Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitStaatscourant 2019, 69489Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2019, nr. WJZ/19302424, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet ter actualisatie van bijlage D (excretieforfaits)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 10, eerste lid, en 38, eerste en derde lid, van de Meststoffenwet en de artikelen 28, 36 en 70 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 25d, derde lid, wordt na ‘die is vernietigd’ ingevoegd ‘, tenzij de graszode in het voorafgaande jaar is geteeld als aangewezen gewas conform het bepaalde in artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit gebruik meststoffen’.

B

In artikel 35a, eerste lid, wordt de zinsnede ‘1 januari 2015 tot en met 31 december 2019’ vervangen door ‘1 januari 2015 tot en met 31 december 2021’.

C

In artikel 35e wordt de zinsnede ‘voor de jaren 2009 tot en met 2019’ vervangen door ‘voor de jaren 2009 tot en met 2021’.

D

Artikel 35g komt te luiden:

Artikel 35g

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2022.

E

Artikel 36 komt te luiden:

Artikel 36

  • 1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit, worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in bijlage D, tabel IA, kolom A.

  • 2. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 1, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom A van die tabel.

F

In de artikelen 38, tweede lid, en 42, eerste lid, onderdelen c en d, wordt ‘bijlage D, tabel I’ telkens vervangen door ‘bijlage D, tabel IA’.

G

Artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘bijlage D, tabel I’ vervangen door ‘bijlage D, tabel IA’.

2. In het derde lid wordt ‘bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II’ vervangen door ‘bijlage D, tabel IA, kolom B, en tabellen IIA en IIB’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 2, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het derde lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 2 van die tabel.

H

Artikel 73 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘bijlage D, tabel I, kolommen B en C’ vervangen door ‘bijlage D, tabel IA, kolommen B en C’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 1 of deel 2, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 1, kolom C, onderscheidenlijk deel 2 van die tabel.

I

Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘bijlage D, tabel II’ vervangen door ‘bijlage D, tabellen IIA en IIB’.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het tweede en het derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot eindproducten en die minder dan 50 procent van de geproduceerde melk leveren aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing 2008, 7.500 kilogram onderscheidenlijk 26 milligram per 100 gram.

J

Artikel 74a komt te luiden:

Artikel 74a

Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 2, onderscheiden categorieën dieren, zijn de in artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, in afwijking van artikel 74, de normen die zijn vermeld in deel 2 van die tabel.

K

Artikel 96 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding 1. geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt ‘bijlage D, tabel I, kolom D’ vervangen door ‘bijlage D, tabel IA, kolom D’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten, en die behoren tot de in bijlage D, tabel IB, deel 1, onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom D van die tabel.

L

In bijlage D wordt tabel I vervangen door de tabellen IA en IB uit bijlage I bij deze regeling en worden de tabellen III en IV vervangen door de tabellen III en IV uit bijlage I bij deze regeling.

M

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. In tabel I komt bij de diersoort konijnen de regel betreffende drijfmest met ds <2,5% te luiden:

 

drijfmest met ds < 2,5%

91

0,81

0,14

2. In tabel II komt de regel betreffende paardenmest te luiden:

Paardenmest

25

4,8

2,5

ARTIKEL II

De Regeling dierlijke producten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.17. komt te luiden:

Artikel 2.17. Veebezetting

Het aantal vee-eenheden, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van verordening (EG) nr. 889/2008, bedraagt 170 gedeeld door de hoeveelheid stikstof zoals die voor de desbetreffende diercategorie is opgenomen in bijlage D, tabel IB, deel 2, of indien de desbetreffende diercategorie daarin ontbreekt, in bijlage D, tabel IA, kolom B, bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

B

Bijlage 1 vervalt.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 19 december 2019

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

BIJLAGE I, BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL H

Tabel IA: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de artikelen 36, 38, 42, 43, 73 en 96

De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van artikel 43.

Diersoort of diercategorie1

Diernummer

Stalsysteem

A

Excretie per dier in de periode van 1 augustus tot 1 maart in m3  2

B

Excretie per dier per jaar in kg stikstof3

C

Excretie per dier per jaar in kg fosfaat4

D

Stikstofcorrectie per dier per jaar in kg5

Bos Taurus (rund)

10

         

Melk- en kalfkoeien, te weten koeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze:

– drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of

– worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken.

100

drijfmest

Zie tabel IIA

Zie tabel IIA

Zie tabel IIA

vaste mest

Zie tabel IIB

Zie tabel IIB

Zie tabel IIB

Jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, waaronder alle kalveren van melk- en kalfkoeien van 0 tot ten minste 14 dagen, en vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar dat later een kalf krijgt voor de vleesveehouderij of dat bestemd is om een kalf te krijgen voor de vleesveehouderij

101

drijfmest

4,4

32,3

9,6

vaste mest

2,2

29,1

9,6

Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder voor de melkveehouderij en vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder dat later een kalf krijgt voor de vleesveehouderij of dat bestemd is om een kalf te krijgen voor de vleesveehouderij

102

drijfmest

9,5

66,9

21,9

vaste mest

4,7

61,3

21,9

Fokstieren (stieren van 1 jaar en ouder voor de fokkerij van runderen voor de melkvee- of vleesveehouderij)

104

drijfmest

10,0

64,4

25,9

vaste mest

6,3

51,2

25,9

Witvleeskalveren van ca. 14 dagen tot ca. 8 maanden (kalveren van ca. 14 dagen en ouder die gehouden worden op een rantsoen van hoofdzakelijk melk en op een leeftijd van ca. 8 maanden worden geslacht)

112

alle

1,6

11,3

5,4

3,0

Startkalveren voor rosévlees of roodvlees (kalveren van ca. 14 dagen tot ca. 3 maanden die op gespecialiseerde bedrijven worden gehouden en vervolgens op een bedrijf als rosévleeskalf dan wel roodvleesstier worden gehouden)

115

alle

1,2

10,5

3,4

Rosévleeskalveren van ca. 3 maanden tot ca. 8 maanden (kalveren van ca. 3 maanden en ouder die hiervoor zijn gehouden als startkalf, gehouden worden op een rantsoen van melk en andere voeders en op een leeftijd van ca. 8 maanden worden geslacht)

116

alle

3,3

26,3

9,4

Rosévleeskalveren van ca. 14 dagen tot ca. 8 maanden (kalveren van ca. 14 dagen en ouder die gehouden worden op een rantsoen van melk en andere voeders en op een leeftijd van ca. 8 maanden worden geslacht)

117

alle

2,6

21,5

7,6

Weide- en zoogkoeien (koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd niet zijnde melk- en kalfkoeien)

120

drijfmest

11,2

75,4

26,9

vaste mest

5,3

75,3

26,9

Roodvleesstieren van ca. 3 maanden tot de slacht (inclusief ossen en vrouwelijke dieren die op de dezelfde wijze worden gemest)

122

drijfmest

4,2

28,2

9,7

vaste mest

2,2

25,6

9,7

Ovis Aries (Schaap)

55

         

Schapen voor de vlees- en melkproductie (alle vrouwelijke schapen die ten minste eenmaal hebben gelammerd, inclusief alle schapen tot ca. 4 maanden, voor zover gehouden op het bedrijf waar deze schapen geboren zijn en rammen)

550

alle

0,6

9,9

3,3

Vleesschapen tot ca. 4 maanden, gehouden op bedrijven waar ze niet zijn geboren

551

alle

0,1

0,9

0,3

Opfokooien, weideschapen en vleesschapen van ca. 4 maanden en ouder

552

alle

0,4

7,2

2,2

Capra hircus (geit)

60

         

Melkgeiten (alle vrouwelijke geiten die ten minste eenmaal hebben gelammerd, inclusief pasgeboren lammeren en geslachtsrijpe bokken)

600

alle

0,8

9,4

4,7

Opfokgeiten en vleesgeiten tot ca. 4 maanden

601

alle

0,1

0,6

0,3

Opfokgeiten van ca. 4 maanden en ouder

602

alle

0,5

4,7

2,6

Equus caballus (paard)

94

         

Pony’s (dieren met een schofthoogte tot 1,56 meter en inclusief veulens tot 6 maanden)

941

alle

4,4

27,3

13,0

Paarden (dieren met een schofthoogte vanaf 1,56 meter en inclusief veulens tot 6 maanden)

943

alle

7,8

58,8

28,6

Equus asinus (Ezel)

96

         

Ezels (inclusief veulens tot 6 maanden)

961

alle

3,6

16,0

7,3

Cervus elaphus (Middeneuropees edelhert)

97

         

Hinden gehouden voor de fokkerij inclusief kalveren jonger dan 6 maanden en bijbehorende bokken

971

alle

0,94

18,6

6,7

Herten van 6 tot 12 maanden die worden gehouden om te worden geslacht

973

alle

0,44

8,6

2,8

Herten van 12 maanden en ouder die worden gehouden om te worden geslacht

974

alle

1,09

21,4

6,4

Cervus dama dama (Damhert)

98

         

Hinden gehouden voor de fokkerij inclusief kalveren jonger dan 3 maanden en bijbehorende bokken

981

alle

1,31

11,8

3,4

Alle herten van 3 maanden en ouder die worden gehouden om te worden geslacht

982

alle

0,81

9,7

2,4

Bubalis Bubalis (Waterbuffel)

99

         

Waterbuffelkoeien (alle waterbuffelkoeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden; ook waterbuffelkoeien die droog gezet zijn of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken)

991

alle

11,5

76,5

29,9

Waterbuffeljongvee (alle jongvee van waterbuffels tot een leeftijd van 2 jaar)

992

alle

4,3

28,7

10,1

Sus scrofa (Varken)

40

         

Fokzeugen waarvan de gespeende biggen op een ander bedrijf worden gehouden (ten minste eenmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen, guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, zeugen waarvan de biggen gespeend zijn en waarvan de gespeende biggen aan een ander bedrijf worden geleverd).

400

vaste mest, emissiearm

1,03

11,4

9,3

vaste mest, overig

1,03

11,4

9,3

drijfmest, emissiearm

1,40

14,5

6,2

drijfmest, overig

1,40

14,3

6,4

Fokzeugen inclusief biggen tot een gewicht van 25 kg (ten minste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen, guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, waarvan de biggen worden gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg.

401

vaste mest, emissiearm

2,00

16,4

13,4

vaste mest, overig

2,00

16,4

13,4

drijfmest, emissiearm

2,50

20,9

8,9

Drijfmest, overig

2,50

20,6

9,2

Opfokzeugen en -beren van ca. 25 kg tot geslachtsrijpheid

404

vaste mest, emissiearm

0,81

7,9

6,5

vaste mest, overig

0,81

7,9

6,5

drijfmest, emissiearm

0,91

9,4

5,0

Drijfmest, overig

0,91

8,7

5,7

Dekberen en zoekberen, geslachtsrijp

406

vaste mest, emissiearm

1,30

12,7

10,4

vaste mest, overig

1,30

12,7

10,4

drijfmest, emissiearm

1,80

16,1

6,9

drijfmest, overig

1,80

15,9

7,1

Gespeende biggen tot ca 25 kg zonder moederdier op eigen bedrijf

407

vaste mest, emissiearm

0,25

1,2

1,0

vaste mest, overig

0,25

1,2

1,0

drijfmest, emissiearm

0,30

1,5

0,7

drijfmest, overig

0,30

1,5

0,7

Vleesvarkens

411

vaste mest, emissiearm

0,71

6,4

5,2

vaste mest, overig

0,71

6,4

5,2

drijfmest, emissiearm

0,75

7,6

4,0

drijfmest, overig

0,75

7,0

4,6

Gallus gallus (Kip)

30

         

Leghennen en (groot)ouderdieren jonger dan 18 weken

300

volièrestal

0,009

0,23

0,12

overige mestbanden

0,007

0,22

0,13

overig

0,007

0,20

0,15

Leghennen en (groot)ouderdieren 18 weken en ouder

301

volièrestal

0,018

0,49

0,27

overige mestbanden

0,014

0,55

0,21

overig

0,015

0,46

0,30

(Groot)ouderdieren van vleeskuikens jonger dan 20 weken

310

alle

0,004

0,18

0,18

(Groot)ouderdieren van vleeskuikens 20 weken en ouder

311

emissiearm

0,018

0,54

0,54

overig

0,018

0,44

0,64

Vleeskuikens (kippen die worden gehouden voor de slacht)

312

emissiearm

0,011

0,29

0,13

overig

0,011

0,29

0,13

Meleagris gallopavo (Kalkoen)

20

         

Jonge kalkoenen (hennen en hanen voor de productie van broedeieren van ca. 0 weken tot ca. 6 weken, gehouden op een quarantainebedrijf)

200

alle

0,011

0,24

0,21

Opfokkalkoenen (hennen en hanen voor de productie van broedeieren van ca. 6 weken tot ca. 30 weken, gehouden op een opfokbedrijf)

201

alle

0,071

1,60

0,85

Kalkoenen ouderdieren (hennen en hanen voor de productie van broedeieren van ca. 30 weken en ouder)

202

alle

0,073

1,62

0,85

Vleeskalkoenen (kalkoenen die worden gehouden voor de slacht)

210

alle

0,048

1,25

0,54

Mustela vison (Nerts)

75

         

Fokteven (alle vrouwelijke dieren, die tenminste eenmaal zijn gedekt, met bijbehorende reuen en jongen, en nertsen voor pelsproductie)

751

alle

0,039

1,3

1,0

Oryctolagus cuniculus (Konijn)

90

         

Voedsters (alle vrouwelijke dieren die ten minste eenmaal gedekt zijn, met bijbehorende zogende jongen en opfokkonijnen) en fokrammen

900

alle

0,126

1,7

1,3

Vleeskonijnen (alle jonge konijnen die na het spenen zijn bestemd voor de vleesproductie)

901

alle

0,025

0,49

0,37

Anas plathyrhynchos (Peking eend)

81

         

Vleeseenden (eenden die worden gehouden voor de slacht)

801

alle

0,028

0,46

0,28

Ouderdieren van vleeseenden in opfok (opfokperiode tot 20 weken)

802

alle

0,037

0,48

0,29

Ouderdieren van vleeseenden (legperiode vanaf 20 weken)

803

alle

0,045

0,87

0,54

Overige diersoorten

           

Rattus norvegicus (Bruine rat), Mus musculus (Tamme muis), Cavia porcellus (Cavia), Mesocricetus auratus (Goudhamster), Meriones unguiculatus (Gerbil) (vrouwelijke geslachtsrijpe dieren)

15

alle

0,054

0,65

0,65

Struthio camelus (Struisvogel), Dromaius novaehollandiae (Emoe) en Rhea Americana (Nandoe)(vrouwelijke geslachtsrijpe dieren)

25

alle

0,560

12,3

12,3

Anser cygnoides (Knobbelgans) en Anser anser (Grauwe gans) (alle geslachtsrijpe vrouwelijke ganzen)

28

alle

0,086

3,2

3,2

Phasianus colchicus (Fazant), Perdix perdix (Patrijs) (vrouwelijke geslachtsrijpe dieren)

35

alle

0,006

0,12

0,12

Columbia livia (Vleesduif), Numida meleagris (Helmparelhoen), (vrouwelijke geslachtsrijpe dieren en voor vleesduiven ook de vleeskuikens)

37

emissiearm

0,009

0,46

0,036

overig

0,009

0,42

0,078

X Noot
1

Als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie dienen de forfaits gehanteerd te worden van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie.

X Noot
2

Behorende bij artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

X Noot
3

Behorende bij de artikelen 43 en 73 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Met betrekking tot artikel 73 alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.

X Noot
4

Behorende bij artikel 73 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.

X Noot
5

Behorende bij artikel 96 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Tabel IB: Excretieforfaits en stikstofcorrectie biologisch gehouden dieren, behorende bij de artikelen 36, 43, 73, 74a en 96

De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van artikel 43.

In deel 2 van deze tabel wordt verstaan onder:

dekberen:

jonge, nog niet dekrijpe beren en zoekberen;

fokzeugen:

varkens die ten minste eenmaal gedekt of geïnsemineerd zijn, waaronder guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen en zeugen waarvan de biggen gespeend zijn;

hennen en hanen van legrassen:

hennen en hanen van legrassen, inclusief (groot)ouderdieren;

melk- en kalfkoeien:

koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden, waaronder koeien die droog gezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

opfokberen:

jonge, nog niet dekrijpe beren die worden aangehouden voor de fokkerij;

opfokhennen en -hanen van legrassen:

opfokhennen en -hanen voor de vervanging van hennen en hanen van legrassen, inclusief (groot)ouderdieren;

opfokhennen en -hanen van vleesrassen:

opfokhennen en – hanen ter vervanging van (groot)ouderdieren van vleesrassen;

opfokkonijnen:

jonge, nog niet dekrijpe konijnen die worden aangehouden voor de fokkerij;

opfokzeugen:

jonge zeugen die nooit gedekt of geïnsemineerd zijn die worden gehouden voor de fokkerij;

slachtzeugen:

zeugen die niet meer gebruikt worden voor de fokkerij, maar worden afgemest;

stieren voor de fokkerij:

stieren bestemd voor het fokken van melk- of vleesvee;

voedsters:

vrouwelijke konijnen die die ten minste eenmaal zijn gedekt;

vleeskuikens:

kuikens die voor de slacht worden afgeleverd;

vrouwelijk jongvee:

alle vrouwelijke dieren die nog nooit gekalfd hebben en die worden aangehouden voor de vervanging van de eigen veestapel of de veestapel van derden, waaronder drachtige dieren die niet eerder hebben gekalfd;

weide- en zoogkoeien:

koeien die niet meer worden gemolken, maar worden vetgeweid.

Deel 1

Diersoort of diercategorie

Diernummer

Stalsysteem

A

Excretie per dier in de periode van 1 augustus tot 1 maart in m3

B

Excretie per dier per jaar in kg stikstof: zie deel 2 of indien de desbetreffende diercategorie daarin ontbreekt tabel IA, kolom B

C

Excretie per dier per jaar in kg fosfaat

D

Stikstofcorrectie per dier per jaar in kg

Bos Taurus (rund)

10

         

Melk- en kalfkoeien, te weten koeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze:

– drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of

– worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken.

100

drijfmest

Zie tabel IIA

 

Zie tabel IIA

vaste mest

Zie tabel IIB

Zie tabel IIB

Jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, waaronder alle kalveren van melk- en kalfkoeien van 0 tot ten minste 14 dagen, en vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar dat later een kalf krijgt voor de vleesveehouderij of dat bestemd is om een kalf te krijgen voor de vleesveehouderij

101

drijfmest

4,4

 

9,6

vaste mest

2,2

 

9,6

Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder voor de melkveehouderij en vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder dat later een kalf krijgt voor de vleesveehouderij of dat bestemd is om een kalf te krijgen voor de vleesveehouderij

102

drijfmest

9,5

 

21,9

vaste mest

4,7

 

21,9

Fokstieren (stieren van 1 jaar en ouder voor de fokkerij van runderen voor de melkvee- of vleesveehouderij)

104

drijfmest

10,0

 

25,9

vaste mest

6,3

 

25,9

 

Startkalveren voor rosévlees of roodvlees (kalveren van ca. 14 dagen tot ca. 3 maanden die op gespecialiseerde bedrijven worden gehouden en vervolgens op een bedrijf als rosévleeskalf dan wel roodvleesstier worden gehouden)

115

alle

1,2

 

3,4

Rosévleeskalveren van ca. 3 maanden tot ca. 8 maanden (kalveren van ca. 3 maanden en ouder die hiervoor zijn gehouden als startkalf, gehouden worden op een rantsoen van melk en andere voeders en op een leeftijd van ca. 8 maanden worden geslacht)

116

alle

3,3

 

9,4

Rosévleeskalveren van ca. 14 dagen tot ca. 8 maanden (kalveren van ca. 14 dagen en ouder die gehouden worden op een rantsoen van melk en andere voeders en op een leeftijd van ca. 8 maanden worden geslacht)

117

alle

2,6

 

7,6

Weide- en zoogkoeien (koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd niet zijnde melk- en kalfkoeien)

120

drijfmest

11,2

 

26,9

vaste mest

5,3

 

26,9

Roodvleesstieren van ca. 3 maanden tot de slacht (inclusief ossen en vrouwelijke dieren die op de dezelfde wijze worden gemest)

122

drijfmest

4,2

 

9,7

vaste mest

2,2

 

9,7

Ovis Aries (Schaap)

55

         

Schapen voor de vlees- en melkproductie (alle vrouwelijke schapen die ten minste eenmaal hebben gelammerd, inclusief alle schapen tot ca. 4 maanden, voor zover gehouden op het bedrijf waar deze schapen geboren zijn en rammen)

550

alle

0,6

 

3,3

Vleesschapen tot ca. 4 maanden, gehouden op bedrijven waar ze niet zijn geboren

551

alle

0,1

 

0,3

Opfokooien, weideschapen en vleesschapen van ca. 4 maanden en ouder

552

alle

0,4

 

2,2

Capra hircus (geit)

60

         

Melkgeiten (alle vrouwelijke geiten die ten minste eenmaal hebben gelammerd, inclusief pasgeboren lammeren en geslachtsrijpe bokken)

600

alle

0,8

 

4,4

Opfokgeiten en vleesgeiten tot ca. 4 maanden

601

alle

 

0,1

0,3

Opfokgeiten van ca. 4 maanden en ouder

602

alle

 

0,5

2,6

Sus scrofa (Varken)

40

         

Fokzeugen waarvan de gespeende biggen op een ander bedrijf worden gehouden (ten minste eenmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen, guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, zeugen waarvan de biggen gespeend zijn en waarvan de gespeende biggen aan een ander bedrijf worden geleverd).

400

vaste mest, emissiearm

1,03

 

vaste mest, overig

1,03

 

drijfmest, emissiearm

1,40

 

drijfmest, overig

1,40

 

Fokzeugen inclusief biggen tot een gewicht van 25 kg (ten minste éénmaal gedekte of geïnsemineerde zeugen, guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen, waarvan de biggen worden gehouden tot een gewicht van ca. 25 kg.

401

vaste mest, emissiearm

2,00

 

vaste mest, overig

2,00

 

drijfmest, emissiearm

2,50

 

drijfmest, overig

2,50

 

Opfokzeugen en -beren van ca. 25 kg tot geslachtsrijpheid

404

vaste mest, emissiearm

0,81

 

vaste mest, overig

0,81

 

drijfmest, emissiearm

0,91

 

drijfmest, overig

0,91

 

Dekberen en zoekberen, geslachtsrijp

406

vaste mest, emissiearm

1,30

 

vaste mest, overig

1,30

 

drijfmest, emissiearm

1,80

 

drijfmest, overig

1,80

 

Gespeende biggen tot ca 25 kg zonder moederdier op eigen bedrijf

407

vaste mest, emissiearm

0,25

 

-

vaste mest, overig

0,25

 

-

drijfmest, emissiearm

0,30

 

drijfmest, overig

0,30

 

Vleesvarkens

411

vaste mest, emissiearm

0,71

 

vaste mest, overig

0,71

 

drijfmest, emissiearm

0,75

 

drijfmest, overig

0,75

 

Gallus gallus (Kip)

30

         

Leghennen en (groot)ouderdieren jonger dan 18 weken

300

volièrestal

0,009

 

overige mestbanden

0,007

 

overig

0,007

 

Leghennen en (groot)ouderdieren 18 weken en ouder

301

volièrestal

0,018

 

overige mestbanden

0,014

 

overig

0,015

 

Vleeskuikens (kippen die worden gehouden voor de slacht)

312

emissiearm

0,011

 

overig

0,011

 

Deel 2

Diersoorten

Onderscheiden categorieën binnen de diersoorten

Excretie per dier per jaar in kg stikstof

Rundvee

Fok- en gebruiksvee

 
 

Melk- en kalfkoeien gehouden in een stal, niet zijnde een grupstal of potstal met vaste mest

96,1

 

Melk- en kalfkoeien gehouden in een grupstal met vaste mest

90,6

 

Melk- en kalfkoeien gehouden in een potstal met vaste mest

86,4

 

Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar

32,3

 

Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder

66,0

 

Stieren voor de fokkerij jonger dan 1 jaar

26,7

 

Stieren voor de fokkerij van 1 jaar en ouder

51,0

 

Roodvleesproductie

 
 

Weide- en zoogkoeien

66,2

 

Vleesstierkalf tot een leeftijd van ca. 3 maanden

6,6

 

Vleesstieren van ca. 3 maanden tot ca. 16 maanden oud

27,2

 

Vleesstieren tot een leeftijd van ca. 16 maanden die op één bedrijf worden afgemest

23,4

 

Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoort tot de hierboven genoemde categorieën en jonger is dan 1 jaar

26,4

 

Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoort tot de hierboven genoemde categorieën van 1 jaar en ouder

65,4

Varkens

Fokkerij/vermeerdering

 
 

Fokzeugen waarvan de biggen ca. 6 weken na hun geboorte aan een ander bedrijf worden geleverd en fokzeugen die nog geen biggen hebben

12,0

 

Fokzeugen waarvan de biggen worden gehouden tot ze een gewicht van ca. 25 kg hebben en fokzeugen waarvan de biggen op het eigen bedrijf worden gehouden

15,3

 

Opfokzeugen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden afgeleverd op ca. 7 maanden

5,9

 

Opfokzeugen van ca. 7 maanden tot de eerste dekking

9,1

 

Opfokzeugen van ca. 25 kg tot de eerste dekking en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden aangehouden tot de eerste dekking

6,1

 

Opfokberen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokberen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn

5,5

 

Dekberen van ca. 7 maanden en ouder en beren afkomstig van het eigen bedrijf van 7 maanden oud

11,7

 

Gespeende biggen, aangeleverd op een leeftijd van ca. 6 weken, totdat ze een gewicht hebben van ca. 25 kg en gespeende biggen, aangeleverd op ca. 6 weken, die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij totdat ze een gewicht hebben van 25 kg

2,0

 

Mesterij

 
 

Slachtzeugen

12,8

 

Varkens die worden gemest van ca. 25 kg tot ca. 110 kg en biggen afkomstig van het eigen bedrijf vanaf 25 kg

6,1

Kippen

Legrassen

 
 

Opfokhennen en -hanen jonger dan ca. 18 weken die worden afgeleverd op ca. 18 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden gehouden tot 18 weken

0,159

 

Hennen en hanen van legrassen van ca. 18 weken en ouder die zijn aangeleverd op ca. 18 weken en van het eigen bedrijf afkomstige hennen en hanen van 18 weken en ouder

0,371

 

Vleesrassen

 
 

Opfokhennen en -hanen van vleesrassen, jonger dan ca. 19 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden aangehouden tot 19 weken oud

0,110

 

(Groot)ouderdieren van vleesrassen van ca. 19 weken en ouder en van het eigen bedrijf afkomstige (ouder)dieren van 19 weken en ouder

0,411

 

Vleeskuikens

0,332

Kalkoenen

Voor broedeieren

 
 

Hennen en hanen tot een leeftijd van ca. 6 weken, gehouden op een quarantainebedrijf

0,290

 

Hennen en hanen van ca. 6 tot ca. 30 weken oud, gehouden op een opfokbedrijf

1,165

 

Hennen en hanen van ca. 30 weken en ouder

1,513

 

Vleeskalkoenen

 
 

Vleeskalkoenen, vanaf het opzetten bij aanvang van de mestperiode tot de aflevering voor de slacht

0,884

Schapen

Schapen voor de vlees- en melkproductie (alle vrouwelijke schapen die ten minste eenmaal hebben gelammerd, inclusief alle schapen tot ca. 4 maanden, voor zover gehouden op het bedrijf waar deze schapen geboren zijn en rammen)

9,9

 

Vleesschapen tot ca. 4 maanden, gehouden op bedrijven waar ze niet zijn geboren

0,9

 

Opfokooien, weideschapen en vleesschapen van ca. 4 maanden en ouder

7,2

Geiten

Melkgeiten (alle vrouwelijke geiten die ten minste eenmaal hebben gelammerd, inclusief pasgeboren lammeren en geslachtsrijpe bokken)

8,9

 

Opfokgeiten en vleesgeiten tot ca. 4 maanden

0,6

 

Opfokgeiten van ca. 4 maanden en ouder

4,7

Eenden

Ouderdieren van vleeseenden

0,50

 

Vleeseenden

0,39

Konijnen

Vrouwelijke konijnen die ten minste eenmaal zijn gedekt en niet-gespeende jongen

1,24

 

Fokrammen, bestemd voor het fokken van vleeskonijnen

0,75

 

Opfokkonijnen vanaf ca. 80 dagen oud tot de eerste dekking

1,01

 

Vleeskonijnen vanaf het spenen tot ca. 80 dagen oud en opfokkonijnen tot 80 dagen oud

0,40

Parelhoenders

Vleesparelhoenders

0,437

Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102

 

per dier

per kg lichaamsgewicht

 

kg stikstof

kg fosfaat

kg stikstof

kg fosfaat

Bos Taurus (Rund)

       

Nuchtere kalveren

1,4

0,8

0,0294

0,0183

Witvleeskalveren

6,9

4,0

0,0302

0,0174

Sus scrofa (Varken)

       

Pasgeboren biggen

0,03

0,02

0,0187

0,0141

Gespeende biggen, ongeveer 4 weken oud

0,18

0,09

0,0244

0,0122

Biggen van ongeveer 10 weken (ca 25 kg)

0,65

0,32

0,0248

0,0122

Vleesvarkens

2,85

1,40

0,0250

0,0123

Fokzeugen

5,13

2,51

0,0250

0,0123

Opfokzeugen/beren van ca. 7 maanden

3,11

1,65

0,0249

0,0132

Fokberen ouder dan 7 maanden

8,13

3,98

0,0250

0,0123

Slachtzeugen

5,13

2,51

0,0250

0,0123

Gallus gallus (Kip)

       

Eendagskuikens – kip

0,0010

0,0002

0,0258

0,0058

Opfokhennen/-hanen van ongeveer 18 weken, wit

0,036

0,016

0,0280

0,0126

Opfokhennen/-hanen van ongeveer 18 weken, bruin

0,043

0,019

0,0280

0,0126

Hennen/hanen ouder dan 18 weken, wit

0,045

0,021

0,0280

0,0128

Hennen/hanen ouder dan 18 weken, bruin

0,050

0,023

0,0280

0,0128

Opfokhennen/-hanen vleesrassen van ongeveer 20 weken

0,0735

0,0277

0,0334

0,0126

Ouderdieren vleesrassen ouder dan 20 weken

0,121

0,052

0,0292

0,0125

Vleeskuikens – kip

0,067

0,024

0,0283

0,0101

Meleagris gallopavo (Kalkoen)

       

Eendagskuikens

0,0017

0,0004

0,0300

0,0078

Kalkoenenouderdieren van 7 maanden

0,46

0,16

0,0330

0,0117

Kalkoenenouderdieren ouder dan 7 maanden

0,49

0,17

0,0330

0,0117

Vleeskalkoenen, hennen

0,32

0,11

0,0330

0,0117

Vleeskalkoenen, hanen

0,65

0,23

0,0330

0,0117

Mustela vison (Nerts)

       

Fokteven ouder dan 7 maanden

0,033

0,016

0,0279

0,0137

Reuen ouder dan 7 maanden

0,081

0,040

0,0279

0,0137

Pups

0,016

0,008

0,0279

0,0137

Oryctolagus cuniculus (Konijn)

       

Jonge konijnen

0,021

0,009

0,0300

0,0124

Voedsters en fokrammen

0,121

0,048

0,0302

0,0119

Vleeskonijnen

0,075

0,032

0,0282

0,0119

Opfokkonijnen

0,075

0,032

0,0295

0,0116

Rattus norvegicus (Bruine rat)

       

Alle ratten

0,0101

0,0048

0,0289

0,0137

Mus musculus (Tamme muis)

       

Alle muizen

0,0016

0,0008

0,0289

0,0137

Cavia porcellus (Cavia)

       

Alle cavia's

0,0275

0,0131

0,0289

0,0137

Mesocricetus auratus (Goudhamster)

       

Alle goudhamsters

0,0087

0,0041

0,0289

0,0137

Meriones unguiculatus (Gerbil)

       

Alle gerbils

0,0029

0,0014

0,0289

0,0137

Anas plathyrhynchos (Peking eend)

       

Eendagskuikens

0,0016

0,0004

0,0280

0,0068

Vleeseenden 3.200 g

0,0994

0,0371

0,0295

0,0116

Ouderdieren van vleeseenden (tot 18 weken) 3.125 g

0,0922

0,0363

0,0295

0,0116

Ouderdieren van vleeseenden (ouder dan 18 weken) 3.400 g

0,1125

0,0612

0,0331

0,0180

Struthio camelus (Struisvogel)

       

Alle struisvogels

3,63

1,28

0,0330

0,0117

Dromaius novae hollandiae (Emoe)

       

Alle emoe's

1,65

0,58

0,0330

0,0117

Rhea Americana (Nandoe)

       

Alle nandoe’s

1,09

0,39

0,0330

0,0117

Anser cygnoides (Knobbelgans)

       

Alle knobbelganzen

0,13

0,06

0,0259

0,0121

Anser anser (Grauwe gans)

       

Alle grauwe ganzen

0,13

0,06

0,0259

0,0121

Numida meleagris (Helmparelhoen)

       

Eendagskuikens

0,0007

0,0002

0,0248

0,0076

Vleesparelhoenders

0,0718

0,0253

0,0357

0,0126

Phasianus colchicus (Fazant)

       

Alle fazanten

0,054

0,019

0,0357

0,0126

Perdix perdix (Patrijs)

       

Alle patrijzen

0,014

0,005

0,0357

0,0126

Columbia livia (Vleesduif)

       

Alle duiven

0,006

0,002

0,0357

0,0126

Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103

 

Per kg ei

kg stikstof

kg fosfaat

Consumptie-eieren van kippen

0,0185

0,0039

Broedeieren van kippen

0,0193

0,0044

Eieren van kalkoenen

0,0194

0,0046

Eieren van eenden

0,0195

0,0045

Eieren van andere dieren

0,0190

0,0040

TOELICHTING

I Algemeen

1.1 Doel en aanleiding

Deze regeling wijzigt de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Urm) in verband met een integrale actualisatie van de excretieforfaits in bijlage D en de aanpassing van de omschrijving van enkele diercategorieën in bijlage D. Dit betekent dat alle excretieforfaits zijn beoordeeld en dat een deel van de excretieforfaits wordt aangepast. Actualisatie is van tijd tot tijd nodig omdat diverse factoren zoals de voersamenstelling en de houderij van de dieren aan verandering onderhevig zijn. Bij deze actualisatie speelt ook de toegenomen kennis over de mate van vervluchtiging van stikstof uit mest een rol.

Daarnaast wordt de Urm gewijzigd in verband met de verlenging van de pilot mineralenconcentraat en een verduidelijking betreffende de stikstofgebruiksnorm voor maïs die wordt geteeld na het vernietigen van de zode van een grasgewas dat het jaar daarvoor als vanggewas is ingezaaid.

1.2 Maatregelen

1.2.1 Wijziging forfaits bijlage D

De in bijlage D weergegeven excretieforfaits geven weer hoeveel meststoffen een dier produceert. De forfaits zijn gemiddelde waarden. Op basis van onder andere deze forfaits wordt gecontroleerd of veehouders genoeg dierlijke meststoffen van het bedrijf hebben afgevoerd om binnen de gebruiksnormen te blijven voor de landbouwgronden die bij het bedrijf in gebruik zijn, en of bedrijven voldoende mestopslagcapaciteit hebben en over voldoende fosfaatrechten beschikken. Excretieforfaits zijn in de desbetreffende jaren ook gebruikt voor de bepaling van de omvang van het toe te kennen productierecht (varkens, pluimvee en melkvee). De excretieforfaits voor gangbaar gehouden dieren zijn opgenomen in de Urm. Door onderhavige wijziging worden de excretieforfaits voor biologisch gehouden dieren ook in de Urm opgenomen (tabel IB van bijlage D). In de artikelen 36, 43, 73, 74a en 96 wordt daarom voor op biologische wijze gehouden dieren verwezen naar tabel IB. Voor biologisch gehouden dieren waarvoor geen concrete forfaits in tabel IB zijn benoemd, gelden de forfaits voor gangbaar gehouden dieren zoals opgenomen in tabel IA van bijlage D bij de Urm. Het opnemen van de excretieforfaits voor biologisch gehouden dieren in de Urm betekent tevens een wijziging van de Regeling dierlijke producten (hierna: Rdp) waarin nu voor biologisch gehouden dieren de stikstofexcretieforfaits zijn geregeld. Deze houdt in dat de Rdp naar de Urm zal verwijzen voor de excretieforfaits van biologisch gehouden dieren. Dit wordt geregeld door aanpassing van artikel 2.17 van de Regeling dierlijke producten.

De actualisatie van de excretieforfaits vindt plaats op basis van het advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) (Bikker, P. et al., 2019. ‘Stikstof – en fosfaatexcretie van gangbaar en biologisch gehouden landbouwhuisdieren’. Herziening excretieforfaits Meststoffenwet 2019. WOt-technical report 152, WUR, Wageningen). Deze actualisatie leidt tot aanpassingen in de tabellen I (wordt nu IA en IB), III en IV. De onderhavige regeling wijkt voor een aantal categorieën af van het advies van de CDM. Voor melkvee worden de excretieforfaits vooralsnog niet geactualiseerd. Dit omdat de hoeveelheid fosfaatrechten in de markt het fosfaatplafond voor de melkveehouderij overschrijdt. Zolang dit het geval is, is niet geborgd dat de productie van fosfaat het sectorplafond niet kan overschrijden en is er bovendien een reëel risico dat actualisatie van de forfaits leidt tot overschrijding van het stikstofplafond. Ook de excretieforfaits voor vleesvee, de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van melkkoeien van zelfzuivelaars en de stikstofexcretie van biologisch gehouden dieren, met uitzondering van de biologisch gehouden melkgeiten, worden niet aangepast. Uit de internetconsultatie van de regeling is gebleken dat voor deze categorieën de gevolgen van de voorgestelde aanpassingen voor de bedrijfsvoering dusdanig zijn, dat het niet wenselijk is deze aanpassingen met ingang van 1 januari 2020 door te voeren. Landbouwers hebben op zo’n korte termijn onvoldoende gelegenheid om te anticiperen op de wijzigingen en hun bedrijfsvoering tijdig aan te passen. Daarom worden deze aanpassingen uitgesteld en laat de onderhavige regeling de desbetreffende onderdelen ongewijzigd. Evenmin worden klassen voor hoogproductieve koeien toegevoegd aan de bovenkant van tabel IIA en IIB. Bij de internetconsultatie is gebleken dat het toevoegen van klassen boven 10.624 kg melk per dier per jaar, met bijbehorende excretieforfaits, ingrijpende gevolgen kan hebben voor bedrijven met hoogproductieve koeien. Daarom is, gelet op de korte invoertermijn, besloten geen extra klassen aan de bovenkant van tabel IIA en IIB in te voeren met ingang van 1 januari 2020.

Overtreding van de voorschriften uit de Meststoffenwet die worden gehandhaafd op basis van de excretieforfaits, kan strafrechtelijk worden vervolgd. Daarbij zal moeten worden uitgegaan van de forfaits zoals die golden op het tijdstip waarop het delict is gepleegd. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vindt geen toepassing. De aanpassing van de forfaits is immers het gevolg van periodieke actualisatie, en niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het eerder gepleegde delict.

1.2.1.1 Tabel IA

De huidige tabel I van bijlage D bij de Urm wordt vervangen door de tabellen IA en IB van bijlage D bij de Urm. Tabel IA geeft de geactualiseerde excretieforfaits voor stikstof en fosfaat, de mestopslagcapaciteit voor de periode 1 augustus tot en met 1 maart en de stikstofcorrectie weer voor gangbaar gehouden landbouwhuisdieren. De forfaits voor vleesvee worden thans nog niet geactualiseerd, in verband met de reacties hierop in de internetconsultatie. In die reacties is aangegeven dat de invulling van de rantsoenopbouw die ten grondslag ligt aan de berekende excretieforfaits voor vleesvee onvoldoende aansluit op de praktijk.

Ook de forfaits voor melkvee worden nog niet geactualiseerd. De actualisering van de forfaits voor fosfaat houdt bij melkvee een verlaging van de forfaits in. Met een lager forfait kan een veehouder met dezelfde hoeveelheid fosfaatrechten meer melkvee houden. Het aantal fosfaatrechten in de markt bevindt zich echter nog niet onder het sectorplafond. Om het aantal rechten onder het plafond te brengen is het afromingspercentage bij overdracht van fosfaatrechten met ingang van 13 juni 2019 verhoogd. Uit de cijfers is gebleken dat de handel in fosfaatrechten in 2019 niet ertoe heeft geleid dat het aantal rechten inmiddels onder het plafond ligt. Pas als het aantal uitgegeven fosfaatrechten zich wel onder het sectorplafond bevindt, kan de actualisering van de forfaits voor melkvee worden doorgevoerd. Pas dan is geborgd dat deze actualisering er niet toe leidt dat de fosfaatproductie het sectorplafond voor fosfaat kan overschrijden, en is het risico op overschrijding van het stikstofplafond minder groot. Om die reden is besloten de excretieforfaits voor melkvee op dit moment niet te actualiseren.

De bruto stikstof- en fosfaatexcretie voor dieren in gangbare dierhouderijsystemen is gebaseerd op de resultaten van de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) over een periode van drie jaren, in dit geval over de jaren 2015, 2016 en 2017. Het gebruik van een gemiddelde excretie over een periode van drie jaren is vanwege de fluctuatie in beschikbaarheid en samenstelling van eigen ruwvoer met name bij graasdieren van belang.

Essentieel voor de berekening van de netto excretie bij graasdieren en voor de toepassing van de stalbalans bij staldieren is een goede inschatting van de gasvormige stikstofverliezen.

De gasvormige stikstofverliezen per staltype en mestsoort zijn op basis van de stikstof- en fosfaatverhouding bij excretie en in de afgevoerde mest bepaald. Basis vormt een wetenschappelijk rapport over de mate van vervluchtiging van stikstof uit dierlijke mest (Van Bruggen, Geertjes (2019, ‘Stikstofverlies uit opgeslagen mest. Stikstofverlies berekend uit het verschil in verhouding tussen stikstof en fosfaat bij excretie en bij mestafvoer’) (bijlage 906877 bij Kamerstukken I 2019/20, 35 208, nr. F)). Deze methode is eerder door het CDM beoordeeld en als wetenschappelijk juist gekarakteriseerd. De nieuwe methode leidt gemiddeld genomen tot hogere stikstofcorrectiefactoren dan de bij de vorige actualisatie gebruikte methode van het National Emission Model for Agriculture (NEMA) (Groenenstein et al., 2015b), vooral voor stalsystemen met vaste mest. De netto excretie van stikstof is daardoor lager. Een toelichting op de berekening is opgenomen in het CDM-advies over de excretieforfaits. De hogere stikstofverliezen bestaan vooral uit hogere verliezen aan gasvormig stikstof en lachgas.

Voor de berekening van de forfaitaire excretie van melkgeiten is uitgegaan van een gemiddelde melkproductie van 976 kg per dier per jaar.

In de berekeningen van de forfaitaire excreties van pony’s, paarden en ezels is uitgegaan van een hogere voeropname dan voorheen. In combinatie met de samenstelling van de rantsoenen en de lagere N- en P-gehalten in de rantsoenen zijn per saldo de excreties van de pony’s en de ezels iets lager en is de excretie van de paarden hoger dan voorheen.

Bij de diercategorieën 400 (fokzeugen waarvan gespeende biggen op een ander bedrijf worden gehouden) en 407 (gespeende biggen tot ca. 25 kg zonder moederdier op eigen bedrijf) is uitgegaan van een andere speenleeftijd van de biggen dan voorheen. In deze categorieën zijn de berekeningen gebaseerd op spenen bij een leeftijd van circa vier weken (in plaats van zes weken) op een gewicht van 7,5 kg.

In de categorieën 300 en 301 (leghennen en (groot)ouderdieren) zijn de systemen met drijfmest en met deeppitstal niet langer opgenomen, omdat ze in Nederland niet meer in gebruik zijn.

De actualisatie heeft ook gevolgen voor de mestopslagcapaciteit voor de desbetreffende diercategorieën. Bij deze categorieën is de mestopslagcapaciteit berekend uit het fosfaatgehalte van de verschillende mestsoorten en de soortelijke massa van drijfmest en vaste mest.

1.2.1.2 Tabel IB

In tabel IB, deel 1, worden de geactualiseerde excretieforfaits voor fosfaat en de mestopslagcapaciteit voor de periode 1 augustus tot en met 1 maart weergegeven voor landbouwhuisdieren die in Nederland biologisch worden gehouden. Via verwijzing van artikel 2.17 van de Rdp naar de Urm worden alle excretieforfaits nu op één plek weergegeven. De fosfaatexcretieforfaits zijn gebaseerd op het advies van de CDM. Voor de mestopslagcapaciteit is aangesloten bij die van gangbaar gehouden landbouwhuisdieren.

Voor sommige diercategorieën zijn geen gegevens beschikbaar. Voor deze in tabel IB ontbrekende categorieën gelden dan de gegevens uit tabel IA. Voor biologisch gehouden melk- en kalfkoeien is de fosfaatexcretie – net als voor gangbaar gehouden melk- en kalfkoeien – afhankelijk van de melkproductie en geldt de forfaitaire fosfaatexcretie zoals die per melkproductieklasse is opgenomen in de tabellen IIA en IIB, zoals die in bijlage D zijn opgenomen. De tabellen IIA en IIB worden met deze wijziging niet geactualiseerd, omdat de hoeveelheid fosfaatrechten in de markt het fosfaatplafond voor de melkveehouderij overschrijdt. Zie daarover paragraaf 1.2.1.1. Dit geldt ook voor de forfaits voor biologisch gehouden jongvee van melkvee. Ook de forfaits voor biologisch gehouden vleesvee worden thans nog niet geactualiseerd, in verband met de reacties op de internetconsultatie. Zie daarover eveneens paragraaf 1.2.1.1.

De stikstofexcretieforfaits voor biologisch gehouden dieren zijn opgenomen in tabel IB, deel 2. In afwijking van het advies van de CDM blijven de stikstofexcretieforfaits voor biologisch gehouden dieren, met uitzondering van geiten en schapen, ongewijzigd. Bij de internetconsultatie is gebleken dat de door de CDM berekende stijging van deze forfaits ingrijpende gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering op biologische bedrijven. Daarom is besloten deze forfaits, vanwege de korte invoertermijn, niet met ingang van 1 januari 2020 te actualiseren. De forfaitaire stikstofexcretie van biologisch gehouden geiten wordt wel aangepast, omdat voor de bedrijven in deze sector een actualisatie van het forfait wel wenselijk is. Voor de berekening van de forfaitaire excretie van biologisch gehouden melkgeiten is uitgegaan van een gemiddelde melkproductie van 842 kg per dier per jaar. Ook de forfaitaire stikstofexcretie voor schapen wordt aangepast, omdat deze lager uitvalt en dus niet de impact heeft zoals dit bij andere diercategorieën het geval is.

1.2.1.3 Tabellen III en IV

De actualisatie van de forfaitaire normen heeft ook gevolgen voor enkele forfaitaire normen waarmee in tabel III de aan- en afvoer van staldieren wordt berekend en in tabel IV waarin de forfaitaire normen voor de aan- en afvoer in eieren is weergegeven. De gehalten (aangegeven in kilogrammen stikstof of kilogrammen fosfaat) zijn veranderd voor pasgeboren biggen (stikstof per dier), gespeende biggen (door lager speengewicht (7,5 kg) stikstof en fosfaat per dier), opfokhennen van ongeveer 20 weken vleesrassen (stikstof en fosfaat per kg lichaamsgewicht door gewijzigde gehalten per dier), vleeskuikens (stikstof en fosfaat per dier door iets hoger eindgewicht), vleeskonijnen en opfokkonijnen (stikstof en fosfaat per dier door licht gewijzigd eindgewicht), vleeseenden (stikstof en fosfaat per dier door iets hoger eindgewicht), ouderdieren van vleeseenden (stikstof en fosfaat per dier door een licht gewijzigd eindgewicht) en de eieren van eenden (stikstof en fosfaat per kg). Deze veranderingen vloeien voort uit het CDM-advies over de actualisatie van de forfaitaire excreties van landbouwhuisdieren.

1.2.2 Wijziging omschrijving diercategorieën

In tabel I (straks de tabellen IA en IB) van bijlage D wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende diercategorieën. De omschrijving van verschillende diercategorieën voor runderen wordt met de onderhavige regeling verduidelijkt. Aanleiding hiervoor is dat bij de uitvoering van het fosfaatrechtenstelsel is gebleken dat de omschrijving van de categorieën op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd. Uit de internetconsultatie is gebleken dat voor actualisatie van de vleesveeforfaits nader overleg met sectorpartijen wenselijk is; de omschrijving van verschillende categorieën vleesvee wordt daarin meegenomen. Deze categorieën (112–122) worden daarom met de onderhavige regeling niet gewijzigd. In dit verband wordt ook de leeftijdscategorie waarop diercategorie 102 betrekking heeft, met deze regeling niet gewijzigd.

Diercategorie 100

Diercategorie 100 betreft melk- en kalfkoeien. De volgende dieren vallen onder categorie 100:

  • Koeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en worden gehouden voor de productie van melk die is bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking (melkkoeien).

  • Koeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en worden gehouden voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij.

Koeien die ten minste éénmaal hebben gekalfd en worden gehouden voor de productie van melk die is bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking, maar die tijdelijk droogstaan omdat ze drachtig zijn (kalfkoeien), vallen ook onder categorie 100. Droogzetten wil zeggen dat drachtige koeien voor een korte periode niet worden gemolken voordat ze gaan afkalven. Melk- en kalfkoeien die worden vetgemest voor de slacht vallen eveneens onder categorie 100, zolang zij in de mesttijd nog worden gemolken.

Diercategorie 101

Diercategorie 101 valt uiteen in jongvee voor de melkveehouderij en jongvee voor de vleesveehouderij. De volgende dieren worden aangemerkt als jongvee jonger dan een jaar voor de melkveehouderij:

  • Alle mannelijke en vrouwelijke kalveren tot 14 dagen die zijn geboren uit een melk- of kalfkoe (categorie 100). Omdat het krijgen van kalveren nodig is voor (een voortdurende) melkproductie, zijn alle kalveren van een melkkoe daarom in eerste instantie jongvee voor de melkveehouderij. Na 14 dagen mag een kalf worden verplaatst en kan de bestemming van het dier wijzigen naar vleesvee. Indien het dier bestemd blijft voor de melkveehouderij, blijft het in categorie 101 vallen.

  • Alle vrouwelijke kalveren van 14 dagen tot 1 jaar die bestemd zijn om melk- of kalfkoe te worden.

  • Alle mannelijke kalveren van 14 dagen tot 1 jaar die bestemd zijn om fokstier voor de melkveehouderij te worden.

Vrouwelijk jongvee voor de vleesveehouderij valt onder categorie 101 als het gaat om jongvee jonger dan een jaar dat later een kalf krijgt voor de vleesveehouderij of bestemd is om een kalf te krijgen voor de vleesveehouderij. Dit betreft met name jongvee voor de zoogkoeienhouderij. Jongvee voor de vleesveehouderij waarvan zeker is dat het nooit een kalf zal krijgen, zoals jongvee dat uitsluitend bestemd is voor de slacht en dat niet bevrucht zal worden, valt niet onder categorie 101.

Diercategorie 102

Diercategorie 102 heeft alleen betrekking op vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder. Categorie 102 valt, net als categorie 101, uiteen in jongvee voor de melkveehouderij en jongvee voor de vleesveehouderij. Als jongvee van 1 jaar en ouder voor de melkveehouderij worden aangemerkt al het vrouwelijke jongvee vanaf 1 jaar dat bestemd is om melk- of kalfkoe te worden.

Jongvee voor de vleesveehouderij valt onder categorie 102 als het gaat om jongvee van 1 jaar en ouder dat later een kalf krijgt voor de vleesveehouderij of bestemd is om een kalf te krijgen voor de vleesveehouderij. Dit betreft met name jongvee voor de zoogkoeienhouderij. Jongvee voor de vleesveehouderij waarvan zeker is dat het nooit een kalf zal krijgen, zoals jongvee dat uitsluitend bestemd in voor de slacht en dat niet bevrucht zal worden, valt niet onder categorie 102.

Jongvee dat in eerste instantie bestemd was om een kalf te krijgen, maar geen kalf heeft gekregen en ook niet meer bevrucht zal worden (bijvoorbeeld omdat het dier onvruchtbaar is gebleken), valt vanaf het moment dat duidelijk is dat het dier nooit een kalf zal krijgen niet meer in categorie 102.

Diercategorie 104

Diercategorie 104 betreft stieren van 1 jaar en ouder die bestemd zijn voor de fokkerij. Dit betreft zowel fokstieren voor de melkveehouderij als fokstieren voor de vleesveehouderij (zoogkoeienhouderij).

Artikel 74 lid 4 – zelfzuivelaars

In artikel 74, vierde lid, is de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van zelfzuivelaars vastgesteld. In de tekst van artikel 74, vierde lid, wordt verduidelijkt dat het gaat om een landbouwer die zowel op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerkt tot eindproduct als minder dan 50% van de op het bedrijf geproduceerde melk levert aan een koper als bedoeld in de Regeling superheffing 2008. Een eindproduct is een product dat niet verder bewerkt hoeft te worden en dat klaar is voor verkoop aan consumenten. Een koper als bedoeld in de Regeling superheffing 2008 is een onderneming of groepering die van de landbouwer melk koopt om dit vervolgens in te zamelen, te verpakken, op te slaan, te koelen of te verwerken, dan wel een onderneming of groepering die van de landbouwer melk koopt om dit vervolgens door te verkopen aan een of meer bedrijven die melk of andere zuivelproducten behandelen of verwerken. In artikel 74, vijfde lid, wordt het gemiddelde ureumgehalte vastgesteld voor bedrijven die meer dan 50 procent van de geproduceerde koemelk leveren aan ondernemingen waar maximaal 500.000 kilogram koemelk per jaar wordt verwerkt.

Op basis van de gemiddelde melkproductie op het bedrijf en het gemiddelde ureumgehalte zoals dat is vastgesteld in artikel 74, vierde of vijfde lid, blijken uit de tabellen IIA en IIB van bijlage D de van toepassing zijnde forfaits. Voor bedrijven die melk produceren volgens de biologische productiewijze geldt voor melk- en kalfkoeien een vast forfait per koe voor de stikstofexcretie, zoals opgenomen in bijlage D, tabel IB, deel 2. De gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte spelen dus geen rol bij het bepalen van de stikstofexcretie van bedrijven als bedoeld in artikel 74, vierde en vijfde lid, die produceren volgens de biologische productiewijze. Wel is de gemiddelde melkproductie voor deze bedrijven relevant bij het bepalen van de fosfaatexcretie.

In afwijking van het advies van de CDM blijft de gemiddelde melkproductie ongewijzigd. Naar aanleiding van de internetconsultatie is het voornemen om in de toekomst voor zelfzuivelaars, net als voor andere melkveehouders, uit te gaan van de werkelijke melkproductie in plaats van een vooraf vastgestelde gemiddelde productie. Omdat dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van zelfzuivelaars die meer dan het huidig vastgestelde gemiddelde van 7.500 kilogram melk produceren, is – gelet op de korte invoertermijn – besloten deze wijziging niet met ingang van 1 januari 2020, maar op een later moment door te voeren. Omdat de forfaits voor melkvee niet worden geactualiseerd, wordt ook het gemiddelde ureumgehalte in artikel 74, vierde en vijfde lid, nu niet geactualiseerd.

Bijlage I

In tabel I van bijlage I is het forfaitaire gehalte van stikstof en fosfaat in konijnenmest met een drogestofgehalte lager dan 2,5% aangepast overeenkomstig het advies van Wageningen University en Research. Deze aanpassing betekent dat minder mest afgevoerd hoeft te worden dan voorheen het geval was.

In tabel II van bijlage I zijn de forfaitaire stikstof- en fosfaatgehalten in vaste paardenmest gecorrigeerd. Deze waarden zijn in lijn gebracht met de waarden in tabel I van bijlage I.

1.3 Samenhang met het fosfaatrechtenstelsel

De omschrijving van verschillende diercategorieën voor runderen in tabel I (straks de tabellen IA en IB) van bijlage D wordt met de onderhavige regeling verduidelijkt. Voor zover het de diercategorieën 100, 101 en 102 betreft, waren de categorie-omschrijvingen tot nu toe gelijkluidend met de definitie van het begrip ‘melkvee’ in de wet, die onder meer bepalend is voor de reikwijdte van het fosfaatrechtenstelsel. Met de onderhavige wijziging zullen de teksten niet meer volledig gelijkluidend zijn. De wijzigingen betreffen verduidelijkingen en laten de reikwijdte van het fosfaatrechtenstelsel zoals die is vastgelegd in de wet onverlet. De verduidelijkingen zijn in lijn met de huidige toepassing van het fosfaatrechtenstelsel en de jurisprudentie van het College van beroep voor het bedrijfsleven daarover.

1.4 Verlenging pilot mineralenconcentraat

De pilot mineralenconcentraat wordt met twee jaar verlengd, tot en met 31 december 2021. Al enkele jaren wordt binnen de pilot mineralenconcentraat bij bedrijven mest zodanig bewerkt dat er een stikstof-kalium meststof wordt geproduceerd die een vergelijkbare werking heeft als kunstmest. De pilot biedt de mogelijkheid voor bedrijven om dit op praktijkschaal te testen en het product te gebruiken boven de stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest. Binnen de pilot zijn tien bedrijven actief, van verschillende omvang, ingangsmateriaal en techniek om zo een beter beeld te krijgen van welke mogelijkheden er zijn voor hoogwaardige mestverwerking.

In de afgelopen jaren is er agronomisch en milieutechnisch onderzoek uitgevoerd naar het product mineralenconcentraat. Uit dit onderzoek is nuttige informatie verkregen, die heeft geleid tot het vaststellen van kwaliteitseisen aan het product mineralenconcentraat. De eisen zijn voor de looptijd van de vorige pilot voor mineralenconcentraat opgenomen in de Urm. Deze kwaliteitseisen borgen een effectieve agronomische werking van deze meststof, waardoor de effecten op het milieu minder groot zijn dan wanneer onbewerkte dierlijke mest wordt gebruikt.

In de pilot mineralenconcentraat worden gegevens verzameld in het kader van het onderzoek naar hoogwaardige meststoffen uit dierlijke mest. De Europese Commissie heeft aangegeven dat zij wil werken aan criteria voor het gebruik van verwerkte mest in de context van de Nitraatrichtlijn. Dit betekent dat zij wil bezien onder welke voorwaarden verwerkte mestproducten kunnen worden toepast als zijnde kunstmest, binnen specifieke kwetsbare gebieden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het Joint Research Centre en zal in de loop van 2020 vergezeld door een advies aan de Europese Commissie worden overhandigd. Op basis van dit advies kan de Europese Commissie een richtsnoer opstellen. De verwachting is dat dit nog enige tijd zal vergen. De verlenging van de pilot mineralenconcentraat moet mede bezien worden in deze context.

1.5 Stikstofgebruiksnorm na het vernietigen van de zode van een grasgewas dat als vanggewas is ingezaaid

In navolging van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn geldt vanaf 1 januari 2019 voor derogatiebedrijven op zand- en lössgronden dat een korting van 65 kg op de N-gebruiksnorm wordt toegepast als de derogatiebedrijven graszode vernietigen om vervolgens op hetzelfde perceel maïs te telen. De wijziging betreft een verduidelijking voor wat betreft de situatie dat het grasgewas in het voorgaande kalenderjaar is ingezaaid als aangewezen gewas na de teelt van maïs (conform artikel 8a, eerste lid, onderdeel a van het Besluit gebruik meststoffen). Een grasgewas dat in het najaar als vanggewas na de teelt van maïs is ingezaaid en in het voorjaar weer wordt vernietigd ten behoeve van de teelt van maïs (gelet op artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, van het Besluit gebruik meststoffen moet dit vóór 11 mei gebeuren), heeft een relatief geringe ontwikkeling doorgemaakt en zal veel minder stikstof vrijgeven dan gras van een jaar of twee oud. In dat geval bestaat er geen reden om de korting van 65 kg op de N-gebruiksnorm toe te passen. De aanpassing verduidelijkt dat de korting op de gebruiksnorm voor mais in die situatie niet aan de orde is en beoogt daarmee alsnog elke twijfel weg te nemen over de in 2019 van toepassing zijnde gebruiksnorm voor maïs die direct na de vernietiging van de graszode op zand- of lössgrond wordt geteeld.

2. Internetconsultatie

Er heeft voor de actualisatie van de excretieforfaits internetconsultatie plaatsgevonden van 17 juli 2019 tot en met 14 augustus 2019. Er zijn in totaal 416 reacties binnengekomen. Er waren 177 reacties over rund- en kalfsvleesvee (diercategorieën 112, 115, 116, 117, 120, 121 en 122), 111 reacties over de 12-maandeneis voor melkkoeien die na de laatste kalfdatum niet meer drachtig worden en uiteindelijk voor de slacht bestemd worden (diercategorie 120), 100 over melkkoeien met een productie boven 10.624 kg melk per koe per jaar (diercategorie 100), 34 over zelfzuivelaars, 26 over jongvee (waarvan 1 voor diercategorieën 101/102 en 25 voor diercategorie 103), 26 over andere onderwerpen in relatie tot melkkoeien, 10 over andere diercategorieën (pluimvee, melkgeiten, schapen en waterbuffels) en 10 over biologisch gehouden dieren (daarvan de helft over melkkoeien).

Daarnaast heeft er op 30 augustus mede naar aanleiding van de internetconsultatie een bijeenkomst plaatsgevonden waarin gericht sectorvertegenwoordigers zijn uitgenodigd om hun reacties nader te onderbouwen. Daarbij waren ook opstellers van het CDM-advies aanwezig om een nadere toelichting te geven op de onderbouwing van de desbetreffende forfaits. Er werden vijf sessies gehouden: voor de kalverhouderij, de vleesveehouderij, de melkveehouderij, de melkgeitenhouderij en overige diercategorieën. In alle sessies waren voldoende personen aanwezig om een goede discussie te voeren.

De consultatie en de vermelde bijeenkomst hebben ertoe geleid dat een aantal wijzigingen dat was opgenomen in de consultatieversie van de regeling, niet per 1 januari 2020 in werking zal treden. Dit betreft de wijzigingen in de diercategorie-omschrijvingen en excretieforfaits voor vleesvee, de extra productieklassen voor hoogproductieve koeien (boven 10.624 kg melk per koe per jaar), de gemiddelde melkproductie van zelfzuivelaars en de stikstofexcretie van biologisch gehouden melkvee. Deze wijzigingen met betrekking tot hoogproductief melkvee en zelfzuivelaars zouden vooral in het kader van het stelsel van fosfaatrechten ingrijpende gevolgen kunnen hebben.

Ook de voorziene wijzigingen betreffende de stikstofexcretie van biologisch gehouden dieren kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering op de desbetreffende bedrijven en zullen om die reden niet per 1 januari 2020 in werking treden. Een uitzondering geldt voor de biologisch gehouden geiten en schapen, omdat voor de bedrijven in deze sector een actualisatie van het forfait wel wenselijk is. De door het CDM geadviseerde forfaitaire stikstofexcretie voor biologisch gehouden melkkoeien verschilt niet van die voor gangbaar gehouden melkkoeien. Deze forfaitaire excretie is echter met name voor melkkoeien gehouden in een stalsysteem met drijfmest, met meer dan 5.600 kg melkproductie per koe per jaar, hoger dan het tot nu toe toegepaste stikstofexcretieforfait voor biologisch gehouden melkkoeien. Doordat voor biologische bedrijven geldt dat niet meer dan 170 kg stikstof per hectare per jaar mag worden gegeven, kunnen er bij een hogere forfaitaire stikstofexcretie minder dieren per hectare worden gehouden. Dit kan ingrijpende gevolgen hebben voor het bedrijfsmanagement vanwege de korte invoertermijn van deze wijzigingsregeling. Een dergelijk verschijnsel doet zich ook voor bij biologisch gehouden varkens en kippen. Om meer tijd te geven om op de veranderingen in bedrijfsmanagement in te spelen, worden de geactualiseerde excretienormen niet met ingang van 1 januari 2020 ingevoerd.

De aanpassing van de categorie-omschrijving en de actualisatie van de excretienormen voor vleesvee voor de kalfsvlees- en roodvleesproductie (diercategorieën 112, 115, 116, 117, 121 en 122) en voor weide- en zoogkoeien (diercategorie 120) worden uitgesteld. De belangrijkste reden hiervoor is dat in de reacties op de internetconsultatie is aangegeven dat de invulling van de rantsoenopbouw die ten grondslag ligt aan de berekende excretieforfaits voor vleesvee onvoldoende aansluit op de praktijk.

Voorts is ernaar aanleiding van de reacties vanaf gezien om melk- en kalfkoeien na de laatste keer dat ze een kalf geworpen hebben, nog 12 maanden in categorie 100 te laten vallen. Gebleken is dat veel koeien al eerder niet meer worden gemolken en dan worden afgevoerd naar een ander bedrijf om daar als weidekoe (categorie 120) slachtrijp gemaakt te worden.

De voorgestelde opsplitsing van de bestaande diercategorie 102 (jongvee van 1 jaar en ouder) in diercategorie 102 (jongvee van 1 jaar tot 2 jaar) en diercategorie 103 (jongvee van 2 jaar en ouder) wordt nog niet doorgevoerd in deze wijziging. Voor de melkveehouderij zou deze wijziging voor bedrijven waar het jongvee afkalft rond de gemiddelde afkalfleeftijd in Nederland (26 maanden) geen invloed hebben op de totale forfaitaire fosfaatexcretie van het jongvee van 1 jaar en ouder. Als de afkalfleeftijd hoger ligt dan gemiddeld, neemt de totale forfaitaire fosfaatexcretie van het jongvee toe, maar in bedrijfsverband wordt deze stijging gecompenseerd door de daling van de forfaitaire fosfaatexcretie van melkkoeien. Voor de vleesveehouderij ligt dat anders, omdat er in andere diercategorieën geen of nauwelijks compensatie is door een lagere forfaitaire fosfaatexcretie.

Voor de biologisch gehouden melkgeiten heeft de CDM op basis van de reacties de toegepaste rantsoenen en de melkproductie in de geitenhouderij nader onderzocht. Op basis daarvan komt de melkproductie in de gangbare houderij op 976 kg melk en in de biologische houderij op 842 kg per geit per jaar en is de rantsoenopbouw in beide vormen van houderij aangepast. Daarmee worden de forfaitaire excreties lager. Door de lagere excreties is de mestopslagcapaciteit ook iets lager voor de melkgeiten.

In relatie tot de melkveehouderij en de zoogkoeienhouderij is ingebracht dat er rekening gehouden zou moeten worden met rassen die een ander volwassen gewicht hebben dan de meest gangbare rassen. In de forfaitaire excretienormen voor de melkveehouderij wordt dat niet gedaan, mede omdat het mogelijk is om met behulp van de Handreiking bedrijfsspecifieke excretie melkvee aan te tonen dat de werkelijke excretie van stikstof en fosfaat lager is. Daarbij is het mogelijk om rekening te houden met een lager volwassen gewicht.

In diverse reacties is verwezen naar een rapport dat in opdracht van het Mesdagfonds wordt opgesteld. Dit rapport is op 10 september 2019 gepubliceerd1, maar biedt geen aanknopingspunten om de in deze regeling geactualiseerde forfaitaire berekeningen te herzien. Ook kwamen er reacties waarin werd gesteld dat er verouderde formules of normen zijn gebruikt. In opdracht van LNV wordt regelmatig door de CDM beoordeeld of actualisatie van de formules en normen die worden gebruikt en van de gehanteerde uitgangspunten nodig is.

Er is op gewezen in de reacties dat in buurlanden de forfaitaire excretienormen lager zijn. De normen kunnen lager zijn, maar voor een goede vergelijking dient het gehele (kringloop)systeem rond mestuitscheiding en mestgebruik op het land te worden bezien. Indien (bijvoorbeeld) de voerresten niet meegenomen zijn in de forfaitaire excretienormen, zal deze verliespost op een andere wijze in het totale (kringloop)systeem moeten worden verrekend. Ook door andere rantsoenen en productieresultaten zullen er verschillen zijn.

In de reacties kwamen ook veel algemene opmerkingen naar voren die niet direct betrekking hadden op de excretienormen, maar meer gerelateerd zijn aan de mestregelgeving in het algemeen. Deze konden niet worden gebruikt.

Ten slotte waren er opmerkingen over het tijdstip van de internetconsultatie, namelijk in een periode dat velen vakantie hebben. Dat is inderdaad zo. Gelet op het tijdstip van beschikbaar komen van het conceptadvies van de CDM over de geactualiseerde excretienormen en de beoogde datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling was een andere consultatieperiode echter niet mogelijk.

3. Regeldruk/ATR

3.1 Regeldruk

Uit de wijzigingen in de forfaits vloeien geen veranderingen door in regeldruk voor de houders van de dieren.

De betere aansluiting van de forfaitaire waarden op de praktijk kan leiden tot een andere hoeveelheid mest die verwerkt of buiten het eigen bedrijf geplaatst moet worden, hetgeen leidt tot een afname of toename van de bedrijfskosten afhankelijk van of het forfait naar boven of beneden wordt bijgesteld.

Door de verlenging van de pilot mineralen concentraat treedt evenmin verandering op in de regeldruk, aangezien de huidige pilot mineralenconcentraat ongewijzigd wordt voortgezet.

Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft besloten geen advies uit te brengen over deze regeling, omdat de wijziging geen regeldrukeffect heeft.

3.2 Uitvoerings- en handhavingslasten

De uitvoerende instantie is voor de onderhavige regeling de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO.nl). In het kader hiervan verricht RVO.nl administratieve controles voor de toepassing van gebruiksnormen en wordt hierop via inspecties toegezien door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (verder: NVWA) en door de politie. De politie beperkt zich daarbij tot ‘heterdaad’-feiten wat betreft het uitrijden van dierlijke mest in de maand augustus.

RVO.nl en de NVWA hebben een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets gedaan op de wijzigingsregeling zoals die ter internetconsultatie is aangeboden

RVO.nl geeft aan dat de voorgestelde wijzigingsregeling over het algemeen uitvoerbaar en handhaafbaar is en verwacht dat de implementatie van deze wijziging de nodige impact op de uitvoering heeft, vanwege de gevolgen voor verschillende onderdelen van het mestbeleid. Voor RVO.nl zal de wijzigingsregeling gevolgen hebben voor de communicatie, ICT en bepaalde bedrijfssystemen en rekenprogramma’s.

De NVWA geeft aan dat de wijzigingsregeling uitvoerbaar en handhaafbaar is. De aanpassingen in de diercategorie-omschrijvingen bieden meer duidelijkheid voor zowel de houders van dieren als de toezichthouder. De NVWA stelt dat de handhaving bij introductie van extra diercategorieën wel meer tijd zal vergen.

4. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. De excretieforfaits dienen onder meer ter controle van bedrijven of zij binnen de gebruiksnormen voor landbouwgronden zijn gebleven. De gebruiksnormen zien op kalenderjaren, en daarmee de excretieforfaits ook. Inwerkingtreding per 1 januari 2020 sluit daarnaast aan bij het moment waarop de beoogde verlenging van de pilot mineralenconcentraat zou moeten ingaan.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten