor bedrijven om hun productiviteit te verhogen.5 Het benutten van de kansen die (productiviteitsverhogende) technologische innovaties bieden, kan zorgen voor nieuwe groei in het mkb. Dit gebeurt nu echter nog te weinig. Cijfers laten zien dat slechts een klein gedeelte van het kleinbedrijf investeert in het digitaliseren van bedrijfsprocessen. Denk hierbij aan automatisering van de bedrijfsvoering, het uitvoeren van online marketingcampagnes, of het sneller kunnen inspelen op klantwensen door inzet van data-analyses. Het belangrijkste knelpunt voor mkb-ondernemers om de kansen van deze innovaties te benutten is volgens het Jaarbericht 2019 een gebrek aan kennis. Veel ondernemers onderschatten bijvoorbeeld de efficiency-baten van digitale oplossingen en missen de kennis om digitale oplossingen te implementeren. De trend van digitalisering voltrekt zich grotendeels buiten het blikveld van de meeste mkb-ondernemers omdat zij (en hun partners) onvoldoende verbonden zijn aan de nieuwe 'digitale economie'. Dit komt onder andere door imperfecties in de markt, waardoor een expertise als (big)data-analyse voor veel (kleinere) bedrijven bijvoorbeeld niet toegankelijk is. Om hier een impuls aan te geven is bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) een nieuwe programma gestart. De ambitie van het programma, met als titel ‘Versnelling digitalisering mkb’, is om het mkb beter te verbinden aan de digitale economie.

Bij onderwijsinstellingen is er juist veel kennis aanwezig over onder meer (productiviteitsverhogende) technologische innovaties en de mogelijkheden van digitalisering van bedrijfsprocessen. Een van de kerntaken van elke onderwijsinstelling is om met opgedane kennis en inzichten maatschappelijke of economische meerwaarde te creëren (de valorisatietaak). Daarnaast is het voor onderwijsinstellingen van belang om studenten te kunnen laten leren en oefenen in de beroepspraktijk, rekening houdend met de toenemende digitalisering, ook onder mkb-bedrijven. Een nauwe samenwerking met het bedrijfsleven creëert voor onderwijsinstellingen een doorlopende kennislijn binnen de school.

Gelet op bovenstaande is in het eerdergenoemde programma ‘Versnelling digitalisering mkb’ opgenomen dat de Staatssecretaris van EZK de oprichting van mkb-werkplaatsen door onderwijsinstellingen wil stimuleren, waarbinnen studenten kunnen leren en oefenen in de beroepspraktijk, rekening houdend met de toenemende digitalisering, en mkb’ers worden geholpen met het maken van een digitaliseringsslag. Dit enerzijds door studenten in te zetten die in het kader van onderwijs scans maken voor mkb-bedrijven om te bezien hoe zij digitalisering in hun bedrijf kunnen inzetten (een concreet en praktisch stappenplan, een zogenoemde ‘roadmap’) en anderzijds door actief algemene kennis te delen met mkb’ers met betrekking tot digitalisering (zoals het breed delen van kennis over digitalisering middels een openbaar toegankelijk digitaal platform en het aanbieden van seminars en webinars).

Dit jaar is gestart met enkele praktijktesten (in Groningen) waarin met een kleine groep studenten en ondernemers getest is welke vormen van kennisoverdracht wel en niet werken. De praktijktesten zijn in de eerste helft van 2019 doorontwikkeld naar een eerste mkb-werkplaats en hebben geleid tot een aanpak voor opschaling van het aantal mkb-werkplaatsen middels deze subsidiemodule. Met onderhavige subsidiemodule krijgen onderwijsinstellingen de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het initiëren en oprichten van een mkb-werkplaats, en voor bepaalde activiteiten die zij binnen zo’n mkb-werkplaats (laten) verrichten. De focus van de mkb-werkplaats dient te liggen op technologieën die bijdragen aan de productiviteit (en daarmee het concurrentievermogen) van mkb-bedrijven, zoals data-analytics, automatisering en online sales en marketing. Omdat, zoals hierboven beschreven, met name in het kleinbedrijf door gebrek aan kennis weinig geïnvesteerd wordt in het digitaliseren van bedrijfsprocessen, moet de mkb-werkplaats zich met name richten op mkb-ondernemers met een klein bedrijf. Andere mkb-ondernemers kunnen echter ook aankloppen bij de mkb-werkplaats. De mkb-werkplaats staat daarmee open voor iedere mkb-ondernemer met een digitaliseringsvraagstuk op het focusgebied van de mkb-werkplaats, waardoor de werkplaats zich niet richt op de innovatieve koplopers van het mkb, maar juist op het peloton (het brede mkb). Dit betreft het grootste deel van het mkb: bedrijven die te vinden zijn in de winkelstraten, op bedrijventerrein en om de hoek. In de mkb-werkplaats weten student en mkb-ondernemer elkaar te vinden. De mkb-ondernemer wordt geholpen met zijn digitaliseringsvraagstuk, en de student doet relevante praktijkervaring op. Zo ontstaat er een betere aansluiting op de snel veranderende arbeidsmarkt waar digitalisering een steeds grotere rol speelt en worden studenten voorbereid op de banen van de toekomst.

Regionale overheden (provincies/gemeenten) zijn mede verantwoordelijk voor het stimuleren van regionale economische groei, en een voorwaarde in deze subsidiemodule is dan ook dat deze betrokken moeten zijn bij de mkb-werkplaatsen. Samenwerking in de regio is van essentieel belang voor het welslagen van een mkb-werkplaats.

1.2. Hoofdlijnen van de regeling

Met onderhavige subsidiemodule, die opgenomen wordt in titel 3.23 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (RNES), krijgen onderwijsinstellingen (zijnde universiteiten, hogescholen en MBO-instellingen) de mogelijkheid om (al dan niet in samenwerkingsverband) voor een periode van maximaal drie jaar subsidie aan te vragen voor het initiëren en oprichten van een mkb-werkplaats en voor het verrichten van de volgende activiteiten in het kader van de mkb-werkplaats:

  • het helder maken van de vragen van mkb-ondernemers en het samenbrengen van student met mkb-ondernemer voor het maken van een roadmap, middels (onder meer) intakegesprekken;

  • algemene voorlichting, brede kennisdeling en kennisverspreiding op het gebied van digitalisering en van de resultaten (zoals de uitgevoerde roadmaps) van de mkb-werkplaats, middels in ieder geval een openbaar toegankelijk digitaal platform, op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis;

  • het monitoren en evalueren van de effecten en resultaten van de werkplaats; en

  • openbare en brede bekendheid geven aan de mkb-werkplaats.

De onderwijsinstelling of het samenwerkingsverband van onderwijsinstellingen dient bij aanvraag een projectplan aan te leveren. In het projectplan is beschreven wat het doel is van de mkb-werkplaats, hoe deze wordt ingericht, wat het verwachte aantal te bereiken mkb-ondernemers binnen de subsidieperiode is en op welke productiviteitsverhogende technologieën de mkb-werkplaats zich richt. Binnen de mkb-werkplaats moet de onderwijsinstelling of moeten de onderwijsinstellingen samenwerken met partijen in de regio, waaronder in ieder geval een of meerdere regionale overheden. Deze regionale samenwerking moet in het projectplan beschreven worden. Tot slot moet uit het projectplan blijken hoe onderwijsinstellingen de mkb-werkplaats in hun onderwijscurriculum willen inbedden, hoe de mkb-werkplaats bijdraagt aan verbetering van het praktijkleren van studenten en op welke wijze de onderwijsinstellingen zorg dragen voor continuering van de mkb-werkplaats na de subsidieperiode van (maximaal) drie jaar. Per regio kan een mkb-werkplaats andere regionale partners kennen en andere accenten in technologie en opzet hebben. Maar het basisconcept is gelijk. De mkb-werkplaats moet een open netwerk zijn, met ruimte voor toetreders. Partijen in de samenwerking moeten bereid zijn producten met elkaar te delen en van elkaar te leren. Alle resultaten van de mkb-werkplaats, zoals de uitgevoerde roadmaps voor de mkb-ondernemers, moeten ook openbaar gemaakt worden. Activiteiten die binnen de mkb-werkplaats verricht worden, zijn in ieder geval: intakes met mkb-ondernemers ten behoeve van het verduidelijken van de vragen van de mkb-ondernemers en het samenbrengen van student en mkb-ondernemer, het opstellen van roadmaps door de studenten en het geven van openbaar toegankelijke voorlichting over digitalisering.

Cofinanciering is noodzakelijk. Daarom subsidieert de Minister van EZK (hierna: minister) maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten. De overige financiering moet vanuit regionale overheden, private sponsoring dan wel onderwijsinstellingen zelf komen. Per mkb-werkplaats is maximaal € 450.000 aan EZK-subsidie beschikbaar. In de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 zijn de openstelling en het subsidieplafond opgenomen. De eerste openstelling van de subsidiemodule loopt van 2 april 2020 tot en met 19 mei 2020. Voor deze openstelling geldt een subsidieplafond van € 2.000.000.

De subsidie wordt op basis van rangschikking verdeeld over de aanvragen die niet worden afgewezen op basis van de afwijzingsgronden opgenomen in artikel 3.24.7 en de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (hierna: Kaderbesluit). Dit houdt in dat de aanvragen (die niet moeten worden afgewezen) op basis van daarvoor opgestelde criteria worden gerangschikt. De hoogst gerangschikte aanvragen ontvangen subsidie, tot het moment dat het subsidieplafond wordt bereikt. Door toepassing van deze systematiek is het mogelijk om de projecten waarvan het beste resultaat wordt verwacht, het eerste voor subsidie in aanmerking te laten komen. Er is een adviescommissie, die de minister adviseert over de toepassing van de afwijzingsgronden en de rangschikkingscriteria.

1.3. Uitvoering

Deze subsidiemodule wordt namens de minister uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een dienst van het Ministerie van EZK. De aanvraag wordt ingediend bij RVO, met gebruikmaking van de formulieren die door RVO ter beschikking worden gesteld. RVO is betrokken geweest bij het opstellen van deze subsidiemodule en acht deze uitvoerbaar.

1.4. Regeldruk

Deze regeling levert administratieve lasten op voor aanvragers van de subsidie. Dit betreft (samenwerkingsverbanden van) onderwijsinstellingen die een mkb-werkplaats willen opzetten. Het gaat derhalve niet om administratieve lasten voor bedrijven of burgers, maar om administratieve lasten voor onderwijsinstellingen. De verwachting is dat deze administratieve lasten beperkt zullen zijn. De regeldruk wordt berekend aan de hand van de standaarduurtarieven voor intern personeel bij onderwijsinstellingen als beschreven in het Handboek meting regeldrukkosten. Uitgegaan wordt van een standaarduurtarief van € 51,–. Er zijn administratieve lasten te verwachten bij de aanvraag, bij het leveren van tussen- en eindrapportages en bij de vaststelling van de subsidie. In totaal, de kosten van de handelingen vermenigvuldigd met de verwachte tijdsbesteding (33 uur per aanvraag) en het verwachte aantal aanvragen (momenteel 7) komt de regeldruk neer op € 1.781. Met deze inschatting komt de totale regeldruk ten opzichte van het beschikbaar gestelde budget bij de eerste openstelling (€ 2.000.000) neer op 0,59 procent.

De volgende handelingen voor deelnemende onderwijsinstellingen worden voorzien:

  • het kennisnemen van de regeling en het stellen van verduidelijkingsvragen aan RVO;

  • het beslaan van interne overleggen ter ontwikkeling van het project;

  • het beslaan van externe overleggen ter ontwikkeling van het project;

  • het invullen en aanleveren van het projectplan via het online format van RVO;

  • het verstrekken en publiceren van tussentijdse en eindrapportages (inclusief evaluatie) door de subsidieontvanger.

De regeling is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk, maar is niet geselecteerd voor formele advisering.

1.5. Staatssteun

Deze regeling bevat geen staatssteun. De subsidie is bedoeld voor onderwijsinstellingen. Dit zijn instellingen als bedoeld in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs. De subsidie wordt gebruikt door onderwijsinstellingen voor activiteiten die passen binnen de wettelijke taken, die voor hbo-instellingen en universiteiten zijn vastgelegd in artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en voor mbo-instellingen in artikel 1.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Unierechtspraak heeft duidelijk gemaakt dat openbaar onderwijs dat binnen het nationaal onderwijsstelsel wordt gefinancierd door de Staat en onder staatstoezicht staat, als een niet-economische activiteit kan worden beschouwd. De activiteiten die de onderwijsinstellingen hier verricht voor de werkplaats worden in het kader van de onderwijstaak gedaan: de onderwijsinstelling richt de mkb-werkplaats op om studenten te kunnen laten leren en oefenen in de beroepspraktijk, waarbij rekening wordt gehouden met toenemende digitalisering. Zo ontstaat een betere aansluiting op de snel veranderende arbeidsmarkt waar digitalisering een steeds grotere rol speelt en worden studenten voorbereid op de banen van de toekomst. Daarnaast geven de onderwijsinstellingen met deze activiteiten invulling aan hun valorisatietaken. Derhalve zijn deze activiteiten als niet-economische activiteiten te beschouwen en is er op het niveau van de onderwijsinstellingen geen sprake van staatssteun.

Om te voorkomen dat sprake is van doorvloei van steun naar individuele mkb-ondernemers, is de subsidie slechts bedoeld voor het initiëren en opzetten van de mkb-werkplaats, het helder krijgen van de digitaliseringsvraagstukken van mkb-ondernemers en het samenbrengen van student en ondernemer, het geven van algemene voorlichting, brede kennisverspreiding (van onder meer de resultaten van de mkb-werkplaats), monitoring en evaluatie en brede bekendheid geven aan de mkb-werkplaats. De subsidie mag niet worden aangewend voor de kosten die direct toerekenbaar zijn aan het maken van de individuele roadmaps voor mkb-ondernemers of aan kosten voor enige vervolgactiviteit die uit de gemaakte roadmaps voortvloeit. Bovendien moeten alle resultaten van de mkb-werkplaats, waaronder de uitgevoerde roadmaps, actief en breed gedeeld worden. Kennis- en voorlichtingsactiviteiten moeten voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk zijn. Het enige voordeel dat een individuele mkb-ondernemer van de subsidie zou kunnen hebben, is dat van een succesvolle matching met een student. Dit voordeel is echter niet goed kwantificeerbaar en zal, gelet op de hoogte van de subsidie, de subsidiabele activiteiten en het aantal mkb-ondernemers dat naar verwachting gemiddeld geholpen wordt in een mkb-werkplaats (zo’n 500 tot 750), bovendien zo gering zijn dat er geen sprake is van een dreigende vervalsing van de mededinging of (merkbare) beïnvloeding van de interstatelijke handel.

Ook derden die een deel van de activiteiten voor de mkb-werkplaats verrichten, ontvangen geen staatssteun, omdat in de subsidiemodule als verplichting is opgenomen dat zij op grond van transparante en redelijke criteria geselecteerd moeten worden en daarvoor een (ten hoogste) marktconforme vergoeding moeten krijgen.

2. Artikelen

Artikel I (titel 3.24 van de RNES)

Artikel 3.24.1 (begripsbepalingen)

Dit artikel bevat de omschrijving van de begrippen die in deze titel worden gebruikt.

De subsidie voor een mkb-werkplaats kan worden aangevraagd door een onderwijsinstelling alleen, of door een onderwijsinstelling in een samenwerkingsverband van onderwijsinstellingen. In deze titel is een onderwijsinstelling gedefinieerd als een instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.3.2a of 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of als bedoeld in bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a tot en met i. Het gaat derhalve om onderwijsinstellingen die openbaar onderwijs verrichten dat binnen het nationaal onderwijsstelsel wordt gefinancierd door de Staat en onder staatstoezicht staat.

Een mkb-werkplaats is een regionaal en open kennisnetwerk (d.w.z. dat er, onder transparante en redelijke voorwaarden, ruimte moet zijn voor toetreders; zie ook artikel 3.24.10, vijfde lid), waarbinnen onderwijsinstellingen, tezamen met regionale partijen, ondernemers helpen met hun digitaliseringsvraagstukken. Betrokken regionale partijen zijn in ieder geval een regionale overheid (zie ook artikel 3.24.7, onderdeel d), maar kunnen daarnaast ook expertbedrijven of banken uit de regio zijn. De mkb-werkplaats staat open voor alle mkb-ondernemers, maar richt zich daarbij met name op het bereiken van het kleinbedrijf, omdat deze groep mkb-ondernemers door een gebrek aan kennis het minst investeert in productiviteitsverhogende technologieën. In de mkb-werkplaats moeten in ieder geval de volgende activiteiten worden verricht: intakes met geïnteresseerde mkb-ondernemers ten behoeve van het helder maken van de digitaliseringsvraagstukken van de mkb-ondernemers en het samenbrengen van student en mkb-ondernemer, het opstellen van roadmaps door de studenten en het geven van openbaar toegankelijke voorlichting. De mkb-werkplaats moet een focus hebben op een of meer productiviteitsverhogende technologieën.

Een van de activiteiten in de mkb-werkplaats betreft het opstellen van roadmaps door de studenten. Een roadmap is een door een of meer studenten opgesteld advies – dat uiteraard betrekking heeft op een van de focusgebieden van de betreffende werkplaats – voor een mkb-ondernemer over zijn digitaliseringsmogelijkheden. De roadmap moet praktische tips en een concreet handelingsperspectief bevatten.

Een expertbedrijf is een bedrijf dat deskundig is op het gebied van een (of meerdere) productiviteitsverhogende technologie(en). Zij kunnen binnen de mkb-werkplaats worden ingezet om de onderwijsinstellingen en hun studenten te ondersteunen en adviseren bij de activiteiten van de werkplaats (zie artikel 3.24.10, tweede lid). Het is niet toegestaan dat expertbedrijven rechtstreeks advies geven aan mkb-bedrijven die gebruik maken van de mkb-werkplaats.

Onderwijsinstellingen hoeven binnen de mkb-werkplaats geen gebruik te maken van expertbedrijven, maar wanneer zij dit doen, moeten expertbedrijven zich, onder redelijke en transparante voorwaarden, kunnen aansluiten bij de mkb-werkplaats (zie ook artikel 3.24.10, vijfde lid). De expertbedrijven kunnen hun bijdrage in kind leveren, maar kunnen ook worden betaald voor hun dienstverlening aan de onderwijsinstelling en de studenten, al dan niet tegen gereduceerd tarief. Als dat het geval is dan mag deze subsidie niet worden aangewend om de expertbedrijven te betalen, om eventuele doorvloei van steun aan deze expertbedrijven te voorkomen (zie verder artikel 3.24.4).

Artikel 3.24.2 (subsidieverstrekking)

In dit artikel is opgenomen aan wie de subsidie verstrekt kan worden en voor welke activiteiten. De subsidie wordt verstrekt aan een onderwijsinstelling of een onderwijsinstelling in een samenwerkingsverband van onderwijsinstellingen. De onderwijsinstelling krijgt of de onderwijsinstellingen in het samenwerkingsverband krijgen de subsidie voor het initiëren en opzetten van de mkb-werkplaats, en voor een aantal activiteiten die zij verrichten binnen deze mkb-werkplaats. Het betreft de volgende activiteiten:

  • het helder maken van de vragen van mkb-ondernemers en het samenbrengen van student met mkb-ondernemer voor het maken van een roadmap, middels (onder meer) intakegesprekken;

  • algemene voorlichting en brede kennisdeling en -verspreiding op het gebied van digitalisering en brede verspreiding van de resultaten van de mkb-werkplaats op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, middels in ieder geval een openbaar toegankelijk digitaal platform;

  • het monitoren en evalueren van de effecten en resultaten van de mkb-werkplaats; en

  • openbare en brede bekendheid geven aan de mkb-werkplaats.

Brede verspreiding van de resultaten van de mkb-werkplaats is tevens een verplichting op grond van artikel 3.24.10, derde lid. Bij de resultaten van de mkb-werkplaats moet onder meer gedacht worden aan de uitgevoerde roadmaps voor de mkb-ondernemers. Ook het monitoren en evalueren van de effecten en de resultaten van de mkb-werkplaats is een verplichting op grond van artikel 3.24.10, zevende lid.

Artikel 3.24.3 (hoogte subsidie)

Per aanvraag (dus in geval van een samenwerkingsverband van onderwijsinstellingen voor alle samenwerkende onderwijsinstellingen gezamenlijk) kan een subsidie van 50 procent van de subsidiabele kosten verkregen worden, met een maximum van € 450.000.

Artikel 3.24.4 (niet-subsidiabele kosten)

In dit artikel zijn de niet-subsidiabele kosten opgenomen. Zoals reeds toegelicht in paragraaf 1.5 van het algemeen deel van de toelichting, zijn deze beperkingen opgenomen om te voorkomen dat de door de minister verstrekte subsidie leidt tot een kwantificeerbaar voordeel voor individuele mkb-ondernemers of expertbedrijven. Daarom mag de subsidie niet aangewend worden voor de kosten die direct toerekenbaar zijn aan het maken van de individuele roadmaps voor de mkb-ondernemers of die verband houden met mogelijke vervolgactiviteiten die uit de uitgevoerde roadmaps voortkomen. Ook mag de subsidie niet worden aangewend voor kosten die (eventueel) aan expertbedrijven verschuldigd zijn.

Artikel 3.24.5 (verdeling subsidieplafond)

De minister verdeelt het subsidieplafond op basis van de rangschikking van de aanvragen waarop niet afwijzend is beschikt. De rangschikkingscriteria zijn opgenomen in artikel 3.24.8. Voor elk rangschikkingscriterium worden punten toegekend.

Artikel 3.24.6 (realisatietermijn)

In artikel 23, onderdeel b, van het Kaderbesluit is opgenomen dat de subsidie wordt afgewezen als het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn kunnen worden voltooid. In dit geval is de termijn voor het uitvoeren van de activiteiten gesteld op drie jaar.

Artikelen 3.24.7, 3.24.8 en 3.24.9 (afwijzingsgronden, rangschikkingscriteria en adviescommissie)

In artikel 3.24.7 zijn de afwijzingsgronden voor een aanvraag opgenomen, aanvullend op de afwijzingsgronden zoals opgenomen in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit.

Het is de bedoeling dat de onderwijsinstellingen de mkb-werkplaatsen na de subsidieperiode van maximaal drie jaar zonder (specifieke) subsidiëring voortzetten en de mkb-werkplaats structureel ingebed is in het onderwijscurriculum van de betreffende onderwijsinstellingen. De aanvraag wordt daarom afgewezen als er onvoldoende vertrouwen bestaat dat dit realiseerbaar is (artikel 3.24.7, onderdeel a).

In de aanvraag om subsidie moet voldoende onderbouwd zijn hoe de subsidieaanvragers voldoen aan de verplichtingen die voor hen gelden. Indien er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de subsidieaanvrager of de subsidieaanvragers kan of kunnen voldoen aan deze verplichtingen (opgenomen in artikel 3.24.10), wordt de aanvraag dan ook afgewezen (artikel 3.24.7, onderdeel b).

Er zijn, vooruitlopend op onderhavige subsidiemodule, door de minister reeds enkele incidentele subsidies verstrekt aan onderwijsinstellingen voor mkb-werkplaatsen. Voor deze mkb-werkplaatsen kan geen subsidie meer worden verstrekt onder deze subsidiemodule. Aanvragen die betrekking hebben op een mkb-werkplaats die reeds door de rijksoverheid is gesubsidieerd, worden derhalve afgewezen (artikel 3.24.7, onderdeel c).

De subsidiemodule mkb-werkplaatsen is gericht op het ondersteunen van een regionale samenwerking binnen de mkb-werkplaats. Het is daarom van belang dat in ieder geval een regionale overheid als regionale partner betrokken is bij de mkb-werkplaats (artikel 3.24.7, onderdeel d).

Zoals reeds toegelicht in het algemeen deel van de toelichting, is gekozen voor een verdeling van het subsidieplafond op basis van rangschikking van de aanvragen. Voor elk rangschikkingscriterium wordt een aantal punten toegekend (zie artikel 3.24.8, eerste en tweede lid). De aanvragen worden hoger gerangschikt naarmate meer punten aan de aanvraag zijn toegekend (artikel 3.24.8, derde lid). Het rangschikkingscriterium in artikel 3.24.8, eerste lid, onderdeel a, heeft betrekking op de kwaliteit van het projectplan dat de aanvragers bij aanvraag om subsidie moeten indienen. In dit plan staat wat het project behelst en hoe het wordt uitgevoerd (zie ook paragraaf 1.2 van het algemeen deel van de toelichting). In het geval het projectplan in de rangschikking een onvoldoende (minder dan 9 punten) wordt toegekend, wordt de aanvraag afgewezen (artikel 3.24.7, onderdeel e). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als onvoldoende duidelijk is wat het project inhoudt, hoe het project wordt uitgevoerd en hoe dit zal bijdragen aan de doelen waarvoor die subsidie wordt verstrekt.

De rangschikkingscriteria opgenomen in artikel 3.24.8, eerste lid, onderdelen c en d, hebben betrekking op de doelen van deze subsidiemodule. De doelen van onderhavige subsidiemodule zijn tweeledig: enerzijds is de mkb-werkplaats bedoeld om studenten te kunnen laten leren en oefenen in beroepspraktijk, rekening houdend met de toenemende digitalisering, en anderzijds kan de mkb-werkplaats een belangrijke bijdrage leveren aan de digitalisering van mkb-ondernemers, die nu nog onvoldoende kennis hebben van de mogelijkheden van digitalisering. Om te borgen dat alleen aanvragen die wezenlijk bij kunnen dragen aan deze doelen gehonoreerd worden, is in artikel 3.24.7, onderdeel e, daarnaast opgenomen dat de aanvraag wordt afgewezen als voor een van deze onderdelen een onvoldoende (minder dan 12 punten) wordt toegekend. De rangschikkingscriteria worden hieronder nader toegelicht.

Er zijn vijf criteria aan de hand waarvan de aanvragen worden gerangschikt, opgenomen in artikel 3.24.8, eerste lid. Het eerste criterium is de mate van de kwaliteit van het projectplan (artikel 3.24.8, eerste lid, onderdeel a). Hoe hoger de kwaliteit van het projectplan hoe hoger de kwaliteit van de mkb-werkplaats en hoe beter de mkb-werkplaats kan bijdragen aan de beleidsdoelstellingen van deze module. Het tweede criterium betreft de potentiële impact van de mkb-werkplaats voor de regio (artikel 3.24.8, eerste lid, onderdeel b). Dit criterium ziet onder meer op het potentiële bereik van de mkb-werkplaats, en dus hoeveel mkb’ers kunnen worden geholpen met het maken van een digitaliseringsslag. Ook landelijke spreiding van de mkb-werkplaatsen speelt bij dit criterium een rol, omdat de impact van de mkb-werkplaats voor de regio groter zal zijn als er nog geen andere mkb-werkplaats in die regio is. Bij het derde en vierde criterium (artikel 3.24.8, eerste lid, onderdelen c en d) gaat het om de mate waarin de aanvraag kan bijdragen aan de doelen van de regeling. Bij onderdeel c wordt gekeken naar de mate waarin de mkb-werkplaats effectief bijdraagt aan de digitalisering van mkb-ondernemers. Gelet op de focus die een mkb-werkplaats moet hebben op het kleinbedrijf, wordt hierbij met name naar deze doelgroep gekeken. Bij onderdeel d wordt gekeken naar de mate waarin de mkb-werkplaats bijdraagt aan de verbetering van het praktijkleren voor de aan de mkb-werkplaats verbonden studenten. Ten slotte is de betrokkenheid van partners in de regio noodzakelijk voor het slagen van de mkb-werkplaats (artikel 3.24.8, eerste lid, onderdeel e).

Een onafhankelijke adviescommissie adviseert de minister over de afwijzingsgronden en de rangschikkingscriteria (artikel 3.24.9).

Artikel 3.24.10 (verplichtingen subsidieontvanger)

De subsidieverplichtingen die in dit artikel vermeld staan, hebben grotendeels als doel te voorkomen dat er bij de subsidieverlening door de minister sprake is van (doorvloei van) staatssteun. Ten eerste geldt de verplichting dat de onderwijsinstellingen, indien zij tevens economische activiteiten verrichten, ten aanzien van deze activiteiten een gescheiden boekhouding voeren (eerste lid). Ook zijn er verplichtingen opgenomen ten aanzien van de inhuur van derden, zoals dat opdrachtverlening aan een derde voor uitvoering van (een deel) van de subsidiabele activiteiten plaats moet vinden op basis van transparante en redelijke criteria en tegen (ten hoogste) marktconforme tarieven (zesde lid). Daarnaast mogen de expertbedrijven alleen ingezet worden om mee te denken met student en onderwijsinstelling, om instrumentarium te ontwikkelen en online tools beschikbaar te stellen, voor het begeleiden van de student en om de kwaliteit van de geleverde resultaten te bewaken, en niet om mkb-ondernemers rechtstreeks te adviseren (tweede lid). Overigens zijn de kosten die verschuldigd zijn aan expertbedrijven ook niet-subsidiabel (zie artikel 3.24.4). De resultaten van de mkb-werkplaats moeten ten goede komen aan de maatschappij als geheel. Daarom is een verplichting opgenomen dat alle (tussen)resultaten van de mkb-werkplaats, waaronder uiteraard begrepen de uitgevoerde roadmaps, actief en breed gedeeld moeten worden, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform (derde lid). Ook andere voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten moeten voor een ieder zonder onderscheid toegankelijk zijn (vierde lid), onder meer middels een openbaar toegankelijk digitaal platform.

Het is belangrijk dat de mkb-werkplaats daadwerkelijk een open netwerk is, waar iedere geïnteresseerde partij zich bij moet kunnen aansluiten. Dit betekent dat geïnteresseerde regionale partijen zich, onder transparante en redelijke voorwaarden, als partner moeten kunnen aansluiten bij de mkb-werkplaats en dat iedere mkb-ondernemer die geïnteresseerd is in digitalisering, zich kan melden bij de mkb-werkplaats voor een intake (vijfde lid).

Het is van belang dat de subsidieontvangers aantoonbaar en op een systematische manier de effecten en de resultaten van de mkb-werkplaatsen monitoren en daarop evalueren. Dit is dan ook als verplichting opgenomen (zevende lid). De subsidieontvangers moeten op grond van artikel 41 van het Kaderbesluit ook meewerken aan een evaluatie van de minister over de doeltreffendheid en de effecten van de op basis van deze subsidiemodule verleende subsidies. Daarbij is het van belang dat de subsidieontvangers de gegevens uit de – op grond van het zevende lid – door henzelf uitgevoerde monitoring en evaluatie op een eenduidige wijze aanleveren bij de minister. Daartoe zal de minister te zijner tijd een format beschikbaar stellen, dat subsidieontvangers moeten gebruiken om de gevraagde gegevens aan te leveren. Zo kan de opgedane kennis en ervaring op een eenvoudige en eenduidige wijze worden gedeeld met andere werkplaatsen en soortgelijke initiatieven.

Artikel 3.24.11 (informatieverplichtingen)

In dit artikel is opgenomen welke informatie bij een aanvraag voor subsidie voor een mkb-werkplaats moet worden aangeleverd. Ten eerste dienen bepaalde gegevens van de aanvrager(s) en, in geval van een samenwerkingsverband van onderwijsinstellingen, tevens van de penvoerder (eerste lid, onderdelen a, b en c), aangeleverd te worden. Bij de aanvraag worden tevens een projectplan, een begroting, een financieel plan, een activiteitenplanning en een samenvatting van het projectplan aangeleverd (eerste lid, onderdelen d tot en met f). Het financieel plan dient duidelijk te maken hoe de subsidieaanvrager(s) het deel dat zij zelf in subsidiabele kosten moeten bijdragen, gaan bekostigen. Indien de kosten mede worden gefinancierd door derden (dat wil zeggen anderen dan de onderwijsinstellingen zelf), dienen ze daarbij een intentieverklaring van deze derden-financiers aan te leveren. Denk hierbij aan regionale overheden of banken.

In het tweede lid is opgenomen wat het projectplan voor een mkb-werkplaats moet inhouden. Deze aspecten zijn reeds toegelicht in paragraaf 1.2 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3.24.12 (staatssteun)

De subsidie voor mkb-werkplaatsen bevat geen staatsteun, zoals reeds toegelicht in paragraaf 1.5 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3.24.13 (vervaltermijn)

Gelet op artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016, vervalt deze subsidiemodule met ingang van 1 april 2025.

Artikel II

Met dit artikel wordt de tabel, behorende bij artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020, aangepast in verband met de eerste openstelling van de subsidiemodule mkb-werkplaatsen. De openstelling loopt van 2 april 2020 tot en met 19 mei 2020. Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2020, een vast verandermoment. Met publicatie minder dan twee maanden voordien, wordt afgeweken van het beleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dit is gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer


X Noot
1

Comité voor Ondernemerschap, Jaarbericht Staat van het mkb 2017 (Kamerstukken II 2017/18, 32 637, nr. 295).

X Noot
2

Comité voor Ondernemerschap, Jaarbericht Staat van het mkb 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 32 637, nr. 332).

X Noot
3

Comité voor Ondernemerschap, Jaarbericht Staat van het mkb 2019 (Kamerstukken II 2019/20, 32 637, nr. 382).

X Noot
4

AWTI, adviezen 2018/09/07/advies-verspreiding---de-onderbelichte-kant-van-innovatie (te raadplegen via www.awti.nl/documenten/adviezen/2018/09/07/advies-verspreiding---de-onderbelichte-kant-van-innovatie).

X Noot
5

Comité voor Ondernemerschap, Jaarbericht Staat van het mkb 2017 (Kamerstukken II 2017/18, 32 637, nr. 295).