Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 3 december 2019, kenmerk 2758802, houdende regels voor subsidiëring van reclassering op de BES (Subsidieregeling reclassering BES)

De Minister voor Rechtsbescherming,

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Reclasseringsbesluit 1953 BES;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Het besluit:

het Reclasseringsbesluit 1953 BES

b. De Minister:

de Minister voor Rechtsbescherming;

c. Reclasseringsinstelling:

een instelling als bedoeld in artikel 1 van het Reclasseringsbesluit 1953 BES.

Artikel 2

  • 1. De reclasseringsinstelling ontvangt jaarlijks ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid een subsidie voor de reclasseringswerkzaamheden die door haar of onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.

  • 2. De verlening van subsidie geschiedt voor 1 januari van het subsidiejaar.

  • 3. De vaststelling van subsidie geschiedt voor 1 oktober van het op het subsidiejaar volgende jaar.

Artikel 3

  • 1. Voor 1 juli van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar nodigt de Minister de reclasseringsinstelling uit tot het indienen van een subsidieaanvraag.

  • 2. Daarbij geeft hij aan in hoeverre wijziging is opgetreden of naar verwachting wijziging zal optreden in het voor de reclassering in het subsidiejaar beschikbare bedrag.

  • 3. De Minister informeert de reclasseringsinstelling zoveel mogelijk over wijzigingen als bedoeld in het tweede lid die zich daarna voordoen.

Artikel 4

  • 1. Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar dient de reclasseringsinstelling bij de Minister een subsidieaanvraag in.

  • 2. De reclasseringsinstelling houdt daarbij rekening met de financiële ruimte zoals die door de wetgever is vastgesteld of naar verwachting zal worden vastgesteld.

    De subsidieaanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een begroting van uitgaven en inkomsten, en

    • b. een activiteitenplan voor het subsidiejaar.

  • 3. Het activiteitenplan, bedoeld in het tweede lid, wordt afgestemd op de behoefte aan reclasseringswerkzaamheden en op de behoeften van de opdrachtgevers.

Artikel 5

  • 1. De begroting en het beleidsplan met de voorgenomen werkzaamheden geeft voor het komende subsidiejaar en indicatief voor de drie daarop volgende jaren in ieder geval aan:

    • a. een visie in hoofdlijnen op de te verwachten ontwikkelingen voor de reclassering als onderdeel van de strafrechtsketen;

    • b. de beleidsvoornemens met een financiële vertaling daarvan, met name ten aanzien van de ontwikkeling van de te leveren producten en de prioriteitenstelling die bij de uitvoering daarvan wordt aangehouden;

    • c. de wijze waarop wordt voldaan aan de door de Minister gestelde prioriteiten door middel van de voorgenomen werkzaamheden;

    • d. te verwachten knelpunten bij de uitvoering van het beleidsplan en de wijze waarop de reclasseringsinstelling deze wil oplossen.

  • 2. de Minister kan in de uitnodiging, bedoeld in artikel 3, eerste lid, met betrekking tot de eisen van de begroting en het beleidsplan aanwijzingen geven.

Artikel 6

  • 1. De begroting en het activiteitenplan bedoeld in artikel 4, tweede lid onder a, bevatten een voorstel voor te maken managementafspraken over in ieder geval:

    • a. het aantal geplande producten;

    • b. het beschikbare budget per productsoort.

  • 2. de Minister kan in de uitnodiging, bedoeld in 3, eerste lid, met betrekking tot de eisen van de begroting en het activiteitenplan aanwijzingen geven.

Artikel 7

  • 1. In het besluit wordt aangegeven voor welke categorieën activiteiten subsidie wordt verleend.

  • 2. In het besluit worden de managementafspraken vastgelegd.

  • 3. In het besluit wordt kenbaar gemaakt volgens welke aanwijzingen op grond van artikel 20, derde lid, de subsidie wordt verrekend.

Artikel 8

  • 1. De subsidie kan in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

    • a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

    • b. de aanvrager niet of niet geheel zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 2. De subsidie kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:

    • a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of

    • b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Artikel 9

  • 1. De reclasseringsinstelling voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 2. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaren bewaard.

Artikel 10

  • 1. Indien gedurende het subsidiejaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten doet de reclasseringsinstelling daarvan onverwijld mededeling aan de Minister, onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

  • 2. De reclasseringsinstelling geeft de Minister zo spoedig mogelijk tevens kennis van omstandigheden die hetzij van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de subsidie, hetzij aanleiding kunnen geven tot een wijziging van de subsidieverlening.

Artikel 11

De reclasseringsinstelling kan de Minister verzoeken de subsidieverlening te wijzigen.

Artikel 12

  • 1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan de Minister de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de reclasseringsinstelling wijzigen indien:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

    • b. de reclasseringsinstelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden voorschriften; c. de reclasseringsinstelling onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;

    • d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de reclasseringsinstelling dit wist of behoorde te weten; of

    • e. een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 13

  • 1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan de Minister de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de reclasseringsinstelling wijzigen:

    • a. voor zover de subsidieverlening onjuist is;

    • b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of

    • c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.

  • 2. Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, vergoedt de Minister de schade die de reclasseringsinstelling lijdt doordat zij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan zij zonder subsidie zou hebben gedaan.

Artikel 14

  • 1. Voor 1 juni van het op het subsidiejaar volgende jaar dient de reclasseringsinstelling bij de Minister de aanvraag in voor de vaststelling van het subsidiebedrag.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een jaarrekening;

    • b. een verslag van de in dat jaar verrichte activiteiten; en

    • c. een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid van de jaarrekening en het verslag, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 15

  • 1. De Minister kan vooruitlopend op de vaststelling van de subsidie een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen de subsidie zal worden vastgesteld.

  • 2. In de beschikking tot verlening van een voorschot kan worden volstaan met de vermelding van de wijze waarop het bedrag van het voorschot wordt bepaald.

  • 3. De Minister kan aan de verlening van een voorschot voorschriften verbinden.

Artikel 16

  • 1. De Minister kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de reclasseringsinstelling wijzigen:

    • a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;

    • b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de reclasseringsinstelling dit wist of behoorde te weten;

    • c. indien de reclasseringsinstelling na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

  • 3. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de reclasseringsinstelling worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sinds de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.

Artikel 17

  • 1. De jaarrekening, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, bestaat uit de balans en de exploitatierekening met een toelichting en de overige relevante gegevens.

  • 2. De op grond van artikel 14, tweede lid, onderdeel c, gecontroleerde jaarrekening geeft in samenhang met het verslag, bedoeld in artikel 14, tweede lid onder b, en volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat de Minister een verantwoord oordeel kan vormen omtrent:

    • a. het vermogen en het exploitatiesaldo;

    • b. de solvabiliteit en de liquiditeit van de reclasseringsinstelling, voor zover de aard van de jaarrekening dat toelaat.

  • 3. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief- en passiefposten van het vermogen op het einde van het boekjaar weer.

  • 4. De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo op het einde van het boekjaar weer.

  • 5. De in de jaarrekening opgenomen baten en lasten, alsmede de balansmutaties zijn tot stand gekomen in overeenstemming met van toepassing zijnde wettelijke regelingen.

  • 6. De jaarrekening sluit aan op de begroting, waarvoor subsidie is verleend en op de subsidieverlening van dat jaar. Zij behelst een vergelijking met de gerealiseerde producten, de werkelijke uitgaven voor de projecten en de overige budgetten, in het jaar voorafgaand aan het boekjaar.

Artikel 18

Het jaarverslag bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel b, beschrijft in samenhang met de jaarrekening in ieder geval de vergelijking tussen de afgesproken en de gerealiseerde managementafspraken, met name ten aanzien van de aantallen producten, de projecten, de overige budgetten en een toelichting op de verschillen.

Artikel 19

  • 1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald.

  • 2. De subsidievaststelling geschiedt op basis van de werkelijke uitgaven, zoals opgenomen in de exploitatierekening tot het maximum van de daarvoor verleende subsidie.

  • 3. De subsidievaststelling kan ten hoogste het bedrag zijn dat in de subsidieverlening voor het boekjaar waarop de subsidievaststelling betrekking heeft, is vermeld.

  • 4. Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen subsidie. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.

Artikel 20

  • 1. Ten behoeve van de accountantscontrole bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel c, is er een controleprotocol dat wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de Minister.

  • 2. Indien geen goedkeurende accountantsverklaring (zonder beperkingen) kan worden afgegeven, stelt de Minister de subsidie vast met inachtneming van de bevindingen van de accountant, zoals die blijken uit de accountantsverklaring en het daarbij behorende rapport van bevindingen. Tevens kan de Minister een korting opleggen van maximaal 10% van de verleende subsidie.

Artikel 21

  • 1. De reclasseringsinstelling informeert de Minister uiterlijk vier weken na iedere vier maanden over de uitvoering van de managementafspraken, bedoeld in artikel 7 met een inhoudelijke en financiële toelichting ten aanzien van de verschillen met de vorige periodes van vier maanden en de planning voor het desbetreffende jaar.

  • 2. In het besluit, bedoeld in artikel 7, wordt nader aangegeven welke informatie als bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel aan de Minister moet worden verstrekt.

Artikel 22

Een reclasseringsinstelling verstrekt aan de Raad voor de Rechtshandhaving en de Rijksinspecties de inlichtingen die deze in het kader van zijn taak vraagt.

Artikel 23

  • 1. Een reclasseringsinstelling behoeft de voorafgaande toestemming van de Minister voor:

    • a. het vervreemden of het bezwaren van registergoederen alsmede van andere vermogensbestanddelen, verkregen met de bouwsubsidie tot en met het jaar 2004;

    • b. het overbrengen van met de subsidie verkregen vermogen of vermogensbestanddelen naar andere organisaties met of zonder rechtspersoonlijkheid, zonder reële tegenprestatie;

    • c. een juridische fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES;

    • d. het doen van aangifte tot haar faillissement of het aanvragen van haar surséance van betaling;

    • e. het vormen van reserves, fondsen, dan wel voorzieningen; en

    • f. het ontbinden van de instelling.

  • 2. De Minister beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.

  • 3. De beslissing kan éénmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

  • 4. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.

  • 5. De reclasseringsinstelling doet onverwijld melding aan de Minister van:

    • a. het oprichten van dan wel het deelnemen in een rechtspersoon;

    • b. het wijzigen van de statuten.

Artikel 24

  • 1. De reclasseringsinstelling verzekert haar aansprakelijkheid naar burgerlijk recht tegenover derden in voldoende mate.

  • 2. De reclasseringsinstelling verzekert haar onroerende zaken tegen brandschade naar herbouwwaarde en haar roerende zaken tegen brandschade, waterschade en diefstal.

  • 3. De van de Minister ontvangen subsidiegelden worden risicomijdend beheerd.

Artikel 25

  • 1. Voor het ter beschikking stellen van goederen aan of het verrichten van diensten voor derden brengt de reclasseringsinstelling een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien daarbij geen middelen verkregen met de subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden aangewend.

  • 3. Een reclasseringsinstelling verstrekt desgevraagd aan de Minister een beschrijving van de tussen haar en andere rechtspersonen bestaande organisatorische en financiële banden, alsmede van zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 26

  • 1. Indien de reclasseringsinstelling haar reclasseringswerkzaamheden beëindigt, komt de Minister een direct opeisbare vordering op de reclasseringsinstelling toe op het vermogen of de vermogensbestanddelen.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien gebouwen, terreinen of roerende zaken ten behoeve waarvan de Minister subsidie heeft verleend, worden vervreemd of geheel of gedeeltelijk aan hun bestemming worden onttrokken. Het bedrag van de vordering is in dit geval gelijk aan de directe opbrengstwaarde van de desbetreffende zaken.

  • 3. De Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de werkzaamheden van de reclasseringsinstelling met toestemming van de Minister door een andere reclasseringsinstelling waarvan de bereidverklaring is aanvaard, worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die reclasseringsinstelling in eigendom worden overgedragen.

Artikel 27 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling reclassering BES.

Artikel 28 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

TOELICHTING

Algemeen

Op grond van het Reclasseringsbesluit 1953 BES, zoals in 2010 gewijzigd bij het Aanpassingsbesluit openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, draagt de Minister er zorg voor dat reclassering wordt uitgevoerd op de BES. Volgens dat besluit kan de Minister er voor kiezen om reclassering door een particuliere instelling te laten uitvoeren en kan de Minister deze instelling subsidie te verlenen. Alleen de instelling die zich bereid heeft verklaard zich te onderwerpen aan de bepalingen van het Reclasseringsbesluit 1953 BES en wiens bereidverklaring door de Minister is aanvaard mag reclasseringswerkzaamheden uitvoeren.

De Stichting Reclassering Caribisch Nederland (hierna: SRCN) is de instelling waarvan de bereidverklaring is aanvaard. SRCN is daarmee verantwoordelijk voor het uitvoeren van de reclasseringstaken op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de BES). SRCN is een relatief kleine organisatie (circa 15 fte) die de reclasseringstaken uitvoert in een gebied met een grote geografische spreiding en werkt nauw samen met Reclassering Nederland. SRCN ontving haar subsidie voorheen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid via Reclassering Nederland. Met onderhavige regeling ontstaat een nieuwe situatie. In deze nieuwe situatie zal SRCN de subsidie rechtstreeks verleend krijgen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. In het voorjaar van 2019 is besloten dat middels een directe subsidierelatie tussen het Ministerie en SRCN ervaren knelpunten kunnen worden opgelost en SRCN op die manier verder kan bouwen aan een professionele en toekomstbestendige organisatie. Deze nieuwe relatie gaat in op 1 januari 2020.

In onderhavige regeling is de subsidieverhouding en de daarbij behorende voorschriften tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de reclasseringsorganisatie op de BES neergelegd. In feite betreft het hier de subsidierelatie met SRCN. Hoewel het onwaarschijnlijk is, is het niet uitgesloten dat ook andere reclasseringsinstellingen dan SRCN worden aanvaard als reclasseringsinstelling. Om die reden wordt in deze regeling de neutrale term ‘reclasseringsinstelling’ gehanteerd.

Deze regeling is gebaseerd op artikel 2, eerste lid onderdeel b van het Reclasseringsbesluit 1953 BES, gelezen in samenhang met artikel 48e, eerste en derde lid, van de Wet Justitiesubsidies. Genoemde artikelen bieden de grondslag voor de subsidieverlening door de Minister en voor de nadere regels omtrent die subsidieverlening bij ministeriële regeling.

Met deze regeling wordt beoogd een nadere uitwerking te geven voor subsidies die per boekjaar worden verleend aan de reclasseringsinstelling ter bekostiging van hun structurele activiteiten. De reclasseringsinstelling ontvangt jaarlijks ten laste van de begroting van het ministerie een subsidie voor alle reclasseringswerkzaamheden die door haar en onder haar verantwoordelijkheid worden verricht. Deze subsidieverstrekking vindt stapsgewijs plaats. De verschillende stappen (van subsidieaanvraag tot subsidievaststelling) zijn in de regeling aangegeven. In aanvulling hierop worden in de regeling nadere voorschriften gegeven. Daarbij is, waar mogelijk, aansluiting gezocht bij de regelgeving met betrekking tot de subsidiëring van reclassering in Europees Nederland. Hoewel de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is niet van toepassing is op de BES, sluiten de voorschriften en zorgvuldigheidsnormen met betrekking tot het proces van subsidieaanvraag, subsidieverlening en subsidievaststelling inhoudelijk aan bij de voorschriften zoals neergelegd in titel 4.2 van de Awb. Op eventuele procedures tegen beslissingen op grond van deze regeling is de Wet administratieve rechtspraak BES (hierna: War BES) van toepassing. Belangrijk verschil met de bestuursrechtelijke procedure op grond van de Awb is dat de War BES het rechtsmiddel van bezwaar niet kent. Wanneer een belanghebbende zich niet kan vinden in het subsidiebesluit dat is gebaseerd op deze regeling, kan hij beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Artikel 1 bevat de noodzakelijke begripsbepalingen van de regeling. Ook het begrip ‘de Minister’ wordt gedefinieerd, ook al voorziet het Reclasseringsbesluit 1953 BES zelf ook al in een definitie. Op grond van dat besluit is ‘de Minister’ de Minister van Justitie. Met het aantreden van het huidige kabinet wordt thans in het onderhavige besluit de Minister voor Rechtsbescherming aangeduid als ‘de Minister’. In beide gevallen wordt gedoeld op dezelfde persoon: de Minister die verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de straffen en maatregelen en tot wiens portefeuille de reclassering behoort. Hoe die Minister op een gegeven moment feitelijk wordt aangeduid, betreft in zekere zin een momentopname. Waar in het Reclasseringsbesluit 1953 BES wordt gerefereerd aan de Minister van Justitie, moet mitsdien thans de Minister voor Rechtsbescherming worden gelezen.

Voorts wordt het begrip ‘reclasseringsinstelling’ gedefinieerd. Op grond van het Reclasseringsbesluit 1953 BES is dit de in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde, rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging of stichting, wier statuten, stichtingsbrieven of reglementen het aanwenden van reclasseringspogingen voorschrijven of gedogen voor zover ze een bereidverklaring overeenkomstig artikel 4 van dat besluit heeft afgelegd en deze door de Minister is aanvaard.

Artikel 2

Artikel 2 bevat de kernbepaling van de subsidieverhouding tussen de rijksoverheid en de reclasseringsorganisatie. De stichting ontvangt jaarlijks ten laste van de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid een subsidie voor alle reclasseringswerkzaamheden.

Artikel 3

Voor 1 juli van het jaar voor het subsidiejaar wordt de reclasseringsinstelling uitgenodigd tot het indienen van een subsidieaanvraag. Het ministerie van Justitie en Veiligheid meldt aan de reclasseringsinstelling eventuele wijzigingen of verwachte wijzigingen ten aanzien van het beschikbare bedrag voor reclassering. In het algemeen zal op dat moment bekend zijn wat het bedrag is dat beschikbaar is in de begroting voor reclassering in het komende subsidiejaar. Indien zich na 1 juli wijzigingen voordoen in het waarschijnlijk beschikbare bedrag wordt de reclasseringsinstelling daarvan op de hoogte gehouden. Dit laatste is neergelegd in het derde lid. Gelet op de wederzijdse belangen ligt het overigens voor de hand dat de reclasseringsinstelling op haar beurt het ministerie informatie verstrekt die nodig is in het kader van het opstellen van de rijksbegroting.

Artikel 4

De reclasseringsinstelling dient voor 1 oktober van het jaar voor het subsidiejaar de subsidieaanvraag in. Dit laat uiteraard onverlet dat SRCN kan aangeven extra financiële ruimte wenselijk te achten. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een begroting van uitgaven en inkomsten en van een formeel activiteitenplan. In het activiteitenplan wordt rekening gehouden met de behoeften aan reclasseringswerkzaamheden van de Minister en relevante partners in de strafrechtsketen.

Artikel 5

Het eerste lid van artikel 5 bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het beleidsplan met de voorgenomen werkzaamheden dienen voor te komen. Dat betreft onder andere de visie in hoofdlijnen die de reclasseringsinstelling zelf heeft op de te verwachten ontwikkelingen voor de reclassering als onderdeel van de strafrechtsketen, de prioriteitenstelling die zij hanteert bij de uitvoering van haar werkzaamheden, mede op basis van verzoeken van het ministerie, en hoe zij met de te verwachten knelpunten omgaat. De reclasseringsinstelling zal bij de totstandkoming van haar beleidsplan en het activiteitenplan overleggen met de voor haar relevante partners in de strafrechtsketen.

Naast de onderwerpen die in het eerste lid zijn genoemd, kan de Minister ingevolge het tweede lid van artikel 5 in de uitnodiging tot het indienen van een subsidieaanvraag met betrekking tot de eisen van de ontwerpbegroting en het beleidsplan nog aanwijzingen geven. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de eisen met betrekking tot de presentatie en toelichting.

Artikel 6

Voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar nodigt de Minister de reclasseringsinstelling uit tot het indienen van een subsidieaanvraag. Bij de aanvraag dient een begroting van uitgaven en inkomsten en een activiteitenplan te zijn opgenomen (artikel 4). Ingevolge het eerste lid van dit artikel dient het jaarproductieplan in ieder geval een voorstel voor te maken managementafspraken te bevatten over het aantal geplande producten. De managementafspraken zien op de afspraken die door de reclasseringsinstelling en de Minister jaarlijks worden gemaakt over de uitvoering van de reclasseringswerkzaamheden op de BES. Deze afspraken betreffen de beleidsmatige speerpunten en de uit te voeren projecten. Daarnaast worden afspraken gemaakt over de bedrijfsvoering. Bij het opstellen van het jaarproductieplan moet de instelling uitgaan van het door de Minister in zijn brief, de zogenaamde kaderbrief, aangegeven budgettair kader. Het budgettair kader omvat de activiteiten waarvoor aan de instelling subsidie wordt verleend. De managementafspraken vormen de essentie van de planning- en controlecyclus, omdat zowel de subsidieverlening door de Minister, de verantwoording door SRCN en de subsidievaststelling door de Minister hierop worden gebaseerd. Hierbij wordt opgemerkt dat over- of onderproductie niet kan leiden tot aanpassing van de subsidievaststelling.

In aanvulling op de eisen die het eerste lid aan het jaarproductieplan stelt, kan de Minister ingevolge het tweede lid in zijn kaderbrief nog verdere aanwijzingen met betrekking tot dit plan geven. Als voorbeeld van een dergelijke aanwijzing kan worden genoemd het verzoek van de Minister aan de reclasseringsinstelling om bij het opstellen van hun jaarproductieplan uit te gaan van de in de kaderbrief door de Minister aangegeven beleidsprioriteiten voor de uitvoering van de reclassering.

Artikel 7

In het verleningsbesluit wordt aangegeven welke categorieën van activiteiten in welke omvang voor subsidiëring in aanmerking komen en op welke manier dit is berekend. Daarnaast worden in de beschikking tot subsidieverlening de managementafspraken worden neergelegd. Tevens wordt in deze beschikking kenbaar gemaakt volgens welke aanwijzingen de subsidie wordt verrekend en op welke wijze verantwoording moet worden afgelegd (zowel over de reguliere subsidie als over de projectsubsidies).

Artikel 8

De subsidie wordt geheel of gedeeltelijk geweigerd indien het aannemelijk is dat de reclasseringsinstelling de subsidiabele activiteiten niet of niet geheel zal uitvoeren of de verplichtingen niet of niet geheel zal naleven. Vanzelfsprekend wordt geen subsidie verstrekt indien verkeerde gegevens zijn verstrekt of indien de reclasseringsinstelling failliet is of dreigt te gaan.

Artikel 9

Deze bepaling is een uitwerking van de algemene in artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek BES neergelegde verplichting voor een rechtspersoon om zodanige aantekening te houden over zijn vermogenstoestand, dat daaruit te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Bepalend is steeds het criterium dat alle voor de vaststelling van de subsidie relevante gegevens in de administratie vallen na te gaan. De verplichting om de administratie en de daarbij behorende bescheiden gedurende tien jaren te bewaren, is eveneens ontleend aan artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 10

Dit artikel ziet op de informatieverstrekking door de reclasseringsinstelling aan de Minister over omstandigheden die mogelijk aanleiding kunnen geven tot een wijziging van het besluit tot subsidieverlening of van invloed kunnen zijn op de vaststelling van de subsidie, bijvoorbeeld omdat zich in de loop van het jaar een wijziging voordoet in de feitelijke vraag naar bepaalde activiteiten. De reclasseringsinstelling zal over het algemeen eerst op de hoogte zijn van dergelijke wijzigingen. Het tweede lid ziet meer in technische zin op verschillen tussen de feitelijke inkomsten en uitgaven en de begrote inkomsten en uitgaven.

Artikel 11

In deze bepaling is neergelegd dat de reclasseringsinstelling te allen tijde kan verzoeken om wijziging van de subsidieverlening. Dat kan nodig zijn indien zich een situatie voordoet als aangegeven bij artikel 10, die wellicht aanleiding geeft om bijvoorbeeld de omvang van activiteiten te wijzigen. De reclasseringsinstelling zal gemotiveerd moeten aangeven waarom de wijziging naar haar oordeel gewenst is. Het gaat hier niet om wijzigingen ten nadele van de reclasseringsinstelling maar om wijzigingen die zij zelf wenselijk acht. Om die reden worden geen inhoudelijke of procedurele beperkingen gesteld aan de bevoegdheid van de Minister om de subsidieverlening te wijzigen.

Artikel 12

Hier betreft het de bevoegdheid tot wijzigen of intrekken van het besluit tot subsidieverlening ten nadele van de reclasseringsinstelling. Eventuele verhogingen van de subsidie bij – tussentijdse – beschikking, hoeven niet nader te worden geregeld. Veelal zal in plaats van wijziging van de verleningsbeschikking ook gekozen kunnen worden voor verwerking in de uiteindelijke subsidievaststellingsbeschikking, die gelet op de aanhef van het artikel immers nog niet is vastgesteld, maar het kan wenselijk zijn – bijvoorbeeld met het oog op voorschotverlening – een en ander reeds te verwerken door middel van een wijziging van de verleningsbeschikking. De wijziging op grond van dit artikel kan plaatsvinden tussen het moment waarop de subsidieverlening heeft plaatsgevonden en het moment waarop de subsidievaststelling plaatsvindt. Voor een deel hebben de wijzigingsgronden betrekking op omstandigheden waarop de reclasseringsinstelling geen invloed kan uitoefenen (bijvoorbeeld de situatie bedoeld in onderdeel e, waarin de begrotingswetgever uiteindelijk een lager bedrag ter beschikking stelt dan voorzien was). Voor een ander deel is sprake van omstandigheden die de reclasseringsinstelling wel zelf in de hand heeft (onderdeel b, inzake het niet voldoen aan subsidievoorschotten, en onderdeel c, het kennelijk verstrekt hebben van gegevens die onjuist of onvolledig waren). En voor een deel hangt het af van de feitelijke situatie, of de stichting daarop invloed had kunnen uitoefenen (onderdelen a en d). In beginsel werkt de wijziging terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, maar bij het wijzigingsbesluit kan anders worden bepaald.

Artikel 13

Deze bepaling heeft betrekking op omstandigheden waarop de reclasseringsinstelling in feite geen invloed heeft. Het gaat hier om een bevoegdheid, niet een verplichting tot intrekking. Dat impliceert dat, indien in principe een intrekkingsgrond aanwezig is, vervolgens nog zal moeten worden nagegaan of, gelet op alle betrokken belangen, intrekking ook in het concrete geval verantwoord is. In alle gevallen moet bij de intrekking voor de toekomst een redelijke termijn in acht genomen worden. De lengte van die termijn zal afhangen van de aard van de subsidie en de gesubsidieerde activiteiten. In het algemeen zal de reclasseringsinstelling de tijd moeten worden gegund om verplichtingen die zij jegens derden is aangegaan en redelijkerwijs mocht aangaan, op zorgvuldige wijze af te wikkelen. Anderzijds kan de intrekking op kortere termijn geschieden, indien de Minister bereid is verplichtingen jegens derden over te nemen. Daarnaast is ook het aandeel van de subsidie in de middelen van de reclasseringsinstelling van belang. Naarmate de intrekking of wijziging sterker ingrijpt in de financiële situatie van de reclasseringsinstelling, zal deze immers meer tijd moeten worden gegund om zich op de nieuwe situatie in te stellen. Om dezelfde reden is ook de mate van ingrijpendheid van de wijziging van belang. Bij een algehele intrekking zal in het algemeen een langere termijn in acht genomen moeten worden dan bij een relatief geringe verlaging van het subsidiebedrag.

Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, vergoedt de Minister de schade die de reclasseringsinstelling lijdt doordat zij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan zij zonder subsidie zou hebben gedaan. Bij intrekking wegens veranderde omstandigheden of inzichten of wegens een onjuistheid van de subsidieverlening waarvan de reclasseringsinstelling niet op de hoogte was of behoorde te zijn, zal de Minister bovendien de schade moeten vergoeden die de reclasseringsinstelling leidt doordat zij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan zij zonder subsidie zou hebben gedaan. De reclasseringsinstelling behoeft immers met intrekking op deze grond, anders dan met een intrekking of wijziging die bij wettelijk voorschrift wordt voorzien, in beginsel geen rekening te houden. Overigens zijn de plicht een redelijke termijn in acht te nemen en de verplichting de schade te vergoeden tot op zekere hoogte te beschouwen als communicerende vaten. Onder omstandigheden kan een kortere termijn aanvaardbaar zijn, indien de Minister bereid is de daaruit voortvloeiende extra schade te vergoeden of voor zijn rekening te nemen.

Artikel 14

De aanvraag voor de subsidievaststelling dient voor 1 juni van het op het subsidiejaar volgende jaar te worden ingediend, zodat de subsidie voor 1 oktober van dat jaar kan worden vastgesteld. Bij de aanvraag moet een jaarrekening en een activiteitenverslag worden toegevoegd. De jaarrekening moet vergezeld gaan van een verklaring van een accountant omtrent de getrouwheid van de jaarrekening en het jaarverslag. Dit betreft een verklaring zoals ook voorgeschreven aan vennootschappen in artikel 121, zesde lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES.

Artikel 15

Met de subsidievaststelling wordt definitief beslist dat de reclasseringsinstelling een subsidie ontvangt ter hoogte van een bepaald, in euro uitgedrukt, bedrag. Daarvoor is het nodig zijn om vast te stellen dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, en dat de opgelegde verplichtingen zijn nageleefd. De verplichting om het subsidiebedrag te betalen ontstaat door de subsidievaststelling, dus veelal pas na afloop van de gesubsidieerde activiteit. In veel gevallen zal de reclasseringsinstelling de activiteiten echter niet kunnen verrichten als de Minister niet vooraf gelden ter beschikking stelt. Op grond van artikel 15 is het mogelijk dat al eerder bij wijze van voorschot betalingen worden verricht. Uit de subsidiebeschikking moet het bedrag van het voorschot of de voorschotten kunnen worden afgeleid. Voldoende is dat aangegeven wordt hoe het bedrag wordt bepaald.

Artikel 16

Evenals bij de subsidieverlening moet ook bij de subsidievaststelling niet uitgesloten worden geacht dat deze wordt gewijzigd of, in een hoogst uitzonderlijk geval, zelfs wordt ingetrokken. Een dergelijke wijziging is echter slechts in zeer bijzondere omstandigheden aanvaardbaar; deze omstandigheden zijn opgenomen in de onderdelen a, b en c. In alle gevallen vervalt de bevoegdheid tot wijziging van de subsidievaststelling na verloop van vijf jaar na de vaststelling of na het tijdstip waarop de stichting in gebreke is gebleven te voldoen aan een verplichting als bedoeld in onderdeel c.

Artikel 17

De subsidievaststelling vindt plaats op basis van een door de reclasseringsinstelling opgestelde en door de instellingsaccountant gecontroleerde jaarrekening. De jaarrekening, die voor 1 juni van het op het subsidiejaar volgende jaar bij de Minister moet worden ingediend en is opgesteld in samenhang met het jaarverslag, bestaat uit de balans en de exploitatierekening met een toelichting. In dit artikel zijn voorts de eisen opgenomen ten aanzien van de rechtmatigheid van de baten en lasten en van de balansmutaties. De accountant geeft in zijn accountantsverklaring, naast een oordeel over de getrouwe verantwoording, een oordeel over de rechtmatigheid.

Artikel 18

Het jaarverslag is, in samenhang met de jaarrekening, een belangrijk instrument in het kader van de verantwoording van de uitvoering van de reclasseringswerkzaamheden door de reclasseringsinstelling. Artikel 18 geeft aan wat in ieder geval in het jaarverslag dient te worden beschreven. Verantwoording wordt gevraagd door onder andere een vergelijking tussen de afgesproken en de gerealiseerde managementafspraken.

Artikel 19

Door de vaststelling van de subsidie verplicht de Minister zich tot daadwerkelijke uitbetaling van het vastgestelde bedrag. Het spreekt vanzelf dat bij de uitbetaling eventuele voorschotten met de subsidie verrekend worden. Het zal veelal het meest praktisch zijn om bij de vaststelling van de subsidie ook het saldo van subsidiebedrag en reeds betaalde voorschotten te bepalen. De vaststelling dient te geschieden op het met de verlening overeenkomende bedrag. Bij de uitbetaling worden de reeds betaalde voorschotten op dat bedrag in mindering gebracht.

Artikel 20

Dit artikel regelt de accountantscontrole en de gevolgen voor de subsidieafrekening van het oordeel en de bevindingen van de instellingsaccountant. De voorschriften die de accountant bij de controle in acht moet nemen, zijn neergelegd in een controleprotocol dat wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de Minister. In het accountantscontroleprotocol is aangegeven in welke mate bij de controle die ten grondslag ligt aan de rapportage van artikel 14, tweede lid, onder c, aan de verschillende artikelen aandacht dient te worden besteed. De accountantsverklaring bij de jaarrekening dient ook betrekking te hebben op de bijlagen bij de jaarrekening met betrekking tot de projectverantwoording en de verantwoording van de overige budgetten. Ook wordt de aandacht van de instellingsaccountant gevraagd voor eisen zoals opgenomen in artikel 17 ten aanzien van de rechtmatigheid van de baten en lasten en van de balansmutaties. De instellingsaccountant geeft in zijn accountantsverklaring, naast een oordeel over de getrouwe verantwoording, een oordeel over de rechtmatigheid. De Minister kan een review doen plaatsvinden op de door de accountant verrichte werkzaamheden.

Indien geen goedkeurende accountantsverklaring (zonder beperkingen) kan worden afgegeven, wordt de subsidie vastgesteld met inachtneming van de bevindingen van de accountant, zoals die blijken uit de accountantsverklaring en het daarbij behorende rapport van bevindingen. Indien de door de instellingsaccountant gesignaleerde problemen na overleg tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en de instelling niet kunnen worden opgelost, kan een korting worden opgelegd ter grootte van het desbetreffende deel van de verantwoorde productie. Daarnaast kan in het geval dat niet wordt voldaan aan de bij de subsidieverlening opgelegde verplichtingen een sanctie worden opgelegd van maximaal 10% van de verleende subsidie.

Artikel 21

In artikel 21 is de periodieke informatieverstrekking van de reclasseringsinstelling aan de Minister geregeld. Door deze informatieverstrekking heeft zowel de instelling als de Minister inzicht in de uitvoering van de reclasseringswerkzaamheden in de loop van het subsidiejaar. Ingevolge het eerste lid moet een reclasseringsinstelling uiterlijk vier weken na iedere vier maanden aan de Minister rapporteren over de uitvoering van de managementafspraken die bij de subsidieverlening zijn gemaakt. Daarbij wordt een door de reclasseringsinstelling opgestelde inhoudelijke en een financiële toelichting verstrekt ten aanzien van de verschillen met de vorige periodes van vier maanden en de planning voor het desbetreffende jaar.

Artikel 22

Artikel 22 regelt complementair aan artikel 24 van de Rijkswet Raad voor de Rechtshandhaving de verplichting van de reclasseringsinstellingen alle gevraagde inlichtingen te verstrekken aan de Raad voor de Rechtshandhaving.

Artikel 23

Hier is de geldende regel neergelegd dat ten aanzien van vooraf bepaalde handelingen de betrokkenheid vooraf van de subsidiegever, de Minister, wordt verlangd.

Met het oog op de vereiste slagvaardigheid die bij de in dit artikel opgenomen rechtshandelingen gewenst is, is tevens bepaald dat de Minister ten hoogste vier weken – met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van vier weken – de tijd heeft om op het verzoek om toestemming te reageren.

Artikel 24

In dit artikel is de verplichting van de reclasseringsinstelling tot verzekering van aansprakelijkheid neergelegd. De ontvangen subsidiegelden worden risicomijdend belegd.

Artikel 25

Dit artikel heeft betrekking op de berekening van diensten die aan derden ter beschikking worden gesteld. Het eerste lid ziet erop dat door de reclasseringsinstelling aan derden voor het ter beschikking stellen van zaken en diensten een minimaal kostendekkende prijs in rekening wordt gebracht. Dit dient om het wegvloeien van subsidiegelden en concurrentievervalsing met publieke middelen te voorkomen. Worden bij het ter beschikking stellen van zaken en diensten geen middelen verkregen met de subsidie van het Ministerie aangewend, dan geldt het bepaalde in het eerste lid (ingevolge het tweede lid) dan ook niet. Om de relatie met de gelieerde rechtspersonen te kunnen beoordelen, is bepaald dat een beschrijving van de organisatorische en financiële banden tussen de gesubsidieerde en andere rechtspersonen wordt verstrekt.

Artikel 26

Het betreft hier de situatie dat de reclasseringsinstelling haar reclasseringswerkzaamheden beëindigt. In dat geval komt de Staat een direct opeisbare vordering op de instelling toe. Deze vordering richt zich op de vermogens- en vermogensbestanddelen van artikel 23.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Naar boven