Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Zuid-HollandStaatscourant 2019, 70398Instelling gemeenschappelijke regelingen



Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alphen aan de Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas houdende regels omtrent de Omgevingsdienst Midden-Holland (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland)

Logo Zuid-Holland

[Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijke bekendmaking is op 24 december 2015 beschikbaar via Staatscourant 2015, 48666.]

 

Gemeenschappelijk regeling Omgevingsdienst Midden-Holland (inclusief het wijzigingsbesluit van 11 oktober 2012 en het 2e wijzigingsbesluit van de deelnemers met datum inwerkingtreding 1 januari 2016 (Staatscourant 2015, 48666)

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze Gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Midden- Holland;

  • b.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Midden- Holland;

  • c.

    colleges: Gedeputeerde Staten van Provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten;

  • d.

    deelnemers: de colleges van Provincie Zuid-Holland en de regiogemeenten;

  • e.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland;

  • f.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • g.

    omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam de Omgevingsdienst Midden-Holland;

  • h.

    vertegenwoordigende organen: Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland en de gemeenteraden van de regiogemeenten;

  • i.

    regiogemeenten: de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinx­veen, Zuidplas en de uit een of meer van deze gemeenten gevormde fusiegemeenten, en de op grond van artikel 36 van deze regeling toegetreden andere gemeenten;

  • j.

    werkgebied: het grondgebied van de regiogemeenten.

Hoofdstuk 2 Omgevingsdienst Midden-Holland

Artikel 2 Instelling

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Midden-Holland.

  • 2.

    De omgevingsdienst is gevestigd in Gouda.

Artikel 3 Belang

De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van Gedeputeerde Staten en bestuursorganen van de regiogemeenten bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het gebied van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 4, eerste lid, onder b genoemde wetten.

Artikel 4 Taken

  • 1.

    Aan de omgevingsdienst komen ter behartiging van de belangen waarvoor de regeling is getroffen, de volgende taken en bevoegdheden toe:

    • 1.

      Het verrichten van adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het gebied van de zorg voor het omgevingsrecht en de uitvoering van programma’s en projecten op het gebied van omgeving;

    • 2.

      Het namens de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en voor zover daartoe mandaat is verleend, uitvoeren van de bij of krachtens de navolgende wetten toebedeelde taken en bevoegdheden:

      • a.

        de Wet milieubeheer;

      • b.

        de Wet geluidhinder;

      • c.

        de Wet bodembescherming;

      • d.

        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

      • e.

        de Wet ruimtelijke ordening;

      • f.

        de Woningwet;

      • g.

        de Gemeentewet;

      • h.

        de Algemene wet bestuursrecht;

      • i.

        de Wet openbaarheid van bestuur.

    • 3.

      Het namens de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten tevens uitvoeren van omgevingstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in het eerste lid, onder b, voor zover daartoe mandaat is verleend;

    • 4.

      Het namens Gedeputeerde Staten en voor zover daartoe mandaat is verleend uitvoeren van de volgende taken en bevoegdheden, met inachtneming van met de provincie overeengekomen beleid:

      • a.

        de taken en bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid onder b, voor zover Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn;

      • b.

        omgevingstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan onder a. genoemd;

  • 2.

    Aan de omgevingsdienst komen voorts die taken en bevoegdheden toe welke op verzoek van een of meer colleges van B en W van de regiogemeenten of Gedeputeerde Staten worden uitgevoerd en uitgeoefend.

  • 3.

    Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in de vorige leden genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur met de deelnemers schriftelijk werkafspraken en afspraken over vergoedingen gemaakt.

  • 4.

    Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend.

  • 5.

    Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan wel indien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen.

  • 6.

    Werkzaamheden met betrekking tot de in lid 1 onder b en c bedoelde taken en bevoegdheden die zijn gestart door de Milieudienst Midden-Holland voor het operationeel worden van de omgevingsdienst, worden voortgezet of overgenomen door de Omgevingsdienst Midden-Holland.

  • 7.

    De omgevingsdienst kan tevens taken uitvoeren of diensten verrichten voor en op verzoek van andere instanties dan de deelnemers. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van deze taken worden door of namens het dagelijks bestuur met de betreffende instanties schriftelijk werkafspraken en afspraken over vergoedingen gemaakt. 

Hoofdstuk 3 Inrichting en samenstelling van het bestuur

Paragraaf 1 Algemene bepaling

Artikel 5 Het bestuur

Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Paragraaf 2 Algemeen bestuur

Artikel 6 Samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer, die door en uit het eigen college worden aangewezen.

  • 2.

    De colleges kunnen voor de door hen benoemde leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden bij afwezigheid vervangen. De plaatsvervangende leden dienen deel uit te maken uit van het eigen college. De aangewezen leden kunnen tevens elkaar vervangen.

  • 3.

    Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college van burgemeester en wethouders respectievelijk Gedeputeerde Staten, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college van burgemeester en wethouders voorziet respectievelijk Gedeputeerde Staten voorzien zo spoedig mogelijk in de opvulling van de vacature.

  • 4.

    De colleges kunnen hun lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Na het ontslag wordt zo spoedig mogelijk voorzien in de opvulling van de vacature.

Artikel 7 Incompatibiliteiten

Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van de wet is het lidmaatschap van het algemeen bestuur onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van een der deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van de omgevingsdienst aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met een ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van een der deelnemers dan wel de omgevingsdienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn.

Artikel 8 Vergaderingen

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe beslist.

  • 3.

    Voorts vergadert het indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een lid van het algemeen bestuur schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 9 Openbaarheid

  • 1.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.

  • 2.

    De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

  • 3.

    Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 

Artikel 10 Besluitvorming

  • 1.

    Het aantal stemmen van een lid van het algemeen bestuur staat in relatie tot het ingebrachte budget van de deelnemer die hij vertegenwoordigt. De voorzitter onthoudt zich van stemmen.

  • 2.

    Voor elke €100.000 ingebracht budget op basis van de laatstelijk vastgestelde begroting ontstaat voor de betreffende deelnemer 1 stem.

  • 3.

    Een besluit is bij gewone meerderheid van stemmen aangenomen, tenzij in de regeling of in het reglement van orde, zoals bedoeld in artikel 8 lid 1, anders is bepaald.

  • 4.

    Wanneer is bepaald dat voor besluitvorming een gekwalificeerde meerderheid vereist is, geldt dat hieraan is voldaan indien 3/4 van het aantal leden van het algemeen bestuur aanwezig is en een 3/4 meerderheid van het totaal aantal stemmen van alle deelnemers wordt behaald.

Artikel 11 Verantwoordings- en informatieplicht

  • 1.

    Het algemeen bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het bestuursbeleid van de omgevingsdienst nodig is of die door één of meer leden van die vertegenwoordigende organen wordt verlangd.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

Paragraaf 3 Dagelijks bestuur

Artikel 12 Samenstelling

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur worden door en uit het algemeen bestuur gekozen, met dien verstande dat de leden van het dagelijks bestuur niet de meerderheid uitmaken van het algemeen bestuur.

  • 2.

    De voorzitter is voorzitter van het dagelijks bestuur.

Artikel 13 Ontslag

  • 1.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het ontslag als bedoeld in het eerste lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur wordt terstond ontslagen bij verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur.

Paragraaf 4 Voorzitter

Artikel 14 Aanwijzing

  • 1.

    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan.

  • 2.

    Het algemeen bestuur wijst uit het dagelijks bestuur een plaatsvervangend voorzitter aan.

Paragraaf 5 Commissies

Artikel 15 Adviescommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2.

    De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter.

  • 3.

    Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

Artikel 16 Bestuurscommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2.

    Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan aan een commissie als bedoeld in het eerste lid bevoegdheden van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid tot het vaststellen van de begroting of van de jaarrekening alsmede bevoegdheden aangaande het beheer van de organisatie en personele bevoegdheden.

  • 4.

    Bevoegdheden van het dagelijks bestuur kunnen niet dan op voorstel van het dagelijks bestuur worden overgedragen aan een commissie zoals bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 4 Bevoegdheden

Paragraaf 1 Bevoegdheden algemeen bestuur

Artikel 17 Bevoegdheden algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de omgevingsdienst.

  • 2.

    Alle bevoegdheden, bedoeld in de regeling, berusten bij het algemeen bestuur voor zover deze niet bij of krachtens de wet of deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn toegekend.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 57 van de wet is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot:

    • a.

      Het vaststellen en wijzigen van de begroting.

    • b.

      Het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      Het vaststellen en wijzigen van verordeningen;

    • d.

      Besluiten over het toetreden tot, uittreden uit of wijziging van de regeling.

  • 4.

    Het algemeen bestuur besluit slechts tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.

  • 5.

    Voordat een besluit als bedoeld in het vierde lid wordt genomen wordt aan de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit toegezonden en worden zij in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen bij het algemeen bestuur in te brengen.

Artikel 18 Overdracht van bevoegdheden

Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheden aan het dagelijks bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Artikel 156, tweede lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

 

Paragraaf 2 Bevoegdheden dagelijks bestuur

Artikel 19 Bevoegdheden dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst berust bij het dagelijks bestuur voor zover niet bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur, tenzij bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur neemt, alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur te besluiten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van handelingen als bedoeld in artikel 17, vierde lid van deze regeling.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur dient de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties desgevraagd van bericht en advies over al hetgeen het openbaar lichaam betreft. Van een dergelijk verzoek en de inhoud ervan doet het dagelijks bestuur mededeling aan de deelnemers.

Artikel 20 Verantwoording

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Paragraaf 3 Bevoegdheden voorzitter

Artikel 21 Bevoegdheden voorzitter

  • 1.

    De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van de omgevingsdienst.

  • 2.

    De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

  • 3.

    De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 4.

    Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangende voorzitter.

Artikel 22 Verantwoording

  • 1.

    De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 2.

    Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3.

    De voorzitter verschaft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van hun leden worden gevraagd.

Hoofdstuk 5 Ambtelijke organisatie

Artikel 23 Inrichting organisatie

Het dagelijks bestuur regelt de inrichting van de organisatie van het openbaar lichaam.

Artikel 24  

Vervallen

Artikel 25  

Vervallen

Artikel 26 Directeur

  • 1.

    De directeur van de organisatie van het openbaar lichaam wordt, op voordracht van het dagelijks bestuur, door het algemeen bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt voor de directeur een instructie vast. Hierin worden de taken en bevoegdheden van de directeur weergegeven.

  • 3.

    De directeur is belast met de bedrijfsvoering en de dagelijkse leiding. Tevens is hij voor een correcte uitvoering van hetgeen hem door middel van de in het tweede lid bedoelde instructie is opgedragen, verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur.

  • 4.

    De directeur treedt op als secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 5.

    De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak en heeft in het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur een adviserende stem.

  • 6.

    Alle stukken, die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede ondertekend.

Artikel 27 Overig personeel

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is, binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde formatie, belast met het aanstellen als ambtenaar, het tewerkstellen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en met het schorsen en ontslaan van het personeel van de omgevingsdienst, de directeur van de dienst uitgezonderd.

  • 2.

    Op het personeel in dienst van de omgevingsdienst zijn de CAR-UWO en de lokale regelingen van de Omgevingsdienst Midden-Holland van toepassing. De lokale rechtspositionele regelingen van het ISMH, zoals die gelden op de datum dat de omgevingsdienst in bedrijf wordt gesteld, zijn met ingang van die datum van overeenkomstige toepassing op het personeel van de Omgevingsdienst Midden-Holland.

  • 3.

    Waar in de in het tweede lid bedoelde regelingen gesproken wordt van "gemeenteraad", "college" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directeur. 

Hoofdstuk 6 Financiën en beheer van de omgevingsdienst

Paragraaf 1 Begroting

Artikel 28 Voorbereiding begroting

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt een ontwerpbegroting vast en zendt deze acht weken voordat zij door het algemeen bestuur wordt behandeld toe aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemene verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.

  • 4.

    De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 6.

    Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

  • 7.

    Indien noodzakelijk vinden begrotingswijzigingen plaats bij de voorjaarsnota en/of de najaarsnota.

  • 8.

    Voorgenomen begrotingswijzigingen worden vooraf voor een zienswijze aangeboden aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. Hiervan kan worden afgezien als het totaal aan mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten) bedraagt en de wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te boven gaan er in financiële dekking is voorzien.

Artikel 29 Vaststelling begroting

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 10 wordt de begroting vastgesteld wanneer een drie-vierde meerderheid in het algemeen bestuur is bereikt.

  • 2.

    In de begroting wordt vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is aan de omgevingsdienst.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Paragraaf 2 Jaarrekening

Artikel 30 Vaststelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

Paragraaf 3 Beheer en garantstelling

Artikel 31 Financiële administratie

Het algemeen bestuur stelt een verordening vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en het financieel beheer van de omgevingsdienst.

Artikel 32 Garantstelling

De deelnemers zullen zorgdragen dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 

 

Paragraaf 4 Financiën

Artikel 33 Uitgangspunten financieel beleid

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Op deze regels is artikel 212 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Op deze regels is artikel 213 met uitzondering van artikel 213a van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 34 Betaling

  • 1.

    De deelnemers betalen uiterlijk 16 januari, 16 april, 16 juli en 16 oktober een voorschot in de bijdrage van het lopende boekjaar ten bedrage van 25% van het begrote budget.

  • 2.

    De definitieve afrekening over het voorgaande boekjaar vindt plaats binnen twee maanden na vaststelling van de jaarrekening.

  • 3.

    Het exploitatiesaldo van een vastgestelde jaarrekening in een jaar komt ten bate dan wel laste van de deelnemers, tenzij het algemeen bestuur anders besluit. De verdeling is gebaseerd op de inbreng van de deelnemers. 

Hoofdstuk 7 Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 35 Wijziging van de regeling

  • 1.

    De deelnemers, alsmede het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur, kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling.

  • 2.

    Voor wijziging van de regeling is een gekwalificeerde meerderheid van stemmen van de deelnemers vereist.

  • 3.

    De deelnemers besluiten niet tot wijziging dan nadat toestemming is gekregen van Provinciale Staten en de gemeenteraden van de regiogemeenten conform artikel 51 van de wet.

  • 4.

    De wijziging wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt.

  • 5.

    Bij de wijziging wordt bepaald wanneer deze in werking treedt. 

Artikel 36 Toetreding

  • 1.

    Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten, bestuursorganen van waterschappen en andere openbare lichamen toetreden.

  • 2.

    Toetreding is mogelijk op ieder moment nadat de deelnemers, na toestemming van de vertegenwoordigende organen, hiertoe bij gekwalificeerde meerderheid hebben besloten.

  • 3.

    Het betreffende bestuursorgaan dat wil toetreden dient hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst. Bij het verzoek wordt het besluit gevoegd waaruit de toestemming van het eigen vertegenwoordigde orgaan blijkt.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur brengt het verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een advies over de toetreding. Het algemeen bestuur doet vervolgens een voorstel en geeft daarin aan welke voorwaarden, waaronder financiële, aan de toetreding zijn verbonden.

Artikel 37 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan uit de regeling treden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van haar bestuursorganen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een regeling vast waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden uittreding kan plaatsvinden.

  • 3.

    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en stelt de verschuldigde schadeloosstelling vast.

  • 4.

    De deelnemers dienen overeenkomstig artikel 51 van de Wet in te stemmen met de door het algemeen bestuur vastgestelde verschuldigde schadeloosstelling.  

Artikel 38 Opheffing

  • 1.

    De deelnemers kunnen bij unanimiteit besluiten de regeling op te heffen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op om tot opheffing van de regeling te komen. Het algemeen bestuur beslist in afwijking van artikel 10 bij unanimiteit.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

  • 4.

    Bij ontbinding van de regeling, in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de omgevingsdienst voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van de omgevingsdienst.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 6.

    Zonodig blijven de organen van de omgevingsdienst ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid. 

Hoofdstuk 8 Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel 39 Archief

  • 1.

    De bepalingen van de Archiefwet 1995 en de daaruit voortvloeien­de uitvoeringsvoorschriften zijn, voor zover deze betrekking hebben op de archiefbescheiden van gemeenten, van overeenkomsti­ge toe­passing op de omgevingsdienst. 

  • 2.

    Het algemeen bestuur is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden.  

  • 3.

    Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening, met inachtneming van artikel 40, lid 1 en 2 van de Archiefwet 1995, draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst.  

  • 4.

    De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden. 

  • 5.

    De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de omgevingsdienst.  

  • 6.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur de archiefbewaarplaats van het Streekarchief Midden Holland aan.  

  • 7.

    Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995, belast een inspecteur van de Groene Hart Archiefinspectie. 

  • 8.

    Bij opheffing van de omgevingsdienst worden de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het Streekarchief Midden Holland. 

Artikel 40 Klachtregelingen

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtregeling vast.

  • 2.

    De Nationale ombudsman is, onverminderd het bepaalde in de Wet Nationale ombudsman, bevoegd tot behandeling van klachtschriften als bedoeld in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht. 

Artikel 41 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    De regeling wordt op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt.

  • 3.

    De regeling is in werking getreden op 18 april 2012, gewijzigd per 11 oktober 2012 en 1 januari 2016.

  • 4.

    De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Midden-Holland”.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten zenden de regeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.