Instellingsbesluit van de gemeenteraden van diverse gemeenten en Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent Omgevingsdienst Brabant Noord (Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN))

Logo Noord-Brabant

Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ’s-Hertogenbosch, Landerd, Meierijstad, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Uden en Vught;

 

Overwegende dat de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) op 1 april 2013 in werking is getreden;

 

Overwegende dat de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regeling zoals van kracht per 1 januari 2015 noodzaakt tot aanpassing van deze gemeenschappelijke regeling;

 

Overwegende dat voorts de taken op het gebied van afvalinzameling die door de gemeenten Land van Cuijk en de gemeente Boekel zijn belegd in de huidige regeling elders worden ondergebracht zodat een wijziging van de regeling op dit punt noodzakelijk is;

 

Overwegende dat in de huidige gemeenschappelijke regeling de gewenste bestuurlijke en financiële afbakening van de verschillende taken onvoldoende is verankerd zodat op dit punt een wijziging van de gemeenschappelijke regeling wenselijk is;

 

Overwegende dat in de huidige gemeenschappelijke regeling niet omschreven is welke collectieve taken door het algemeen bestuur kunnen worden verricht en dat behoefte bestaat aan een omschrijving van het begrip ‘collectieve taken’;

 

Gelet op de ingevolge artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen benodigde en verkregen toestemming van de Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant en van de raden van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ’s-Hertogenbosch, Landerd, Meierijstad, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Uden en Vught;

 

B E S L U I T E N

 

de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Brabant Noord als volgt gewijzigd vast te stellen:

 

Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Brabant Noord

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepaling

  • 1.

    In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      de regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

    • b.

      de omgevingsdienst: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling, ook wel aangeduid als omgevingsdienst Brabant Noord;

    • c.

      deelnemers: alle aan de regeling deelnemende publiekrechtelijke lichamen en rechtspersonen;

    • d.

      gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant;

    • e.

      de colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

    • f.

      provinciale staten: provinciale staten van Noord-Brabant;

    • g.

      raden: de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten;

    • h.

      de Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • i.

      boekjaar: het boekjaar valt samen met het kalenderjaar;

    • j.

      het werkgebied: het totale grondgebied van de deelnemers aan deze gemeenschappelijke regeling alsmede het daarmee overeenkomende grondgebied van de provincie Noord-Brabant.

Artikel 2 Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wet, genaamd omgevingsdienst Brabant Noord.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gevestigd te ‘s-Hertogenbosch.

Artikel 3 Doel van de regeling

De regeling wordt getroffen om taken op het gebied van de fysieke leefomgeving op een efficiënte en doelmatige wijze uit te voeren en een bijdrage te leveren aan een leefbare en veilige werk- en leefomgeving in de provincie Noord-Brabant en in de regio Brabant Noordoost in het bijzonder.

 

Hoofdstuk 2 Taken en bevoegdheden

Artikel 4 Basistaken

  • 1.

    De omgevingsdienst is onder verwijzing naar artikel 7.1 van het Besluit omgevingsrecht belast met het ten behoeve van de deelnemers in ieder geval uitvoeren van de taken voor de in bijlage IV behorende bij het Besluit omgevingsrecht aangewezen omgevingsvergunningen en activiteiten.

  • 2.

    Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet en de hierop gebaseerde regelgeving, zullen de in het eerste lid genoemde taken worden uitgevoerd op basis van de in de plaats getreden landelijke regelgeving.

  • 3.

    Tot de basistaken als bedoeld in het eerste lid wordt ook gerekend het in dit kader vervullen van adviserende taken op het terrein van de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de deelnemers, alsmede coördinerende en afstemmende taken die voor de deelnemers tezamen worden verricht.

Artikel 5 Verzoektaken

  • 1.

    In aanvulling op de basistaken kan de omgevingsdienst, voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de basistaken, op verzoek van een of meer deelnemers ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake VTH op het gebied van de fysieke leefomgeving verrichten.

  • 2.

    Op verzoek van een of meer deelnemers kan de omgevingsdienst naast de in lid 1 van dit artikel vermelde taken voor zover dit geen verstoring veroorzaakt, ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving voor hen verrichten.

Artikel 5a Collectieve taken

  • 1.

    De collectieve taken zijn basistaken of verzoektaken als genoemd in artikel 4 en artikel 5, maar onderscheiden zich van deze taken vanwege het collectieve opdrachtgeverschap. De deelnemers tezamen kunnen deze taken opdragen.

  • 2.

    De aansturing en uitvoering van deze taken geschiedt na besluitvorming hierover bij de vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur

Artikel 6 Mandaatverlening

  • 3.

    De bevoegdheden die samenhangen met de uitvoering van de taken genoemd in de artikelen 4, 5 en 5a kunnen in afzonderlijke mandaatbesluiten worden gemandateerd aan het algemeen bestuur.

  • 4.

    Het algemeen bestuur is bevoegd ondermandaat te verlenen.

Artikel 7 Algemene leveringsvoorwaarden

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt algemene leveringsvoorwaarden op met betrekking tot de uitvoering van de in artikel 4 en 5 genoemde taken.

  • 2.

    Jaarlijks wordt in samenspraak tussen de omgevingsdienst en de deelnemer een werkprogramma vastgesteld waarin afspraken worden gemaakt over de omvang van de te leveren producten en diensten. Het werkprogramma is uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het programma betrekking heeft, gereed.

  • 5.

    In de algemene leveringsvoorwaarden is opgenomen op welke wijze frictiekosten in rekening worden gebracht bij een verminderde afname per afgesproken product of dienst.

Artikel 8 Werkzaamheden voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen

Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel 4, 5 en 5a bedoelde taken, kan de omgevingsdienst op verzoek van andere publiekrechtelijke rechtspersonen, indien dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de in beide artikelen aangeduide taken, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving voor hen verrichten.

Deze taken mogen niet meer dan 10% van de totale begroting bedragen.

 

Hoofdstuk 2A Taken voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost

Artikel 9 Eerbiediging bestaande afspraken

  • 1.

    In aanvulling op de taken als genoemd in artikel 4 en 5 verricht de omgevingsdienst taken op het gebied van afvalverwerking, en sanering verkeerslawaai voor de gemeenten: Bernheze, Boekel, Boxmeer, Cuijk, Grave, s’-Hertogenbosch (in verband met het grondgebied van voormalige gemeente Maasdonk (Nuland en Vinkel)), Landerd, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, Uden en Meierijstad.

  • 2.

    Deze taken worden uitgevoerd met eerbiediging van bestaande regels, contracten en verplichtingen voor de betrokken gemeenten zoals deze zijn opgesteld ten tijde van het bestaan van het voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost.

  • 3.

    De eerbiediging van bestaande regelingen, contracten en verplichtingen is eveneens van toepassing bij beëindiging van deze taken, uittreding en opheffing.

Artikel 9a Afvalverwerking

  • 1.

    Met betrekking tot de afvalverwerking voert de omgevingsdienst de volgende taken en bevoegdheden uit:

    • a.

      eeuwigdurende nazorg van de voormalige stortplaats Voorste Heide in Oss;

    • b.

      het uitvoeren van toezicht- en handhavingsactiviteiten in het kader van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming voor de stortplaats Haps;

Artikel 9b Sanering verkeerslawaai

  • 1.

    Met betrekking tot de sanering van verkeerslawaai voert de omgevingsdienst de overeenkomst uit die met de provincie is aangegaan voor de geluidsanering van woningen.

  • 2.

    Tot het uitvoeren van deze taak behoort in ieder geval:

    • a.

      het besteden van het ISV-budget voor de geluidsanering van woningen in de gemeenten;

    • b.

      het verantwoorden van de besteding van het ISV-budget.

 

Hoofdstuk 3 Bestuursorganen

Artikel 10 Bestuursorganen

De omgevingsdienst kent de volgende bestuursorganen:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter;

  • d.

    de door het algemeen bestuur ingestelde bestuurscommissies.

§ 1. Het algemeen bestuur

Artikel 11 Het algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit één lid per deelnemende gemeente die door het college uit zijn midden wordt aangewezen, alsmede uit één lid van gedeputeerde staten dat door hen uit hun midden wordt aangewezen. Ook wijzen de colleges en gedeputeerde staten uit hun midden tenminste één plaatsvervangend lid aan.

  • 2.

    De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een zittingsduur van 4 jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraad respectievelijk provinciale staten een nieuw geïnstalleerd college een besluit neemt tot aanwijzing van een lid en plaatsvervangend(e) lid/leden van het algemeen bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.

  • 3.

    Wanneer het lidmaatschap van het college van gedeputeerde staten of van het college van burgemeester en wethouders eindigt, eindigt ook het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het algemeen bestuur.

  • 4.

    Een (plaatsvervangend) lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door schriftelijke mededeling aan het algemeen bestuur.

  • 5.

    Indien tussentijds de plaats van een (plaatsvervangend) lid vacant komt, wijst het daartoe bevoegde college zo spoedig mogelijk een nieuw (plaatsvervangend) lid aan.

  • 6.

    Een lid kan worden ontslagen, indien hij het vertrouwen niet meer bezit van het college of gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen. Het ontslag wordt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Artikel 12 Werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo dikwijls als het daartoe beslist, alsmede als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig acht, dan wel tenminste 1/5e van het aantal leden dit, onder opgave van redenen, schriftelijk verzoekt.

  • 3.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren zijn gesloten wanneer 1/5e van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het algemeen bestuur dienovereenkomstig besluit.

  • 4.

    Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij het algemeen bestuur anders beslist.

  • 5.

    In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

    • a.

      de vaststelling en wijziging van de begroting;

    • b.

      de vaststelling van de jaarrekening;

    • c.

      de vaststelling van een liquidatieplan;

    • d.

      de vaststelling of wijziging van een gemeenschappelijke regeling;

    • e.

      de benoeming of ontslag van een lid van het dagelijks bestuur;

    • f.

      het toetreden tot of uittreden uit een gemeenschappelijke regeling, de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan.

  • 6.

    Op verzoek van de voorzitter geschiedt de in artikel 19, tweede lid, van de Provinciewet bedoelde openbare kennisgeving voor zijn vergaderingen op de gebruikelijke wijze.

  • 7.

    Het algemeen bestuur kan zich in de vergaderingen laten bijstaan door adviseurs.

Artikel 13 Besluitvorming

  • 1.

    Ieder lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.

  • 2.

    Besluiten worden genomen met een meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Het bepaalde in artikel 28 tot en met 32 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Besluiten betreffende vaststelling van de begroting, begrotingswijzigingen en jaarrekening worden genomen met een meerderheid van stemmen, met dien verstande dat de meerderheid van stemmen eveneens ten minste de helft bijdraagt aan de begroting van de omgevingsdienst voor het betreffende kalenderjaar.

  • 4.

    Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken, wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur. Indien de stemmen wederom staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Ingeval de stemmen bij herstemming over besluiten met betrekking tot benoeming, voordracht of aanbeveling van personen staken, beslist de voorzitter.

Artikel 14 Geheimhouding

Het algemeen bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft.

Artikel 15 Bevoegdheden

  • 1.

    Aan het algemeen bestuur behoren alle bevoegdheden, die bij of krachtens de wet of deze regeling niet aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn opgedragen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur is bevoegd te besluiten tot het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 55a van de Wet, dan wel tot de ontbinding of beëindiging van de deelneming.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan de uitoefening van door hem te bepalen bevoegdheden volgens door hem te stellen regels overdragen aan het dagelijks bestuur of aan een commissie als bedoeld in artikel 25 van de wet, met uitzondering van:

    • a.

      het vaststellen en wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      het stellen van regels over het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld, of over de directe regeling van hetgeen verder de geldmiddelen van de omgevingsdienst aangaat;

    • d.

      het nemen van besluiten over het instellen van commissies, als bedoeld in de artikelen 24, eerste en tweede lid en 25 van de wet;

    • e.

      het oprichten en deelnemen in een rechtspersoon als bedoeld in artikel 55a van de wet dan wel de ontbinding of beëindiging van de deelneming;

    • f.

      het regelen van de gevolgen van toetreding of uittreding van een bestuursorgaan tot respectievelijk uit de regeling alsmede het verbinden van nadere voorwaarden daaraan;

    • g.

      het doen van een voorstel aan de colleges en gedeputeerde staten tot wijziging van de regeling;

    • h.

      het vaststellen van een liquidatieplan bij opheffing van de regeling.

 

§ 2. Het dagelijks bestuur

Artikel 16 Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit 5 leden waaronder de voorzitter.

  • 2.

    De leden en plaatsvervangende leden worden uit en door het algemeen bestuur gekozen in de eerste vergadering, waarin het algemeen bestuur in een nieuwe samenstelling bijeenkomt, dan wel in de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur, volgend op de beëindiging van het lidmaatschap van één of meer van de leden van het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Het algemeen bestuur bewaakt bij de aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur een evenwichtige spreiding over het werkgebied van de omgevingsdienst.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit de volgende leden:

    • a.

      vertegenwoordiger provincie Noord-Brabant;

    • b.

      vier vertegenwoordigers van de gemeenten uit het werkgebied van de omgevingsdienst.

  • 5.

    De zittingsperiode van de leden van het dagelijks bestuur is gelijk aan de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten. De leden kunnen opnieuw worden benoemd. Zij blijven hun functie waarnemen totdat voorzien is in hun opvolging.

  • 6.

    Het lidmaatschap eindigt zodra een lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur dan wel ontslag neemt als lid van het dagelijks bestuur.

  • 7.

    Het lid van het dagelijks bestuur dat ontslag neemt blijft in functie tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur.

  • 8.

    Een lid kan worden ontslagen, indien hij het vertrouwen niet meer bezit van het algemeen bestuur.

  • 9.

    Indien tussentijds een plaats van een lid openvalt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.

Artikel 17 Werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten minste twee leden dit nodig oordelen. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden.

  • 2.

    Besluitvorming van het dagelijks bestuur vindt plaats op basis van meerderheid van stemmen.

  • 3.

    Het bepaalde in artikel 52 tot en met 60 van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 Bevoegdheden

  • 1.

    Het dagelijks bestuur oefent de taken en bevoegdheden uit die in deze regeling bij het dagelijks bestuur zijn gelegd.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is in het bijzonder belast met:

    • a.

      het voeren van het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast;

    • b.

      het voorbereiden en uitvoeren van beslissingen van het algemeen bestuur;

    • c.

      het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie van de omgevingsdienst;

    • d.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van ambtenaren;

    • e.

      het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de omgevingsdienst, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wet;

    • f.

      het besluiten om namens de omgevingsdienst, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

    • g.

      het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is;

    • h.

      de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van de omgevingsdienst;

    • i.

      de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

    • j.

      het heffen van leges op basis van door de heffingsambtenaren van de deelnemers verleende externe mandaten;

  • 3.

    Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

Artikel 18a Tegemoetkoming

  • 1.

    De leden van het algemeen of dagelijks bestuur kunnen een door het algemeen bestuur vast te stellen tegemoetkoming in de kosten, en voor zover zij niet de functie van wethouder, secretaris of burgemeester vervullen, een vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen. Bij de vaststelling van deze tegemoetkoming en vergoeding wordt het gestelde in artikel 21 van de Wet in acht genomen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan voorts een tegemoetkoming in of vergoeding van bijzondere kosten en andere financiële voorzieningen vaststellen, die verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

 

§ 3. De voorzitter

Artikel 19 De voorzitter

  • 1.

    De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur gekozen.

  • 2.

    De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangende voorzitter. Deze wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur.

  • 4.

    De stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan worden ondertekend door de (plaatsvervangend) voorzitter en de (plaatsvervangend) secretaris als bedoeld in artikel 24 van deze regeling.

  • 5.

    De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.

 

§ 4. Commissies

Artikel 20 Bestuurscommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan conform artikel 25 van de Wet, commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur stelt vooraf de raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten van dit voornemen op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

  • 2.

    Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld:

    • a.

      de samenstelling;

    • b.

      de bevoegdheid of bevoegdheden;

    • c.

      de werkwijze;

    • d.

      de openbaarheid van vergaderingen;

    • e.

      het toezicht van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;

    • f.

      de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;

    • g.

      de verantwoording aan het algemeen bestuur;

    • h.

      wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, de einddatum van de commissie;

    • i.

      de benoeming van de voorzitter van de commissie.

 

Hoofdstuk 4 Informatie en verantwoordingsplicht

Artikel 21 Externe inlichtingenplicht

  • 1.

    Het bestuur van de omgevingsdienst verstrekt schriftelijk aan gedeputeerde staten, de colleges, provinciale staten en de raden de door een of meer leden van die bestuursorganen gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het openbaar belang.

  • 2.

    De inlichtingen worden in ieder geval binnen twee maanden schriftelijk verstrekt en wel door het dagelijks bestuur, tenzij de inlichtingen uitdrukkelijk van het algemeen bestuur of de voorzitter worden verlangd.

Artikel 22 Externe verantwoordingsplicht lid algemeen bestuur

  • 1.

    Het lid van het algemeen bestuur is aan gedeputeerde staten of aan het college die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig over het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan gedeputeerde staten of het college dat hem heeft aangewezen de door een of meer leden van gedeputeerde staten of van dat college gevraagde inlichtingen, voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang.

  • 3.

    De inlichtingen worden zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden mondeling in een vergadering van gedeputeerde staten of dat college of schriftelijk verstrekt.

  • 4.

    Het in het eerste en tweede lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van provinciale staten en de raden.

 

Hoofdstuk 5 Organisatiebepalingen

Artikel 23 Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO)

De voorzitter van het algemeen bestuur van deze regeling neemt deel aan het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht, dan wel wijst een ander lid uit het algemeen bestuur hiervoor aan.

Artikel 24 De directeur

  • 1.

    De omgevingsdienst heeft een directeur die onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur belast is met de leiding van de omgevingsdienst, de aansturing van het personeel en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de omgevingsdienst.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur regelt bij schorsing en/of ontslag de vervanging van de directeur.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur legt de instructie van de directeur vast in een Directiestatuut.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur regelt de bezoldiging en de rechtspositie van de directeur.

Artikel 25 De secretaris

  • 1.

    De directeur van de omgevingsdienst fungeert als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De secretaris/directeur is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.

  • 3.

    De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris/directeur medeondertekend.

Artikel 26 Rechtspositie personeel

Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van de omgevingsdienst de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor ingevolge de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren in de plaats komt.

 

Hoofdstuk 6 Financiën

Artikel 27 Financiële informatieplicht

Het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten.

Artikel 28 Begroting

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt elk jaar een ontwerpbegroting op van de omgevingsdienst overeenkomstig het bepaalde in artikel 190 tot en met 219 Provinciewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2.

    De omgevingsdienst heeft een begroting waarin minimaal de basistaken(artikel 4), de verzoektaken (artikel 5), de collectieve taken (artikel 5a) en de bestaande taken van het voormalig Regionaal Milieubedrijf Brabant Noordoost (artikel 9a en 9b) afzonderlijk zichtbaar worden gemaakt.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de conceptbegroting met bijbehorende toelichting, na de voorlopige vaststelling door het algemeen bestuur, minimaal 10 weken voordat zij ter definitieve vaststelling aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe naar de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten.

  • 4.

    De raden en provinciale staten kunnen binnen 10 weken na toezending van de ontwerpbegroting hun zienswijzen daarover naar voren brengen. Het dagelijks bestuur stelt aan de hand van de ontwerpbegroting en de ontvangen zienswijzen de definitieve begroting op en verzendt deze, inclusief de commentaren, waarin de zienswijzen zijn vervat, ter vaststelling aan het algemeen bestuur.

  • 5.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting indien mogelijk vóór 15 juli voorafgaande aan het jaar waar deze voor dient, vast. Terstond na de vaststelling zendt het dagelijks bestuur de begroting naar de deelnemers, en in ieder geval vóór 1 augustus naar de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 6.

    Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten en provinciale staten, die ter zake bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 7.

    Besluiten tot wijzigen van de begroting kunnen tot uiterlijk het einde van het betreffende begrotingsjaar worden genomen.

  • 8.

    Het derde, vierde en zevende lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

  • 9.

    Het algemeen bestuur kan in afwijking van lid 9 begrotingswijzigingen direct vaststellen indien de begrotingswijziging niet rechtstreeks leidt tot verhoging van de bijdragen van de deelnemers dan wel tot een vrijwillige verhoging van een of meerdere deelnemers.

Artikel 29 Jaarrekening

  • 1.

    Het dagelijks bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar, met alle bijbehorende bescheiden tenminste 2 weken voor behandeling aan bij het algemeen bestuur. Na vaststelling van de jaarrekening wordt deze ter kennis gebracht van de deelnemers.

  • 2.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en stelt haar indien mogelijk vast vóór 10 juli, volgende op het jaar waarop zij betrekking heeft.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minsister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 30 Vergoeding voor geleverde diensten

  • 1.

    Uit de vastgestelde begroting blijkt welke bijdragen iedere deelnemer verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van individuele deelnemers (in de rol van opdrachtgever) en de ODBN (in de rol van opdrachtnemer) om te zorgen dat de werkprogramma’s zoveel als mogelijk aansluiten op de begrotingsbijdragen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels stellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota’s, einddeclaraties en financiële bijdragen.

Artikel 31 Verrekening exploitatiesaldo

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan besluiten om een blijkens de jaarrekening batig saldo, voor de taken zoals benoemd in hoofdstuk 2, geheel of ten dele:

    • a.

      toe te voegen aan de Algemene Reserve;

    • b.

      uit te keren aan de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken als genoemd in hoofdstuk 2.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan besluiten om een blijkens de jaarrekening nadelig saldo, voor de taken zoals benoemd in hoofdstuk 2, geheel of ten dele:

    • a.

      te onttrekken aan de Algemene Reserve

    • b.

      ten laste te brengen van de deelnemers naar rato van de gerealiseerde omzet op basis van de taken als genoemd in artikel 4.

Artikel 32 Vergoeding voor geleverde diensten oud- RMB taken

  • 1.

    Voor de te betalen vergoeding van de taken van hoofdstuk 2A zijn de afspraken die reeds zijn vastgelegd in een modelovereenkomst, onverkort van toepassing.

  • 2.

    Voor zover geen sprake is van eerbiediging van afspraken op grond van lid 1 komt de te betalen vergoeding voor rekening van de gemeenten genoemd in artikel 9, eerste lid naar rato van de begrote lasten en baten.

  • 3.

    De vergoedingen van de in artikel 9b bedoelde taken worden gedragen door de gemeenten, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, op basis van een aangegane overeenkomst voor de geluidssanering van woningen, als genoemd in artikel 9b.

  • 4.

    De te hanteren bijdragen worden jaarlijks door het algemeen bestuur vastgesteld aan de hand van een verdeelsleutel op basis van de ureninzet.

Artikel 33 Verplichtingen deelnemers

  • 1.

    De deelnemers zullen er steeds voor zorg dragen, dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen;

  • 2.

    Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet respectievelijk 198 en 199 Provinciewet.

  • 3.

    De gemeenten bedoeld in artikel 9, lid 1 dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om de taken, bedoeld in de artikelen 9a en 9b te kunnen uitvoeren.

Artikel 34 Financiële voorschriften

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De artikelen 216 en 217 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over:

    • a.

      waardering en afschrijving van activa;

    • b.

      algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening;

    • c.

      de inrichting van de financiële administratie zodanig dat te alle tijde inzicht bestaat in de baten en lasten per onderscheiden taakveld.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

  • 4.

    Het algemeen bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 26 genoemde jaarrekening.

  • 5.

    De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het algemeen bestuur.

  • 6.

    De omgevingsdienst verzekert zich tenminste tegen:

    • a.

      wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en zaken;

    • b.

      aansprakelijkheid voor vermogensschade.

 

Hoofdstuk 7 Bepalingen omtrent archief

Artikel 35 Archiefbescheiden

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de omgevingsdienst. Dit overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen regeling, de Archiefverordening.

  • 2.

    Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze deelnemers.

  • 3.

    Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de deelnemers.

  • 4.

    Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de omgevingsdienst is belast de archivaris van het Brabants Historisch Informatie Centrum te ‘s-Hertogenbosch.

  • 5.

    Bij opheffing van de Gemeenschappelijke Regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995.

Artikel 36 Archiefbewaarplaats

Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de omgevingsdienst is aangewezen de archiefbewaarplaats van het Brabants Historisch Informatie Centrum te ‘s-Hertogenbosch.

 

Hoofdstuk 8 Evaluatie

Artikel 37 Evaluatie

  • 1.

    Het algemeen bestuur evalueert iedere twee jaar het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. De eerste keer zal plaatsvinden in 2020.

  • 2.

    Het algemeen bestuur rapporteert aan gedeputeerde staten en de colleges het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies.

  • 3.

    De wijze waarop de evaluatie en rapportage plaats zullen vinden wordt nader vastgelegd door het algemeen bestuur.

 

Hoofdstuk 9 Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 38 Toetreding

  • 1.

    Toetreding tot de Gemeenschappelijke Regeling vindt plaats door het sturen van een verzoek daartoe aan het algemeen bestuur, voorzien van het concept collegebesluit en de toestemming van de raad.

  • 2.

    Toetreding tot de Gemeenschappelijke Regeling kan slechts plaatsvinden indien de colleges van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde Staten daarmee instemmen en de raden en provinciale staten hun toestemming daarvoor geven.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan nadere voorwaarden aan de toetreding verbinden.

Artikel 39 Uittreding

  • 1.

    Een gemeente en de provincie kunnen bij besluit van het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk Gedeputeerde Staten, na verkregen toestemming van de gemeenteraad, respectievelijk Provinciale Staten besluiten uit de regeling te treden, tenzij landelijk wetgeving de mogelijkheid tot uittreding beperkt.

  • 2.

    Nadat het algemeen bestuur het besluit tot uittreden van de deelnemer heeft ontvangen, stelt hij de voorwaarden vast waaronder de uittreding plaats kan vinden. De voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op de financiële verplichtingen die voor de deelnemer voortvloeien uit de uittreding.

  • 3.

    Alvorens een deelnemer besluit tot uittreden, maakt deze het voornemen daartoe schriftelijk kenbaar aan het algemeen bestuur en vindt overleg plaats over de mogelijke voorwaarden die aan de uittreding verbonden worden.

  • 4.

    De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar van het besluit tot uittreding, of zoveel eerder als de uittredende partij en het algemeen bestuur samen afspreken.

  • 5.

    Tot aan de datum van de feitelijke uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling.

Artikel 40 Wijziging

  • 1.

    Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling in procedure bij de deelnemers.

  • 2.

    De gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd indien de colleges en gedeputeerde staten daartoe, met toestemming van de raden respectievelijk provinciale staten eensluidend besluiten.

Artikel 41 Opheffing

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling voorleggen aan de deelnemers. Het voorstel tot opheffing is voorzien van een concept - liquidatieplan.

  • 2.

    Opheffing van de gemeenschappelijke regeling vindt plaats door een daartoe strekkend besluit van de deelnemende bestuursorganen, voorzien van toestemming van de raden respectievelijk Provinciale Staten.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt het liquidatieplan vast. Alvorens tot vaststelling over te gaan stelt het algemeen bestuur de raden respectievelijk de staten in de gelegenheid hun zienswijze over het concept naar voren te brengen.

  • 4.

    Het liquidatieplan regelt in ieder geval:

    • -

      de wijze waarop de deelnemers verplicht zijn bij te dragen in de financiële gevolgen van opheffing;

    • -

      de wijze waarop de rechten en plichten van de omgevingsdienst verdeeld worden over de deelnemers;

    • -

      de gevolgen van de opheffing voor het personeel.

  • 5.

    Bij de ontbinding van het lichaam in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft het lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is.

 

Hoofdstuk 10 Geschillen en klachten

Artikel 42 Geschillen

  • 1.

    Indien sprake is van een geschil met betrekking tot de uitvoering van deze regeling, wordt dit geschil eerst voorgelegd aan een door het algemeen bestuur te benoemen geschillencommissie.

  • 2.

    De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Beide partijen dragen ieder één lid voor die gezamenlijk een onafhankelijk voorzitter aanwijzen.

  • 3.

    Iedere partij draagt de eigen kosten voor het aangewezen lid van de geschillencommissie. Partijen dragen samen de kosten voor de voorzitter.

  • 4.

    Het oordeel van de geschillencommissie is zwaarwegend maar niet bindend. Partijen behouden de mogelijkheid om een rechterlijke procedure te starten.

Artikel 43 Klachten

  • 1.

    Klachten op grond van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht worden door het dagelijks bestuur in behandeling genomen.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan de afhandeling van klachten mandateren aan de directeur.

 

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 44 Slotbepalingen

  • 1.

    Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd en treedt in werking nadat de regeling op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

  • 2.

    De wettelijk voorgeschreven bekendmaking van deze regeling als bedoeld in artikel 53 van de Wet, geschiedt door gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant.

Artikel 45 Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Brabant Noord.

’s-Hertogenbosch, 22 februari 2019

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Naar boven