Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2019, 9116Overig

Oproep voor voorstellen ter invulling van meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s voor de gebouwde omgeving, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, WJZ / 19034046

1. Oproep voor voorstellen

Hierbij doe ik, in afstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een oproep om concrete voorstellen voor te leggen voor de invulling van twee meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s (MMIP’s) voor de gebouwde omgeving. Het gaat om de MMIP’s “Versnelling energierenovaties in de gebouwde omgeving” en “Duurzame warmte en koude in de gebouwde omgeving.”1 Ik ben bereid om voor consortia die onderdelen van deze MMIP’s willen uitvoeren een financiële bijdrage beschikbaar te stellen (in de vorm van een subsidie).

Aanleiding

In de voorstellen van de sectortafel gebouwde omgeving, opgenomen in het ontwerp-Klimaatakkoord, is het doel gesteld om in Nederland in 2021 50.000 gebouwen per jaar aardgasvrij te kunnen maken en dit ruim vóór 2030 op te schalen naar 200.000 woningen per jaar. Dit doel zorgt voor een omvangrijke innovatie-opgave in de gebouwde omgeving. De innovatie-opgave bestaat zowel uit het ontwikkelen van een betaalbaar en aantrekkelijk aardgasvrij alternatief voor de grote diversiteit aan gebouwen, als uit de ontwikkeling van een productiemethode waarmee een grote schaal bereikt kan worden, onder andere door digitalisering en industrialisering.

Het tempo van de ontwikkeling van innovaties moet sterk omhoog om dit doel te kunnen bereiken. Tegelijkertijd zijn er diverse factoren die innovatie in de bouw-, installatie- en energiesector belemmeren, namelijk:

  • beperkte investeringen in onderzoek en ontwikkeling op het niveau van eindproducten door de conjunctuurgevoeligheid van de bouw- en installatiesector en daarmee samenhangend een hoog investeringsrisico;

  • gebrek aan lange termijn perspectief over de richting en het tempo van de energietransitie;

  • door het hoge risico van investeringen en gebrek aan langetermijnperspectief is er een tekort aan financiers;

  • een versnipperde organisatiestructuur; schakels in de bouwketen zijn niet geïntegreerd door het gemis van ‘system-integrators’; dit hindert het vormen van integrale oplossingen en industrialisatie;

  • een versnipperd kennislandschap en ook beperkte samenwerking tussen grotere publieke kennisinstellingen.

Om deze belemmeringen op te lossen is in het ontwerp-Klimaatakkoord de ambitie opgenomen om te komen tot een omvangrijk kennis- en innovatieprogramma2. Onderdeel daarvan is het starten van meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s (MMIP’s) gericht op het bereiken van een aardgasvrije gebouwde omgeving. Deze MMIP’s zijn in het kader van de integrale kennis en innovatieagenda van het ontwerp-Klimaatakkoord met inbreng van maatschappelijke organisaties en marktpartijen opgesteld. Ze laten maatschappelijk draagvlak zien voor bepaalde ontwikkeldoelen en dragen daarmee bij aan het perspectief dat nodig is in de bouw- installatie- en energiesector om te investeren in de ontwikkeling van innovaties voor een aardgasvrije gebouwde omgeving. Door in het kader van deze MMIP’s meerjarige samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, kennisinstellingen en andere partijen (hierna gezamenlijk: consortia) te stimuleren wordt bovendien de versnippering in de bouwketen en het kennislandschap tegen gegaan. Een MMIP bestrijkt alle ‘technology readyness levels’ (TRL’s), van fundamenteel onderzoek tot en met grootschalige uitrol van producten en diensten. Deze oproep is gericht op het ondersteunen van de invulling van een deel van het benodigde onderzoek en ontwikkeling in het kader van een MMIP, andere onderdelen daarvan worden via andere instrumenten ondersteund.

Doel

Het overkoepelende doel van deze oproep is te komen tot een situatie in 2025 waarbij er voor vrijwel alle gebouwtypen in de gebouwde omgeving goed werkende klimaatneutrale energiesystemen beschikbaar zijn die op grote schaal geproduceerd kunnen worden, met als uitgangspunt dat de (maatschappelijke) kosten tot een acceptabel niveau zijn gedaald (zie de kostendoelstellingen bij beide MMIP’s, zoals genoemd hieronder) en de benodigde kwaliteitsverbetering van producten of renovaties (zoals hoger comfort, grotere efficiëntie, reductie van overlast voor bewoners, minder geluid) behaald wordt. Hierbij worden waar relevant en mogelijk de uitgangspunten van een circulaire bouweconomie gebruikt.

Het is de bedoeling dat binnen de onderstaande MMIP’s consortia tot stand komen die substantieel bijdragen aan de gestelde doelen.

  • 1. MMIP Versnelling energierenovaties in de gebouwde omgeving

    Dit programma heeft tot doel om te komen tot kwalitatief goede, gebruikersvriendelijke, goedkope en opschaalbare renovaties voor alle belangrijke gebouwtypen (ook vooroorlogse bouw/monumenten, utiliteitsbouw). Door onder andere industrialisatie en robotisering zal de kostprijs van renovatie aanzienlijk moeten dalen (ten minste 20-40% vóór 2030 ten opzichte van de huidige kosten).

  • 2. MMIP Duurzame warmte en koude in de gebouwde omgeving (individuele en collectieve systemen)

    Dit programma moet leiden tot een snelle beschikbaarheid van stille, compacte, efficiënte en vooral goedkope warmtepompsystemen in combinatie met compacte warmte-opslag voor individuele huishoudens (kostenreductie ten minste 20-40% vóór 2030 ten opzichte van de huidige kosten). Deze oproep concentreert zich binnen dit MMIP op voorstellen die specifiek gericht zijn op compactheid zoals het ontwikkelen van systemen met compacte warmte-opslag geschikt voor zowel individuele woningen of gebouwen als voor het voorkomen van extra kosten in de energie-infrastructuur, door het opvangen van pieken op daarvoor relevante tijdschalen (zoals overbruggen van windloze winterweken). En daarnaast op geluidsreductie, met name door het ontwikkelen van andere (lage temperatuur) (warmte)bronnen.

    Verder kunnen in het kader van deze oproep ook voorstellen worden gedaan voor het deel van het programma dat zich richt op de productie, grootschalige opslag en distributie van duurzame warmte. Die productie zal zich onder andere richten op aquathermie, bodemenergie en ondiepe geothermie (<1.500 meter). Het gaat onder andere om voorspelling van de opbrengsten, milieumaatregelen, inbouwen van flexibiliteit, inpassing in het systeem, veiligheid en kostprijsreductie.

    Uitgesloten van deze oproep zijn voorstellen gericht op het onderdeel van het MMIP dat afgifte-, ventilatie- en tapwatersystemen betreft.

Een nadere toelichting op beide MMIP’s staat in bijlagen 1 en 2.

2. Proces: hoe gaat het in zijn werk?

Het proces bestaat uit de volgende fases:

  • 1. Vooraanmelding

    Als u als consortium (zie paragraaf 3.2) interesse hebt om mee te doen, kunt u zich aanmelden via het eLoket van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor 15 april 2019 17.00 uur.

    In deze fase geeft u beknopt aan aan welk (deel van een) MMIP of welke MMIP’s u invulling wilt geven, wat uw voorgestelde invulling van het MMIP behelst, welke resultaten u daarbinnen wil bereiken, wie de uitvoerende partijen zijn, wat de verwachte kosten zijn en hoeveel subsidie u nodig denkt te hebben. Zie hiervoor het format op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.rvo.nl/aardgasvrij, kijk bij Subsidies).

  • 2. Beoordeling vooraanmeldingen

    De vooraanmeldingen voor voorstellen (pré-voorstellen) worden beoordeeld aan de hand van de criteria opgenomen in paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3. Bij die beoordeling wordt een commissie van onafhankelijke experts om advies gevraagd. De commissie kan verbeter- of aandachtspunten geven voor uw consortium en voor de verdere uitwerking van het voorstel tot een aanvraag. De commissie kan hierbij ook wijzen op mogelijkheden voor samenwerking met andere consortia die een vooraanmelding gedaan hebben.

  • 3. Indienen uitgewerkte voorstellen

    Indien uw vooraanmelding tijdig is ingediend en de onder punt 1 opgenomen informatie bevat, kunt u die aanmelding op basis van de beoordeling uitwerken tot een definitief voorstel dat via het eLoket van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland uiterlijk 10 september 2019 om 17.00 uur moet worden ingediend. De subsidieaanvraag (uitgewerkte vooraanmelding) bevat in ieder geval een projectplan en een begroting. Zie hiervoor de formats op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.rvo.nl/aardgasvrij, kijk bij Subsidies).

  • 4. Beoordeling uitgewerkte voorstellen

    De subsidieaanvragen worden na de sluitingsdatum aan de hand van de eisen opgenomen in paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 beoordeeld en gerangschikt. Ook hierbij wordt een commissie van onafhankelijke experts om advies gevraagd. Het is daarnaast mogelijk dat om uitleg of toelichting van het definitieve voorstel wordt gevraagd (bijvoorbeeld per e-mail of via het houden van pitches). Het subsidiebudget wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen. De beslissingen op deze subsidieaanvragen en daarmee de subsidies worden naar verwachting in december 2019 verstrekt.

Op 8 maart 2019 is er ’s middags gelegenheid een informatiebijeenkomst bij te wonen. Deze wordt gehouden in Utrecht (Jaarbeursgebouw/Mediaplaza). Voor meer informatie en aanmelden zie http://www.rvo.nl/aardgasvrij (kijk bij Subsidies).

3. Toelichting

3.1 Inhoud van het voorstel: waar zijn we naar op zoek?

  • We zijn op zoek naar consortia die een programma voorstellen dat focus heeft en voldoende massa weet te creëren om in een periode van maximaal vijf jaar een aanzienlijke versnelling te creëren in het ontwikkelen van oplossingen voor verhuurders, woningeigenaren, gebouweigenaren en gemeentes om woningen, gebouwen en wijken aardgasvrij te maken. Dat betekent dat we op zoek zijn naar breed samengestelde consortia van bedrijven, onderzoeksorganisaties en maatschappelijke organisaties die significant budget willen inzetten om hieraan mee te werken.

  • Het voorstel betreft onderzoek en ontwikkeling van nieuwe of aanmerkelijk verbeterde producten, processen en/of diensten. Bijlagen 1 en 2 beschrijven de MMIP’s waarvoor invulling gezocht wordt.

  • Het voorstel kan bestaan uit een bundel van projecten (hierna: een programma) die elk hun eigen looptijd en uitvoerders hebben.

  • Een consortium kan een voorstel indienen voor de invulling van een (deel van een) MMIP, maar kan ook een voorstel indienen om de invulling van beide MMIP’s gezamenlijk en integraal op te pakken.

  • Het programma moet erop gericht zijn tijdens de looptijd (de eerste generaties van) producten, processen of diensten op te leveren die daadwerkelijk beschikbaar zijn voor (grootschalige) toepassing in de gebouwde omgeving. Daarvoor zijn pilot- of demonstratieprojecten nodig. Pilotprojecten vallen daarmee eveneens binnen de bundel van projecten. Voor grootschalige demonstraties is er een apart Proeftuinen programma3.

  • Een voorstel dat middels een open innovatiemodel wordt uitgevoerd is voor mij aantrekkelijk. Daarbij is sprake van multidisciplinaire teams, de eindgebruiker wordt actief betrokken in het innovatieproces en er is veel nadruk op kennisdeling, om zodoende brede en versnelde uitrol van de innovaties mogelijk te maken. Specifiek is daarbij aandacht nodig voor deelname door MKB-ondernemingen.

3.2 Voorwaarden en financiering

Wie kan een voorstel indienen?
  • Een consortium kan een voorstel indienen. Een consortium is gevarieerd qua samenstelling en bevat minimaal 4 ondernemingen, die niet met elkaar in een groep verbonden zijn. Subsidie wordt verleend per deelnemer aan het consortium. Daarbij vind ik het belangrijk dat vragende partijen betrokken zijn bij het programma en dat die vraag leidend is bij het ontwikkelen van de producten, processen, en/of diensten.

  • Als het consortium een onderzoeksorganisatie bevat, dient er voordat de activiteiten starten een samenwerkingsovereenkomst gesloten te worden. Deze samenwerkingsovereenkomst bevat in ieder geval afspraken over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten.

  • Ondernemingen die subsidie aanvragen, moeten een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland hebben op het moment dat er subsidie betaald wordt (december 2019).

Wanneer starten en eindigen de activiteiten?
  • De activiteiten starten niet voor de indiening van het definitieve voorstel en starten uiterlijk op 1 maart 2020.

  • De looptijd van het geheel van uit te voeren activiteiten is maximaal 5 jaar.

  • Als er in een bundel van projecten (het programma) sprake is van meerdere projecten met een verschillende einddatum, is tussentijdse vaststelling van de verleende subsidie een optie.

Hoeveel subsidie is er beschikbaar?
  • Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die voldoen aan de criteria van industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard PbEU 2014, L 187 (hierna: de algemene groepsvrijstellingsverordening).4 Deze subsidie bevat staatssteun en wordt in beginsel gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. De subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • Voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling zijn de subsidiepercentages ten hoogste:

    • 50% voor industrieel onderzoek;

    • 25% voor experimentele ontwikkeling.

    De mogelijke opslagen op deze subsidiepercentages voor ondernemingen bedragen ten hoogste:

    • 10 procentpunten indien de aanvrager een middelgrote onderneming5 is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote ondernemer;

    • 20 procentpunten indien de aanvrager een kleine onderneming6 is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine ondernemer;

    • 10 procentpunten voor ondernemingen, indien het project samenwerking met een onderzoeksorganisatie betreft, de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de subsidiabele projectkosten draagt en de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van het project te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek.

  • Subsidie voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling onafhankelijk uitgevoerd door onderzoeksorganisaties en in de boekhouding van deze organisaties opgenomen als niet-economische activiteiten, bedraagt ten hoogste 80% van de kosten.

  • Subsidie voor andere activiteiten die bijdragen aan het MMIP en de doelstellingen, die staatssteun betreffen, maar die niet kwalificeren als industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, kan verkregen worden indien de onderneming die de activiteiten uitvoert gebruik kan maken van andere artikelen dan artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening of Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352) (hierna: de algemene de-minimisverordening) (subsidie ten hoogste 50%). Indien gebruik wordt gemaakt van de de-minimisverordening moet een verklaring van de subsidieaanvrager worden overgelegd waarin deze bevestigt dat de subsidieverlening niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening.

  • De subsidie bedraagt minimaal € 2 miljoen per aanvraag.

  • Het beschikbare subsidiebudget is met een begrotingsvoorbehoud van € 7,2 mln voor het MMIP “Versnelling energierenovaties in de gebouwde omgeving” en € 10,4 mln voor het MMIP “Duurzame warmte en koude in de gebouwde omgeving.” Er kan marginaal geschoven worden tussen deze budgetten. Ik wil deze budgetten zo min mogelijk versnipperen over verschillende voorstellen.

  • De subsidiebudgetten zijn voor de helft van de middelen nog onder voorbehoud van besluitvorming over de klimaatenveloppe voor 2020.

Wat is nog meer belangrijk?
  • Kennisverspreiding. Onderdeel van het voorstel is een plan van aanpak voor de verspreiding van de kennis die in het programma wordt opgedaan, dat kwalitatief voldoende goed moet zijn. Het is de bedoeling dat er al tijdens de looptijd van het programma actief over de resultaten gecommuniceerd wordt naar buiten toe. Concurrentiegevoelige informatie hoeft u niet te delen.

  • Dat u een voorstel schrijft waarin het concreet genoeg is wie wat gaat doen en wie hoeveel kosten daarvoor verwacht te maken. Subsidie wordt namelijk verleend per deelnemer aan het consortium.

  • Dat u in het voorstel aangeeft wat en wanneer de mijlpalen en go/no go momenten zijn. Daarbij neemt u meetbare indicatoren op om te kunnen beoordelen of de mijlpalen gehaald zijn en geeft u aan op basis waarvan tot een go/no go besloten wordt.

Wat betekent het krijgen van subsidie?
  • Dat er ook verplichtingen worden opgelegd aan een subsidieontvanger op het gebied van bijvoorbeeld rapportage, administratie, betreffende eventuele wijziging van uw programma of begroting. Deze worden opgenomen in de subsidiebeschikking.

  • Gelet op het verstrekken van voorschotten kan worden bepaald dat een subsidieontvanger aan de Staat een pandrecht of andere zekerheden verstrekt.

3.3 Beoordelingscriteria van het voorstel

  • Eerst wordt beoordeeld of uw voorstel aan de volgende criteria voldoet:

    • voldoende bijdrage aan de doelstelling van de subsidie;

    • voldoende samenwerking en samenhang (meerwaarde programma);

    • voldoende vertrouwen in de technische haalbaarheid;

    • voldoende vertrouwen in de economische haalbaarheid;

    • voldoende vertrouwen dat het consortium de activiteiten kan financieren.

  • Als uw voorstel goed door deze eerste beoordeling komt, worden de voorstellen onderling vergeleken aan de hand van de volgende criteria. Per criterium wordt een score gegeven op een schaal van 1 tot en met 5. Op elk rangschikkingscriterium moet een voldoende score behaald worden (3 punten of meer; voorafgaand aan de weging). Het voorstel dat op deze criteria het beste scoort wordt het hoogste gerangschikt. Het subsidiebudget wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

    • Bijdrage aan de doelstellingen van het MMIP (weging: 35%).

    • Kwaliteit van het programma: samenstelling consortium, aanpak en methodiek, omgang met risico’s, uitvoerbaarheid (weging: 30%).

    • Slaagkans in de Nederlandse markt en de maatschappij: businesscase voor ontwikkelaar en eindgebruiker, vervolgstappen die na afloop gezet worden om tot marktimplementatie te komen, ruimtelijke inpassing, omgang met maatschappelijke aspecten (weging: 20%).

    • Innovativiteit: de mate van nieuwheid ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek (weging: 15%).

Toelichting op de criteria:

  • 1. Bijdrage aan de doelstellingen van het MMIP

    Hoe meer impact het voorstel heeft op de doelstellingen van de oproep en het MMIP, hoe hoger het voorstel op dit criterium scoort. De geschiktheid en impact op de markt van het consortium en, daarmee gepaard gaand, de hoeveelheid activiteiten die opgepakt wordt in het voorstel, spelen daarbij een rol. Ook de marktsegmenten waarop gefocust wordt, hebben invloed op de impact. Het gaat erom te komen tot een samenhangende mix van technieken/oplossingen om gebouwen aardgasvrij te maken.

  • 2. Kwaliteit van het programma

    Een voorstel scoort hoger naarmate de onderzoeksmethode en inhoudelijke aanpak beter is en het projectplan de achtergrond van het probleem, de probleemdefinitie, de doelen, de inhoudelijke aanpak, de per partner uit te voeren activiteiten, de projectfases inclusief go/no go momenten, de te gebruiken middelen en de resultaten beter beschrijft, en het project beter inzicht toont in en omgaat met de risico’s.

    Het voorstel scoort ook beter als het consortium alle voor het voorstel nuttige en noodzakelijke partijen bevat (betrokkenheid van de waardeketen: producent/ontwikkelaar, leverancier en (eind)gebruiker), de kwaliteit van de samenwerkingspartners (beschikbaarheid van benodigde kennis) om het beoogde project op het gewenste kwalitatieve niveau uit te voeren hoger is en de inbreng van elke deelnemer helder is.

    Ook wordt gekeken naar de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet. Een voorstel scoort hierop beter als de financiële middelen effectiever worden ingezet met het oog op de te bereiken doelen van het voorstel. De financiële middelen betreffen zowel de gevraagde subsidie als andere middelen waarmee het voorstel gefinancierd wordt.

    Om te voorkomen dat er onnodig veel kosten opgevoerd worden, wordt bij de beoordeling meegewogen welke impact het voorstel kan hebben op de doelstellingen gerelateerd aan de totale subsidiabele kosten die opgevoerd worden. Voorstellen die meer impact zullen hebben ten opzichte van de totale opgevoerde kosten scoren hoger dan voorstellen die met dezelfde kosten minder impact hebben.

  • 3. Slaagkans in de Nederlandse markt en maatschappij

    De slaagkans in de markt en maatschappij gaat over de verwachting of de innovatie uiteindelijk zal leiden tot daadwerkelijke toepassing door afnemers en (eind)gebruikers.

    Een voorstel scoort hoger op dit criterium naarmate de businesscase voor de producent of ontwikkelaar en die voor de (eind)gebruiker inzichtelijker en beter is. Een goede onderbouwing, waar mogelijk kwantitatief, van de verwachtingen is hiervoor belangrijk, de aannames en inschattingen dienen expliciet gemaakt te worden.

    Een voorstel scoort ook hoger op dit criterium naarmate in het voorstel:

    • a) meer onderbouwd is in welke sectoren of marktsegmenten behoefte is aan deze dienst of technologie, wat de bredere context is van deze technologie;

    • b) een visie op het implementatietraject beter onderbouwd is, door inzicht te geven in de vervolgstappen die bij een positief resultaat gezet zullen worden in de verdere ontwikkeling en marketing van de dienst of technologie en door wie, zo mogelijk tot aan introductie op de markt;

    • c) meer aannemelijk wordt gemaakt dat de geleerde lessen gedeeld zullen worden met relevante doelgroepen (tenminste met de achterban van alle betrokken partijen en vragende partijen, zoals woningcorporaties en deelnemers in concrete wijken die aardgasvrij moeten gaan worden).

    Ook is het belangrijk om zo vroeg mogelijk in de ontwikkeling van een product of dienst rekening te houden met de niet-technologische aspecten die in de productieketen en bij de marktintroductie een rol kunnen spelen. Denk bijvoorbeeld aan: ruimtebeslag, effecten op landschap en ecologie, esthetiek, lokaal eigenaarschap, mogelijke (maatschappelijke) weerstand tegen de innovatie bij daadwerkelijk gebruik, of nieuwe competenties die nodig zijn bij gebruik van de technologie. In het projectplan dient aangetoond te worden dat er is nagedacht over welke niet-technologische aspecten voor specifieke maatschappelijke actoren van belang zijn en op welke wijze die waar mogelijk en nodig in de projecten worden meegenomen. Dit zal de kans op een geslaagde innovatie vergroten. Voorstellen die:

    • inzicht tonen in de belangrijkste niet-technologische aspecten van de relevante maatschappelijke en marktactoren die betrokken zijn bij de productie én de toepassing van de beoogde eindproducten en -diensten,

    • en deze vertalen in ontwerpeisen van deze producten en processen, worden hoger gewaardeerd op het rangschikkingscriterium ‘Slaagkans in markt en maatschappij’.

  • 4. Innovativiteit

    Dit criterium heeft betrekking op de onderzoeks- en innovatieaspecten. Een voorstel scoort hoger op dit criterium naarmate het innovatiever is en een hogere onderzoekskwaliteit en vernieuwing in zich bergt. Het kan gaan om een nieuwe technologie met betrekking tot producten, processen of diensten of om wezenlijke vernieuwingen of wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie. Voor technologisch georiënteerde projecten is de internationale stand der techniek de maatstaf. Er wordt hoger gescoord op dit criterium naarmate er meer sprake is van technologische vernieuwing, bezien in het spectrum van een marginaal technische verbetering tot een technologische doorbraak. Ook wordt meegewogen in hoeverre de aanpak gebaseerd is op het open innovatiemodel.

    Wel geldt dat de technische risico’s die aan een project verbonden zijn, beheersbaar dienen te zijn. Ook weegt mee hoe de lessen die worden geleerd, worden geborgd en toegepast in vervolgontwikkeling en toepassing binnen en buiten het project, zoals het project Startmotor, het programma Aardgasvrije wijken en het Expertisecentrum Warmte.

    Voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en innovatie geldt dat de internationale stand van de wetenschap de maatstaf is. Een voorstel heeft een hogere waardering op dit criterium naarmate het beter voortbouwt op de internationale stand van de wetenschap, bestaande wetenschappelijke inzichten beter integreert en op een vernieuwender wijze verder brengt ten behoeve van effectieve toepassing.

4. Bijlagen

Bijlage 1: MMIP Versnelling energierenovaties in de gebouwde omgeving

Bijlage 2: MMIP Duurzame warmte en koude in de gebouwde omgeving

’s-Gravenhage, 13 februari 2019

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

BIJLAGE 1: MMIP VERSNELLING ENERGIERENOVATIES IN DE GEBOUWDE OMGEVING

Missie

Dit MMIP draagt bij aan de missie: Een CO2 vrije gebouwde omgeving in 2050, met als tussendoel in 2030: 200.000 bestaande gebouwen/jaar van het aardgas af. Dat wil zeggen 1,5 miljoen woningen en 15% van de utiliteitsgebouwen en het maatschappelijk vastgoed aardgasvrij maken.

Wat beoogt dit MMIP?

In dit programma worden innovaties ontwikkeld waaruit nieuwe energieconcepten voor de bouw- en installatiebranche ontstaan met een aanzienlijk lagere kostprijs dan de concepten die op dit moment op de markt beschikbaar zijn. Dit is nodig om vanaf 2025 met 200.000 energierenovaties per jaar de gebouwde omgeving in 2050 kosteneffectief aardgasvrij te maken. De resultaten dienen tevens bij te dragen aan het terugdringen van overlast voor bewoners en daar waar mogelijk comfort en gebruikersgemak te verbeteren. Deze innovaties faciliteren ook de industrialisatie (mogelijk robotisering) van de productie-, (ver)bouw- en installatieprocessen, en radicale wijzigingen in de waardeketen om de gewenste versnelling van energietransitie in de gebouwde omgeving te bewerkstelligen. Het vraagt om samenwerking tussen onder andere partijen die de wensen van gebruikers kunnen vertalen in productspecificaties, de bouw- en installatiesector, de toeleveringsindustrie en deskundigen die bij kunnen dragen aan het vormgeven van brede gebruikersacceptatie. Dit MMIP draagt bij aan een snelle groei van de uitvoeringscapaciteit die nodig is om de “grote verbouwing van Nederland” voor 2050 te kunnen afronden.

Doelstelling van dit MMIP

Gebouwen geschikt maken voor een transitie naar aardgasvrije verwarmingsvoorzieningen door onder andere elektrificatie, gebruik van zonne-energie, en aansluiting op lage/midden temperatuur warmtenetten.

Innovaties in producten, in diensten én in productie maken dit renovatieproces:

  • aantrekkelijker en goedkoper: aansluiten bij belangen van eigenaren en gebruikers van gebouwen, waarbij betaalbaarheid van doorslaggevend belang is (ten minste 20-40% kostenreductie vóór 2030 ten opzichte van de huidige kosten, uiteindelijk betaalbaar vanuit energiebesparing);

  • sneller uitvoerbaar: snelheid op de bouwplaats en arbeidsproductiviteit verhogen door realisatie binnen enkele dagen tot week voor gangbare bouwtypen en een vertienvoudiging van productie per jaar per productielijn met behulp van opvolgende generaties industrialisatie (cumulatief is de verhoging van de productie landelijk veel hoger).

Deelprogramma’s en fasering innovatietraject MMIP

Innovatie in dit MMIP vindt tegelijkertijd plaats in een gelaagde aanpak in verschillende R&D-fasen:

  • i. Onderzoeksfase: langetermijnvisie en onderzoek (met kennisinstellingen);

  • ii. Ontwikkelfase: onderzoek en ontwikkeling landelijk en in lokale innovatiehubs;

  • iii. Demonstratiefase: Prototyping en demonstratie op productielocaties en in Living Labs.

Opeenvolgende generaties van concepten en productielijnen nemen toe in productievolume en innovatie (‘smart industry’), en zijn toenemend in investeringskosten per productielijn maar afnemend in kosten per product.

Deelprogramma’s en fasering

Onderstaande tabel geeft de onderwerpen aan waarop voorstellen zich kunnen richten, waarbij verschillende typen onderzoek (IO, EO) in de ontwikkelfases onderdeel kunnen vormen van de voorstellen, zowel parallel als volgtijdelijk. Het is aan de consortia om te bepalen of alle deelprogramma’s worden opgepakt, of enkele.

BIJLAGE 2: MMIP DUURZAME WARMTE EN KOUDE IN DE GEBOUWDE OMGEVING

Missie

Dit MMIP draagt bij aan de missie: een CO2 vrije gebouwde omgeving in 2050. De focus binnen dit MMIP is op Aantrekkelijk Aardgasvrij, met als tussendoelen in 2030: 1,5 miljoen woningen en 15% van de utiliteitsbouw en maatschappelijk vastgoed aardgasvrij; tempo naar minimaal 200.000 aardgasvrije bestaande woningen extra per jaar.

Wat beoogt het MMIP?

Het grootste deel van het energiegebruik in de gebouwde omgeving is warmte. Dit programma ontwikkelt een voor gebruikers aantrekkelijk aardgasvrij aanbod met een nieuwe generatie apparaten en systemen voor verwarmen, koelen en warmtapwater in de bestaande bouw, die qua omvang, comfort (geluid, thermisch), inpasbaarheid en betaalbaarheid (woonlasten) zo afgestemd zijn op de gebruikers dat zij tijdig de eigen verwarming overzetten naar aardgasvrij. Aantrekkelijk aardgasvrij zowel op gebouw als gebiedsniveau verschilt in uitvoeringsvorm voor verschillende locaties. Warmteopslag is hierbij noodzakelijk om mismatch tussen beschikbaarheid van warmte en de vraag ernaar te overbruggen én om dimensionering (en daarmee kosten en ruimtegebruik) van netten en installaties te beperken, door het afvangen van pieken. Warmtepompen zijn belangrijk in gebieden die inzetten op elektrificatie. Ze leveren ook ruimteverwarming en tapwater in combinatie met collectieve laagtemperatuur bronnen en dragen (in de hybride varianten) bij aan de transitie voor opties met duurzaam gas. Collectief gebruik maken van beschikbare warmte kan in een aantal gebieden aantrekkelijk zijn en voordelig in gebruik van ruimte en energie-infrastructuur, netverzwaring of extra opwek locaties voorkomen. Het ontsluiten van nieuwe duurzame warmtebronnen is nodig om de sterk groeiende vraag naar duurzame warmte in te vullen. Dat vraagt collectieve activiteiten, slim afstemmen van vraag, aanbod en opslag en locatie afhankelijk lagere temperaturen. De innovaties zijn sociaal en technisch, sterk onderling verbonden.

Doelstellingen

Dit MMIP richt zich op technische en socio-economische innovatie voor een snelle groei van duurzame warmtesystemen. Doel is het verbeteren van bestaande typen apparaten en systemen (beschikbaar < 5 jaar) en het ontwikkelen van nieuwe concepten (beschikbaar > 5 jaar) en bijbehorende diensten en gebruikersenthousiasme gericht op:

  • realiseerbaar maken van de drie hoofdconcepten voor warmte en koude bij renovatie: (1) elektrificatie; (2) warmtenet; (3) duurzaam gas en combinaties daarvan;

  • toepasbaarheid in bestaande situaties (compact, stil, installatie- en gebruiksgemak, ruimtegebruik, et cetera);

  • beschikbaarheid tegen lagere integrale kostprijs op systeemniveau (richting 30-50% voor individuele oplossingen respectievelijk 15% voor collectieve systemen in 2025 ten opzichte van de huidige kosten); het MMIP als geheel streeft naar ten minste 20-40% kostenreductie vóór 2030.

  • tempoverhoging naar aardgasvrij (aantrekkelijkheid, aanlegmethodes, installatiegemak, industrialisatie, et cetera);

  • benutten van duurzame bronnen (zoals zonnewarmte, aquathermie en geothermie voor collectieve warmte), inclusief de benodigde voorzieningen voor winterpieken.

Deelprogramma’s en fasering

In deze oproep tot voorstellen ligt de focus op een deel van de onderwerpen (deelprogramma’s) in dit MMIP. Voorstellen mogen zich richten op de onderwerpen in de gearceerde cellen in onderstaande tabel. De focus ligt op individuele warmte- en koude systemen met compacte warmte-opslag en met stille warmtebronnen, op slimme warmtenetten, grootschalige thermische opslag en ondiepe geothermie. Het betreft daarmee deelprogramma’s 4.1, 4.3, 4.4, 4.5 en het onderdeel ondiepe geothermie (<1.500 meter) uit deelprogramma 4.6. Projectvoorstellen voor diepe geothermie uit deelprogramma 4.6 vallen onder de subsidiemodule Geo-energie, opgenomen in paragraaf 4.2.6 van de Regeling nationale EZ-subsidies. Projectvoorstellen voor deelprogramma 4.2 vallen onder de subsidiemodule Urban Energy, opgenomen in paragraaf 4.2.9 van de Regeling nationale EZ-subsidies.

Onderstaande tabel geeft de onderwerpen aan (in de gearceerde cellen) waarop voorstellen zich kunnen richten, waarbij verschillende typen onderzoek (IO, EO) in de ontwikkelfases onderdeel kunnen vormen van de voorstellen, zowel parallel als volgtijdelijk. Het is aan de consortia om te bepalen of alle deelprogramma’s worden opgepakt, of enkele.

Voor alle onderwerpen geldt dat de ontwikkeling gericht is op de eerdergenoemde doelstellingen en wat het MMIP beoogt. Ook het ontwikkelen van een component of apparaat, richt zich op de aantrekkelijkheid en inpasbaarheid van en in de totale oplossing voor een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het meenemen van de technische en niet-technische aspecten die bij de toepassing een rol spelen, is van belang.


X Noot
1

Ontwerp van het klimaatakkoord (2018), pag. 186. Tweede Kamer, bijlage bij Kamerstuk 32 813 nr. 263, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-868320

X Noot
2

Ontwerp van het Klimaatakkoord (2018), hoofdstuk D3, Integrale kennis- en innovatieagenda, pag. 183.

X Noot
4

industrieel onderzoek”: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving en/of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

experimentele ontwikkeling”: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten.

Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan.

Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

X Noot
5

Artikel 2 en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening: een middelgrote onderneming is een onderneming waar ten minste 50 personen werkzaam zijn, maar minder dan 250 personen en waarvan de jaaromzet ten minste 10 miljoen bedraagt, maar 50 miljoen euro niet overschrijdt en/of het jaarlijkse balanstotaal ten minste 10 miljoen bedraagt, maar 43 miljoen euro niet overschrijdt.

X Noot
6

Artikel 2 en bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening: een kleine onderneming is een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen euro niet overschrijdt.