Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 november 2019, nr. MINBUZA-2019.731514, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Drylands Sahel Program)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 5.1. van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 op het terrein van voedselzekerheid in het kader van het Drylands Sahel Program, gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 oktober 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

  • 2. Voor het in het eerste lid genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 100 miljoen onder het voorbehoud dat de begrotingswetgever voldoende middelen beschikbaar stelt.

Artikel 2

Uit oogpunt van doelmatigheid zal niet meer dan één subsidieaanvrager voor subsidieverlening in aanmerking kunnen komen. Van alle aanvragen die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 1, eerste lid, genoemde beleidsregels, zal slechts de aanvraag die het beste aan die criteria voldoet voor subsidie in aanmerking kunnen komen.

Artikel 3

Aanvragen voor subsidie in het kader van het Drylands Sahel Program worden ingediend in de periode vanaf 2 januari 2020 om 9.00 uur CET tot en met 28 februari 2020 17.00 uur CET aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden1.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 november 2030, met dien verstande dat het van toepassing blijft op de subsidie die voor die tijd is verleend.

Dit besluit zal met de bijlagen, met uitzondering van de appendices bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Appendices bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, namens deze, de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, K. van der Heijden

Subsidiebeleidskader Drylands Sahel Program

1. Achtergrond

Dit subsidiebeleidskader vormt de leidraad voor de beoordeling van subsidieaanvragen in het kader van het Drylands Sahel Program (DSP). In de beleidsnota voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) ‘Investeren in Perspectief’3 is aangekondigd dat Nederland rond kleinstedelijke groeikernen in de Sahel samenhangende programma’s gaat opzetten op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, gericht op toegang tot basisvoorzieningen (voedsel, water en sanitatie en hernieuwbare energie), werk en inkomen vooral voor jongeren, bescherming tegen overstromingen, waterschaarste en watervervuiling, en in het bijzonder verduurzaming van de regenafhankelijke landbouw en veeteelt (SDG-2), versterking van de marktgerichtheid en vermindering van de kwetsbaarheid voor landdegradatie en klimaatverandering, waarbij waar mogelijk wordt aangesloten bij het Afrikaanse plan tegen landdegradatie en verwoestijning: het Grote Groene Muur initiatief (pagina 39). Dit voornemen is doorvertaald in de Meerjaren Landen Strategieën van Burkina Faso, Mali en Niger4 en in de kamerbrief Voedselzekerheid van 6 Juni 2019 (‘Op weg naar een wereld zonder honger in 2030: de Nederlandse inzet’ – 33625-2805). Om het rendement van de beschikbare publieke middelen zo groot mogelijk te maken, is gekozen voor een subsidietender voor het DSP. Aan de hand hiervan wordt, op basis van ingediende voorstellen, één aanvrager geselecteerd om een volledig programma uit te werken waarvoor, indien het voorstel wordt goedgekeurd, subsidie wordt verstrekt. Dit subsidiebeleidskader stelt hieraan specifieke randvoorwaarden, voortvloeiend uit de beleidskaders met betrekking tot de BHOS inzet in Burkina Faso, Mali en Niger op gebied van voedselzekerheid, water en klimaat. Via internet is een Engelse vertaling van het subsidiebeleidskader beschikbaar.6

Landdegradatie en het beleid voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Nederland en ontwikkelingslanden hebben een gedeeld belang bij duurzaamheid en inclusieve groei wereldwijd. De gecombineerde agenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking richt zich hierop, in lijn met de Rio conventies (klimaat, biodiversiteit en verwoestijning) en de Sustainable Development Goals (SDG’s), via drie hoofddoelen die onderling sterk samenhangen en met gendergelijkheid als overkoepelend doel (zie figuur).

In de West-Afrikaanse Sudano-Sahel en Sahel klimaat zones is sprake van een samenhangend complex van armoede, conflict, instabiliteit, afnemende landbouwproductiviteit, bodemdegradatie, klimaatverandering, waterschaarste, bevolkingsgroei en (jeugd)werkloosheid. Daarbij is het overheidsbeleid en de wet- en regelgeving en handhaving hiervan rond land en watergebruik en landbouwontwikkeling zwak en wordt het optreden van overheidsfunctionarissen rond landgebruiksconflicten als éen van de grondoorzaken gezien van de huidige spanningen en instabiliteit7. De landbouw (akkerbouw en veehouderij) vormt zowel een probleem als een oplossing. De productiviteit is laag, vruchtbaar land en water zijn schaars en bodems degraderen als gevolg van te weinig hersteltijd, overbegrazing en toenemende droogteperiodes (verwoestijning). Tegelijkertijd kunnen juist investeringen in de landbouw en (nomadische en sedentaire) veehouderij, waarin 80–90 % van de bevolking werkzaam is, een groot verschil maken met het oog op armoedebestrijding en ontwikkeling, vooral gezien de toegenomen koopkracht en afzetmogelijkheden in (klein)stedelijke centra.8 De rol van vrouwen is hierbij cruciaal. Vrouwen spelen in de regio een sleutelrol op het gebied van beheer van natuurlijke hulpbronnen en in de voedselvoorziening, te meer waar jonge mannen het platteland verlaten. Een betere toegang tot, en controle over, productiemiddelen (land, mest, water, krediet) en kennis is daarom essentieel.

2. Afbakening van het Drylands Sahel Program

Ervaringen met bodemrehabilitatie en -beheer laten zien dat er met agroforestry en bodem- en waterconserveringstechnieken een aanzienlijk regeneratiepotentieel kan worden aangeboord.9 Daarmee kan niet alleen degradatie worden tegengegaan, maar kunnen ook productiviteit en inkomens van boeren/boerinnen weer toenemen. Dit is echter niet alleen een kwestie van techniek, belangrijke randvoorwaarden zijn:

  • Versterking van land- en waterbeheer instituties die zowel land- en water(gebruiks)rechten als land- en watergebruiksplanning bevorderen.

  • Toegang tot markten, via ketenontwikkeling, opslag en verwerking, infrastructuur, co-operatie.

Het overkoepelend doel (impact) dat de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (hierna: de minister) nastreeft met dit subsidie-instrument is een ecologisch duurzaam landgebruik in akkerbouw en (semi-)nomadische veehouderij resulterend in duurzame productie en verbetering van inkomens van boer(inn)en en veehoud(st)ers in een samenhangend gebied in de agro-ecologische Soedano-Sahel zone van Burkina Faso, Mali en Niger.

Kader voor de Theory of Change 10

Om deze impact te realiseren dient een Theory of Change (ToC) te worden ontwikkeld die aangeeft hoe op drie samenhangende niveaus veranderingen worden gerealiseerd: bedrijf (boerengezinnen), keten (boerenorganisaties) en landschap (lokale gemeenschappen en lokale overheden). De weg naar deze veranderingen, en het bereiken van duurzame resultaten, loopt via instituties die blijvend collectieve afspraken, acties en dienstverlening kunnen organiseren: overheid, boerenorganisaties en -associaties, co-operaties, traditionele leiders, e.a.. Dit institutionele landschap is context-specifiek en vereist daarom een expliciete contextanalyse binnen de ToC. Hetzelfde geldt voor gender, ook daar is een context-specifieke analyse binnen de ToC vereist.

In algemene zin kunnen de gewenste veranderingen als volgt worden omschreven:

Bedrijf:

Beoogde verandering: van huidige praktijk (bodemerosie en -uitputting, overbegrazing) naar geïntegreerd bodemvruchtbaarheids- en weidebeheer inclusief bodem- en water conservering (o.a. stenen rijen, bodembedekking, waterharvesting), verhoging organisch stofgehalte (compost), natuurlijk regeneratie (bomen, struiken), gecontroleerde begrazing en houtkap, agroforestry, gewasrotatie, verbeterd zaaigoed en aanvullende bemesting (microdoses).

Aanname: boer(inn)en en veehoud(st)ers passen duurzame prakijken toe wanneer de voordelen in termen van productiviteit, inkomen en (klimaat)weerbaarheid zichtbaar worden gemaakt.

Keten:

Beoogde verandering: van (semi-)zelfvoorzienende productie onder de armoedegrens naar verkoop van surplus op de (lokale, kleinstedelijke) markt, verbeterde toegang tot inputs, hoger inkomen en (potentieel) betere voeding.

Aanname: markten zijn aanwezig, voldoende koopkrachtig en toegankelijk.

Landschap:

Beoogde verandering: van zwakke/onduidelijke/geen afspraken over land- en watergebruik en landschaps- en stroomgebied-beheer naar toepassing van collectief vastgestelde, inclusieve landrechten en duurzaam-land- en watergebruiksplannen, als ook hun implementatie, voor akkerbouw en (semi-) nomadische veehouderij (en, waar relevant, bosproducten en visserij).

Aanname: lokale landgebruikers hebben, en zien, gezamenlijk belang bij verbeterd landschapsbeheer.

Synergie:

Beoogde verandering: synergie-effecten doordat verbeteringen op bedrijven, in de keten en in landschapsbeheer elkaar versterken, resulterend in duurzame(r) voedselsystemen.

Aanname: voldoende impact op alle niveaus (bedrijf, keten, landschap).

Om deze veranderingen te bewerkstelligen, en robuuste resultaten te bereiken, heeft het DSP een looptijd van 10 jaar. De subsidiemiddelen zijn bedoeld om in een eerste fase van 5 jaar de benodigde structuren, capaciteit en vertrouwen te kunnen opbouwen en werkwijzen en strategieën te ontwikkelen, toetsen en verbeteren. Hierbij zal nadrukkelijk dienen te worden voortgebouwd op in de afgelopen decennia opgebouwde kennis en ervaring. In de tweede fase zal het accent meer kunnen liggen op uitbreiden en opschalen van bewezen benaderingen en interventies en op institutionele inbedding met het oog op duurzaamheid (exit-strategie). Nauwe samenwerking met, en binnen de beleidskaders van, de nationale/lokale overheid is cruciaal voor ownership, beklijfbaarheid en met het oog op de overkoepelende doelstelling van de Nederlandse inzet in de Sahel regio: het versterken van het sociaal contract tussen burger en overheid.

Resultaten en indicatoren

Het DSP zal direct en meetbaar bijdragen aan de volgende doelstellingen van het Nederlandse voedselzekerheids-, water-, klimaat-, private sector ontwikkelings- en stabiliteitsbeleid, respectievelijk:

  • Kleinschalige voedselproducenten verdubbelen hun productiviteit en inkomen.

  • Eetpatronen van begunstigden zijn voldoende en voldoende divers.

  • Land(bouwgrond)gebruik is geconverteerd naar duurzame productie.

  • Water wordt eerlijk verdeeld en duurzaam gebruikt en voorziet in de behoefte van alle sectoren en van het milieu.

  • Water wordt efficiënt gebruikt in de landbouw.

  • Mensen en ecosystemen zijn minder kwetsbaar voor de huidige en te verwachten gevolgen van klimaatverandering door verhoogde weerbaarheid en/of verminderde blootstelling.

  • Het ondernemingsklimaat is verbeterd.

  • De private sector ontwikkelt zich.

  • Overheidsbeleid en wet- en regelgeving, en handhaving hiervan, aangaande duurzaam land- en waterbeheer zijn verbeterd.

  • Conflicten over landgebruik worden opgelost en nemen af.

Indirect, en slechts bij benadering meetbaar, wordt bijgedragen aan de doelstelling:

  • Versterking van het sociaal contract tussen overheid en burger en toename van stabiliteit.

Om die bijdrage inzichtelijk te maken, op output en outcome niveau, kunnen de volgende indicatoren worden gehanteerd:11

Output (jaarlijks bereik):

  • Aantal kleinschalige voedselproducenten12 (m/v/j)13 direct bereikt14 met productiviteits- en inkomens verbeterende activiteiten (technologieën/producten/diensten)

  • Aantal mensen waarvoor meer en beter voedsel beschikbaar komt

  • Aantal hectare land (gedisaggregeerd voor landbouw- en weidegrond) direct bereikt met ecologische duurzaamheid verhogende activiteiten (technologieën/producten/diensten)

  • Aantal stroomgebieden/landschappen met beheersplan

  • Aantal samen met stakeholders gerealiseerde kleinschalige infrastructurele werken voor land en waterbeheer.

  • Aantal mensen (m/v/j) ondersteund bij de ontwikkeling van inkomen genererende activiteiten

  • Aantal ondersteunde boerengroepen, -organisaties, -co-operaties en totaal aantal profiterende leden

  • Aantal overheidsfunctionarissen actief betrokken bij projectactiviteiten

  • Aantal conflicten (lokaal/nationaal/regionaal) waarop is ingespeeld

  • Aantal georganiseerde dialogen voor (lokale/nationale/regionale) conflict beheersing

  • Aantal mensen (v/m) getraind in conflict oplossende vaardigheden

Outcome (gemeten verandering ten opzichte van baseline15):

  • Aantal kleinschalige voedselproducenten (m/v/j) dat stappen naar een leefbaar inkomen heeft gezet

  • Aantal kleinschalige voedselproducenten (m/v/j) dat stappen naar verkleining van de yield gap heeft gezet

  • Aantal kinderen met toegang tot en gebruik van een meer volledig en divers dieet

  • Aantal vrouwelijke kleinschalige voedselproducenten dat stappen naar meer zeggenschap heeft gezet

  • Aantal kleinschalige voedselproducenten (m/v/j) dat weerbaarder tegen (klimaat)schokken is geworden

  • Aantal hectare land (gedisaggregeerd voor landbouw- en weidegrond) dat onder agro-ecologisch duurzame praktijken en efficiënt watergebruik is gebracht

  • Aantal hectare land (gedisaggregeerd voor landbouw- en weidegrond) dat agro-ecologisch weerbaarder tegen (klimaat)schokken is geworden

  • Aantal kleinschalige voedselproducenten (m/v/j) dat betere land(gebruiks)rechten geniet

  • Aantal stroomgebieden/landschappen dat duurzamer beheerd wordt, inclusief eerlijke verdeling van water

  • Aantal versterkte boerengroepen, -organisaties, co-operaties en totaal aantal profiterende leden

  • Aantal directe banen ondersteund binnen MKB’s

  • Aantal verbeteringen in wet- en regelgeving

  • Aantal overheidsfunctionarissen beter in staat tot effectieve beleidsuitvoering

  • Aantoonbare veranderingen in perceptie en/of gedrag van begunstigden met betrekking tot gewelddadige groepen/organisaties

  • Aantal begunstigden dat aangeeft toegang tot levensvatbare bestaansbronnen te hebben, als alternatief voor wat extremistische groepen bieden

Als proxy voor synergie-effecten, die kunnen bijdragen aan transformatie naar duurzame voedselsystemen, kan de samenhang van de afzonderlijke outcomes inzichtelijk worden gemaakt, kwantitatief, middels het percentage bereikte begunstigden waarbij meerdere effecten samenkomen, en kwalitatief, middels een beschrijving van de betekenis van die opgetelde effecten.

Ex ante kunnen geen precieze targets per indicator worden geformuleerd, aangezien de omvang van output/bereik samenhangt met de te verwachten impact. Verwacht wordt dat het totale bereik, en daarmee op termijn de totale outcome, in de eerste periode (van opbouwen en ontwikkelen) relatief lager ligt dan in de tweede periode (van uitbreiden en opschalen). Als indicatie geldt dat DSP streeft naar een bereik van, en effecten op, tussen de 0,5 en 1,5 miljoen kleinschalige voedselproducenten in de eerste periode, en tussen de 2 en 5 miljoen in de tweede periode.

3. Subsidieverstrekking DSP op hoofdlijnen

Voor subsidieverlening in het kader van het DSP stelt de minister € 100.000.000 beschikbaar voor een periode van tien jaar. De beschikbare middelen kwalificeren als ODA16. Het bedrag wordt in twee fases beschikbaar gesteld: € 52.000.000 voor de periode oktober 2020 tot eind december 2025 en, onder voorbehoud van een positieve evaluatie en op basis van een uitgewerkte opschalingsstrategie, € 48.000.000 voor de periode januari 2026 tot eind september 2030. Uit het oogpunt van doelmatigheid kan slechts één subsidieaanvrager in aanmerking komen voor subsidiëring in het kader van dit subsidiebeleidskader.

Het proces van selectie van de subsidieontvanger verloopt in twee stappen:

  • 1. De subsidieaanvrager vraagt het hele beschikbare bedrag aan. Het voorstel dient een Theory of Change te bevatten en, voor de eerste periode van 5 jaar, een globaal overzicht van verdeling van uitgaven over kostencategorieën alsmede een globaal overzicht van doelstellingen, werkzaamheden, resultaten en verwachte effecten. Voor de resterende periode van 5 jaar wordt aangegeven hoe, en in welke mate, bouwend op tijdens de eerste 5 jaar bewezen benaderingen, werkende interventies en functionerende instituties, zal worden uitgebreid en opgeschaald en hoe beklijfbaarheid zal worden geborgd (exit-strategie). Alle aanvragen worden beoordeeld op grond van de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria. Daaraan zal in elk geval moeten worden voldaan (drempelcriteria), dan wel in voldoende mate moeten worden voldaan (kwalitatieve criteria), om te kunnen worden geselecteerd voor de tweede fase van het selectieproces.

  • 2. Van alle aanvragen die (in voldoende mate) voldoen aan de criteria zal de aanvrager wiens aanvraag het beste daaraan voldoet als enige worden uitgenodigd om een volledig uitgewerkt programma in te dienen. Dit programma zal op basis van de in deze beleidsregels opgenomen criteria en zo nodig nader te bepalen en voorafgaand aan het ontwikkelen van het programmavoorstel met de geselecteerde aanvrager te delen criteria worden beoordeeld door een groep deskundigen, waarna subsidieverlening kan plaatsvinden.

Waarvoor wordt subsidie beschikbaar gesteld

De subsidie is bedoeld voor het uitvoeren van een programma in drie landen (Burkina Faso, Mali en Niger) dat bijdraagt aan het realiseren van de doelen zoals gesteld in dit subsidiebeleidskader (zie hoofdstuk 3). De middelen dienen zoveel mogelijk ten goede te komen aan de ultieme doelgroep, i.e. kleinschalige voedselproducenten. Indirecte kosten dienen tot een minimum te worden beperkt.17

Looptijd

De looptijd van de subsidie is van 1 oktober 2020 tot 30 september 2030, verdeeld over twee fasen zoals hierboven toegelicht. Het subsidiebedrag wordt in periodieke voorschotten betaald op basis van liquiditeitsprognoses.

In het najaar van 2024 laat het Ministerie van Buitenlandse Zaken een externe evaluatie uitvoeren van de tot dan toe behaalde resultaten en een inschatting van de kans op succesvol resultaatbereik in de tweede fase. Bij een voldoende positief oordeel worden de kosten verbonden aan de activiteiten uit te voeren in de tweede fase subsidiabel. Tegelijk met het jaarplan voor 2026 dient met het oog op die tweede fase een overzicht te worden ingediend van werkzaamheden, doelstellingen, resultaten, verwachte effecten en liquiditeitsbehoefte voor de periode 2026–2030. Na goedkeuring hiervan wordt het resterende subsidiebedrag via periodieke voorschotten betaald. Ten behoeve van het laatste financieringsjaar wordt maximaal 80% van de voor dat jaar aangevraagde middelen als voorschot betaald. Na vaststelling van de subsidie vindt verrekening plaats.

De rapportages aan de minister over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en over de daarmee behaalde resultaten strekken zich uit tot en met september 2030; aan het eind van het subsidietijdvak zal een eindrapportage moeten worden ingediend ten behoeve van de vaststelling van de subsidie. Gedurende het genoemde subsidietijdvak (2020-2030) dient de subsidieontvanger aan de doelstellingen van de subsidie en verplichtingen van de subsidie te blijven voldoen en blijven de in dit subsidiebeleidskader neergelegde regels van toepassing.

Eisen na afloop van het subsidietijdvak

Indien na de looptijd van de beschikking middelen over zijn, zullen deze -tenzij het subsidietijdvak wordt verlengd- terugvloeien naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hierover zal een verplichting worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.

4. Wie kunnen voor subsidie in aanmerking komen?

Organisaties: soort en structuur

  • Nederlandse18 en niet-Nederlandse organisaties met rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht (bijvoorbeeld ngo’s19, kennisinstellingen, bedrijven) en met een goed track record op het gebied van kleinschalige landbouwontwikkeling in droge gebieden.

  • Organisaties kunnen zelfstandig een aanvraag indienen of deel uitmaken van een alliantie van organisaties namens welke een penvoerder een aanvraag indient. Een alliantie is een samenwerkingsverband van twee of meer organisaties in bovenstaande zin die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten met het oog op de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd. Alle partijen leveren een bijdrage aan de einddoelstellingen van de activiteiten van de alliantie en hebben gezamenlijk en ten opzichte van elkaar aantoonbare meerwaarde, bijvoorbeeld in thematisch opzicht. In geval de aanvraag wordt gehonoreerd is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig geheel verantwoordelijk voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend en voor de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen.

  • Een organisatie kan slechts één maal als penvoerder of zelfstandige aanvrager in aanmerking komen voor een subsidie in het kader van het DSP, maar kan daarnaast wel als mede-indiener in (andere) allianties participeren namens welke een penvoerder subsidie aanvraagt. Indien een organisatie meerdere aanvragen indient (hetzij als penvoerder hetzij als zelfstandige aanvrager) wordt alleen de eerst ontvangen aanvraag in behandeling genomen en worden de later ontvangen aanvragen afgewezen.

  • (Lokale) overheden, intergouvernementele organisaties en organisaties waarvan een overheid de enige aandeelhouder is komen niet in aanmerking voor subsidie. Zij kunnen aanvrager, penvoerder noch mede- indiener zijn.

5. Selectieprocedure en verdeling van de beschikbare middelen

Criteria voor beoordeling van aanvragen voor een subsidie in het kader van DSP

De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen in het kader van het DSP en op de uiteindelijke subsidieverstrekking. Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van twee soorten criteria: drempelcriteria en criteria met betrekking tot de kwaliteit van de organisatie en het track record van de aanvrager -dan wel de alliantie- en van het ingediende voorstel.

Het beoordelings- en selectieproces verloopt in twee stappen:

  • 1. De subsidieaanvrager vraagt het hele beschikbare bedrag aan (zie ook hoofdstuk 4 en verder hoofdstuk 11). Alle aanvragen worden beoordeeld op grond van de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria. Daaraan zal in elk geval moeten worden voldaan (drempelcriteria), dan wel in voldoende mate moeten worden voldaan (kwalitatieve criteria), om in aanmerking te kunnen komen voor de volgende stap.

  • 2. De aanvrager wiens aanvraag het beste, en voldoende, aan de gestelde criteria voldoet zal als enige worden uitgenodigd om het bij de aanvraag behorende voorstel uit te werken in een volledig programma. Dit programma zal worden beoordeeld door een groep deskundigen, aan de hand van de in deze beleidsregels opgenomen criteria en waar nodig op basis van nader te bepalen en voorafgaand aan het uitwerken van het programmavoorstel met de geselecteerde aanvrager te delen criteria, waarna subsidieverlening kan plaatsvinden, eventueel met een verplichting tot aanpassingen.

De verdeling van de beschikbare middelen vindt derhalve plaats aan de hand van een tender. Alle aanvragen worden beoordeeld op grond van dezelfde criteria. Van de aanvragers wier aanvragen hieraan voldoen komt de aanvrager wiens aanvraag het beste voldoet aan de kwalitatieve criteria als enige in aanmerking voor subsidie in het kader van het DSP, indien het door hem uitgewerkte volledige programma in ruim voldoende mate voldoet aan de criteria opgenomen in deze beleidsregels en eventuele aanvullende vooraf met de geselecteerde aanvrager te delen criteria.

6. Tijdpad

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het DSP kunnen worden ingediend vanaf 2 januari 2020, 9:00 CET uur tot en met 28 februari 2020, 17:00 uur CET. Aanvragen die later worden ingediend worden afgewezen. Na 28 februari 2020 worden de tijdig ontvangen aanvragen beoordeeld op grond van de drempelcriteria. Bij het niet voldoen aan één of meer van deze drempelcriteria volgt een afwijzing en wordt de aanvraag niet verder beoordeeld. De aanvragen die aan alle drempelcriteria voldoen worden verder beoordeeld aan de hand van de criteria van de kwalitatieve toets ten aanzien van organisatie en track record van de aanvrager dan wel alliantie (organisatie- en track recordtoets) en van zijn projectvoorstel (voorsteltoets). Besluitvorming over de selectie van de aanvraag die voor uitwerking van een volledig programma in aanmerking komt vindt plaats op uiterlijk 17 april 2020.

Door de geselecteerde aanvrager wordt uiterlijk 17 juli 2020 een uitgewerkt programmavoorstel ingediend, waarop uiterlijk 18 september 2020 een besluit wordt genomen.

7. Drempeltoets

Voor de drempelcriteria geldt dat een aanvraag aan alle criteria moet voldoen. Indien een aanvraag niet aan alle drempelcriteria voldoet, wordt zij afgewezen en niet verder beoordeeld.

  • 1. De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn gebaseerd op een door de aanvrager dan wel in geval van een alliantie de penvoerder ontwikkelde Theory of Change gericht op de algemene doelstelling van het DSP, namelijk een ecologisch duurzaam landgebruik in akkerbouw en (semi-)nomadische veehouderij resulterend in duurzame productie en verbetering van inkomens van boer(inn)en en veehoud(st)ers, in een samenhangend gebied in de Soedano-Sahel zone van Burkina Faso, Mali en Niger.

  • 2. De aanvrager is een organisatie die in het bezit is van rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht. Voor aanvragen die worden ingediend door een penvoerder namens een alliantie, geldt dat behalve de penvoerder ook alle mede- indieners beschikken over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.

  • 3. De aanvrager of in geval van een aanvraag namens een alliantie de penvoerder heeft niet eerder een andere aanvraag ingediend voor een subsidie in het kader van het DSP.

  • 4. In het geval van een alliantie omvat de aanvraag een door alle alliantieleden (penvoerder en mede-indiener(s) getekende samenwerkingsovereenkomst, waarin met het oog op het uitvoeren van het voorstel waarvoor de subsidie wordt aangevraagd in ieder geval afspraken zijn neergelegd over:

    • de wijze waarop elk van de alliantieleden bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie;

    • de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt;

    • de wijze waarop de kosten en de risico’s worden gedeeld over de alliantieleden;

    • de wijze waarop de alliantieleden naleving door de penvoerder van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister waarborgen, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages (inclusief IATI-rapportages);

    • de wijze waarop de alliantieleden elkaar informeren, in het bijzonder over hun financiële gezondheid;

    • de wijze waarop de samenwerking kan worden aangepast;

    • de wijze waarop elk van de alliantieleden betrokken is bij het monitoren en evalueren van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten.

  • 5. De aanvrager of, in geval van een aanvraag namens een alliantie, de alliantie, heeft de beschikking over een kantoor in Burkina Faso, Mali en Niger, al dan niet via een lokaal gevestigd lid van de alliantie.

  • 6. Gedurende de periode 2016-2018 was gemiddeld ten minste 25% van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvrager, afkomstig uit bronnen anders dan directe subsidies en/of bijdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (inclusief ambassades). Indien de aanvrager penvoerder is voor een alliantie geldt dit criterium voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien één van de alliantieleden gemiddeld minder dan 25% van de totale jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ-subsidies of -bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een ander alliantielid.

  • 7. De aanvrager dan wel in geval van een alliantie de penvoerder toont aan dat hij, en in geval van een alliantie ook zijn mede-indieners, een integriteitsbeleid heeft, dan wel hebben vastgesteld. De aanvrager/penvoerder toont aan dat hij, en in geval van een alliantie ook zijn mede- indieners, procedures heeft, dan wel hebben ingevoerd om aan dat beleid toepassing te kunnen geven. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft door de aanvrager/penvoerder, de mede-indieners en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan de minister is gewaarborgd.

  • 8. De aanvrager dan wel in geval van een alliantie de penvoerder en zijn mede-indieners, is, dan wel zijn, in staat tot een adequaat financieel beheer en kan, dan wel kunnen, door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als die waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

  • 9.

    • A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van in Nederland gevestigde aanvragers, penvoerders en mede-indieners bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar ten hoogste EUR 189.000 (bruto) bij een dienstverband van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat uit:

      • a. de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen);

      • b. de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen;

      • c. beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage etc.

    • B. Deze eis is ook van toepassing voor aanvragers, penvoerders en mede-indieners die zijn gevestigd in een EU-lidstaat die is aangesloten bij de euro. Voor aanvragers/penvoerders en mede-indieners uit EU-lidstaten die niet zijn aangesloten bij de euro geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de corporate rates (appendix 3) bij deze beleidsregels) die door het Ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2020.

    • C. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (comparative price levels 2018) geldt voor de volgende landen een aangepaste norm, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen:

      • Noorwegen NOK 2.490.214;

      • Zwitserland CHF 278.675;

      • Japan; YEN 20.617.531;

      • VS/Canada USD 205.350

    • D. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van aanvragers, penvoerders en mede-indieners gevestigd in overige landen staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie. Omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de corporate rates (appendix 3 bij deze beleidsregels) die door het Ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2020.

  • 10. De aanvrager, of in geval van een aanvraag namens een alliantie, de alliantie gezamenlijk, heeft uitgaven die in de boekjaren 2016- 2018 ten minste € 20 miljoen per jaar bedragen.

  • 11. De aanvrager, of in geval van een alliantie de alliantie gezamenlijk, heeft minimaal driejarige ervaring20 met het uitvoeren van ten minste 5 projecten op het gebied van kleinschalige landbouw in semi-aride gebieden in de periode 2013 tot 2019 in Least Developed Countries zoals gedefinieerd op de OESO/DAC landenlijst. Van deze projecten dienen er ten minste 3 de ontwikkeling van (semi)zelfvoorzienende landbouw in de Sahel regio en 3 de ontwikkeling van de (semi)nomadische veehouderij in de Sahel regio te betreffen, eventueel gecombineerd binnen 1 project, waarbij aantoonbaar is samengewerkt met, en binnen de beleidskaders van, de nationale/lokale overheid.

  • 12. De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd worden uitgevoerd in een samenhangend gebied in de Soedano-Sahel zone van Burkina Faso, Mali en Niger. Hierbij geldt dat in die landen per land minimaal 20% van de gevraagde subsidie wordt ingezet en maximaal 10% van de gevraagde subsidie landen-overstijgend wordt ingezet.

  • 13. Voor subsidie komen niet in aanmerking:

    • activiteiten waarvoor reeds rechtstreeks of middellijk een subsidie of bijdrage van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt ontvangen;

    • activiteiten die proselitisme (mede) beogen;

    • activiteiten van organisaties die reeds ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een instellingssubsidie ontvangen waarvan de werkingsduur zich uitstrekt tot in het subsidietijdvak van het DSP.

    • activiteiten die op winst gericht zijn.

  • 14. De activiteiten starten niet eerder dan na het bekendmaken van de subsidieverleningsbeschikking en niet later dan 1-10-2020, en worden uiterlijk op 31-09-2030 afgerond.

  • 15. De aanvrager dan wel in geval van een alliantie de penvoerder vraagt het volledige beschikbare subsidiebedrag van EUR 100 miljoen aan.

10. Kwalitatieve toets

Bij de kwalitatieve toets wordt de kwaliteit van de aanvraag en de aanvrager/alliantie beoordeeld. Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie zal in elk geval voldoende moeten worden gescoord op elk van de hierna volgende onderdelen van de kwalitatieve toets (organisatie- en track recordtoets en voorsteltoets).

Organisatie- en track recordtoets: kwalitatieve criteria ten aanzien van de organisatie en track record van de aanvrager en in geval van een alliantie, de alliantie21

Via onderstaande criteria wordt de kwaliteit van organisatie en track record van de aanvrager beoordeeld. Het trackrecord wordt beoordeeld aan de hand van de 5 casussen zoals vermeld in drempelcriterium 10. Waar staat ‘aanvrager’ is in geval de aanvraag wordt ingediend door een penvoerder namens een alliantie het criterium van toepassing op de alliantie als geheel.

  • 1. De mate waarin de ervaring van de aanvrager met het uitvoeren van projecten op het gebied van de ontwikkeling van (semi)zelfvoorzienende landbouw en (semi)nomadische veehouderij in de Sahel regio succesvol is en relevant is voor de doelstelling van het DSP.

  • 2. De mate waarin de aanvrager succesvolle en relevante ervaring heeft met het bereiken van kleinschalige producenten (smallholders) en daarbinnen de armsten en vrouwen.

  • 3. De mate waarin de aanvrager beschikt over:

    • de benodigde kennis, menskracht en middelen voor de doelmatige besteding van de middelen;

    • netwerken en samenwerkingservaring met lokale organisaties en overheden in de drie landen waar de activiteiten uitgevoerd worden.

  • 4. De mate waarin de aanvrager ervaring heeft met resultaatmeting, monitoring & evaluatie en rapportages:

    • gestandaardiseerde, methodologisch onderbouwde indicatoren;

    • lerende organisatie;

    • resultaatgericht werken;

    • evaluaties op outcome niveau;

    • rapportages, waar onder rapporteren in IATI.

  • 5. In geval van een alliantie, de mate waarin de samenwerking van de alliantie effectief (synergie tussen ervaring en competenties) en efficiënt (complementariteit van ervaring en competenties) is:

    • de mate waarin een alliantie de juiste samenwerkingsvorm is voor de besteding van de subsidie conform de doelstelling van het DSP;

    • de mate waarin de keuze van de alliantieleden leidt tot een efficiënte en effectieve uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    • de mate waarin de alliantieleden in het algemeen en de penvoerder in het bijzonder beschikken over relevante expertise, benodigde invloed op de besluitvorming en organisatorische capaciteit om de doelstellingen van het DSP te realiseren.

    Voorsteltoets: Kwalitatieve criteria ten aanzien van het voorstel

  • 6. De mate waarin de Theory of Change van het voorgestelde programma bijdraagt aan de doelstellingen zoals geformuleerd in dit subsidiebeleidskader, en de mate waarin overtuigend is uitgewerkt op welke wijze activiteiten leiden tot de te bereiken outputs (bereik: aantal boer(inn)en, aantal hectare) en outcomes (effect op productiviteit, inkomen, water-efficiëntie, zeggenschap van vrouwen, werkgelegenheid, landgebruiksrechten, stroomgebied-beheer, weerbaarheid, instituties en duurzaamheid), alsmede de samenhang tussen deze resultaten (outputs en outcomes).

  • 7. De mate waarin het institutionele landschap is geanalyseerd en de mate waarin die analyse is door vertaald in de interventiestrategie.

  • 8. De mate waarin het voorgestelde programma voortbouwt op de vele interventies, ervaringen en kennis op gebied van duurzaam landgebruik in de Sahel.

  • 9. De mate waarin genderaspecten zijn geanalyseerd en de mate waarin die analyse is door vertaald in de interventiestrategie.

  • 10. De mate waarin lokale organisaties en overheden effectieve invloed heeft/hebben gehad op de totstandkoming en inhoud van het voorstel en het programma en op de monitoring en sturing van de activiteiten.

  • 11. De mate waarin het voorstel erop inzet om met de activiteiten een blijvend, duurzaam effect te hebben op de beoogde doelgroepen en om de interventie-strategie institutioneel in te bedden (exit-strategie).

  • 12. De mate waarin de aanvrager dan wel in geval van een alliantie de penvoerder kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren hanteert die corresponderen met de in dit subsidiebeleidskader genoemde indicatoren alsmede met de door de aanvrager ontwikkelde Theory of Change.

  • 13. De mate waarin de aanvrager dan wel in geval van een alliantie de penvoerder een adequaat risicomanagement systeem heeft of zal opzetten.

Verplichtingen verbonden aan subsidieverlening

Aan de subsidieverlening zullen verplichtingen worden verbonden, op te nemen in de subsidieverleningsbeschikking. Deze verplichtingen zullen onder andere betrekking hebben op jaarplannen en rapportages. Jaarlijks zal een jaarplan met bijbehorende begroting en liquiditeitsbehoefte voor het komende jaar moeten worden aangeleverd. Er zal onder meer moeten worden gerapporteerd op basis van open data conform de IATI-standaarden zoals die vanaf 2016 gelden. Van de aanvrager wordt verwacht de IATI-ontwikkelingen te volgen en de verantwoording op basis hiervan in te richten. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de BZ publicatierichtlijnen getiteld ‘How to use the IATI standard?’22. Voor organisaties die nog niet conform IATI standaard kunnen rapporteren geldt dat zij in de gelegenheid zullen worden gesteld dit alsnog te realiseren binnen een nader, via een verplichting in de subsidieverleningsbeschikking vast te stellen, termijn.

Jaarlijkse financiële en inhoudelijke rapportage dient te worden geleverd, met in ieder geval:

  • een financieel jaarverslag met accountantsverklaring inclusief een rapport van bevindingen (e.e.a. conform het controleprotocol welke als annex bij de subsidiebeschikking zal zijn opgenomen);

  • de geografische spreiding van de besteding van de subsidiemiddelen;

  • rapportage van resultaatbereik op een aantal in de beschikking nader vast te leggen inhoudelijke (niet-financiële) indicatoren.

11. Aanvraagprocedure

Aanvragen voor de subsidie worden gedaan aan de hand van het door de minister daartoe vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het formulier vermelde bescheiden.23 Voor de bij de aanvraag in te dienen begroting is eveneens een verplicht te hanteren format vastgesteld (zie appendix 2 bij deze beleidsregels). Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 2 januari 2020 om 9.00 uur CET tot en met uiterlijk 28 februari 2020 om 17:00 uur CET. Aanvragen die later dan genoemde datum en tijd worden ingediend, worden afgewezen. De aanvragende organisatie is de enige verantwoordelijke voor een tijdige en volledige indiening van een aanvraag. Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend door de daartoe namens de aanvragende organisatie bevoegde persoon met vermelding van naam en functie. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

De aanvraag dient te worden opgesteld in de Engelse of Nederlandse taal, bij voorkeur de Engelse taal. Bijlagen die zijn opgesteld in een andere taal dan het Engels of Nederlands dienen voorzien te zijn van een vertaling Nederlands of het Engels. Het in de tweede fase van het selectieproces in te dienen uitgewerkte programmavoorstel dient in de Franse taal te worden ingediend.

Het verdient de voorkeur dat aanvragen per e-mail in pdf-formaat worden ingediend. Aanvragen per e-mail worden ingediend door deze te sturen naar het e-mailadres: IGG@minbuza.nl onder vermelding van ‘Subsidieaanvraag DSP’.

Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen. Houd er rekening mee dat bestanden groter dan 14MB niet kunnen worden ontvangen. E-mails groter dan 14MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerp-regel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst24.

Eventuele technische problemen bij verzending komen voor rekening en risico van aanvrager.

Aanvragen per post kunnen worden gestuurd naar:

Ministerie van Buitenlandse Zaken

t.a.v. afdeling IGG -Voedselzekerheid

Postbus 20061

2500 EB ’s Gravenhage

Als u de aanvraag persoonlijk of per koerier wilt aanleveren, dan kunt u de aanvraag (laten) afgeven bij het afgifteloket voor poststukken (expeditie) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Rijnstraat 8, 2515 XP te ’s-Gravenhage. Als moment van indiening geldt het moment waarop de aanvraag op het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen.

Indien de aanvraag niet aangetekend wordt verzonden berust het risico dat de aanvraag niet of te laat wordt ontvangen door het ministerie bij de aanvrager. Indien de aanvraag per post wordt ingediend (anders dan met de aanduiding ‘port betaald’) wordt de aanvraag nog als tijdig ingediend beschouwd, als de aanvraag voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, waarbij het datumstempel van de post doorslaggevend is, en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Bij gebruikmaking van een enveloppe met de aanduiding ‘port betaald’ is de datum van ontvangst bepalend bij het vaststellen of de aanvraag tijdig, d.w.z. uiterlijk 28 februari 2020 om 17:00 uur CET, is ingediend. Houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat de datum van ontvangst wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip van inschrijving en dat ’s avonds en op zaterdag en zondag geen post wordt ingeschreven.

Additionele informatie (zoals illustratieve boekwerken, CD-roms, USB-sticks of dvd’s van een organisatie) worden niet betrokken bij de beoordeling van een aanvraag.

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de penvoerder het risico dat de minister geen toepassing zal geven aan zijn bevoegdheid om een aanvulling te vragen in verband met de tijd die is gemoeid met het controleren van alle aanvragen op volledigheid. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair is ingediend.

Verder geldt in het algemeen dat het niet compleet indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van antwoorden mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van drempel- of kwalitatieve criteria. Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag of bijlagen is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Indien onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld, loopt de penvoerder het risico op afwijzing van de aanvraag.

Ook op artikel 9 van het Subsidiebesluit wordt in het bijzonder gewezen. Een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten die reeds zijn gestart op het moment waarop de subsidie wordt aangevraagd, wordt afgewezen.

Vragen naar aanleiding van dit document of andere zaken kunt u uitsluitend per e-mail en uiterlijk tot en met 14 februari 2020 aan bovenstaand adres richten. Waar nodig samengevoegd met andere vragen vindt geanonimiseerde beantwoording hiervan eens per week plaats op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ontwikkelingssamenwerking/documenten/publicaties/2019/10/30/subsidieregeling-drylands-sudan-sahel-program-dssp


X Noot
7

Tor A. Benjaminsen & Boubacar Ba (2018): Why do pastoralists in Mali join jihadist groups? A political ecological explanation, The Journal of Peasant Studies, DOI:10.1080/03066150.2018.1474457

X Noot
8

Cilliers et al. 2019: Prospects for the G5 Sahel countries.

X Noot
9

Zie Reij et al, 2016 en WRI, 2015

X Noot
10

Een ‘Theory of Change’ (ToC) is een serie bouwstenen die in hun samenhang beschrijven hoe een lange-termijndoel te behalen is. De onderliggende analyse, aannames, voorwaarden, beoogde resultaten – outputs, outcomes en impact – worden hierin op een logische wijze gepresenteerd. De ‘Theory of Change’ dient als basis om per stap interventies te kunnen definiëren. Hierbij wordt ook inzichtelijk gemaakt welke rollen de verschillende stakeholders spelen. De aannames onderbouwen het geschetste veranderproces. De ToC laat zien tot welke outcome de gekozen strategie leidt en hoe deze bijdraagt aan de gestelde doelen.

X Noot
11

Dit zijn standaardindicatoren uit het BZ resultatenraamwerk op voedselzekerheid, water, klimaat, private sector ontwikkeling en stabiliteit. Subsidieaanvrager kan aangeven op welke van deze standaardindicatoren het voorgestelde programma resultaten zal boeken. Daarnaast kunnen naar eigen inzicht situatie- en context-specifieke indicatoren worden toegevoegd.

X Noot
12

Met kleinschalige voedselproducenten worden bedoeld huishoudens die (semi-)zelfvoorzienend leven van akkerbouw en/of veehouderij en/of visserij en/of niet-hout bosproducten en/of nomadische veehouderij.

X Noot
13

Gedisaggregeerd naar sekse (man/vrouw) en leeftijd (onder/boven 35 jaar).

X Noot
14

Direct bereik betekent dat er sprake is van actieve participatie van individuele begunstigden in programma activiteiten.

X Noot
15

Gebruik makend van internationaal gestandaardiseerde en gevalideerde methodologieën.

X Noot
17

Zie voor een omschrijving van het begrip ‘indirecte kosten’ de bijlage bij het begrotingsformat (appendix 2) bij dit subsidiebeleidskader) dat moet worden gebruikt voor de bij de aanvraag mee te sturen begroting.

X Noot
18

Nederlands wil zeggen opgericht in Nederland, volgens Nederlands recht en statutair in Nederland gevestigd.

X Noot
19

Onder ngo wordt verstaan een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht.

X Noot
20

Ten aanzien van het aantonen en beoordelen van de aanwezige ervaring geldt dat de aanvrager of, in geval van een aanvraag namens een alliantie, de penvoerder, dan wel penvoerder en mede-indieners gezamenlijk ook die ervaring mag/mogen opvoeren die door personeel van aanvragers, penvoerder of mede-indieners is opgedaan in dienst van een andere organisatie dan de organisatie waar het betreffende personeelslid op het moment van indienen in dienst is.

X Noot
21

Idem

X Noot
24

Bijvoorbeeld: e-mail 1 van 5, e-mail van 2 van 5 etc. tot ‘e-mail 5 van 5’.

Naar boven