Gemeenschappelijke regeling (openbaar lichaam) Plusteam

Logo Geldrop-Mierlo

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre, ieder voor zover betreft zijn bevoegdheden;

 

Gelet op de respectieve besluiten van de gemeenteraden van Geldrop-Mierlo en Waalre van 30 november 2016 en 24 mei 2016 om, ingevolge artikel 1 tweede en derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, het college toestemming te verlenen om een gemeenschappelijke regeling Plusteam, zoals vastgesteld 11 november 2014 te wijzigen;

 

Overwegende:

 

dat de gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken in het kader van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, vanaf 20 november 2014 samenwerken in het openbaar lichaam Plusteam;

 

De doelstellingen van deze samenwerking tussen de gemeenten onverminderd actueel

zijn;

 

De Wet gemeenschappelijke regelingen met ingang van 01 januari 2015 is gewijzigd en dit noopt tot herziening van de voorheen geldende tekst;

 

 

Gelet op:

 

de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet;

 

Besluiten de gemeenschappelijke regeling “Plusteam” gewijzigd vast te stellen, luidende als volgt:

 

GR Plusteam tekst na wijziging:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1  

  • 1.

    Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd Plusteam (PT).

  • 2.

    Het openbaar lichaam is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Geldrop-Mierlo en de gemeente Waalre.

  • 3.

    Het openbaar lichaam is gevestigd in Geldrop.

  • 4.

    Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit: het algemeen bestuur (verder AB), het dagelijks bestuur (verder DB) en de voorzitter.

 

Artikel 2 Begripsbepalingen

  • 1.

    In de gemeenschappelijke regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      de regeling: de gemeenschappelijke regeling

      • a.

        tussen gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre;

      • b.

        het openbaar lichaam: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wgr;

      • c.

        deelnemer: de aan deze regeling deelnemende gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre;

      • d.

        het samenwerkingsgebied: het gezamenlijk grondgebied van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

      • e.

        Plusteam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1 van deze regeling;

      • f.

        gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

      • g.

        de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

      • h.

        opdrachtgever: een deelnemende gemeente, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en wethouders;

      • i.

        opdrachtnemer: het openbaar lichaam, vertegenwoordigd door de voorzitter;

      • j.

        het Algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het Plusteam;

      • k.

        het Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het Plusteam;

      • l.

        de voorzitter: de voorzitter van het Algemeen en Dagelijks bestuur van het Plusteam;

      • m.

        de manager: de manager van het Plusteam.

        • 1.

          Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden het openbaar lichaam, het Algemeen bestuur, het Dagelijks bestuur en de voorzitter in de plaats van respectievelijk de gemeente, de raad, het college en de burgemeester in die artikelen.

 

Hoofdstuk 2 Doel en taken

Artikel 3 Doel

Het openbaar lichaam behartigt op een adequate, effectieve en efficiënte wijze de belangen van de deelnemende gemeenten in het samenwerkingsgebied door het op een kwalitatief hoogwaardige wijze verrichten van uitvoeringstaken en het verlenen van ondersteuning op het terrein van de jeugdhulp in het kader waarvan de gemeente op grond van artikel 1.3 tweede lid van de Jeugdwet gehouden is voorzieningen en maatregelen te treffen alsmede op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in het kader waarvan de gemeente op grond van artikel 1.2.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gehouden is maatwerkvoorzieningen te treffen.

 

Artikel 4 Taken

  • 1.

    Het openbaar lichaam draagt onder verantwoordelijkheid van de deelnemende gemeenten zorg voor de uitvoering van de wettelijke taken in het kader van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarbij geen beleids- en besluitvormingsruimte bestaat voor het openbaar lichaam.

 

  • 2.

    Het openbaar lichaam voert taken zelf uit voor de deelnemende gemeenten. Uitvoering voor derden is slechts toegestaan na een besluit van het Algemeen bestuur, gehoord de colleges van de deelnemende gemeenten.

 

Hoofdstuk 3 Het Algemeen bestuur

Artikel 5 Samenstelling, voorzitter en ambtelijk secretaris

  • 1.

    Het Algemeen bestuur (AB) bestaat uit drie leden per college van de deelnemers. De colleges van de deelnemers benoemen elk uit hun midden – waaronder begrepen de voorzitter van het college – drie leden in het AB. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraad een nieuw geïnstalleerd college een besluit neemt tot aanwijzing van leden van het AB. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen. In tussentijdse vacatures wordt voorzien door het college van de betreffende deelnemer.

  • 2.

    Het AB wijst uit zijn midden een van de portefeuillehouders WMO of Jeugd aan als voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, die tevens (plaatsvervangend) voorzitter zijn van het Dagelijkse bestuur (DB).

  • 3.

    De voorzitter:

    • a.

      vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte;

    • b.

      is belast met de leiding van de vergaderingen;

    • c.

      ondertekent alle van het AB en DB uitgaande stukken;

    • d.

      draagt zorg voor de uitvoering van de besluiten van het DB;Hij kan deze bevoegdheden aan een ander opdragen.

  • 4.

    Het openbaar lichaam heeft een secretaris. De secretaris is tevens manager van het Plusteam. Het AB benoemt, schorst en ontslaat de secretaris.

  • 5.

    De manager heeft in zijn functie van secretaris tot taak het AB, het DB en de voorzitter in hun opgedragen taken terzijde te staan. Hij woont in die hoedanigheid de vergaderingen van het bestuur bij en heeft daarin een adviserende stem. Alle stukken die van het AB en DB uitgaan worden door de manager mede ondertekend. De manager is verantwoordelijk voor het opmaken van de notulen van de vergaderingen van het AB en DB.

  • 6.

    Het bestuur kan bepalen dat de manager bij bepaalde (onderdelen van) vergaderingen niet aanwezig is.

Artikel 6 Werkwijze Algemeen Bestuur

  • 1.

    Het AB vergadert tenminste tweemaal per jaar en verder als de voorzitter of tenminste twee leden onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen dit verzoeken.

  • 2.

    Voor de oproeping van de vergaderingen is artikel 19 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het AB stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.

  • 4.

    Ten aanzien van de openbaarheid van de vergaderingen van het AB en het opleggen van een geheimhoudingsplicht zijn de artikelen 22 en 23 van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Ieder lid van het AB heeft 1 stem. Het AB neemt in zijn vergaderingen de besluiten met een gewone meerderheid van stemmen met uitzondering van de besluiten tot vaststelling van de begroting en de rekening, zoals bedoeld in de artikelen 19, lid 5 en artikel 20, lid 2 van deze regeling, en de besluiten tot benoeming en ontslag van de manager zoals bedoeld in artikel 14, lid 3. De laatst genoemde besluiten dienen unaniem genomen te worden.

  • 6.

    De leden van het AB ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding in welke vorm dan ook.

 

Artikel 7 Bevoegdheden Algemeen Bestuur

 

  • 1.

    Tot de taken van het Algemeen bestuur (AB) behoort in ieder geval;

    • a.

      een voortdurend toezicht op al wat het Plusteam aangaat;

    • b.

      vaststelling van het organisatiebesluit;

    • c.

      vaststelling van de begroting dan wel wijzigingen daarvan;

    • d.

      vaststelling van de rekening;

    • e.

      vaststelling of wijziging van de rechtspositionele regelingen van het personeel van het openbaar lichaam;

    • f.

      de vaststelling van het liquidatieplan;

    • g.

      besluiten omtrent conflicten tussen DB en secretaris.Over deze zaken moet, behoudens wat betreft g, in een openbare vergadering worden beraadslaagd en besloten.

  • 2.

    Het AB is niet bevoegd belastingen te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften en/of beleidsregels te geven.

 

Artikel 8 Informatie- en verantwoordingsplicht

  • 1.

    Een lid van het AB geeft zo spoedig mogelijk maar in ieder geval binnen vier weken aan de raden en de colleges of burgemeesters van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden, colleges of de burgemeesters gevraagde inlichtingen, met inachtneming van het bepaalde in de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

  • 2.

    Het AB geeft aan de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten per half jaar ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het AB gevoerde en te voeren beleid nodig zijn.

 

Hoofdstuk 4 Het Dagelijks bestuur

Artikel 9 Samenstelling

  • 1.

    Het AB benoemt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode een DB, dat bestaat uit de voorzitter (of plaatsvervangend voorzitter) en een collegelid uit het AB per deelnemende gemeente. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter komen niet uit dezelfde gemeente.

  • 2.

    De leden van het DB treden af als lid van dat bestuur met ingang van de dag waarop de zittingsperiode van het AB afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop het AB een nieuw DB heeft aangewezen.

  • 3.

    Een lid van het DB kan te allen tijde ontslag nemen.

  • 4.

    Degene die tussentijds ophoudt lid van het AB te zijn, houdt tevens op lid van het DB te zijn.

  • 5.

    Indien tussentijds een vacature ontstaat in het DB, wijst het AB zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

  • 6.

    Een lid van het DB kan door het AB worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen van het AB geniet. De artikelen 49 en 50 Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

 

Artikel 10 Werkwijze Dagelijks bestuur

  • 1.

    Voor zover deze regeling niet anders bepaalt kan het DB zijn werkzaamheden verdelen over de leden. Deze verdeling wordt aan het AB mede gedeeld.

  • 2.

    Het DB vergadert minimaal twaalf keer per jaar of zo dikwijls als de voorzitter of tenminste twee leden dit nodig achten.

  • 3.

    In de vergadering van het DB heeft ieder lid een stem.

  • 4.

    Op de vergaderingen van het DB zijn de artikelen 54 tot en met 59 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Het DB stelt voor zijn vergaderingen en overige werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit wordt aan het AB ter kennisneming gezonden.

  • 6.

    De leden van het DB ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding in welke vorm dan ook.

 

Artikel 11 Bevoegdheden Dagelijks bestuur

  • 1.

    Het DB oefent de taken en bevoegdheden die in deze gemeenschappelijke regeling aan het DB zijn opgedragen uit.

 

  • 2.

    Voorts is dit bestuur belast met de sturing van het Plusteam. Hiertoe behoort in ieder geval:

    • a.

      het uitvoeren van besluiten van het AB;

    • b.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het AB ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd;

    • c.

      het uitvoeren van besluiten van de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten;

    • d.

      het behartigen van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen of personen waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is;

    • e.

      de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam;

    • f.

      de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

    • g.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

    • h.

      de zorg, in zijn taak als bewerker, dat de informatiebeveiliging voldoet aan de vereisten die op basis van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP), Jeugdwet, Wmo 2015 en Archiefwet worden gesteld en de zorg voor tijdige aanpassing bij nieuwe wet- en regelgeving. Het DB zal persoonsgegevens uitsluitend verwerken ter uitvoering van de opdracht zoals in deze regeling wordt gegeven en geheimhouding in acht nemen conform artikel 12 lid 1 Wet bescherming persoonsgegevens;

    • i.

      de zorg voor en het houden van toezicht op de bewaring en het beheer van de dynamische archiefbescheiden. Alle zakelijke bescheiden, dossiers en dergelijke ter uitvoering van deze regeling blijven eigendom van de deelnemende gemeenten. Na het sluiten van een dossier, zal het dossier worden geretourneerd naar de desbetreffende gemeente. De gemeente zal zorgdragen voor het bewaren en vernietigen van deze semi-statische en statische dossiers. Bij het opheffen van de regeling worden alle dossiers geretourneerd aan de deelnemende gemeente. De dossiers zijn in goede en ordelijke staat op het moment van retourneren en dienen toegankelijk te zijn;

    • j.

      de colleges van de deelnemende gemeenten blijven verantwoordelijk voor de openbaarheid van dossiers. Het desbetreffende college bepaalt wanneer en in hoeverre een dossier openbaar is, bijvoorbeeld bij een WOB-verzoek;

    • k.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel;

    • l.

      overige taken die bij of krachtens de Jeugdwet en de Wmo 2015 aan de gemeente worden opgedragen.

  • 3.

    Het AB kan aan het DB bevoegdheden overdragen met uitzondering van:

    • a.

      Het vaststellen dan wel wijzigen van de begroting.

    • b.

      Het vaststellen van de jaarrekening.

    • c.

      Het vaststellen van de financiële beheers- en de controleverordening zoals omschreven in de van overeenkomstige toepassing zijnde artikelen 212 en 213 Gemeentewet.

    • d.

      Het vaststellen van rechtspositionele regelingen.

    • e.

      Het vaststellen van een organisatieplan en de daarop betrekking hebbende regels.

    • f.

      De benoeming en ontslag van de manager.

 

Artikel 12 Informatie en verantwoordingsplicht

  • 1.

    De leden van het DB zijn, tezamen en afzonderlijk, aan het AB verantwoording verschuldigd voor het door het DB gevoerde bestuur.

  • 2.

    De leden van het DB geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het AB per half jaar ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het gevoerde en te voeren beleid noodzakelijk is.

  • 3.

    De leden van het DB geven tezamen dan wel afzonderlijk aan het AB, indien dit bestuur dan wel een of meer leden daarvan daarom verzoeken, binnen vier weken alle gevraagde inlichtingen, een en ander voor zover dit niet in strijd is met het algemeen belang.

  • 4.

    De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorzitter.

 

Artikel 13 Beperkingen bevoegdheden deelname aan het maatschappelijk verkeer

  • 1.

    Het AB besluit slechts tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuur te brengen.

  • 2.

    Het gebruik maken van diensten op het terrein van consultatie en diagnostiek door het openbaar lichaam geschiedt uitsluitend door de inschakeling van de op voorhand door de deelnemende gemeenten gecontracteerde partners. De diensten op het terrein van consultatie en diagnostiek zullen door de gemeenten worden aanbesteed met inachtneming van de voor hen geldende aanbestedingsregels. De inschakeling van deze diensten van derden door het openbaar lichaam geschiedt niet onder bezwarende titel.

  • 3.

    Het besluit tot het aangaan van een overheidsopdracht voor diensten anders dan bedoeld in lid 2 en/of leveringen wordt niet genomen dan nadat de colleges van de deelnemende gemeenten toestemming ter zake hebben gegeven.

  • 4.

    Het aangaan van onderhandse leningen vindt niet plaats dan nadat de colleges en de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten toestemming ter zake hebben gegeven.

 

Hoofdstuk 5 Inrichting openbaar lichaam

Artikel 14  

  • 1.

    Het DB regelt de inrichting van het openbaar lichaam in een organisatiebesluit.

  • 2.

    De dagelijkse leiding van het openbaar lichaam berust bij de manager.

  • 3.

    De manager wordt benoemd en ontslagen door het AB.

  • 4.

    Het AB regelt de bezoldiging en de rechtspositie van de manager.

  • 5.

    De taken en bevoegdheden van de manager worden geregeld in het organisatiebesluit. Het DB regelt de vervanging van de manager.

  • 6.

    De manager verschaft minstens eenmaal per kwartaal de informatie aan het AB en DB om het functioneren en de bedrijfsvoering van het openbaar lichaam te kunnen beoordelen.

 

Hoofdstuk 6 Personeel en rechtspositie

 

Personeel

 

Artikel 15  

  • 1.

    Het DB is belast met het aanstellen, het schorsen en ontslaan van het personeel van het openbaar lichaam voor zover in deze regeling niet anders is bepaald.

  • 2.

    Het DB kan de manager machtigen tot het in het eerste lid bedoelde aanstellen, schorsen en ontslaan van personeel.

 

Rechtspositie

 

Artikel 16  

  • 1.

    Op het personeel in dienst van het openbaar lichaam zijn de rechtspositieregelingen en arbeidsvoorwaarden overeenkomstig de landelijke CAO Welzijn en maatschappelijke dienstverlening van toepassing. Daar waar de CAO Welzijn en maatschappelijke dienstverlening niet in voorziet, besluit het AB.

 

  • 2.

    Het DB regelt de taken en bevoegdheden van het personeel voor zover dit niet in deze gemeenschappelijke regeling geschiedt.

 

Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen

Artikel 17 Financiële administratie en controle

  • 1.

    Op het financieel beleid, het financieel beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het AB stelt schriftelijk de uitgangspunten vast voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze uitgangspunten waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

  • 3.

    Het AB wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 20 genoemde jaarrekening.

  • 4.

    De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het AB.

  • 5.

    De schriftelijke uitgangspunten als bedoeld in artikel 16 tweede lid worden na vaststelling gezonden aan gedeputeerde staten en aan de deelnemende gemeenten.

  • 6.

    Het openbaar lichaam verzekert zich ten minste tegen:

    • a.

      burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen;

    • b.

      wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade;

    • c.

      de kosten voortvloeiend uit arbeidsgerechtelijke geschillen (rechtskundige hulp).

 

Artikel 18 Boekjaar

  • 1.

    Het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

 

Artikel 19 Begroting

  • 1.

    Het DB zendt elk jaar vóór 15 april een ontwerpbegroting van inkomsten en uitgaven voor het komend dienstjaar aan de raden van de deelnemers, voorzien van de nodige toelichting en specificaties.

  • 2.

    In de begroting wordt onder andere aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken door het Plusteam.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling van de ontwerpbegroting wordt openbaar kennis gegeven.

  • 4.

    De raden van de deelnemers kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting het DB hun zienswijze schriftelijk doen blijken.

  • 5.

    Het AB stelt de begroting op voorstel van het DB vast vóór 1 juli en zendt deze voor 15 juli naar de deelnemers en gedeputeerde staten.

  • 6.

    Op de wijzigingen van de begroting zijn de voorafgaande bepalingen van dit artikel -met uitzondering van de genoemde data -van overeenkomstige toepassing.

  • 7.

    Het AB kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota’s en financiële bijdragen.

  • 8.

    De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 9.

    Indien aan het AB van het openbaar lichaam blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het AB onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de art. 194 en 195 Gemeentewet.

 

Artikel 20 Jaarrekening

  • 1.

    Het DB zendt voor 15 april de algemene financiën en beleidsmatige en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het DB maakt elk jaar de rekening van baten en lasten (inclusief de balans) van het voorgaande jaar op. Het DB zendt uiterlijk 15 april de rekening met de daarbij behorende bescheiden aan het AB. Het AB zendt de rekening ter controle naar de door het AB aangewezen accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het controlerapport uit te brengen.

  • 3.

    Het besluit van het AB, houdende vaststelling van de rekening dient voor 1 juli te worden genomen en strekt, voor zover het daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft, het DB tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.

  • 4.

    Het AB zendt de rekening en het verslag van bevindingen van de accountant aan de deelnemers ter kennisneming.

 

Artikel 21 Verdeling van de kosten

  • 1.

    Een deel van de rijksbijdragen als bedoeld in artikel 15 van de Financiële-verhoudingswet wordt door de deelnemende gemeenten aangewend ter dekking van de kosten verband houdend met de uitvoering van de taken zoals beschreven in artikel 4 van de regeling. Deze bijdrage van de deelnemende gemeenten bestaat uit de financiering van de volgende kosten overhead:

    • management en secretariële ondersteuning;

    • personeel en organisatie;

    • informatisering en automatisering;

    • financiën en control;

    • facilitaire zaken.

  • 2.

    De verdeling van de kosten tussen de gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre als bedoeld in het eerste lid staat in de verhouding 2:1, met uitzondering van de kosten ten aanzien van personeel en organisatie.

  • 3.

    Met betrekking tot de kosten ten aanzien van personeel en organisatie zal door het AB jaarlijks (per 1 januari) een nadere verdeelsleutel worden vastgesteld op basis van de geraamde omvang van de in te zetten dienstverlening.

 

Artikel 22 Voorschotten

 

  • 1.

    De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 15 januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober telkens een kwart van de begrote bijdragen als bedoeld in artikel 19.

  • 2.

    De gemeenten betalen de bijdragen bedoeld in het eerste lid op basis van facturen, die het openbaar lichaam hun daartoe zal zenden.

  • 3.

    De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 4.

    Indien het bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

  • 5.

    De deelnemende gemeenten verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten alle rechten en plichten van het openbaar lichaam over de deelnemende gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze en de wijze te beschrijven waarop vereffening van het vermogen van het openbaar lichaam plaatsvindt.

 

Hoofdstuk 8 Archiefbescheiden

Artikel 23  

  • 1.

    Het DB draagt zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam overeenkomstig de archiefverordeningen van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    De manager van het Plusteam is belast met het beheer van de archiefbescheiden bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de door het DB vast te stellen nadere regeling.

 

Hoofdstuk 9 Toetreding, wijziging, uittreding, opheffing

Artikel 24 Toetreding

  • 1.

    Het college van een gemeente dat wenst toe te treden, richt het verzoek ter zake aan het AB van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Toetreding vindt plaats bij besluit van het AB na verkregen toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Aan de toetreding kan het AB voorwaarden verbinden.

  • 4.

    Het besluit als bedoeld in het tweede lid geeft de datum van toetreding aan.

  • 5.

    Van elk bericht van toetreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan gedeputeerde staten.

 

Artikel 25 Wijziging

  • 1.

    Indien het AB een wijziging van de regeling wenselijk acht, doet het DB een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling aan de colleges van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    De gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd indien de college van de deelnemende gemeenten, na verkregen toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten , daartoe eensluidend besluiten. Van elk besluit tot wijziging van deze regeling wordt terstond bericht gezonden aan de deelnemers en gedeputeerde staten.

 

Artikel 26 Opheffing

  • 1.

    1. Een besluit tot opheffing van deze gemeenschappelijke regeling wordt niet genomen dan nadat de colleges van de beide deelnemende gemeenten, na verkregen toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten, daarmee hebben ingestemd.

  • 2.

    Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het AB tot liquidatie en stelt daarvoor overeenkomstig artikel 22 vijfde lid de nodige regels.

  • 3.

    Het liquidatieplan wordt door het AB, nadat de colleges van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel.

  • 5.

    Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van het samenwerkingsverband.

  • 6.

    Het DB is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 7.

    De bij een regeling ingestelde openbaar lichaam blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

  • 8.

    Van het besluit tot opheffing van deze regeling wordt terstond bericht gezonden aan de betrokken gemeenteraden en gedeputeerde staten.

 

Hoofdstuk 10 Geschillen en klachten

Artikel 27  

  • 1.

    Indien er tussen het openbaar lichaam en een der deelnemers een geschil ontstaat over de uitvoering van de taken zoals opgenomen in deze regeling, treden het DB en het betreffende college terstond in overleg met elkaar teneinde het geschil verder te verkennen en zo mogelijk op te lossen. Indien vorenstaande niet tot een oplossing leidt, worden geschillen omtrent de toepassing in de ruimste zin van de gemeenschappelijke regeling of geschillen tussen besturen van de deelnemende gemeenten en het AB van het openbaar lichaam door gedeputeerde staten beslist, voor zover zij niet behoren tot die vermeld in artikel 112 eerste lid van de Grondwet of tot die, waarvan de beslissing krachtens artikel 112 tweede lid van de Grondwet is opgedragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren.

  • 2.

    Klachten in de zin van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht over gedragingen van personeel dat in dienstbetrekking staat tot de gemeenschappelijke regeling worden overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht in eerste lijn behandeld conform de klachtenregeling openbaar lichaam PlusTeam en in tweede lijn door de Nationale ombudsman.

 

Artikel 28 Duur en evaluatie

  • 1.

    De regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.

  • 2.

    Deze regeling wordt elke vijf jaar geëvalueerd, te rekenen vanaf 1 januari 2015.

 

Slotbepalingen

Artikel 29 Inwerkingtreding en overige bepalingen

  • 1.

    De gewijzigde regeling treedt in werking op 15 juli 2016, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid, van de wet.

  • 2.

    Het dienstverleningsconstruct met bijbehorende financierings- en begrotingssystematiek werkt terug voor het hele kalenderjaar 2016.

  • 3.

    De deelnemers dragen zorg voor de bekendmaking van deze regeling op een in de desbetreffende gemeente gebruikelijke wijze. Het college van de gemeente Geldrop-Mierlo zendt de gemeenschappelijke regeling aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant.

  • 4.

    In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het AB gehoord de colleges van de deelnemende gemeenten.

 

Artikel 30  

Deze gemeenschappelijke regeling wordt aangehaald als: gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam Plusteam.

 

Aldus gewijzigd vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders

van de gemeente Geldrop-Mierlo op d.d. 21 juni 2016.

secretaris J. van Vlerken, Burgemeester B.H.M. Link,

Aldus gewijzigd vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders

van de gemeente Waalre op d.d. 5 juli 2016.

secretaris J.W.F. Compagne Burgemeester J.W. Brenninkmeijer,

Naar boven