Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2019, 68562Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 10 december 2019, nr. PO/17792975, houdende regels voor de subsidiëring van een regionale aanpak personeelstekort primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs voor de schooljaren 2020–2021 en 2021–2022 (Subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort onderwijs 2020 en 2021)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvrager:
  • a. bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs; of

  • b. instellingsbestuur als bedoeld artikel 1.1 onder j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een instelling die een of meer lerarenopleidingen verzorgt;

bestuur:
  • a. bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • b. bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; of

  • c. instellingsbestuur als bedoeld artikel 1.1 onder j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van een instelling die een of meer lerarenopleidingen verzorgt;

cofinanciering:

eigen bijdrage van de samenwerkende partijen ten behoeve van de uitvoering van het plan van aanpak;

kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

lerarenopleiding:

op basis van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde bachelor- of masteropleiding die opleidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om les te geven in een school of instelling die valt onder de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de Expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

middelbaar beroepsonderwijs:

onderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

minister:

Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

plan van aanpak:

activiteitenplan als bedoeld in artikel 1.1 de kaderregeling;

personeelsomvang:

totale personeelsomvang uitgedrukt in fte op de peildatum 1 oktober 2018 van de vestigingen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs in de regio waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, zoals vastgesteld met behulp van de in het kader van de aanvraagprocedure via www.dus-i.nl beschikbare rekentool;

personeelstekort:

bestaand of toekomstig tekort aan voldoende onderwijzend, onderwijsondersteunend of leidinggevend personeel op de vestigingen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs in de regio;

primaire arbeidsvoorwaarden:

salaris inclusief vakantiegeld dat werknemers ontvangen op basis van de vigerende sectorcao’s in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs;

primair onderwijs:

onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

regio:

in de subsidieaanvraag beschreven aaneengesloten geografisch gebied, uitgaande van bestaande gemeenten;

sectoroverstijgende aanvraag:

aanvraag die betrekking heeft op zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs en, indien van toepassing, tevens op het middelbaar beroepsonderwijs;

vestigingen:

bekostigde en erkende vestigingen van scholen voor primair of voortgezet onderwijs in de regio zoals geïdentificeerd binnen de Basisregistratie instelling met het Basisregistratie instellingsnummer of volgnummer;

voortgezet onderwijs:

onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de kaderregeling.

Artikel 3. Periode, activiteiten en cofinanciering

  • 1. De minister kan aan een aanvrager voor de schooljaren 2020–2021 en 2021–2022 subsidie verstrekken voor de uitvoering van een plan van aanpak personeelstekort in een regio.

  • 2. De activiteiten in het plan van aanpak richten zich op de bestaande of te verwachten kwantitatieve en kwalitatieve tekorten in de personeelsvoorziening. Hieronder kan ook worden verstaan activiteiten die gericht zijn op de totstandbrenging of versterking van samenwerking in de regio voor het aanpakken en verminderen van het bestaande of verwachte personeelstekort.

  • 3. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien sprake is van cofinanciering. De cofinanciering bedraagt ten minste één derde deel van de subsidiabele kosten, en dient in geld of in geld waardeerbaar te zijn.

Artikel 4. Subsidieplafond en maximale hoogte subsidie

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor de schooljaren 2020–2021 en 2021–2022 een bedrag beschikbaar van € 30 miljoen, waarvan:

    • a. € 15,9 miljoen beschikbaar is voor aanvragen die betrekking hebben op de sector primair onderwijs; en

    • b. € 14,1 miljoen beschikbaar is voor aanvragen die betrekking hebben op de sector voortgezet onderwijs.

  • 2. De subsidie voor een plan van aanpak voor een regio in het primair onderwijs of het voortgezet onderwijs bestaat uit een basisbedrag van maximaal € 385.000,00, en, indien van toepassing, vermeerderd met een maximaal aanvullend bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen tabel.

  • 3. Indien één of meer besturen met instellingen voor het middelbaar beroepsonderwijs in de regio deelnemen aan het plan van aanpak in het voortgezet onderwijs, wordt het maximale subsidiebedrag verhoogd met 30 procent van het basisbedrag. Voor zover deze verhoging van het subsidiebedrag wordt verstrekt, komt zij ten laste van het budget, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 4. Bij een sectoroverstijgende aanvraag bestaat het maximale subsidiebedrag uit de som van de uit het tweede lid en de bijlage voortvloeiende maximale subsidiebedragen voor de afzonderlijke sectoren.

Artikel 5. Verdeling subsidie

  • 1. Indien het subsidieplafond van een sector, bedoeld in artikel 4, eerste lid, door subsidieverstrekking niet volledig wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor de andere sector.

  • 2. Indien met inachtneming van het eerste lid het subsidieplafond voor het primair of voortgezet onderwijs ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen voor die betreffende sector te kunnen toewijzen, worden de subsidiebedragen naar rato naar beneden vastgesteld. Deze bijstelling heeft betrekking op de aanvullende bedragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid. Mocht dit ontoereikend zijn dan vindt vervolgens naar rato een bijstelling naar beneden plaats van het basisbedrag van € 385.000,00 bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Artikel 6. Per regio maximaal één toekenning

  • 1. Per regio kan maximaal één subsidieaanvraag worden toegekend voor de sector primair onderwijs en maximaal één subsidieaanvraag voor de sector voortgezet onderwijs. Dit geldt ook in het geval van een sectoroverstijgende aanvraag.

  • 2. Indien een gemeente of een vestiging in een gemeente deel uitmaakt van meer dan één aanvraag, wordt uitgegaan van de regio zoals is beschreven in de eerst ingediende aanvraag.

Artikel 7. Indiening

  • 1. Van 1 februari 2020 tot en met uiterlijk 1 maart 2020 kan een aanvraag worden ingediend. De aanvraag bestaat ten minste uit een plan van aanpak en een begroting. Aanvragen die worden ingediend na 1 maart 2020 worden afgewezen.

  • 2. Een aanvraag wordt medeondertekend door alle besturen die betrokken zijn bij de opstelling van het plan van aanpak. Hiermee verklaren zij gezamenlijk het plan van aanpak uit te zullen voeren. Zij verklaren bovendien dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de aanvrager van de besteding van de subsidie op verzoek aan de aanvrager worden verstrekt.

  • 3. Een aanvraag geschiedt met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier en de daarbij behorende rekentool ter vaststelling van de besturen en de personeelsomvang van de vestigingen in de regio, die daartoe via de website van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen beschikbaar worden gesteld.

Artikel 8. Eisen aan de regio

  • 1. Indien een aanvraag betrekking heeft op het primair onderwijs, voldoet de regio van de aanvraag aan de volgende eisen:

    • a. ten minste 35 procent van de besturen van de in de betreffende regio gelegen vestigingen voor primair onderwijs neemt deel aan de aanvraag;

    • b. de deelnemende vestigingen van scholen voor primair onderwijs hebben een gezamenlijke personeelsomvang die ten minste een derde deel bedraagt van de totale personeelsomvang van de vestigingen van scholen voor primair onderwijs in de regio, en die tenminste 800 fte bedraagt; en

    • c. één of meer besturen van lerarenopleidingen voor primair onderwijs nemen deel aan de activiteiten waar de aanvraag betrekking op heeft.

  • 2. Indien een aanvraag betrekking heeft op het voortgezet onderwijs, voldoet de regio van de aanvraag aan de volgende eisen:

    • a. ten minste 50 procent van de besturen van de in de betreffende regio gelegen vestigingen voor voortgezet onderwijs neemt deel aan de aanvraag;

    • b. de deelnemende vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs hebben een gezamenlijke personeelsomvang die ten minste een derde deel bedraagt van de totale personeelsomvang van de vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs in de regio, en die tenminste 1.200 fte bedraagt; en

    • c. één of meer besturen van lerarenopleidingen voor voortgezet onderwijs nemen deel aan de activiteiten waar de aanvraag betrekking op heeft.

  • 3. Onder een regio valt niet het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

  • 4. De vorige leden zijn van toepassing op een sectoroverstijgende aanvraag.

Artikel 9. Plan van aanpak en begroting

  • 1. Het plan van aanpak bevat voor de periode waarop deze betrekking heeft, in aanvulling op de onderdelen van artikel 3.4 van de kaderregeling in ieder geval een beschrijving van:

    • a. de regio;

    • b. de besturen en eventueel andere partijen die deelnemen aan de uitvoering van het plan van aanpak;

    • c. de gestelde doelen in termen van specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden;

    • d. de activiteiten om de doelen te bereiken;

    • e. de wijze waarop de realisatie van de doelen wordt gevolgd en vastgesteld;

    • f. de aanstelling of voorgenomen aanstelling van een aanjager of projectleider ter uitvoering van het plan; en

    • g. de inrichting of voorgenomen inrichting van een informatiepunt of loket om potentieel onderwijspersoneel te informeren over en waar nodig door te geleiden naar routes ter verkrijging van een betrekking in het onderwijs in de regio.

  • 2. Indien het plan van aanpak betrekking heeft op een regio waaraan in het kader van de Subsidieregeling regionale aanpak lerarentekort in 2019 subsidie is toegekend, worden in het plan van aanpak ook eventuele wijzigingen beschreven in het gebied van de regio of in de deelname van scholen met hun besturen ten opzichte van de aanvraag onder de genoemde subsidieregeling.

  • 3. De begroting voldoet onverminderd artikel 3.5 van de kaderregeling aan de volgende eisen:

    • a. de begroting geeft inzicht in de cofinanciering;

    • b. de begroting bevat geen post onvoorziene kosten.

Artikel 10. Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de aanvrager.

  • 2. De aanvrager is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de samenwerkende partijen feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

Artikel 11. Vaststelling, betaling en besteding subsidie

  • 1. De subsidie wordt uiterlijk op 1 mei 2020 direct vastgesteld.

  • 2. De minister betaalt het vastgestelde subsidiebedrag in twee gelijke delen. De delen worden uitbetaald vóór 1 augustus 2020 en vóór 1 augustus 2021.

  • 3. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten passend bij het doel van deze regeling.

Artikel 12. Verplichtingen subsidie

  • 1. De subsidie wordt niet gebruikt voor:

    • a. de verbetering van primaire arbeidsvoorwaarden;

    • b. de inhuur van onderwijspersoneel op scholen; en

    • c. personele kosten voor zover deze het uurtarief van € 100,00, inclusief overhead en exclusief BTW, te boven gaan.

  • 2. De activiteiten worden uitgevoerd in de periode 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2022, waarbij een uitloop mogelijk is tot uiterlijk 31 december 2022.

  • 3. De aanvrager is verplicht om op verzoek actief mee te werken aan kennisdelingsactiviteiten.

  • 4. Het plan van aanpak wordt na toekenning van de subsidie openbaar gemaakt met inachtneming van de voorschriften uit de Algemene verordening gegevensbescherming.

  • 5. Over de voortgang en geboekte resultaten over het eerste schooljaar na de subsidietoekenning dient de aanvrager uiterlijk vóór 1 oktober 2021 een tussenrapportage in. Dit geschiedt met gebruikmaking van een via de website van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen beschikbaar gesteld format. Het vierde lid is van toepassing op de tussenrapportage.

Artikel 13. Verantwoording

  • 1. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 2. De aanvrager toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Artikel 14. Inwerkintreding en geldigheidsduur

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 augustus 2024.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort onderwijs 2020 en 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

BIJLAGE BEHOREND ARTIKEL 4 VAN DE SUBSIDIEREGELING REGIONALE AANPAK PERSONEELSTEKORT ONDERWIJS 2020–2021.

De subsidiebedragen worden volgens de onderstaande tabellen bepaald op basis van percentage deelnemende besturen in en de personeelsomvang van de deelnemende scholen in de regio voor primair onderwijs of voortgezet onderwijs. In het geval van een sectoroverstijgende aanvraag worden de bedragen bij elkaar opgeteld.

Aandeel deelnemende po-besturen in de regio aan de RAP primair onderwijs

Personeels-omvang deelnemende po-vestigingen in de regio

Basisbedrag (maximaal)

Factor

x

basisbedrag

Aanvullend bedrag (maximaal)

35% tot 45%

≥800 fte

€ 385.000,00

1,00

45% tot 65%

<1.200 fte

€ 385.000,00

1,00

45% tot 65%

≥1.200 fte

€ 385.000,00

1,25

€ 96.250,00

≥65%

<1.600 fte

€ 385.000,00

1,25

€ 96.250,00

≥65%

≥1.600 fte

€ 385.000,00

1,50

€ 192.500.00

Aandeel deelnemende vo- besturen in de regio aan de RAP voortgezet onderwijs

Personeels-omvang deelnemende vo-vestigingen in de regio van tenminste

Basisbedrag (maximaal)

Factor

x

basisbedrag

Aanvullend bedrag (maximaal)

50% tot 60%

≥1.200 fte

€ 385.000,00

1,00

60% tot 80%

<1.600 fte

€ 385.000,00

1,00

60% tot 80%

≥1.600 fte

€ 385.000,00

1,25

€ 96.250,00

≥80%

<2.000 fte

€ 385.000,00

1,25

€ 96.250,00

≥80%

≥2.000 fte

€ 385.000,00

1,50

€ 192.500,00

TOELICHTING

Algemeen

Het personeelstekort in het primair onderwijs (po)1, voortgezet onderwijs (vo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is een groot en urgent maatschappelijk probleem. Het aanpakken daarvan is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Besturen en schoolleiders zijn verantwoordelijk voor het personeelsbeleid op de scholen, de lerarenopleidingen zijn verantwoordelijk voor het goed opleiden van leraren. Het ministerie investeert in randvoorwaarden, zoals de extra middelen voor de salarissen voor leraren in het primair onderwijs en voor de verlaging van de werkdruk, de halvering van het collegegeld in het eerste jaar van een studie in het hoger beroepsonderwijs (hbo) of in het wetenschappelijk onderwijs (wo) en in het tweede jaar voor een lerarenopleiding (hbo of wo) en het beschikbaar stellen van subsidies voor bijvoorbeeld zij-instromers en herintreders.

Besturen, schoolleiders, leraren en ondersteuners ervaren dagelijks de effecten van het lerarentekort en doen hun uiterste best om goed onderwijs te blijven bieden. Daar verdienen zij waardering voor. Terugdringen van het tekort en invulling van de vacatures met gekwalificeerd onderwijspersoneel van schoolleiders, leerkrachten en ondersteunend personeel is van groot belang om de kwaliteit van het onderwijs nu en in de toekomst te waarborgen. Dit grote maatschappelijk belang ligt ook aan de basis van het op 1 november 2019 gesloten convenant over de inzet van extra middelen voor werkdrukverlichting en personeelstekorten.

De onderwijsarbeidsmarkt functioneert overwegend regionaal en verschilt per regio. In de regio’s liggen bij schoolbesturen, opleidingen, gemeenten en bedrijfsleven mogelijkheden om in wisselwerking met de landelijke stimuleringsmaatregelen en beschikbaar gestelde middelen het lerarentekort gezamenlijk aan te pakken. Het is daarom van belang om die regionale aanpak te ondersteunen met als perspectief op termijn te komen tot een blijvend landelijk dekkend netwerk van samenwerkingsregio’s voor de arbeidsmarkt van onderwijspersoneel. Niet alleen voor de aanpak van de tekorten, die nu alle aandacht vraagt, maar ook op het bredere terrein van het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid. Dit is ook de reden dat in december 2018 is gestart met de stimulering van regionale samenwerking via de eenjarig voor 2019 ingestelde Subsidieregeling regionale aanpak lerarentekort (Stcrt. 2018, 68805).

Halverwege 2019 is door de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media (verder te noemen: de minister) een onafhankelijke aanjager voor de regionale aanpak van de tekorten aangesteld in de persoon van Merel van Vroonhoven. Zij heeft de opdracht om na te gaan hoe het staat met de samenwerking, in beeld te brengen welke zaken er goed lopen en breder aandacht verdienen en waar zaken beter kunnen. Dit laatste om de samenwerking, die in veel regio’s nog in een pril stadium verkeert, verder te helpen. Uiteindelijk gaat het erom dat de samenwerking meerwaarde heeft en merkbaar is tot in de school en klassen.

De Subsidieregeling regionale aanpak lerarentekort – hierna aangeduid als de vorige regeling – heeft in 2019 veel in gang gezet qua samenwerking. In 57 regio’s is met behulp van de stimuleringssubsidie en inzet van eigen middelen sprake van samenwerking in de aanpak van de tekorten. Het gaat daarbij om 32 regio’s voor po, 24 regio’s voor vo (waarbij in 17 regio’s het mbo meedoet) en één regio waarin po, vo en mbo samenwerken. Ook de nieuwe regeling heeft als doel regio’s te blijven stimuleren en ondersteunen in de aanpak van tekorten. In de 57 al gevormde regio’s is het de bedoeling de samenwerking zowel qua deelname als qua inhoud en resultaatgerichtheid verder uit te bouwen en te verdiepen. De nieuwe regeling biedt niet alleen de nodige continuïteit voor deze regio’s maar ook prikkels om stappen te zetten naar verdere verbeteringen. Ook biedt de regeling voor gebieden waar nog niet of onvoldoende tussen partijen wordt samengewerkt (de witte vlekken) de mogelijkheid om alsnog hiermee te beginnen.

Vergelijking tussen de vorige en nieuwe regeling: belangrijkste overeenkomsten en wijzigingen

Overeenkomsten
  • De samenwerking in po, vo en mbo in de regio tussen schoolbesturen, scholen en lerarenopleidingen blijft centraal staan. Het uitgangspunt is dat alle besturen van scholen en opleidingen die deel willen nemen dat ook kunnen en actief benaderd worden om deel te nemen.

  • Uitgangspunt blijft een regionale aanpak voor primair onderwijs en voor voortgezet onderwijs. Gebaseerd op een geografisch afgebakend gebied van gemeenten. Het middelbaar beroepsonderwijs blijft van harte welkom aan te sluiten bij de aanpak voor het voortgezet onderwijs.

  • De inzet blijft om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de ideeën en bestaande initiatieven die er in de regio zijn en bij de activiteiten die in gang zijn of worden gezet. Er wordt geen blauwdruk opgelegd van bovenaf. Partijen in de regio bepalen zelf binnen welk geografisch gebied de samenwerking vorm krijgt.

  • De kennis en ervaring die in de regio worden opgedaan, blijft op landelijk niveau verbonden en breed verspreid zodat regio’s van elkaar kunnen leren. Hiertoe is vanaf september 2019 de website https://www.aanpaklerarentekort.nl/ beschikbaar gekomen. Deze site is opgezet door alle partijen die deel uitmaken van de Landelijke tafel tekorten. Het moet uitgroeien tot dé site met alle relevante informatie over de aanpak van tekorten zoals goede praktijkvoorbeelden uit de regio en met een verwijsfunctie naar tal van andere regionale en landelijke sites.

  • Ook de genoemde aanjager heeft een rol in de actieve kennisdeling. Hetzelfde geldt voor de arbeidsmarktfondsen (Arbeidsmarktplatform PO, het arbeidsmarkt - en opleidingsfonds voortgezet onderwijs, Voion, en Stichting Onderwijsarbeidsmarktfonds MBO, SOM), waarop partijen in de regio een beroep kunnen doen voor ondersteuning bij de totstandkoming en bijstelling van de regionale plannen van aanpak.

Wat wordt anders
  • In de aanduiding van de nieuwe regeling komt tot uitdrukking dat het niet alleen gaat om acute en dreigende tekorten aan leraren maar ook om andere belangrijke functies op de scholen zoals schoolleiders en onderwijsassistenten. Vandaar dat gekozen is voor de aanduiding ‘regionale aanpak personeelstekort’ (RAP). De tekorten spelen niet alleen in het ‘regulier’ onderwijs. Ook in speciaal en voortgezet speciaal onderwijs is er sprake van een groeiend probleem dat eveneens de aandacht vraagt van regionale en landelijke partijen in de regio.

  • De subsidietoekenning onder de regeling is langer: voor twee schooljaren in plaats van de toekenning voor één kalenderjaar. De nieuwe regeling behoudt daarmee zijn tijdelijk karakter. Dit omdat de regionale samenwerking zowel organisatorisch als inhoudelijk nog volop in ontwikkeling is. De subsidietoekenning voor twee schooljaren geeft partijen wel meer gelegenheid en houvast om de samenwerking verder gestalte te geven. De ervaringen onder de nieuwe regeling gebruikt worden voor een structurele regeling.

  • De procedure van indiening en toekenning wijzigt: alle aanvragen dienen op uiterlijk 1 maart 2020 te zijn ingediend. De werkwijze van beoordeling van aanvragen op volgorde van binnenkomst, zoals toegepast onder de vorige subsidieregeling 2019, is voor de vervolgfase niet meer geschikt. Nu de samenwerking op gang is gekomen, wordt overgestapt op een werkwijze waarbij alle aanvragen in één ronde worden beoordeeld. Dit heeft als voordeel dat alle regio’s tegelijkertijd en vóór het begin van het komend schooljaar weten waarop zij kunnen rekenen. De toekenning vindt namelijk plaats vóór 1 mei 2020.

  • Binnen het beschikbare budget wordt via de hoogte van de subsidie gestimuleerd dat de deelname aan de samenwerking wordt verbreed. Indien niet-deelnemende besturen en hun onderwijsvestigingen in een bestaande regio of vanuit een aangrenzende witte vlek buiten de regio aansluiten bij de samenwerking, kan dit tot een verhoging van de subsidie leiden. De maximale subsidie bestaat namelijk uit een basisbedrag per regio én een aanvullend bedrag afhankelijk van de omvang van de deelname door schoolbesturen voor po of vo, al dan niet in combinatie met de personeelsomvang van de onderwijsvestigingen van deze besturen in de regio.

  • Met gebruikmaking van de door DUS-I in het kader van de aanvraag gemaakte rekentool stelt de aanvrager de personeelsomvang van de deelnemende onderwijsvestigingen (peildatum 01.10.2018) en van hun besturen vast. Ten opzichte van de vorige regeling heeft hierbij verfijning plaatsgevonden, die beoogt beter rekening te houden met de feitelijke situatie in de regio. Er wordt namelijk uitgegaan van de in BRIN onderscheiden vestigingen met de daarbij behorende personeelsomvang, die staan in de regio. Onder de vorige regeling werden alle fte’s toegerekend aan de school als hoofdvestiging, ook al bestond deze uit meer vestigingen ongeacht de regio’s waarin deze stonden. Op basis van het aantal leerlingen beschikbaar via open data van DUO (teldatum 01-10-2018) worden de fte’s naar rato toegerekend aan de (neven)vestigingen. Met deze bijstelling vindt er een betere toerekening plaats. De aanvrager dient hier rekening mee te houden omdat niet altijd alle vestigingen van een school in dezelfde regio staan.

  • De hoogte van de subsidiebedragen is gebaseerd op de veronderstelling dat er sprake zal zijn van een uitbreiding van het aantal gesubsidieerde regio’s met 20 procent ten opzichte van de vorige regeling. Indien medio 2020 blijkt dat deze uitbreiding niet wordt gerealiseerd en er budget overblijft, dan kan de minister de regeling wijzigen met als doel regio’s die nog geen subsidieaanvraag hebben ingediend in de gelegenheid te stellen dat alsnog te doen. Ook kan dan worden bezien of er ruimte is voor mbo-deelname in regio’s waar dat nog niet het geval is.

  • In de vervolgfase van de samenwerking is ook logisch dat er meer zicht komt op de (eerste) resultaten die mede door de samenwerking zijn gerealiseerd. Vandaar dat in de regeling is opgenomen dat in de (bijgestelde) plannen van aanpak aandacht moet worden besteed aan ‘smart’ geformuleerde doelen en resultaten. In de vorm van een voorgeschreven tussenrapportage na het schooljaar 2020–2021 kan hierop worden gereflecteerd en zo nodig worden bijgesteld. De bijstelling van het plan via de tussenrapportage maakt het ook mogelijk aanpassingen aan te brengen op basis van inzichten op regionaal of landelijk niveau over een effectieve aanpak.

  • Tevens wordt verwacht dat regio’s mede door aanwijzing van een projectleider of aanjager tot een daadkrachtige uitvoering van het plan komen. Ook dient iedere regio te voorzien in de inrichting van een informatiepunt of loket. Dit geeft informatie aan geïnteresseerden die in de regio in het onderwijs willen gaan werken. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatie over vacatures, opleidingsroutes en begeleidingsmogelijkheden.

Doel van deze subsidieregeling

De subsidieregeling heeft als doel om partijen in de regio te stimuleren en ondersteunen om het personeelstekort in het po, vo en mbo gedurende de schooljaren 2020–2021 en 2021–2022 gezamenlijk aan te pakken, uit te breiden en te intensiveren.

Uitvoering door DUS-I

De regeling wordt door Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I) uitgevoerd. De aanvraag voor tweejarige subsidie wordt elektronisch ingediend. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op www.dus-i.nl. Dit geldt ook voor de beschikbare rekentool ter bepaling van de personeelsomvang van de vestigingen (peildatum 01.10.2018) en de besturen van deze vestigingen.

Communicatie

Het onderwijsveld wordt op verschillende manieren op de hoogte gesteld van deze regeling. De genoemde website https://www.aanpaklerarentekort.nl/ vervult daarin een verbindende rol tussen tal van bestaande websites, social media en nieuwsbrieven.

Regeldruk

Regeldruk wordt gedefinieerd als de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving. Deelname aan deze regeling is vrijwillig. Maar ook bij deelname is sprake van regeldruk. Dit is zo beperkt mogelijk gehouden. Er is onder de regeling wederom gekozen voor een zo licht mogelijke verantwoording over de verstrekte subsidie. Daarom wordt in de regeling volstaan met verantwoording in de jaarrekening op grond van de Regeling jaarverslaglegging met model G, onderdeel 1 door het aanvragende schoolbestuur.

Uitgangspunt is dat het aanvraagproces zo wordt ingericht dat het zo min mogelijk administratieve lasten creëert. Vanuit DUS-I is een voorgeschreven formulier beschikbaar gesteld, waarmee de aanvraag wordt ingediend. Ter vaststelling van de personeelsomvang van de vestigingen en de deelnemende schoolbesturen in de regio is een tool beschikbaar waarvan als onderdeel van de aanvraagprocedure gebruik dit te worden gemaakt.

Hiermee kan door de aanvrager bij de indiening en door DUS-I bij de beoordeling van de aanvraag, eenvoudig en eenduidig worden vastgesteld of de aanvraag voldoet aan de kwantitatieve eisen die de regeling stelt aan de omvang van de samenwerking. De gegevens van de tool zijn afgeleid van de gegevens uit de openbare databestanden op basis van door de schoolbesturen aan DUO geleverde personele gegevens, toegankelijk via de website www.duo.nl/open_onderwijsdata. Hoewel deze gegevens niet voor alle besturen 100 procent volledig zijn, vormen ze een representatieve, eenduidige en uitvoerbare basis voor het vaststellen en toetsen van de personeelsomvang van de scholen die deel uitmaken van het plan van aanpak.

Daarnaast wordt van aanvragers een tussenrapportage verwacht over de ervaringen en resultaten met de regionale aanpak na het schooljaar 2020–2021. DUS-I stelt daarvoor tijdig een format beschikbaar.

Caribisch Nederland

Deze regeling is specifiek gericht op Europees Nederland door de gestelde eisen waar een aanvraag voor subsidie aan moet voldoen. Besturen in Caribische Nederland kunnen dus op grond van deze regeling geen aanspraak maken op subsidie. Dit hangt direct samen met de omstandigheid dat het vraagstuk van het lerarentekort minder urgent is in Caribisch Nederland.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepaling

Op basis van de begripsbepaling wordt de subsidieaanvraag namens de samenwerkende besturen in de regio aangevraagd door één bestuur voor po of vo, dan wel één instellingsbestuur van een deelnemende lerarenopleiding.

In de begripsbepaling is een algemene definitie van de regio ongewijzigd gebleven. Er is gekozen voor een aaneengesloten geografisch gebied, waarvan de afbakening samenvalt met de grenzen van gemeenten. Daarbij is uitgegaan van de actuele indeling op het moment van de indiening van de aanvraag rekening houdend met gemeentelijke herindelingen. In enkele onder de vorige subsidieregeling tot stand gekomen regio’s kan dit aanleiding zijn voor verdere acties om te zorgen dat aan de eis van een aaneengesloten geografisch gebied voldaan wordt. Via de site https://www.aanpaklerarentekort.nl/ zijn overzichten beschikbaar van de regio’s die zijn gevormd onder de vorige subsidieregeling. Dit geldt ook voor de ‘witte vlekken’ die er nog zijn.

Bij het bepalen van de regio waarbinnen wordt samengewerkt, kan als leidraad gebruik worden gemaakt van de bestaande indeling naar gemeenten van de Arbeidsmarktregio’s, zie www.regioatlas.nl. Dit heeft als voordeel dat de arbeidsmarktramingen voor onderwijs beschikbaar zijn voor deze arbeidsmarktregio’s. Deze regio’s sluiten ook aan bij het werkgebied van de werkgeverservicepunten van het UWV. Eind 2019 zijn de geactualiseerde landelijke en regionale ramingen beschikbaar.

De totale personeelsomvang van alle medewerkers van besturen en hun scholen voor po en vo in de regio waarop het plan van aanpak betrekking heeft, is gebaseerd op de bestanden personeel in fte voor po en vo uit de open data van DUO (peildatum 1.10.2018;) https://duo.nl/open_onderwijsdata/). Deze omvang is vervolgens met door de DUS-I in het kader van de aanvraagprocedure beschikbaar gestelde en voorgeschreven tool toegerekend aan binnen BRIN te onderscheiden vestigingen.

Bij het begrip vestiging wordt uitgegaan van ingevolge de wetgeving (WPO, WEC en WVO) erkende en daarmee rijksbekostigde (neven)vestigingen. In het geval een school bestaat uit meer dan één vestiging zijn deze binnen BRIN herkenbaar via een volgnummer onder het BRIN-instellingsnummer. De leerlingen worden afhankelijk van de locatie van de vestiging wel of niet toegerekend aan de regio. Dit is in voorkomende gevallen met name relevant voor het (v)so of het vo. Op basis van de leerlingaantallen per vestiging worden naar rato de fte’s toebedeeld aan de vestigingen. In de tool van DUS-I die ingevolge artikel 7 beschikbaar is bij deze regeling, is deze toedeling verwerkt.

Artikel 3. Periode, activiteiten en cofinanciering

Een subsidieaanvraag ziet op activiteiten die vanaf de datum van indiening van de subsidieaanvraag in de toekomst liggen. Zoals in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS staat, dienen de activiteiten zodanig uitgevoerd te worden dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verstrekt. Indien hier niet aan wordt voldaan kan de subsidie lager worden vastgesteld en (een deel van) de subsidie worden teruggevorderd. Dit is inherent aan het niet nakomen van de verplichtingen die in de Kaderregeling en aanvullend in de subsidieregeling zelf worden gesteld. Een voorbeeld van dit laatste is de verplichting om uiterlijk 1 oktober 2021 een tussenrapportage in te dienen over de voortgang (zie artikel 12, vijfde lid, van de regeling).

Op grond van het derde lid wordt een subsidie uitsluitend toegekend wanneer er sprake is van cofinanciering. Cofinanciering kan geschieden in de vorm van financiële middelen maar bijvoorbeeld ook in de vorm van de inzet van personeel of arbeidstijd. Dit kunnen ook middelen zijn die door andere partijen dan schoolbesturen worden ingebracht, zoals gemeenten. De cofinanciering bedraagt ten minste één derde deel van de subsidiabele kosten die zijn gemoeid met de uitvoering van het plan van aanpak. Daarmee bedraagt de OCW-subsidie op grond van deze regeling ten hoogste twee derde deel van de subsidiabele kosten uit het plan van aanpak tot ten hoogste het subsidiebedrag krachtens artikel 4.

Artikel 4. Subsidieplafond en hoogte subsidie

Voor de schooljaren 2020–2021 en 2021–2022 is in totaal € 30 miljoen beschikbaar. Dit bedrag is gebaseerd op het vanaf de OCW-begroting 2020 jaarlijks beschikbare structurele bedrag voor de regionale aanpak. Na aftrek van de bijdrage aan de G4 (€ 4 miljoen per jaar) is dit voor 2020 en 2021 jaarlijks € 15 miljoen. Het beschikbare budget is naar rato van de toekenningen onder de vorige subsidieregeling verdeeld over het po en vo. De subsidie voor deelname van het mbo komt ten laste van het vo-budget.

De subsidietoekenning beoogt de regionale samenwerking qua intensiteit en deelname verder te versterken. Daartoe is ervoor gekozen een deel van het beschikbare budget toe te kennen in de vorm van een aanvullend bedrag. Dit bedrag kan in twee stappen worden verhoogd, afhankelijk van het percentage besturen van scholen voor po of vo dat deelneemt aan de regionale aanpak, al dan niet in combinatie met de daarbij behorende personeelsomvang (zie daarvoor de tabel voor po en vo in de bijlage bij deze regeling). Dit bedrag komt bovenop het basisbedrag dat wordt toegekend aan iedere samenwerkingsaanvraag die voldoet aan de minimumeisen van de regeling. Hierbij is – met name voor dunner bevolkte regio’s – voorzien in de mogelijkheid van een aanvullend bedrag indien een hoge bestuurlijke deelname wordt gerealiseerd zonder dat dit gepaard gaat met een navenante toename van personeelsomvang.

Indien sprake is van deelname vanuit het mbo aan de regionale aanpak is sprake van een aanvullende subsidie van 30 procent van de basissubsidie die per regio beschikbaar is voor het vo. Uitgaande van een basisbedrag van € 385.000,00, bedraagt deze subsidie maximaal € 115.500,00.

Artikel 5. Verdeling subsidie

In dit artikel zijn nadere regels opgenomen over de wijze waarop bij de toekenning van de basisbedragen en aanvullende bedragen, wordt omgegaan met de beschikbare budgetten. Deze budgetten zijn subsidieplafonds voor het po en vo. Het kan zijn dat tijdens de toekenningsronde blijkt dat het subsidieplafond voor po, vo of voor beide sectoren wordt overschreden. In dat geval vindt er voor de betreffende aanvragen naar rato een neerwaartse bijstelling plaats van de toe te kennen bedragen teneinde binnen het subsidieplafond te blijven. Te beginnen bij de aanvullende bedragen. Voor het – overigens niet erg waarschijnlijke – geval dat dit ontoereikend is, wordt het basisbedrag naar rato naar beneden bijgesteld (inclusief de eventuele extra subsidie voor mbo). Bij een bijstelling wordt niet opnieuw een aanvraagronde gestart. Evenmin behoeft een bijgestelde begroting te worden ingediend. Er kan volstaan worden om later in de vereiste tussenrapportage (artikel 12, vijfde lid) aan te geven hoe de aanvrager hiermee is omgegaan.

Artikel 6. Per regio maximaal één toekenning

Het principe dat per regio aan de sector po of vo één keer subsidie wordt toegekend blijft intact. In het geval van een sectoroverstijgende aanvraag is er sprake van hetzelfde regiogebied. Indien een gemeente of een school (erkende hoofd- of (neven)vestiging) voorkomen in meer dan één plan van aanpak, dan wordt de betreffende gemeente of de vestiging toegerekend aan de aanvraag die bij DUS-I als eerste is ingediend.

Artikel 7. Indiening

De aanvraag kan vanaf 1 februari 2020 tot uiterlijk 1 maart 2020 worden ingediend.

De aanvragen worden met inachtneming van het subsidieplafond en de inrichtingseisen aan de aanvraag in één ronde beoordeeld. Als een aanvraag onvolledig is omdat bijvoorbeeld het plan van aanpak niet volledig is, stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de reguliere periode van twee weken aan te vullen. Als datum van ontvangst geldt dan, conform de Kaderregeling, de datum waarop de volledige aanvraag is binnengekomen. Bij het niet of niet tijdig voldoen aan het verzoek om aanvullende informatie, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten.

De aanvraag dient ondertekend te worden door besturen (van scholen en opleidingen) die deelnemen aan de regionale aanpak. De deelname ziet zowel op betrokkenheid bij de totstandkoming van de regionale aanpak als op de uitvoering daarvan. Dit verklaren de betreffende besturen door middel van medeondertekening van de aanvraag.

Artikel 8. Eisen aan de regio

In dit artikel worden de eisen beschreven voor de regio primair onderwijs en voortgezet onderwijs waarop de aanvraag betrekking heeft. Wat betreft de kwantitatieve eisen voor het draagvlak van regionale samenwerking is rekening gehouden met de (verschillen in) schaal en omvang van de sectoren po en vo. Hierbij is ook gekeken naar hetgeen er onder de vorige subsidieregeling qua samenwerking op gang is gekomen. Als basis voor de samenwerking is de vereiste minimum fte-omvang voor zowel het po als vo onveranderd gebleven met 800 fte en 1.200 fte. Wel is de vereiste minimumdeelname van schoolbesturen voor het po fractioneel verhoogd van 1/3 deel naar een percentage van 35. Voor het vo is de minimumdeelname verhoogd van 1/3 deel naar de helft. De belangrijkste reden hiervoor is dat in het vo minder besturen kent met een gemiddeld grotere schaal dan in het po. Dit komt ook tot uitdrukking in een gemiddeld hogere bestuurlijke deelname vanuit het vo onder de vorige subsidieregeling.

De mogelijkheid voor een sectoroverstijgende aanvraag is in de regeling gehandhaafd. In de regeling 2019 is hiervan maar in één regio gebruik gemaakt. Partijen wordt opgeroepen deze optie, die een duidelijke meerwaarde kan hebben voor de aanpak van tekorten, nadrukkelijk te bezien.

Artikel 9. Plan van aanpak en begroting

Het eerste lid bevat de elementen die aan de orde moeten komen in het in te dienen plan van aanpak. De elementen zijn ter nadere specificering en in aanvulling op hetgeen in de Kaderregeling (artikel 3.4) is bepaald over het activiteitenplan. In deze regeling is dit aangeduid met plan van aanpak. Dit plan vormt de inhoudelijke kern van de regionale samenwerking. Zoals eerder is aangegeven, maken de deelnemende partijen zelf een keuze in de samenwerkingsactiviteiten en -doelen, rekening houdende met de omstandigheden en context in hun regio. Het plan bevat een beschrijving in het plan van de volgende aspecten:

  • ‘SMART’-geformuleerde doelen;

  • de activiteiten om de doelen te bereiken;

  • de wijze waarop de voortgang hierbij wordt gevolgd;

  • de (voorgenomen) aanwijzing van een aanjager of projectleider om de regionale samenwerking een impuls te geven;

  • de (voorgenomen) inrichting van een regionaal informatiepunt om geïnteresseerden in een baan in het onderwijs in de regio verder de weg te wijzen.

Ten opzichte van de vorige subsidieregeling wordt verwacht dat het plan meer aandacht schenkt aan de realiseerbaarheid van de doelen en het in beeld brengen van de resultaten die worden geboekt. Het aspect van een projectleider die ook aanspreekpunt is in én voor de regio, is toegevoegd omdat de praktijk laat zien dat regio’s die hierover beschikken, ook meer van de grond weten te krijgen. De regionale projectleider c.q. aanjager is ook een duidelijk aanspreekpunt voor de landelijke ondersteuning en kennisdeling. Datzelfde geldt voor de genoemde landelijke aanjager. Ervaringen met de inrichting van een regionaal informatiepunt zijn ook positief voor de herkenbaarheid en inhoud van de regionale samenwerking. Mensen die geïnteresseerd zijn om te kiezen voor een baan in het onderwijs, kunnen hier informatie verkrijgen.

Het tweede lid bevat een bepaling indien de aanvraag betrekking heeft op een regio die in het kader van de vorige subsidieregeling al aan de slag is. Vanwege het belang van continuïteit wordt verwacht dat in zo’n geval in het plan wordt aangegeven of de regionale samenwerking qua grondgebied en/of samenstelling nog wijziging heeft ondergaan.

Het derde lid bevat de vereisten voor de begroting van het regionale plan in aanvulling op wat hierover al is vastgelegd in artikel 3.5 van de Kaderregeling. Dit laatste betreft:

  • een overzicht van de geraamde kosten (personeel en materieel) en opbrengsten per activiteit, voor zover deze betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • een toelichting op de betreffende posten; en

  • een begroting die sluitend is.

Artikel 10. Aanvrager

Dit artikel heeft betrekking op de penvoerder: het bevoegd gezag van een po, vo of lerarenopleiding in de regio die namens de deelnemende besturen de aanvraag indient.

Artikel 11. Vaststelling, betaling en besteding subsidie

De subsidietoekenning vindt plaats in één toekenningsronde vóór 1 mei 2020. Dit is ruim voor het begin van het schooljaar. De vastgestelde subsidie wordt in twee gelijke bedragen in 2020 en 2021 uitbetaald.

Artikel 12. Verplichtingen subsidie

In aanvulling op subsidieverplichtingen uit de Kaderregeling bepaalt het eerste lid van artikel 12 dat de subsidie niet mag worden besteed voor het op enigerlei wijze verbeteren van de primaire arbeidsvoorwaarden van onderwijspersoneel. Dit sluit natuurlijk niet uit dat bijvoorbeeld de lopende loonkosten van een schoolleider of een hrm-medewerker die wordt belast met de (begeleiding van) de uitvoering van een plan van aanpak, ten laste van de aangevraagde subsidie kan worden gebracht. Eveneens is de subsidie is niet bedoeld voor het op schoolniveau (mede) bekostigen van (tijdelijke) noodmaatregelen om te voorzien in een personeelsbehoefte. Hieronder vallen ook de salariskosten van al dan niet bevoegd personeel in het geval van vervanging.

Aan de partijen wordt gevraagd om eerst te kijken naar intern beschikbare capaciteit bij de deelnemende partijen alvorens extern hulp wordt gezocht voor de planvorming, uitwerking en implementatie, om zo een beter draagvlak en borging van de plannen te realiseren. Indien wordt gekozen voor externe inhuur van bijvoorbeeld een projectleider, dan geldt op basis van het eerste lid, onder c, dat daarvoor een maximum tarief wordt gesubsidieerd. Dit bedrag is inclusief overheadkosten voor zaken zoals bijvoorbeeld ICT. Het meerdere boven de maximum van 100 euro mag niet uit de subsidie worden betaald.

Het tweede lid geeft aan dat de activiteiten in beginsel moeten worden uitgevoerd gedurende de schooljaar 2020–2021 en 2021–2022. Een uitloop is mogelijk tot uiterlijk het einde van het kalenderjaar 2022.

Op grond van het derde lid zijn subsidieontvangers verplicht om mee te werken aan kennisdelingsactiviteiten, zoals bijeenkomsten om kennis en inzichten zo breed mogelijk met elkaar te delen. Dit geldt, in samenhang met artikel 13, tweede lid, ook voor het verlenen van medewerking aan in opdracht van de minister uit te voeren monitoronderzoek.

Daarnaast worden ingevolge het vierde lid de plannen, met inachtneming van eventuele privacyaspecten ingevolge de Algemene verordening gegevensbescherming, openbaar gemaakt. Zo zullen de plannen waaraan subsidie is toegekend, beschikbaar komen via https://www.aanpaklerarentekort.nl/. Hierdoor kan er breed door alle partijen op regionaal en landelijk niveau kennis worden opgedaan en gedeeld over de aanpakken.

Het vijfde lid schrijft voor om over de ervaringen en resultaten van het schooljaar 2020–2021, een tussenrapportage op te stellen en in te sturen. DUS-I stelt daarvoor tijdig een format ter beschikking. De tussenrapportage is, evenals het plan van aanpak, openbaar.

Artikel 13. Verantwoording

De aanvrager is verantwoordelijk voor de verantwoording. Ter beperking van de administratieve lasten is hierbij voor een licht verantwoordingsregime gekozen. Verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving van de aanvrager met model G, onderdeel 1. Op verzoek toont de subsidieontvanger aan dat de activiteiten zijn verricht waarvoor subsidie is verstrekt en dat aan de verplichtingen is voldaan die aan deze subsidie zijn verbonden.

Artikel 14. Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Gezien de doorlooptijd van de verantwoording en de vaststelling daarvan is de vervaldatum van de regeling gesteld op 1 augustus 2024.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Hieronder valt het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs.