Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 1055Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 12 december 2019, nr. VO/131553, houdende verlenging van de Regeling lente- en zomerscholen vo voor het kalenderjaar 2020

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling lente- en zomerscholen vo wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt in de begripsbepaling van ‘mei- of zomervakantie’ ‘Regeling vaststelling schoolvakanties 2016–2019’ vervangen door ‘Regeling vaststelling schoolvakanties 2019–2022’ en wordt ‘2019’ vervangen door ‘2020’.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘2019’ vervangen door ‘2020’.

2. In het tweede lid wordt ‘85%’ vervangen door ‘85 procent’.

C

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘2019’ vervangen door ‘2020'.

2. In het tweede lid wordt ‘2018’ telkens vervangen door ‘2019’.

D

In artikel 5, eerste lid, wordt ‘8 maart 2019’ vervangen door ‘6 maart 2020’.

E

In artikel 6, eerste lid, wordt ‘2019’ vervangen door ‘2020’ en wordt ‘lente- en zomerschool’ vervangen door ‘lente- of zomerschool’.

F

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘2019’ telkens vervangen door ‘2020’ en wordt ‘12 april’ vervangen door ‘10 april’.

2. In het tweede lid wordt ‘2019’ telkens vervangen door: ‘2020’.

G

In artikel 8, tweede lid, wordt ‘2021’ vervangen door ‘2022’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

ALGEMENE TOELICHTING

De Regeling lente- en zomerscholen vo geeft vo-scholen de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het organiseren van lente- en zomerscholen om onnodig zittenblijven van leerlingen te voorkomen. Voor dit doel is structureel jaarlijks een bedrag van € 9 miljoen beschikbaar. Met deze wijzigingsregeling wordt de subsidieregeling met één jaar verlengd tot en met 2020. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan het bij de begrotingsbehandeling OCW 2019 ingediende en met algemene stemmen aangenomen amendement van het lid Rog, dat strekt tot het ook nog in 2020 via een subsidieregeling beschikbaar stellen van de middelen voor het tegengaan van onnodig zittenblijven in het voortgezet onderwijs.1

Met deze wijzigingsregeling wordt de Regeling lente- en zomerscholen vo aangepast. De wijzigingen zijn louter technisch van aard (jaartallen, precieze data, notatie percentage, verwijzing naar de actuele regeling inzake vaststelling schoolvakanties). Inhoudelijk en financieel (budgetplafond voor subsidiëring van scholen, bedrag per leerling, bedrag voor de landelijke infrastructuur) is de regeling ongewijzigd ten opzichte van de regeling van 2019. De wijziging van het eerste lid van artikel 6 van de regeling, waarin de zinsnede ‘lente- en zomerschool’ wordt vervangen door ‘lente- of zomerschool’ is ingegeven door de mogelijke onduidelijkheid die de eerstgenoemde formulering kan veroorzaken. Per leerling kan slechts één keer subsidie worden aangevraagd, hetzij voor deelname aan een lenteschool, hetzij voor deelname aan een zomerschool. Dat laat onverlet dat het mogelijk is dat een leerling alleen aan een lenteschool of alleen aan een zomerschool deelneemt, én zowel aan een lenteschool als aan een zomerschool.

In principe is 2020 het laatste jaar waarin de beschikbare middelen via een subsidieregeling beschikbaar worden gesteld. Het uitgangspunt is dat deze middelen na 2020 indalen in de prestatiebox. Een definitief besluit hierover wordt genomen na afronding van de evaluatie van het sectorakkoord. Daarbij zal ook worden meegenomen de observatie dat in de vijf jaar waarin tot dusverre sprake was van een subsidieregeling voor lente- en zomerscholen (in 2015 alleen voor zomerscholen, in de jaren daarna voor zowel lente- als zomerscholen) het aandeel zomerschoolprogramma’s vrij sterk afneemt, terwijl het aandeel lenteschoolprogramma’s juist stijgt, zoals uit onderstaande tabel blijkt.2

Jaar

Aantal zomerscholen

Aantal lentescholen

Totaal lente- en zomerscholen

Aantal deelnemers

2015

124 (100%)

124

3.271 leerlingen

2016

135 (58,2%)

97 (41,8%)

232

11.527 leerlingen

2017

112 (41,9%)

155 (58,1%)

267

16.735 leerlingen

2018

82 (29,6%)

195 (70,4%)

277

18.303 leerlingen

2019

68 (24,1%)

213 (75,9%)

281

19.323 leerlingen

Bij besluitvorming over een eventueel vervolg van de subsidieregeling na 2020 kan hier rekening mee gehouden worden. Weliswaar zijn zomerscholen en lentescholen beiden goede instrumenten gebleken om onnodig zittenblijven te voorkomen (gedurende het schooljaar tijdig ingrijpen met een lenteschool zou in veel gevallen wenselijker kunnen zijn dan ‘reparatie’ en een allerlaatste kans in de zomervakantie met een zomerschool), maar de vraag dringt zich op of dat dezelfde investering voor lentescholen blijft rechtvaardigen als voor zomerscholen, nu er reeds enkele jaren ervaring is opgedaan met beide varianten. Nu ontvangen scholen € 450 subsidie per leerling, of zij nu een lente- of een zomerschoolprogramma aanbieden. Gedurende het schooljaar kan een school echter ook in behoorlijke mate zélf in aanvulling op het reguliere programma maatwerk bieden en leerlingen bijspijkeren indien nodig, terwijl bij zomerscholen een apart arrangement moet worden georganiseerd buiten de reguliere onderwijstijd. Een ontwikkeling (terug) richting een aanzienlijk groter aandeel zomerscholen zou besluitvorming over het eventueel een vervolg geven aan een subsidieregeling positief kunnen beïnvloeden.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 300 VIII, nr. 8.

X Noot
2

Daarbij gaat het alleen over het aandeel van de verschillende programma’s (lente- dan wel zomerschool). De ‘verdeling’ van het aantal leerlingen over die verschillende programma’s kan daarvan afwijken.