TOELICHTING
Algemeen
In het Regeerakkoord is opgenomen dat het Rijk met de provincies zal investeren in
de verkeersveiligheid van N-wegen. Er is een bedrag van € 25 miljoen beschikbaar gesteld
voor bermmaatregelen op provinciale N-wegen. In het Bestuurlijk Overleg (BO-MIRT)
van november 2018 zijn nadere afspraken hierover gemaakt. In de afsprakenlijst van
het BO-MIRT van 21 en 22 november 2018 wordt gerefereerd aan het afsprakenkader voor
de rijksbijdragen. Het afsprakenkader is niet gepubliceerd. De afspraken zijn in deze
regeling opgenomen.
In aanloop naar deze regeling zijn de provincies en het Rijk al bezig geweest met
het beoordelen van maatregelen die in aanmerking komen voor een bijdrage vanuit het
Rijk in de vorm van een specifieke uitkering.
Staatssteun
Er is geen sprake van staatssteun, want de provincies kunnen een specifieke uitkering
krijgen voor de uitvoering van hun publieke taken op het gebied van de veilige inrichting
van wegen. De provincies zijn daarom geen onderneming in de zin van de staatssteunregels.
Regeldrukgevolgen
De specifieke uitkering is vormgegeven in de voor provincies bekende methodiek van
het provinciefonds en de sisa-verantwoording. Dit leidt tot de minste uitvoeringslasten
voor zowel de provincies als voor de rijksoverheid.
Inwerkingtreding en einde looptijd
De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de
Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van het beleid inzake
vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor
de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd, omdat de specifieke doelgroep gebaat
is bij een spoedige inwerkingtreding.
De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2024 met dien verstande dat deze regeling
van toepassing blijft op een uitkering die voor die datum op grond van deze regeling
is verstrekt. Vóór 1 januari 2024 moeten alle werkzaamheden waarvoor een specifieke
uitkering is verleend immers zijn afgerond. Voor alle ontvangers blijft via de verleende
uitkeringen de verplichting voor het verstrekken van de analyse, bedoeld in artikel
11, gelden.
Artikelsgewijs
Artikel 1. Begripsbepaling
Er zijn in dit artikel enkele definities opgenomen.
Artikel 2. Kaderbesluit subsidies I en M
Op grond van artikel 2, derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M zijn de artikelen
van dat besluit van overeenkomstige toepassing verklaard op de onderhavige regeling
voor het verlenen van specifieke uitkeringen aan provincies. Op deze manier kan het
reguliere stramien voor de verlening van subsidies worden aangehouden.
Artikel 3. Doel
Het doel van de specifieke uitkering is het bevorderen van de verbetering van de veilige
inrichting van N-wegen op korte termijn, opdat de kans op bermongevallen met ernstige
afloop daalt.
De N-wegen in beheer bij het Rijk zijn uitgezonderd. Dit is tot uitdrukking gebracht
in de doelomschrijving van de regeling. De wegen binnen het grondgebied van een provincie
die in beheer zijn bij andere wegbeheerders, zoals gemeenten en waterschappen, vallen
eveneens onder deze regeling.
De maatregelen zijn gericht op:
-
a. het afschermen van obstakels binnen de obstakelvrije zone1; bijvoorbeeld door het plaatsen van een geleiderailconstuctie;
-
b. het vergroten van de vergevingsgezindheid van de weg, bijvoorbeeld door het aanbrengen
van redresseerstroken of bermverharding; of
-
c. het vergroten van de obstakelvrije afstand, bijvoorbeeld door het verwijderen of verplaatsen
van fysieke objecten.
Artikel 4. Activiteiten die in aanmerking komen voor specifieke uitkering
In het eerste lid is omschreven voor welke activiteiten een specifieke uitkering kan
worden verstrekt: voorbereidingskosten, zoals ontwerp of onderzoek, uitvoeringskosten,
zoals de diensten van een aannemer en infrastructurele kosten, zoals geleiderails
en grasbetontegels.
In het derde lid zijn de kosten omschreven die niet in aanmerking komen voor een specifieke
uitkering, zoals reguliere onderhoudswerkzaamheden (te denken valt aan maaien, snoeien,
vervanging van geleiderails) en BTW.
Artikel 5. Hoogte van de uitkering
De specifieke uitkering wordt verstrekt op basis van cofinanciering en kan maximaal
25% van de kosten van maatregelen dekken.
Artikel 6. Uitkeringsplafond
In dit artikel worden de maximale bedragen per ontvanger vastgesteld. De plafondbedragen
zijn exclusief BTW vastgesteld. Voor de BTW-kosten kan er doorgaans een beroep worden
gedaan op het BTW-compensatiefonds. De verdeling van de € 25 miljoen over de verschillende
provincies is naar de lengte van het N-wegennet2 per provincie. De ontvangers kunnen binnen hun plafonds aanvragen indienen in ten
minste twee periodes (calls). Als de middelen na de tweede call niet zijn uitgeput,
worden de resterende bedragen opgeteld en beschikbaar gesteld voor alle ontvangers.
De verdeling van de middelen in de derde call geschiedt op basis van de volgorde van
indiening van aanvraag.
De termijnen voor de aanvraagrondes worden door de minister bekendgemaakt. De eerste
call is al in volle gang. Zie ook de toelichting op artikel 15.
Artikelen 7, 8 en 9. Aanvraag, verlening, bevoorschotting en betaling
De artikelen 7 tot en met 9 hebben betrekking op de wijze waarop verlening en betaling
van de specifieke uitkering geschiedt.
Specifieke uitkeringen worden op aanvraag verstrekt. De minister organiseert calls
en beoordeelt de aanvragen. Uit de toelichting op de aanvragen moet blijken hoe er
rekening wordt gehouden met duurzaamheid en natuurwaarden. De ontvangers kunnen ook
de meest actuele CROW-richtlijnen voor veilige weg- en berminrichting in de toelichting
voor de voorgestelde maatregelen gebruiken, want de minister houdt er rekening mee
bij de beoordeling van de aanvragen. De aanvragers ontvangen een besluit. Als de minister
tot verlening besluit, wordt er een voorschot van 100% betaald.
Artikel 10. Voorwaarden
In het tweede lid wordt de aanvrager de mogelijkheid geboden om de meerkosten van
activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend te bekostigen met een eventueel
surplus dat resteert als gevolg van lagere kosten van andere activiteiten waarvoor
specifieke uitkering is verleend. Voorwaarde daarvoor is dat de minister hierover
tijdig wordt geïnformeerd.
De financiële administratie dient hiervoor adequaat te worden bijgehouden. Dit is
ook van belang voor de controle dat de specifieke uitkering niet meer dekt dan 25%
van de meerkosten.
In het derde lid is bepaald dat alle maatregelen waarvoor en specifieke uitkering
is verleend, moeten zijn afgerond voor 1 januari 2024. Hierdoor wordt gewaarborgd
dat alle voorgenomen maatregelen binnen een redelijke termijn worden genomen en werkzaamheden
niet (onnodig) lang kunnen duren.
Artikel 11. Verplichtingen ontvanger
Om de effecten van de genomen maatregelen vast te kunnen stellen is het nodig dat
de provincies informatie hierover verzamelen en beschikbaar stellen. Om die reden
is er een rapportage gevraagd.
Indien er gegevens beschikbaar zijn, dienen de provincies ook een comparatieve analyse
te maken over de situatie voor en na de maatregelen. Omwille van de uniformiteit van
de rapportages zal het Rijk in samenwerking met de provincies een format ontwerpen.
De provincies moeten ook meewerken aan door de minister een eventueel in te stellen
onderzoek naar de effecten van de maatregelen.
Artikelen 12 en 13. Verantwoording en vaststelling
Verantwoording van de besteding van de specifieke uitkering geschiedt volgens de voor
de provincies bekende sisa-systematiek.
Na afronding van de activiteiten waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt of
in ieder geval na afloop van de uiterste termijn om die activiteiten af te ronden
(31 december 2023) beslist de minister over de vaststelling van de specifieke uitkering.
Deze kan op een lager bedrag (waaronder op nihil) worden vastgesteld als de activiteiten
niet volgens plan zijn uitgevoerd of niet aan de andere voorwaarden van de verlening
is voldaan.
Artikel 14. Terugvordering
Bij een lagere vaststelling van de specifieke uitkering, wordt het onverschuldigd
betaalde deel teruggevorderd. Terugvordering kan plaatsvinden binnen vijf jaren na
de vaststelling.
Artikel 15. Overgangsrecht
Dit artikel regelt dat de aanvragen in het kader van de eerste call kunnen worden
behandeld onder deze regeling. Vanaf 1 juli 2018 was bekend dat de cofinanciering
zou kunnen plaatsvinden en konden provincies aanvragen indienen. Sommige aanvragen
zijn dus al ingediend onder deze eerste call. Omdat die aanvragen op dezelfde manier
moeten worden behandeld, is de betreffende overgangsrechtelijke bepaling gemaakt.
Hoewel er geen sprake was van formele aanvragen in de zin van deze regeling, worden
de eerder ingediende aanvragen wel als zodanig beschouwd. Voor wat betreft de afhandeling
ervan is in afwijking van de hoofdregel gekozen voor een termijn van dertien weken
na de inwerkingtreding van deze regeling. In veel gevallen zullen immers als dertien
weken na indiening verstreken zijn.
Artikel 16. Inwerkingtreding en vervaldatum
Hiervoor wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga