Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2019, 9819Interne regelingen

Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 januari 2019, nr. OWB/1456772, houdende instelling van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities (Instellingsbesluit Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. commissies:

Commissie sectorplan Bèta en Techniek- bestaande uit een Kamer Bèta en een Kamer Techniek – en Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities, aangeduid als Commissie sectorplan SSH;

c. concept-sectorbeeld bèta:

het door de heer prof. dr. E.W. Meijer opgestelde plan voor versterking van de Nederlandse bèta sector, te weten natuurkunde, scheikunde, wiskunde en mogelijk informatica;

d. concept-sectorbeeld techniek:

het door de heer prof. dr. E.W. Meijer opgestelde plan voor versterking van de Nederlandse techniek sector, te weten technische wetenschappen en mogelijk informatica;

e. concept-sectorbeeld SSH:

het door de heer prof. dr. M.A.P. Bovens opgestelde plan voor versterking van het Nederlandse SSH domein, ook wel concept-domeinbeeld SSH genoemd.

f. sectorbeeld:

het door de minister vastgestelde concept-sectorbeeld, zoals bedoeld onder c, d en e. In geval van e ook wel domeinbeeld SSH genoemd.

Artikel 2. Commissie sectorplan Bèta en Techniek

  • 1. Er is een Commissie sectorplan Bèta en Techniek.

  • 2. De Commissie sectorplan Bèta en Techniek bestaat uit een Kamer Bèta en een Kamer Techniek.

  • 3. De Commissie sectorplan Bèta en Techniek heeft tot taak:

    • a. het beoordelen van de concept-sectorbeelden bèta en techniek op basis van randvoorwaarden zoals genoemd in artikel 5, nader omschreven in de toelichting. De Kamer Bèta beoordeelt het concept-sectorbeeld bèta en de Kamer Techniek beoordeelt het concept-sectorbeeld techniek. De commissie brengt hierover voor 28 januari 2019 advies uit aan de minister;

    • b. na de vaststelling van de concept-sectorbeelden bèta en techniek door de minister, de minister adviseren op basis van plannen van faculteiten over de verdeling van middelen vanuit de eerste geldstroom zoals genoemd in de tabel van de toelichting over de in de sectorbeelden genoemde deelnemende faculteiten;

    • c. bij beide adviezen te betrekken de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten.

Artikel 3. Commissie sectorplan SSH

  • 1. Er is een Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities, aangeduid als Commissie sectorplan SSH.

  • 2. De Commissie sectorplan SSH heeft tot taak:

    • a. het beoordelen van het concept-sectorbeeld SSH op basis van randvoorwaarden zoals genoemd in artikel 5, nader omschreven in de toelichting. De commissie brengt hierover voor 28 januari 2019 advies uit aan de minister;

    • b. na de vaststelling van het concept-sectorbeeld SSH door de minister, de minister adviseren op basis van de plannen van faculteiten over de verdeling van middelen vanuit de eerste geldstroom zoals genoemd in de tabel van de toelichting over de in de sectorbeelden genoemde deelnemende faculteiten;

    • c. bij beide adviezen te betrekken de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten.

Artikel 4. Nadere uitwerking van taken

De commissies hebben voorts tot taak:

  • a. bij de advisering zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, en artikel 3, tweede lid, onder b, de plannen van de in de sectorbeelden genoemde faculteiten te toetsen op kwaliteit. De commissies kunnen gebruik maken van een verdeelsleutel uitgaande van een basisfinanciering per deelnemende faculteit met een bandbreedte afhankelijk van de kwaliteit van de plannen. Hierbij wordt uitgegaan van het budget zoals bedoeld in de tabel in de toelichting. De plannen van faculteiten worden getoetst aan de doelstellingen zoals geformuleerd in de sectorbeelden. Aangezien de sectorbeelden opgesteld zijn aan de hand randvoorwaarden zoals genoemd in de toelichting, zullen een aantal van deze randvoorwaarden ook terugkomen in de plannen van faculteiten.

  • b. na drie jaar, vóór 1 april 2022, een tussentijdse evaluatie uit te voeren van de door de minister gefinancierde activiteiten vanuit de sectorbeelden en de minister hierover te adviseren vóór 1 juni 2022. De commissie adviseert de minister daarbij ook over de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten. De minister besluit of de middelen ongewijzigd aan de faculteiten worden toegekend voor de tweede periode van drie jaar (vierde tot en met zesde jaar) of dat inhoudelijk accenten worden verlegd waarbij de middelen mogelijk anders worden verdeeld over de betrokken faculteiten.

  • c. vóór 1 april 2025 een eindevaluatie uit te voeren en hierover vóór 1 juni 2025 een advies aan de minister uit te brengen. Bij de evaluatie te betrekken:

    • (i) of het structureel indalen van de middelen – zie tabel in de toelichting – in de rijksbijdrage gerechtvaardigd is. Hiervoor zullen de commissies eerst bepalen welke investeringen van faculteiten gezien worden als vaste aanstellingen en/of structurele investeringen en welke niet.

    • (ii) in hoeverre de calls die met tweede geldstroom middelen – zie tabel in toelichting – zijn uitgezet aansluiten op de zwaartepunten waar via de rijksbijdrage in geïnvesteerd wordt.

    • (iii) in het advies te betrekken op welke wijze de eerste geldstroom middelen worden ingezet voor de betreffende sectoren.

    • (iv) in het advies te betrekken over de wijze waarop 50 procent van de tweede geldstroom middelen – het deel dat niet standaard indaalt bij NWO – via NWO beschikbaar zal blijven.

Artikel 5. Beoordeling van en advisering over de concept- sectorbeelden

In de concept sectorbeelden wordt aangegeven hoe het huidige universitaire landschap en hoe het gewenste universitaire landschap eruit ziet. In de omschrijving van het gewenste universitaire landschap staat omschreven hoe dit sectorbeeld zal zorgen voor een versterking van de kennisbasis van wetenschappelijk onderzoek in Nederland en een versterking van de aansluiting tussen onderzoek en hoger onderwijs en impact in de betrokken sectoren. Zie toelichting voor gedetailleerde omschrijving van de randvoorwaarden voor de sectorbeelden.

Artikel 6. Leden

  • 1. De samenstelling van de commissies is als volgt:

    • De Commissie sectorplan Bèta en Techniek bestaat uit een voorzitter en 10 andere leden. De Kamer Bèta en de Kamer Techniek hebben beide een eigen voorzitter welke tevens vicevoorzitter is van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek.

    • De Commissie sectorplan SSH bestaat uit een voorzitter en 5 andere leden.

  • 2. De voorzitters en de andere leden worden door de minister benoemd.

  • 3. Bij verandering van hoofd- of nevenfuncties van de leden of het aangaan van bepaalde relaties door de leden kan de minister lidmaatschap van de commissie heroverwegen.

  • 4. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissies.

  • 5. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

  • 6. De voorzitters en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de minister.

  • 7. Voor de periode van 1 december 2018 tot en met 1 december 2025 worden tot lid van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek benoemd:

    • de heer prof. dr. ir. C.J. Van Duijn, tevens voorzitter;

      • o in de Kamer Bèta:

        • de heer M. Buchel;

        • mevrouw prof. dr. ir. M. Dijkstra;

        • mevrouw prof. dr. ir. M.G. Gerritsen;

        • de heer H.J. van Dorenmalen;

        • vacant.

      • o in de Kamer Techniek:

        • de heer prof. dr. K.A.A. Makinwa tevens vicevoorzitter;

        • de heer ir. M.C.H. van Hoorn;

        • mevrouw prof. dr. S.J.M.H. Hulscher;

        • de heer prof. dr. W.J. Niessen;

        • mevrouw M.C. Stikker.

  • 8. Voor de periode van 1 december 2018 tot en met 1 december 2025 worden tot lid van de Commissie SSH benoemd:

    • mevrouw prof. mr. J.E.J. Prins, tevens voorzitter;

    • mevrouw prof. mr. A. Oskamp; tevens vicevoorzitter;

    • de heer prof. dr. R.A. Boschma;

    • mevrouw prof. mr. T.N.B.M. Spronken;

    • de heer prof. dr. P.P.C.C. Verbeek;

    • de heer prof. mr. dr. J.A. de Bruijn.

Artikel 7. Ondersteuning en secretariaat

  • 1. De commissies worden ondersteund door medewerkers van NWO.

  • 2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitters van de commissies.

Artikel 8. Instellingsduur

De commissies worden ingesteld voor de duur van 7 jaren met ingang van 1 december 2018 en wordt opgeheven per 1 december 2025.

Artikel 9. Werkwijze

  • 1. De commissies stellen hun eigen werkwijze vast, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van (de schijn van) belangenverstrengeling gedurende de gehele looptijd van de commissies.

  • 2. De commissies kunnen zich door andere personen laten bijstaan voor zover dat voor de vervulling van hun taak nodig is.

Artikel 10. Informatieplicht

De commissies verstrekken aan de minister desgevraagd de door de minister gewenste inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van de taak van de minister redelijkerwijs nodig is.

Artikel 11. Advies op basis van evaluaties

De commissies brengen vóór 1 juni 2022 hun advies uit aan de minister op basis van de tussentijdse evaluatie en vóór 1 juni 2025 hun advies uit aan de minister op basis van de eindevaluatie.

Artikel 12. Kosten van de commissies

De kosten van de commissies komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

  • a. vergoedingen aan de leden van de commissies als bedoeld in artikel 13

  • b. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning, en

  • c. de kosten voor publicatie van rapportages.

Artikel 13. Vergoeding van de commissies

  • 1. De voorzitters en de andere leden ontvangen een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitters en de andere leden is schaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 2. Voor de jaren 2019, 2022 en 2025 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitters van de commissies 1,33/36, voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de commissie SSH 1/36, en voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek is de arbeidsduurfactor 1,75/36.

  • 3. Voor de jaren 2020, 2021, 2023 en 2024 is de arbeidsduurfactor voor de voorzitters van de commissies 0,67/36, voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de commissie SSH 0,5/36, en voor de leden – niet zijnde de voorzitter – van de Commissie sectorplan Bèta en Techniek is de arbeidsduurfactor 0,875/36.

  • 4. De commissies bieden zo spoedig mogelijk na hun instelling een begroting en een planning aan de minister aan.

Artikel 14. Openbaarmaking

  • 1. Rapporten, notities, verslagen, adviezen en andere producten die door of namens de commissies worden vervaardigd of vergaard, worden niet door de commissies openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de minister uitgebracht of overgedragen.

  • 2. Na toekenning van middelen als bedoeld in de tabel van de toelichting hebben de commissies toestemming om met de betrokken kennisinstellingen en NWO te communiceren ten behoeve van de uitvoering, monitoring en auditing van de sectorplannen.

Artikel 15. Archiefbescheiden

De commissies dragen zo spoedig mogelijk na beëindiging van hun werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de directie Organisatie en Bedrijfsvoering van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 16. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 december 2018.

  • 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 juli 2026.

Artikel 17. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie sectorplan Bèta en Techniek en de Commissie sectorplan Social Sciences and Humanities.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

TOELICHTING

Het regeerakkoord 'Vertrouwen in de toekomst' benoemt een stapsgewijze verhoging van het budget voor fundamenteel onderzoek en een aantal ambities zoals speciale aandacht voor technische wetenschap en onderzoekgroepen die te maken hebben met hoge kosten. Met de sectorplannen geeft het kabinet invulling aan de ambities vanuit het Regeerakkoord. Dit wordt gesteund door de motie Bruins/Van der Molen over de prioriteit van het kabinet bij bèta- technische wetenschappen.

Om goed multidisciplinair samen te kunnen werken moet de disciplinaire basis versterkt worden. Sommige wetenschapsterreinen, zoals wiskunde, zijn voor allerlei vormen van programmatische samenwerking nodig. Een aanhoudende snelle en forse toename van het aantal studenten kan er voor zorgen dat er een toenemende druk komt op de inzet van wetenschappelijk personeel voor onderwijs in plaats van onderzoek. Dit kan leiden tot knelpunten bij onderwijsintensieve faculteiten zoals bij de bèta- en technische faculteiten vanwege de druk op de onderzoekscapaciteit per medewerker en vrije onderzoeksruimte.

Via deze drie sectorplannen geeft het kabinet een krachtige impuls aan het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en de aansluiting tussen hoger onderwijs en onderzoek in de betrokken sectoren. Het ultieme doel is een versterking van de kennisbasis door profilering van universiteiten en gebalanceerde onderlinge afstemming van deze profilering. Zo blijft de wetenschappelijke excellentie in Nederland behouden.

De sectorplannen bestaan uit sectorbeelden: visiedocumenten (Bèta, Techniek en SSH) waarin wordt geschetst hoe het gewenste en toekomstige universitaire landschap eruit ziet om te komen tot een versterking van de onderzoeksbasis. Daarnaast bestaan sectorplannen uit plannen van faculteiten waarmee invulling wordt gegeven aan de doelstellingen in de sectorbeelden en daarmee een basis vormen voor een evenwichtige verdeling van middelen over de deelnemende faculteiten. De plannen van faculteiten worden beoordeeld naar de mate waarin zij aansluiten op de sectorbeelden.

De commissie sectorplan Bèta en Techniek en de commissie sectorplan SSH hebben als taak om de minister te adviseren een zo goed mogelijke besteding van de beschikbare middelen voor sectorplannen Bèta en Techniek en SSH. Hiertoe zullen de commissies zowel de concept sectorbeelden als de in te dienen faculteitsplannen beoordelen en de minister over beide separaat van advies voorzien. Bij de beoordeling van de faculteitsplannen kunnen de commissies gebruik maken van een verdeelsleutel uitgaande van een basisfinanciering per deelnemende faculteit met een bandbreedte afhankelijk van de kwaliteit van de plannen. Bij advies over zowel de sectorbeelden als de faculteitsplannen adviseren de commissies over de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten en zwaartepunten. Deze zwaartepunten zullen in de sectorbeelden mogelijk met een andere term worden aangeduid.

Advisering over concept sectorbeelden

De randvoorwaarden waar de sectorbeelden aan moeten voldoen staan in artikel 5 beschreven. Het gaat om het volgende:

  • 1. In de sectorbeelden is geschetst hoe het huidige universitaire landschap eruit ziet waarbij in ieder geval aan bod komt: de (internationale) kracht van Nederland binnen deze sector; de maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen die grote invloed (gaan) hebben op het onderzoekslandschap in deze sector; de kansen voor en behoeften van de faculteiten binnen deze sector; bestaande dwarsverbanden tussen disciplines binnen deze sector.

  • 2. Een schets van het gewenste universitaire landschap. Dit is een heldere visie waarin SMART doelstellingen geformuleerd worden. Hierbij kan ook gekeken worden naar de positie van Nederland in internationaal perspectief. In alle drie de beelden worden de belangrijke focusgebieden genoemd die passen bij de toekomstvisie van het universitaire landschap. In het sectorbeeld wordt aangegeven hoe de middelen worden ingezet voor het versterken van de wetenschappelijke onderzoeksbasis en hoe door strategische samenwerking tussen de instellingen overkoepelende doelen worden bereikt op het terrein van onderzoek, maar ook op en in relatie tot onderwijs en maatschappelijke impact. Het sectorbeeld beschrijft hoe de faculteiten zich op nationaal niveau gaan profileren op onderzoek, onderwijs en maatschappelijke impact ten opzichte van elkaar, hoe de profielen elkaar aanvullen en hoe dit zich vertaalt in een profiel voor de gehele sector en daarmee voor Nederland. Hierbij moet uiteraard rekening gehouden met het totaal te besteden bedrag van € 70 miljoen per jaar voor onderzoek. Er zullen dus zeker in het geval van SSH en techniek scherpe keuzes gemaakt moeten worden.

    In het sectorbeeld SSH en het sectorbeeld techniek zal beschreven zijn hoe de investering zal leiden tot het verhogen van de organisatiegraad in deze sectoren, in het bijzonder daar waar deze organisatiegraad relatief laag. Daarnaast zal beschreven worden hoe de investeringen zullen leiden tot het verbeteren van de samenwerking binnen de sector.

Bij beschrijving gewenste landschap dienen volgende punten te worden behandeld:

  • 2.1. Hoe de onderzoeksbasis wordt versterkt en hoe de investering met de middelen in de

    kennisbasis van de sector bijdraagt aan de inzet op NWA-routes.

  • 2.2. Welke inzet wordt gepleegd op de impact en kennisoverdracht richting de maatschappij (inclusief onderwijs) en hoe de samenwerking op sectoraal niveau de kennisoverdracht(functie) versterkt.

  • 2.3. De bijdrage aan onderzoeksdoelen en -randvoorwaarden zoals open science, wetenschapscommunicatie en welk doelen worden gesteld op het gebied van talentbeleid (vaste aanstellingen, diversiteit, aandeel vrouwen).

  • 2.4. Welke inspanningen verricht worden om samen te werken met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven etc.

  • 2.5. Op welke manier de investeringen in bèta, technisch en SSH onderzoek in het verlengde daarvan ook een bijdrage leveren aan de capaciteitsknelpunten in arbeidsmarktsectoren waar grote tekorten zijn. Met meer specifiek: het aantal nieuwe en vaste banen voor wetenschappelijk personeel die ook onderwijs kunnen verzorgen en de ontwikkeling van het aantal opleidingsplaatsen. En op welke manier het sectorplan bijdraagt aan het toekomstbestendig houden van het onderwijsaanbod in het kader van macrodoelmatigheid en in het licht van arbeidsmarktperspectieven. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van de analyses van het bestaande opleidingsaanbod in het kader van macrodoelmatigheid.

  • 2.6. Op welke manier de faculteiten aan hun studenten perspectief bieden op en voor hen de basis leggen voor een onderwijsfunctie in hun vak.

  • 2.7. Op welke manier aansluiting plaatsvindt op (de invulling van) het sectorakkoord OCW-VSNU en welke onderwijsmiddelen (studievoorschotmiddelen, profileringsmiddelen) of andere middelen (zoals middelen uit vorige sectorplannen of regio-enveloppe-middelen uit het regeerakkoord) hiervoor worden ingezet en op welke manier hierover (voor zover van toepassing) is afgestemd met de medezeggenschap. Daartoe zal in de sectorplannen in elk geval aandacht worden besteed aan knelpunten in opleidingscapaciteit; indien relevant voor de sector ook aan andere onderwijsaspecten als doelmatigheid, leven lang leren, flexibilisering en internationalisering zoals is afgesproken in het sectorakkoord.

  • 2.8. Het gewenste universitaire landschap bevat een overzicht van de faculteiten die onderdeel zullen uitmaken van de drie sectorbeelden en motivatie hiervoor.

  • 2.9. Er zal voldoende aandacht worden besteed aan de geesteswetenschappen binnen het sectorbeeld SSH, ter invulling van de motie 29338-166 d.d. 18 juni van lid Bruins c.s. over voldoende aandacht voor geesteswetenschappen binnen het sectorplan SSH.

Advisering over besteding beschikbare middelen

Vanaf 2020 zal jaarlijks € 70 miljoen structureel aan extra onderzoeksmiddelen beschikbaar komen voor sectorplannen, waarbij er drie sectorplannen zullen worden opgesteld: Bèta, Techniek en sociale en geesteswetenschappen (SSH). Voor de Sectorplannen Bèta en Techniek zal structureel jaarlijks 60 miljoen beschikbaar zijn en voor het sectorplan SSH € 10 miljoen. De verdeling van de onderzoeksmiddelen over de sectoren is als volgt: € 17,5 tot € 22,5 miljoen per jaar naar natuurkunde en scheikunde, € 5 miljoen naar wiskunde, € 5 miljoen informatica, € 27,5 tot € 32,5 miljoen naar Techniek en € 10 miljoen naar SSH. De precieze bedragen per sector zullen vast komen te staan nadat gekozen is bij welk sectorplan – Bèta of Techniek – informatica een rol krijgt en bij welk sectorplan – Bèta of Techniek – de bètadisciplines aan technische universiteiten een rol krijgen. De middelen zullen geoormerkt aan de universiteiten worden overgemaakt. De sectorplannen starten in 2019 en hebben een looptijd van zes jaar.

Verdeling middelen

 

B&T

 

SSH

 
 

eerste geldstroom

tweede geldstroom

eerste geldstroom

tweede geldstroom

2018

0

30

0

5

2019

47

0

8

0

2020

51,4

8,6

8,6

1,4

2021

51,4

8,6

8,6

1,4

2022

51,4

8,6

8,6

1,4

2023

51,4

8,6

8,6

1,4

2024

51,4

8,6

8,6

1,4

Indien de commissie van oordeel is dat de scherpe keuzes uit de goedgekeurde faculteitsplannen succesvol zijn geïmplementeerd zullen de middelen structureel beschikbaar blijven voor eerder genoemde sectoren en faculteiten. Daarbij geldt de verdeling 80% eerste geldstroom en 20% tweede geldstroom. Voor de tweede geldstroommiddelen geldt dat deze middelen in principe indalen bij NWO maar de commissies kunnen de minister hierover anders adviseren.

Tussentijdse evaluatie en eindevaluatie

De commissies gaan vóór 1 april 2022 een tussentijdse evaluatie uitvoeren van de door de minister gefinancierde activiteiten met de middelen zoals genoemd in de bovenstaande tabel binnen de sectorbeelden en vóór 1 juni 2022 een advies uitbrengen aan de minister op basis van deze tussentijdse evaluatie. De minister besluit of de middelen ongewijzigd aan de faculteiten worden toegekend voor de tweede periode van drie jaar (vierde tot en met zesde jaar) of dat – binnen de reikwijdte van de opgestelde sectorplannen voor bèta en techniek en voor SSH – inhoudelijk accenten worden verlegd waarbij de middelen mogelijk anders worden verdeeld over de betrokken faculteiten.

De commissies gaan vóór 1 april 2025 een eindevaluatie uitvoeren en vóór 1 juni 2025 een advies uitbrengen aan de minister op basis van deze eindevaluatie. Indien de commissie van oordeel is dat de scherpe keuzes uit de goedgekeurde faculteitsplannen succesvol zijn geïmplementeerd zullen de middelen structureel beschikbaar blijven voor eerder genoemde sectoren op de volgende wijze:

  • De middelen uit de eerste geldstroom die worden ingezet voor vaste aanstellingen en/of andere structurele investeringen blijven beschikbaar via de eerste geldstroom in de betreffende sectoren en daarmee voor de betreffende faculteiten.1

  • Voor de overige eerste geldstroommiddelen wordt de commissie gevraagd om bij haar eindevaluatie een advies te geven over de wijze waarop deze middelen via de eerste geldstroom ingezet worden voor de betreffende sectoren.

  • Bij de tweede geldstroommiddelen geldt dat deze middelen in principe indalen bij NWO voor de desbetreffende sectoren, maar de commissie kan de minister adviseren om een andere keuze te maken. Het uitgangspunt is: bij een succesvol sectorplan daalt 50 procent van de middelen in bij NWO. Over de andere 50 procent zal de commissie adviseren hoe deze middelen beschikbaar blijven via NWO. De commissies zullen bij zowel de tussentijdse als de eindevaluatie de mate van aansluiting van de tweede geldstroom competitie op de met de eerste geldstroom gefinancierde activiteiten betrekken.

Indien een sectorplan niet succesvol is, als de ambitieuze doelen niet behaald zijn, dan kan de minister er op advies van de commissie voor kiezen om de middelen in te zetten voor andere doelen of disciplines.

Naast de middelen uit het regeerakkoord ligt het voor de hand dat ook andere middelen ingezet worden door universiteiten. Zo is in het sectorakkoord afgesproken dat het voor de hand ligt om de profileringsmiddelen in te zetten voor sectorplannen en voor knelpunten in de opleidingscapaciteit, en in een later stadium voor sectorplannen in andere sectoren.2

Vacante posities commissies

In het eerste helft van 2019 zal bezien worden hoe de vacante posities worden ingevuld.

Link naar de sectorbeelden:

De sectorbeelden zijn te vinden via onderstaande link: https://www.vsnu.nl/nl_NL/nieuwsbericht/nieuwsbericht/492-sectorbeelden-opgeleverd-aan-ministerie-ocw.html

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Te zijner tijd zal bezien worden hoe deze eerste geldstroom middelen technisch worden verwerkt in de rijksbijdrage.

X Noot
2

In het sectorakkoord wo is afgesproken dat deze zogenoemde 2% profileringsmiddelen (welke geen onderdeel uitmaken van de gemaakte kwaliteitsafspraken in het hoger onderwijs) tot en met 2022 tijdelijk worden toegevoegd aan de lumpsum van instellingen en dat deze middelen door instellingen kunnen worden benut voor sectorplannen en knelpunten in de opleidingscapaciteit.