Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 november 2019, 2019-0000172310, tot wijziging van de Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt en de Beleidsregel boetevaststelling inburgering in verband met uitbreiding van de gronden voor verlenging respectievelijk matiging van de boetebedragen in bepaalde gevallen

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 7a, derde lid, 7b, derde lid, onderdeel a, en 34, onderdelen c en d, van de Wet inburgering en artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

ARTIKEL I

De Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt ‘gezinslid’ vervangen door ‘bloedverwant’.

B

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a. Overlijden

Bij overlijden van de partner of een bloedverwant in de eerste graad van de inburgeringsplichtige wordt de termijn van het participatieverklaringstraject of de termijn voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen verlengd met een periode van drie maanden.

Om in aanmerking te komen voor de verlenging dient de inburgeringsplichtige een afschrift van de ingeschreven akte van overlijden als bedoeld in artikel 19f van Boek 1 Burgerlijk Wetboek in bij de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (DUO).

C

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5. Langdurig verblijf in AZC

De termijn voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen wordt verlengd indien de asielmigrant na aanvang van de inburgeringstermijn langer dan acht weken heeft moeten wachten op uitstroom uit het asielzoekerscentrum. Het aantal weken waarmee de termijn dan wordt verlengd wordt vastgesteld in blokken van vier weken. Een ieder die binnen acht weken na aanvang van de inburgeringstermijn is uitgestroomd uit het asielzoekerscentrum komt niet in aanmerking voor verlenging wegens langdurig verblijf in het asielzoekerscentrum.

ARTIKEL II

De Beleidsregel boetevaststelling inburgering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. het aantal onderdelen van het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal dat de inburgeringsplichtige heeft behaald.

B

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. Boven de bijlage wordt de tekst ‘BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2’ vervangen door “BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL 1, TWEEDE LID”.

2. In de bijlage wordt na de tabel met voetnoot de volgende tekst ingevoegd:

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid matigt de op grond van de tabel vastgestelde boete als één of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal zijn behaald, op de volgende manier:

1 behaald examenonderdeel

20% matiging van de boete

2 behaalde examenonderdelen

40% matiging van de boete

3 behaalde examenonderdelen

60% matiging van de boete

4 of meer behaalde examenonderdelen

80% matiging van de boete

ARTIKEL III

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 26 november 2019

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

TOELICHTING

Deze beleidsregel bevat enkele aanpassingen op de Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt en de Beleidsregel boetevaststelling inburgering. Het betreft het vastleggen van de bestaande uitvoeringspraktijk voor matiging door de Dienst uitvoering onderwijs (DUO). Voor wat betreft de Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt betreft het een correctie op en een uitbreiding van de verlengingsgronden. In de Beleidsregel boetevaststelling inburgering vindt een verdere verfijning van de bepaling van de hoogte van de boete plaats.

Beide beleidsregels bevatten een niet-limitatieve opsomming van de gronden tot verlenging van de inburgeringstermijn en matiging van de boete, gelet op de wettelijk bevoegdheid (of krachtens de wet gegeven bevoegdheid) in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval.

Beleidsregel verlenging inburgeringstermijnen bij geen verwijt

In artikel 2 van de beleidsregel (verlenging bij langdurige ziekte) werd gesproken over gezinslid in de eerste graad. Deze term is nu vervangen door de meer gangbare term bloedverwant in de eerste graad.

Er wordt een nieuw artikel 2a ingevoegd (verlenging bij overlijden). Het overlijden van een partner of een bloedverwant in de eerste graad is een ingrijpende gebeurtenis waardoor de inburgeringsplichtige gedurende een bepaalde periode niet of minder goed in staat is om zich bezig te houden met inburgering. Daarom wordt de inburgeringstermijn in die situatie verlengd met een periode van drie maanden. Om voor deze verlenging in aanmerking te komen moet de inburgeringsplichtige een afschrift van de akte van overlijden verstrekt door de gemeente overleggen (artikel 19f Boek 1 Burgerlijk Wetboek).

Wanneer de partner of bloedverwant met óf de Nederlandse nationaliteit óf een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onder c en d Vreemdelingenwet1 in het buitenland is overleden kan de inburgeringsplichtige de overlijdensakte laten inschrijven in het register van overlijden van de gemeente Den Haag op grond van artikel 25 Boek 1 Burgerlijk wetboek. Wanneer de overledene een andere verblijfstitel2 heeft kan de inburgeringsplichtige een door een beëdigd vertaler vertaalde buitenlandse akte van overlijden overleggen.

De situatie kan zich voordoen dat er een geruime periode zit tussen het moment van aanvang van de inburgeringstermijn en het moment van uitplaatsing naar een gemeente. Inburgeren in een AZC kan lastig zijn. Daarom hebben asielgerechtigden bij langdurig verblijf in een AZC recht op verlenging van de inburgeringstermijn. Omdat vanaf 8 weken sprake is van langdurig verblijf worden de eerste 8 weken niet meegeteld. Omdat in de praktijk verlenging altijd plaatsvindt in blokken van vier weken is dat ook vastgelegd in deze beleidsregel. Ook was daarin ten onrechte de datum bekendmaking verblijfsrecht als startmoment gemeld. Dit moet zijn datum aanvang inburgeringstermijn.

Aantal dagen tussen start termijn en vertrek uit AZC

Verlenging in weken

0 tot 57 dagen

Geen verlenging

57 tot 85 dagen

4 weken

85 tot 113 dagen

8 weken

Etc.

Etc.

Beleidsregel boetevaststelling inburgering

In de beleidsregel van 13 maart 2018 was vastgelegd dat de hoogte van de boete wordt vastgesteld aan de hand van het aantal gevolgde cursusuren bij een instelling met het Blik op Werk-keurmerk en deelname aan het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2).

Door de onderhavige wijziging wordt de hoogte van de op deze manier vastgestelde boete gematigd wanneer één of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen of het staatsexamen NT2 zijn behaald. De reden hiervoor is dat het behalen van het inburgeringsexamen een resultaatverplichting is. Door het behalen van een of meer onderdelen wordt een deel van dat resultaat bereikt en is daarmee grond tot matiging van de boete. Bij het bepalen van het behaalde aantal onderdelen van het inburgeringsexamen of het staatsexamen NT2 gaat het om de vier onderdelen ter examinering van de vaardigheden in de Nederlandse taal (spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid) en de examinering van de kennis van de Nederlandse maatschappij en van oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het afronden van het participatieverklaringstraject telt niet mee als behaald onderdeel. Dit onderdeel van het inburgeringsexamen wordt immers apart gehandhaafd, indien nodig door boeteoplegging.

Conform het kabinetsbeleid voor de vaste verandermomenten (VVM) is het eerstvolgende vaste verandermoment als inwerkingtredingsmoment van deze beleidsregel gekozen, namelijk 1 januari 2020.

Den Haag, 26 november 2019

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Dit betreft houders van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen

X Noot
2

Dit betreft voornamelijk houders van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde of onbepaalde tijd op grond van artikel 14 en 20 Vreemdelingenwet (de gezinsmigranten).

Naar boven