Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+Staatscourant 2019, 62770Besluiten van algemene strekking

Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024

Het bestuur van het Fonds Podiumkunsten

Gelet op artikel 10 lid 4 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid en artikel 2 van het Algemeen Reglement van het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten;

Besluit

Paragraaf 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

bestuur:

de raad van bestuur van de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten;

Fonds Podiumkunsten:

de stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten;

Nederland:

het Koninkrijk der Nederlanden, inclusief het Caribisch deel daarvan;

liquiditeit:

vlottende activa gedeeld door vlottende passiva;

podiumkunstenaar:

iemand die artistiek-inhoudelijk actief is in de podiumkunsten en in die hoedanigheid aantoonbaar geïntegreerd is in de professionele podiumkunstpraktijk in Nederland;

solvabiliteit:

het eigen vermogen gedeeld door het vreemd vermogen;

uitvoering:

een voorstelling of concert dan wel een schoolvoorstelling of schoolconcert;

voorstelling of concert:

openbaar toegankelijke podiumkunstactiviteit die bedoeld is voor publiek en waarbij sprake is van een (muziek)theatraal concept of choreografisch idee of een muzikale programmatische samenhang.

Artikel 1.2 Doel

Het bestuur kan meerjarige subsidies verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardig en pluriform aanbod van professionele podiumkunsten in Nederland in de jaren 2021 tot en met 2024 en het opbouwen en bereiken van een publiek daarvoor.

Artikel 1.3 Subsidievorm

  • 1. Een instelling die meerjarige subsidie wil aanvragen heeft de keuze tussen drie categorieën aan subsidie:

    • a) categorie I;

    • b) categorie II;

    • c) categorie III.

  • 2. Subsidie wordt verstrekt voor een periode van vier jaar.

  • 3. Het bestuur kan in afwijking van het bepaalde in het tweede lid subsidie verlenen voor een kortere periode als de financiële gegevens met betrekking tot de aanvrager daartoe aanleiding geven.

  • 4. Een instelling kan slechts een aanvraag indienen. Een instelling vraagt aan voor een van de categorieën.

Artikel 1.4 Subsidieplafonds

  • 1. Voor de periode 2021–2024 is per kalenderjaar het volgende bedrag beschikbaar voor het verstrekken van subsidies in de categorie I: € 3.000.000.

  • 2. Voor de periode 2021–2024 is per kalenderjaar het volgende bedrag beschikbaar voor het verstrekken van subsidies in de categorie II: € 9.000.000.

  • 3. Voor de periode 2021–2024 is per kalenderjaar het volgende bedrag beschikbaar voor het verstrekken van subsidies in de categorie III: € 5.000.000.

  • 4. Voor de periode 2021–2024 is per kalenderjaar een flexibel budget beschikbaar voor de drie categorieën gezamenlijk ten bedrage van: € 3.000.000.

  • 5. De bedragen genoemd in de eerste vier leden gelden als subsidieplafond.

  • 6. Het bestuur kan eerder vastgestelde subsidieplafonds verhogen of verlagen. Een besluit tot het vaststellen, verhogen of verlagen van een subsidieplafond wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

  • 1. Het bestuur kan subsidie weigeren:

    • a. als de aanvraag onvoldoende concreet is met betrekking tot de uit te voeren activiteiten;

    • b. als het bestuur op basis van de aanvraag er onvoldoende van overtuigd is dat de uit te voeren activiteiten kunnen worden gerealiseerd;

    • c. als niet minimaal 50% van de uitvoeringen waarvoor subsidie wordt aangevraagd in Nederland plaatsvindt;

    • d. als de aanvrager geen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is;

    • e. als de aanvrager een rechtspersoon is met winstoogmerk;

    • f. als de aanvrager in de voorgaande twee jaar niet heeft voldaan aan een of meer aan een subsidie verbonden voorwaarden of verplichtingen, waaronder in elk geval ook vallen het juist en tijdig afronden van de gesubsidieerde activiteiten, het tijdig melden van relevante veranderingen in de realisatie en het juist en tijdig verantwoorden van de activiteiten;

    • g. als de aanvrager voor zijn kernactiviteiten subsidie is of zal worden verleend op grond van de Deelregeling meerjarige festivalsubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024 dan wel op grond van een meerjarige regeling van een van de andere Rijkscultuurfondsen;

    • h. als de aanvraag niet aan het bepaalde in deze regeling voldoet.

  • 2. Het subsidie wordt in ieder geval geweigerd:

    • a. voor zover de aanvrager in de aanvraag niet verklaart dat hij de Fair Practice Code, Governance Code Cultuur en de Code Diversiteit & Inclusie onderschrijft en dat hij aansluit bij bestaande afspraken over honorering en de sociale dialoog tussen werkgevers-opdrachtgevers en werknemers-opdrachtnemers;

    • b. als de aanvrager voor zijn kernactiviteiten subsidie is of zal worden verleend op grond van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

Paragraaf 2: Procedure

Artikel 2.1 Indienen aanvraag

  • 1. Aanvragen dienen uiterlijk 2 maart 2020 om 17.00 uur te zijn ontvangen.

  • 2. De aanvraag wordt digitaal ingediend.

  • 3. Een aanvraag wordt ingediend met behulp van een door het bestuur opgesteld formulier voor de betreffende periode.

  • 4. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen als het volledig ingevulde aanvraagformulier tijdig is ontvangen door het Fonds Podiumkunsten en vergezeld gaat van de op het formulier vermelde bijlagen.

Artikel 2.2 Beoordeling

  • 1. Aanvragen worden voorgelegd aan een adviescommissie, mits zij voldoen aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen.

  • 2. De adviescommissie beoordeelt de aanvragen aan de hand van de criteria in deze regeling.

  • 3. De adviescommissie adviseert over de subsidiehoogte op basis van het bepaalde in deze regeling.

Artikel 2.3 Verdeling budget

  • 1. Aanvragen voor een meerjarige subsidie die aan de voorwaarden voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen worden onderverdeeld in:

    • A: honoreren;

    • B: honoreren voor zover het budget dat toelaat; en

    • C: niet honoreren.

  • 2. Als een subsidieplafond ontoereikend is om alle aanvragen met het advies 'honoreren voor zover het budget dat toelaat' te honoreren, worden de aanvragen in een rangorde geplaatst op basis van de van toepassing zijnde criteria.

  • 3. Het bestuur honoreert eerst de aanvragen met het advies 'honoreren'. Vervolgens worden de aanvragen met het advies 'honoreren voor zover het budget dat toelaat' gehonoreerd in volgorde van de rangorde. Het bestuur verdeelt het beschikbare budget volgens de rangorde, waarbij aanvragen worden toegewezen of gedeeltelijk toegewezen totdat het van toepassing zijnde subsidieplafond is bereikt. De resterende aanvragen worden afgewezen.

  • 4. Indien het bestuur een subsidieplafond verhoogt, wordt eerst het subsidie van een aanvraag die wegens ontoereikendheid van het budget gedeeltelijk was toegewezen alsnog verhoogd tot het geadviseerde bedrag. Vervolgens wordt steeds de eerstvolgende aanvraag toegewezen totdat het subsidieplafond is bereikt.

Artikel 2.4 Verdeling flexibel budget

Het flexibel budget wordt verdeeld over de drie verschillende categorieën op basis van het totaalbedrag dat gemoeid is met de aanvragen die een positief advies hebben ontvangen, maar niet kunnen worden gehonoreerd uit de subsidieplafonds als bedoeld in artikel 1.4. De bedragen van alle aanvragen met een b-advies waar onvoldoende budget voor is om te kunnen honoreren worden daartoe bij elkaar opgeteld. Vervolgens wordt per categorie het aandeel berekend ten opzichte van het totale bedrag dat gemoeid is met b-adviezen. Het flexibel budget wordt pro rato verdeeld over de drie categorieën.

Artikel 2.5 Besluit

Het bestuur informeert de aanvrager binnen 22 weken na de uiterlijke indiendatum schriftelijk over zijn besluit. Als voor de motivering van het besluit wordt verwezen naar een over de aanvraag uitgebracht advies wordt de tekst van het advies aan de aanvrager toegezonden.

Paragraaf 3: Meerjarige productiesubsidie

Artikel 3.1 Wie kan aanvragen

Een aanvraag voor een meerjarige subsidie kan uitsluitend worden gedaan door een organisatie op het gebied van podiumkunsten met een herkenbare artistieke signatuur.

Artikel 3.2 Waarvoor kan worden aangevraagd

  • 1. Een aanvraag voor meerjarige productiesubsidie kan worden ingediend voor het produceren van voorstellingen of concerten en andere aan podiumkunst gerelateerde activiteiten door professionele podiumkunstenaars.

  • 2. Een aanvrager dient in de periode 2021–2024 een minimaal aantal uitvoeringen per jaar te realiseren. Per categorie geldt het volgende minimum per jaar:

    • a. categorie I: 25 uitvoeringen per jaar;

    • b. categorie II: 40 uitvoeringen per jaar;

    • c. categorie III: 100 uitvoeringen per jaar of 50 uitvoeringen per jaar in de grote zaal.

  • 3. Een aanvrager voor de categorie II of III dient in de periode 2021–2024 een minimaal aantal uitvoeringen per jaar buiten Amsterdam uit te voeren. Per categorie geldt het volgende minimum per jaar:

    • a. categorie II: een derde van het totaal aantal uitvoeringen buiten Amsterdam;

    • b. categorie III: de helft van het totaal aantal uitvoeringen buiten Amsterdam.

Artikel 3.3 Instapeisen

  • 1. Een aanvrager dient te kunnen aantonen dat hij dan wel de maker(s) waarop de aanvraag betrekking heeft c.q. hebben in de jaren 2017–2019 artistiek verantwoordelijk is of zijn geweest voor de totstandkoming van meerdere producties die meermaals zijn uitgevoerd op verschillende podia of festivals die door het Fonds Podiumkunsten worden gesubsidieerd of daarmee gelijk te stellen zijn.

  • 2. Een aanvrager dient in elk geval te kunnen aantonen dat hij voor het moment van het indienen van de aanvraag een minimaal aantal producties en uitvoeringen heeft gerealiseerd in de periode 2017–2019. Per categorie geldt het volgende minimum:

    • a. categorie I: 3 producties en 40 uitvoeringen;

    • b. categorie II: 4 producties en 75 uitvoeringen;

    • c. categorie III: 5 producties en 120 uitvoeringen.

  • 3. Een aanvrager voor de categorie II of III dient te voldoen aan de volgende eisen:

    • a. De aanvrager dient te kunnen aantonen dat de artistieke en zakelijke leiding niet bij dezelfde persoon belegd zijn en dat dit in de komende periode ook niet het geval zal zijn;

    • b. De aanvrager dient aan te tonen dat:

      • i. het bestuur dan wel de raad van toezicht bestaat uit minimaal drie personen die onafhankelijk toezicht houden op de activiteiten;

      • ii. er een directiereglement dan wel reglementen voor bestuur en raad van toezicht is, waarin afspraken zijn gemaakt over de taak-, verantwoordelijksheids- en bevoegdheidsverdeling;

      • iii. de aanvrager heeft een procedure vastgelegd in het geval er sprake is van (mogelijke) belangenverstrengeling bij een van de leden van de directie, het bestuur of de raad van toezicht.

  • 4. Een aanvrager voor de categorie III dient in aanvulling op de eisen in de voorgaande leden ook aan te tonen dat de solvabiliteit en liquiditeit in 2019 minimaal hoger zijn dan de volgende waarden:

    • a. Solvabiliteit: 0,50;

    • b. Liquiditeit: 1,00.

    Als een aanvrager hier niet aan voldoet, kan het bestuur voorwaarden verbinden aan het besluit om de aanvraag te honoreren. Het besluit om voorwaarden te stellen is afhankelijk van de mate waarin de aanvraag niet voldoet aan de voornoemde waarden.

  • 5. Het bestuur kan besluiten om een aanvraag in behandeling te nemen die niet voldoet aan de vereisten uit de leden een tot en met drie als de aanvrager slechts in zeer beperkte mate niet voldoet aan de vereisten.

Artikel 3.4 Beoordeling

  • 1. Aanvragen in de categorie I worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a. artistieke kwaliteit van het werk van de maker(s);

    • b. kwaliteit van de activiteiten uit het plan;

    • c. publieksfunctie.

  • 2. Aanvragen in de categorie II worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a. artistieke kwaliteit van het werk van de maker(s);

    • b. kwaliteit van de activiteiten uit het plan;

    • c. publieksfunctie;

    • d. betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk.

  • 3. Aanvragen in de categorie III worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a. artistieke kwaliteit van het werk van de maker(s);

    • b. kwaliteit van de activiteiten uit het plan;

    • c. publieksfunctie;

    • d. betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk;

    • e. inbedding.

Artikel 3.5 Subsidiehoogte

  • 1. Voor de hoogte van het subsidie heeft de aanvrager de keuze uit de volgende bedragen per jaar:

    • a. categorie I: € 75.000, € 100.000 of € 125.000;

    • b. categorie II: € 200.000, € 300.000 of € 400.000;

    • c. categorie III: € 500.000, € 600.000 of € 700.000.

    Deze bedragen zijn per jaar en kunnen worden geïndexeerd.

  • 2. Alle aanvragers dienen in de aanvraag aannemelijk te maken dat zij substantiële andere inkomsten zullen genereren.

  • 3. Aanvragers van de categorie II of de categorie III dienen in de aanvraag aannemelijk te maken dat zij het gevraagde subsidiebedrag minimaal kunnen verdubbelen. Als de aanvrager daar onvoldoende in slaagt kan het bestuur, gehoord de commissie, binnen de categorie een lager subsidiebedrag toekennen.

Paragraaf 4: Verplichtingen en verantwoording

Artikel 4.1 Aan het subsidie verbonden verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger meldt onverwijld aan het bestuur als:

    • a) de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt niet of niet geheel zullen doorgaan;

    • b) niet geheel aan de aan het subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan; of

    • c) er aanzienlijke artistieke of zakelijke wijzigingen zijn ten opzichte van het plan op basis waarvan subsidie is verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger plaatst het logo of de naam van het Fonds Podiumkunsten op alle publiciteitsuitingen die betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteiten en stuurt exemplaren van drukwerk dat betrekking heeft op de gesubsidieerde activiteiten aan het Fonds Podiumkunsten.

  • 3. Het bestuur kan bij beschikking andere dan de in het eerste en tweede lid opgenomen verplichtingen aan het subsidie verbinden.

Artikel 4.2 Verantwoording

  • 1. De subsidieontvanger stuurt jaarlijks voor 1 april een inhoudelijke en financiële verantwoording in van de uitgevoerde activiteiten in het vorige kalenderjaar.

  • 2. De inhoudelijke verantwoording bestaat uit een verslag over de verrichte activiteiten waarmee kan worden aangetoond dat de gesubsidieerde activiteiten volgens plan hebben plaatsgevonden.

  • 3. De financiële verantwoording sluit aan op de ingediende begroting.

  • 4. De financiële verantwoording van aanvragers die een subsidie van meer dan € 125.000 per jaar ontvangen, dient vergezeld te gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring dient te zijn opgesteld overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen protocol. Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 7, 11, 12, 14 en 15, is van toepassing op de financiële verantwoording, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening.

  • 5. Voor het bepalen van het toepasselijke verantwoordingsregime geldt als peildatum de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen.

  • 6. Het bestuur kan nadere voorwaarden stellen aan de inrichting van de verantwoording.

Artikel 4.3 Vaststelling subsidie

  • 1. Het bestuur beoordeelt aan het einde van de subsidieperiode op basis van de inhoudelijke en financiële verantwoordingen over de respectievelijke jaren de gerealiseerde activiteiten.

  • 2. Als de activiteiten volgens plan zijn uitgevoerd en is voldaan aan alle aan het subsidie verbonden verplichtingen stelt het bestuur het subsidie binnen 22 weken overeenkomstig de verlening vast.

Artikel 4.4 Reserveringen

  • 1. Voor zover het bedrag van een verleende subsidie na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig het bepaalde in deze regeling niet is besteed aan de doeleinden waarvoor de subsidie is verstrekt, kan het worden gereserveerd. De aldus gereserveerde middelen kunnen uitsluitend worden besteed aan de doeleinden waarvoor het subsidie werd verstrekt.

  • 2. Het bestuur kan voor een of meer subsidieontvangers of voor een categorie subsidieontvangers een maximaal percentage van het verleende subsidie of een maximaal bedrag vaststellen waarboven het totaal van de reservering, bedoeld in het eerste lid, niet uitkomt.

Paragraaf 5: Overige bepalingen

Artikel 5.1 Begrotingsvoorbehoud

Subsidie wordt verleend onder voorbehoud van verstrekking van de bijbehorende middelen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 5.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 5.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

H. Post, directeur / bestuurder

Vastgesteld in de vergadering van de Raad van Bestuur d.d. 11 november 2019

TOELICHTING

Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024

1. INLEIDING

De Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024 is de opvolger van de eerdere meerjarige regeling van het Fonds Podiumkunsten. De regeling kent inhoudelijk een andere opzet. Wat in grote lijnen niet veranderd is, is het doel. Met de meerjarige productiesubsidies wil het Fonds makers de gelegenheid geven in continuïteit te werken.

Met de regeling draagt het Fonds bij aan de totstandkoming van een kwalitatief hoogwaardig aanbod van podiumkunsten dat door het hele land te zien is en een gevarieerd publiek kan aanspreken. De regeling biedt makers de ruimte om te investeren in de artistieke kwaliteit van hun werk en het opbouwen van een publiek daarvoor. Gezamenlijk leveren alle ondersteunde organisaties een belangrijke bijdrage aan een goed functionerend en pluriform podiumkunstenveld.

2. ALGEMEEN

Het Fonds Podiumkunsten wil een brede variëteit van artistieke werkpraktijken ondersteunen. In deze regeling staan de maker of makers centraal. Hun werkpraktijk is waar de ontwikkeling in de podiumkunsten zichtbaar wordt. In lijn met andere regelingen van het Fonds Podiumkunsten wordt niet meer op basis van specifieke disciplines gewerkt. In plaats daarvan maakt de regeling onderscheid in verschillende werkpraktijken en koppelt die aan subsidiebedragen. De verschillende groepen die zo ontstaan kennen hun eigen set van instapeisen en beoordelingscriteria. Van kleinere initiatieven die een relatief laag subsidiebedrag vragen, wordt niet hetzelfde verwacht als van grotere organisaties met hogere subsidiebedragen.

In de periode 2021–2024 heeft het Fonds Podiumkunsten bijzondere aandacht voor fair practice, goede en gezonde arbeidsomstandigheden. Deze regeling gaat uit van een ander verband tussen subsidiebedrag en activiteiten dan in de vorige periode het geval was. Er is meer ruimte voor eigen keuzes en de bijbehorende eigen verantwoordelijkheid. Door een meer gedifferentieerde opbouw van de subsidiesystematiek kunnen aanvragers makkelijker eigen keuzes maken bij het vormgeven van hun activiteiten. Het is aan de aanvrager om een goede balans aan te brengen tussen artistieke kwaliteit, speelbeurten en gezonde arbeidsomstandigheden voor betrokkenen. Het Fonds Podiumkunsten vraagt van aanvragers hierop te reflecteren.

3. DE AANVRAAG

VOOR WIE

Meerjarige productiesubsidies zijn primair bedoeld voor makers: degene(n) die producties bedenken en realiseren. Om subsidie te kunnen aanvragen moet er sprake zijn van een organisatie met rechtspersoonlijkheid. Het kan zijn dat maker en organisatie een-op-een samenvallen, maar dit hoeft niet. Er kan ook voor een of meer specifieke makers worden aangevraagd door een professionele producent. De activiteiten waarvoor wordt aangevraagd moeten wel een herkenbare artistieke signatuur hebben.

Aanvragen is alleen mogelijk als de aanvrager rechtspersoonlijkheid bezit en geen winstoogmerk heeft. Voor zover hier relevant, gaat het om stichtingen en verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid.

WAARVOOR

Een meerjarige productiesubsidie kan worden aangevraagd voor een samenhangend geheel van activiteiten op het gebied van podiumkunst. Het realiseren van voorstellingen of concerten staat daarbij centraal, maar in lijn met een veranderende praktijk is er ook ruimte voor andersoortige uitingsvormen als onderdeel van de artistieke output. Het moet daarbij wel gaan om activiteiten die primair een artistiek-inhoudelijk karakter hebben. Activiteiten die ten dienste staan aan de artistiek-inhoudelijke uitingen (zoals onderzoeksactiviteiten of educatieve trajecten die gekoppeld zijn aan een uitvoering) kunnen wel onderdeel zijn van het plan, maar gelden niet als op zichzelf staande activiteiten.

Een aanvraag heeft betrekking op een periode van vier jaar. De activiteiten hoeven echter niet voor die hele periode op projectniveau te worden uitgewerkt. Wel moet helder uitgelegd worden langs welke lijnen een aanvrager in de komende vier jaar wil werken en wat voor soort activiteiten daarbij horen.

HOOGTE SUBSIDIE

Het subsidie bestaat uit een bedrag dat de aanvrager zelf kiest binnen de categorie waarvoor hij aanvraagt. De aanvrager heeft de volgende mogelijkheden:

Categorie subsidie

Subsidiebedrag per jaar

Categorie I

€ 75.000

€ 100.000

€ 125.000

Categorie II

€ 200.000

€ 300.000

€ 400.000

Categorie III

€ 500.000

€ 600.000

€ 700.000

VOORWAARDEN OM AAN TE KUNNEN VRAGEN

De meerjarige productiesubsidies zijn bedoeld voor organisaties die in de praktijk gedurende een aantal jaren in continuïteit hebben gefunctioneerd. Daarom is het indienen van een aanvraag verbonden aan een aantal voorwaarden.

  • Aantal uitvoeringen en producties

    Aanvragen is in beginsel alleen mogelijk als een aanvrager in de periode 2017–2019 een bepaald aantal producties en uitvoeringen heeft gerealiseerd:

    Categorie I: de aanvrager heeft minimaal 3 producties en in totaal 40 uitvoeringen gerealiseerd;

    Categorie II: de aanvrager heeft minimaal 4 producties en in totaal 75 uitvoeringen gerealiseerd;

    Categorie III: de aanvrager heeft minimaal 5 producties en in totaal 120 uitvoeringen gerealiseerd.

    Projecten hoeven niet perse onder de vlag van de aanvrager te hebben plaatsgevonden. Als dat niet het geval is, moet wel helder zijn dat de maker of makers artistiek eindverantwoordelijk waren voor de betreffende productie. Het moet in alle gevallen gaan om volwaardige concerten of voorstellingen. Overige activiteiten (educatieve activiteiten, lezingen, sneak previews, uitsneden uit voorstellingen et cetera) worden niet als uitvoeringen gezien en tellen in dit verband dus niet mee. Uiteindelijk is bepalend of de aanvrager voldoende op landelijk niveau zichtbaar is geweest.

  • Speelplekken

    Voor alle categorieën geldt dat de aanvrager moet kunnen laten zien dat zijn producties op meerdere relevante podia en festivals zijn gespeeld. Podia en festivals die door het Fonds Podiumkunsten meerjarig worden gesubsidieerd worden in elk geval als relevant aangemerkt. Daartoe worden gerekend schouwburgen, vlakke vloertheaters, concertgebouwen en popzalen die worden gesubsidieerd als SRP-podium, SKIP-podium (categorie 2 of 3) of Kernpodium popmuziek. Andere podia die vergelijkbaar zijn met deze door het Fonds gesubsidieerde podia qua artistieke positie zijn ook relevant. Niet relevant zijn optredens op podia of festivals met een beperkte zichtbaarheid of belang en/of podia of festivals waar niet vanuit een artistiek-inhoudelijk uitgangspunt wordt geprogrammeerd.

  • Zakelijke toets

    Aanvragers in de categorie II en de categorie III moeten kunnen aantonen dat de artistieke en zakelijke verantwoordelijkheden bij verschillende personen zijn belegd. Ook dient een aanvrager te voldoen aan een aantal specifieke eisen op het gebied van governance.

    Voor aanvragers in categorie III geldt aanvullend dat zij moeten kunnen aantonen dat zij aan een minimumnorm voldoen qua solvabiliteit en liquiditeit. Of dit het geval is, wordt vastgesteld op basis van de (voorlopige) gegevens over het jaar 2019. De peildatum is 31 december 2019.

Het Fonds toetst strikt of een aanvrager voldoet aan de instapeisen. In beginsel leidt het niet voldoen aan de instapeisen tot een afwijzing. Een aanvraag wordt dus niet alsnog in behandeling genomen als een aanvraag binnen een lagere categorie. Het Fonds kan een aanvraag desondanks in behandeling nemen, maar kan dan voorwaarden verbinden aan het besluit om de aanvraag te honoreren.

4. CRITERIA

Om vast te stellen welke aanvragen het beste passen bij de doelstellingen van het Fonds Podiumkunsten in het algemeen en deze regeling in het bijzonder worden aanvragen die voldoen aan de formele vereisten om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen getoetst aan de volgende criteria:

Categorie I

  • a) artistieke kwaliteit van het werk van de maker(s);

  • b) kwaliteit van de activiteiten uit het plan;

  • c) publieksfunctie.

Categorie II

Als categorie I maar met als extra criterium:

  • d) betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk.

Categorie III

Als categorie II maar met als extra criterium:

  • e) inbedding.

Per criterium wordt een beoordeling gegeven die wordt vertaald in een waardering. Omdat het Fonds een groot aantal aanvragen verwacht die niet allemaal kunnen worden gehonoreerd, wordt gewerkt met een systeem waarin de waardering per criterium wordt omgezet naar een cijfer. De waardering staat op zichzelf; aanvragen worden niet direct met elkaar vergeleken.

a. artistieke kwaliteit van het werk van de maker(s)

Bij het toetsen van de artistieke kwaliteit van het werk van de maker(s) wordt gekeken naar de voorstellingen of concerten die hij/zij in de afgelopen periode heeft gemaakt. Bij het toetsen van de artistieke kwaliteit wordt gebruik gemaakt van drie kernbegrippen: vakmanschap, oorspronkelijkheid en zeggingskracht.

Vakmanschap heeft betrekking op de vaardigheden van de betrokken maker(s) en uitvoerenden. Dat kan gaan om uitvoeringsvaardigheden, zoals beheersing van een instrument, acteer- of dansvaardigheid, maar ook dramaturgische vaardigheden. Het gevolgd hebben van een vakopleiding is niet doorslaggevend, het gaat om de vaardigheid waarmee de activiteiten vorm worden gegeven.

Oorspronkelijkheid gaat over de eigenheid en de herkenbaarheid van de projecten. Onderscheiden de voorstellingen of concerten zich van die van andere makers, zijn deze herkenbaar als zijnde gemaakt door de betreffende maker en is er sprake van een herkenbare artistieke signatuur? Oorspronkelijkheid heeft niet alleen betrekking op specifieke eigenschappen van de maker(s), maar ook op aspecten als de gevolgde werkwijze en de gehanteerde thematiek.

Zeggingskracht heeft betrekking op de overdracht op het publiek. Zullen de voorstellingen of concerten het beoogde publiek aanspreken? In hoeverre weet of weten de maker(s) met hun voorstellingen of concerten het beoogde publiek te beroeren, te prikkelen of te verrassen?

Artistieke kwaliteit is geen statisch begrip, zoals ook de podiumkunsten zelf niet statisch zijn; het begrip krijgt invulling in het licht van de huidige stand van zaken in de podiumkunst. Ontwikkelingen in de podiumkunsten hebben invloed op de beoordeling van de artistieke kwaliteit van een aanvrager.

Als referentie wordt gekeken naar de activiteiten in de periode 1 januari 2017 tot en met 1 maart 2020. Voor aanvragers die in deze periode een meerjarige subsidie ontvangen van het Fonds Podiumkunsten wordt gebruik gemaakt van de bevindingen bij het voorstellingsbezoek dat in die periode door adviseurs van het Fonds Podiumkunsten is verricht. Andere aanvragers dienen liveregistraties van drie producties in te sturen, op basis waarvan een beeld kan worden gekregen van de artistieke kwaliteit van de activiteiten. Naast deze op de praktijk gebaseerde informatie wordt gebruik gemaakt van de algemene kennis van de adviseurs over de aanvrager. Uitgangspunt is steeds het eigen oordeel van de commissie.

De waarderingen en cijfers die worden gehanteerd zijn als volgt:

waardering

toelichting

Cijfer

Zeer goed

Er zijn geen punten van kritiek.

4

Goed

Positief, bijna geen punten van kritiek.

3

Ruim voldoende

Positief, maar met een aantal punten van kritiek.

2

Voldoende

Nog wel positief; flinke punten van kritiek, maar de positieve elementen hebben de overhand.

1

Zwak

Onder de maat; enkele positieve elementen, maar de kritische elementen hebben de overhand.

-1

Onvoldoende

Er zijn (nagenoeg) geen positieve elementen te benoemen.

-2

b. kwaliteit van de activiteiten uit het plan

Bij dit criterium wordt gekeken naar de plannen zoals die zijn ingediend. Aan de aanvrager wordt gevraagd om te reflecteren op het werk in de periode 1 januari 2017 – 1 maart 2020 en vanuit daaruit toe te lichten wat voor plannen hij heeft voor de komende periode. De commissie beoordeelt op basis van het eerdere werk of de toekomstplannen van vakmanschap, oorspronkelijkheid en zeggingskracht zullen getuigen en in hoeverre er sprake is van een ontwikkeling, positief dan wel negatief.

Bij dit criterium wordt primair gekeken naar de oorspronkelijkheid van de activiteiten zoals die worden beschreven en de mate waarin de uitvoeringen zeggingskracht zullen hebben. Het oordeel over eerdere werk van de makers is het vertrekpunt, maar de beoordeling van de activiteiten uit het plan staat op zichzelf.

Bij oorspronkelijkheid gaat het daarbij over de mate waarin een ontwikkeling zichtbaar is in het werk van de maker(s) die maakt dat de maker zich ook in de nabije toekomst zal onderscheiden van andere makers.

Zeggingskracht heeft betrekking op de voorgestelde producties. Geeft het plan het vertrouwen dat de producties het beoogde publiek zullen aanspreken? In hoeverre weten de makers met de verschillende projecten het publiek te beroeren, te prikkelen of te verrassen?

De beschrijving van de voorstellingen of concerten die tot stand komen, de wijze waarop het werkproces is ingericht, de partners waarmee wordt samengewerkt etc. zijn bij dit criterium relevant.

De waarderingen en cijfers die worden gehanteerd zijn als volgt:

waardering

toelichting

Cijfer

Zeer goed

Er zijn geen punten van kritiek.

4

Goed

Positief, bijna geen punten van kritiek.

3

Ruim voldoende

Positief, maar met een aantal punten van kritiek.

2

Voldoende

Nog wel positief; flinke punten van kritiek, maar de positieve elementen hebben de overhand.

1

Zwak

Onder de maat; enkele positieve elementen, maar de kritische elementen hebben de overhand.

-1

Onvoldoende

Er zijn (nagenoeg) geen positieve elementen te benoemen.

-2

c publieksfunctie

Dit criterium heeft betrekking op de relatie tussen de te ontwikkelen voorstellingen en concerten en het beoogde publiek. Weet de aanvrager zich in het veld op een voor het publiek herkenbare manier te positioneren? Bedient de aanvrager zich van een doordachte manier om zijn publiek te benaderen? En slaagt de aanvrager daarin? Weet de aanvrager daarnaast ook (meer, nieuw of ander) publiek te bereiken? Sluiten de aard en omvang van het publiek dat de aanvrager wil bereiken logisch aan op de aard en omvang van de activiteiten? Ook of en op welke wijze publiek in het buitenland wordt bereikt is daarbij onderdeel van de beoordeling.

Bij het toetsen van dit criterium staat de aanvraag centraal, maar in de beoordeling wordt ook gekeken naar de resultaten uit het (recente) verleden, omdat die een indicatie geven voor de toekomst.

De waarderingen en cijfers die worden gehanteerd zijn als volgt:

waardering

toelichting

Cijfer

Zeer goed

Er zijn geen punten van kritiek.

4

Goed

Positief, bijna geen punten van kritiek.

3

Ruim voldoende

Positief, maar met een aantal punten van kritiek.

2

Voldoende

Nog wel positief; flinke punten van kritiek, maar de positieve elementen hebben de overhand.

1

Zwak

Onder de maat; enkele positieve elementen, maar de kritische elementen hebben de overhand.

-1

Onvoldoende

Er zijn (nagenoeg) geen positieve elementen te benoemen.

-2

d. betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk

Dit criterium is alleen van toepassing bij de categorieën II en III.

Bij dit criterium wordt gekeken hoe de activiteiten bij zullen dragen aan de podiumkunstpraktijk. Dat kan op verschillende manieren. Leveren de uitkomsten van de activiteiten een interessante verrijking op van de podiumkunsten? Bij dit criterium wordt breder gekeken dan de praktijk van de aanvrager. Idealiter voegen de activiteiten iets toe en/of brengen zij iets teweeg aan/in het Nederlandse podiumkunstenlandschap. Het gaat erom dat de activiteiten van de aanvrager een betekenis hebben die meer is dan individueel of incidenteel. Dit kan bij verschillende aspecten tot uiting komen: inhoud, vorm en effect.

  • Inhoud. Bij dit aspect gaat het om aanbod dat inhoudelijk verder weinig te zien is op de Nederlandse podia en vanuit dat perspectief ook een voorbeeldfunctie kan hebben. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan verhalen die nog niet regelmatig te horen zijn op de Nederlandse podia.

  • Vorm. Het gaat bij dit aspect om projecten die op andere wijze tot stand komen en/of een andere verschijningsvorm hebben dan gebruikelijk is. Hierbij kan ook een rol spelen dat het werk op een andere wijze wordt ervaren door het publiek. Bij dit aspect moet nadrukkelijk ook worden gedacht aan technologische vernieuwingen.

  • Effect. Hierbij kan worden gedacht aan activiteiten die een bijzondere betekenis hebben voor de ontwikkeling van een specifieke discipline of genre, maar ook aan het leveren van een bijdrage aan de internationale positie van de Nederlandse podiumkunsten.

Bij het toetsen van dit criterium staat de aanvraag centraal, maar in de beoordeling wordt ook gekeken naar de resultaten uit het (recente) verleden, omdat die een indicatie geven voor de toekomst.

De waarderingen en cijfers die worden gehanteerd zijn als volgt:

waardering

toelichting

Cijfer

Zeer goed

Grote betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk

4

Goed

Aanzienlijke betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk

3

Ruim voldoende

Redelijke betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk

2

Voldoende

Beperkte betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk

1

Neutraal

Geen bijzondere betekenis voor de Nederlandse podiumkunstpraktijk

0

e. inbedding

Dit criterium is alleen van toepassing bij categorie III.

Dit criterium heeft betrekking op de rol die een aanvrager speelt in zijn directe omgeving. In hoeverre gaat de aanvraag verbindingen aan met zijn omgeving. Dit kan gaan om:

  • podia, andere podiumkunstgezelschappen, kunstvakopleidingen;

  • scholen, onderwijsinstellingen, educatie-instellingen;

  • maatschappelijke organisaties, verenigingen, clubs, inwoners;

  • sponsors, bedrijfsleven.

Bij dit criterium wordt ook gekeken of de aanvrager in zijn omgeving een rol speelt in lokale maatschappelijke en sociale vraagstukken. Verder wordt gekeken naar financiële relaties die de inbedding zichtbaar maken.

Bij het toetsen van dit criterium staat de aanvraag centraal, maar in de beoordeling wordt ook gekeken naar de resultaten uit het (recente) verleden, omdat die een indicatie geven voor de toekomst.

De waarderingen en cijfers die worden gehanteerd zijn als volgt:

waardering

toelichting

Cijfer

Zeer goed

Zeer goed ingebed in de omgeving

4

Goed

Aanzienlijk ingebed in de omgeving

3

Ruim voldoende

Redelijk ingebed in de omgeving

2

Voldoende

Beperkt ingebed in de omgeving

1

Neutraal

Niet bijzonder ingebed in de omgeving

0

5. BEOORDELING EN BUDGET

Centraal in de beoordeling aan de hand van de hiervoor beschreven criteria staat het oordeel van deskundige adviseurs (‘peer review’). Het Fonds faciliteert het proces waarin deze deskundigen een oordeel geven over ingediende aanvragen aan de hand van het kader uit deze deelregeling. Het Huishoudelijk reglement van het Fonds Podiumkunsten is van toepassing; dit bevat het procedurele kader waarbinnen de advisering door de deskundige adviseurs plaatsvindt en verzekert op die manier dat het proces eerlijk, zorgvuldig en transparant verloopt.

Alle aanvragen die voldoen aan de formele eisen worden ter beoordeling voorgelegd aan een adviescommissie. Er zijn drie adviescommissies, een per categorie: categorie I (€ 75.000– € 125.000), categorie II (€ 200.000– € 400.000) en categorie III (€ 500.000– € 700.000). De commissie toetst aanvragen aan de criteria uit de regeling. Daarbij wordt rekening gehouden met het gevraagde subsidiebedrag en wat gebruikelijk is voor het soort aanbod dat een aanvrager wil maken.

Het Fonds Podiumkunsten werkt met financiële plafonds. Om een gevarieerd veld van makers met verschillende werkpraktijken te kunnen ondersteunen, wordt gewerkt met aparte budgetten per categorie. De bijbehorende bedragen zijn opgenomen in de regeling. Aanvullend is er een flexibel budget. De budgetten kunnen worden aangepast. Besluiten tot verhoging of verlaging worden op de website van het Fonds Podiumkunsten gepubliceerd.

Verdeling budget per categorie

Aanvragen worden na de beoordeling aan de hand van de criteria verdeeld in:

  • A: honoreren;

  • B: honoreren voor zover het budget dat toelaat; en

  • C: niet honoreren.

Aan de hand van de puntentotalen worden de aanvragen met een zogenaamd B-advies (’honoreren voor zover het budget dat toelaat’) op volgorde gezet. Aanvragen met hetzelfde puntentotaal worden nader geordend op basis van de criteria.

Het bestuur honoreert eerst de aanvragen met het advies 'honoreren'. Vervolgens worden de aanvragen met het advies 'honoreren voor zover het budget dat toelaat' gehonoreerd in volgorde van de rangorde. Het bestuur verdeelt het beschikbare budget volgens de rangorde, waarbij aanvragen worden toegewezen of gedeeltelijk toegewezen totdat het van toepassing zijnde subsidieplafond is bereikt. De resterende aanvragen worden afgewezen.

Verdeling flexibel budget

Het flexibel budget wordt verdeeld over de aanvragen uit de drie categorieën die een positief advies hebben ontvangen, maar waarbij het van toepassing zijnde subsidieplafond niet toereikend was om subsidie toe te kennen.

Het flexibel budget wordt naar rato verdeeld. Daartoe wordt eerst het totaalbedrag berekend dat gemoeid is met aanvragen met een b-advies. Vervolgens wordt per categorie het percentage aan b-adviezen berekend op basis van de aangevraagde bedragen ten opzichte van het totaalbedrag dat gemoeid is met het totaal aan b-adviezen. Aan de hand van deze percentages wordt het flexibel budget verdeeld. Daarvoor geldt dat het budget wordt verdeeld volgens de rangorde vanaf de zaaglijn.

6. INDIENING

Aanvragen moeten worden ingediend met behulp van een aanvraagformulier. De activiteiten moeten worden beschreven aan de hand van een aantal door het Fonds Podiumkunsten geformuleerde vragen. Het aanvraagformulier en de bijbehorende richtlijnen zijn te vinden op de website van het Fonds Podiumkunsten. De aanvraag en de daarbij behorende informatie is leidend voor toetsing of de aanvrager in aanmerking komt voor subsidie. Het is dus van belang dat de aanvraag helder is en een goed beeld geeft van de activiteiten die een aanvrager wil ondernemen.

Aanvragen kunnen worden ingediend tot uiterlijk 2 maart 2020 om 17.00 uur. Alleen als de aanvraag op tijd is ingediend, het aanvraagformulier juist is ingevuld en alle gevraagde informatie is bijgesloten, kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Om alle aanvragers gelijke kansen te geven, wordt de uiterste indiendatum strikt gehanteerd. Nagezonden informatie wordt om die reden niet meegenomen in de beoordeling. Verder vraagt het Fonds Podiumkunsten geen informatie op als de aanvraag onvoldoende helder is. Hierop worden geen uitzonderingen gemaakt.

7. VERPLICHTINGEN EN VERANTWOORDING

Alle veranderingen die wezenlijk zijn voor de subsidiëring moeten worden gemeld. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als bepaalde activiteiten komen te vervallen, als er sprake is van wijzigingen bij de artistiek verantwoordelijken of als er aanzienlijke veranderingen zijn in de financiering van de activiteiten. Ook kan in het subsidiebesluit een verplichting zijn opgenomen op grond waarvan specifieke zaken gemeld moeten worden.

Als achteraf blijkt dat er sprake is van een wezenlijke verandering die niet is gemeld, kan het Fonds Podiumkunsten het subsidie lager vaststellen of intrekken. Dit is geheel voor risico van de aanvrager. In geval van twijfel kan een aanvrager contact opnemen met het Fonds Podiumkunsten om te bepalen of sprake is van een wezenlijke wijziging.

Uitgangspunt is dat het plan zoals dat is ingediend, wordt uitgevoerd. Per categorie geldt dat een minimum aantal uitvoeringen per jaar dient te worden gerealiseerd. Daarnaast geldt voor aanvragers in de categorie II en III dat een deel van de uitvoeringen buiten Amsterdam moet hebben plaatsgevonden. De periode van vier jaar geldt als een geheel, de beoordeling of een instelling aan de eisen heeft voldaan wordt pas aan het einde van de periode in een keer uitgevoerd.

Subsidies dienen inhoudelijk en financieel verantwoord te worden. De inhoudelijke verantwoording bestaat uit een beschrijving van de gerealiseerde activiteiten en een overzicht van het aantal concerten of voorstellingen, inclusief de plekken waar de activiteiten plaatsvonden en het aantal bezoekers. De financiële verantwoording moet worden ingericht volgens de regels van het Handboek financiële verantwoording. Dit Handboek is te vinden op de website van het Fonds Podiumkunsten.

8. TOT SLOT

Deze toelichting moet worden gelezen in combinatie met de Deelregeling meerjarige productiesubsidies Fonds Podiumkunsten 2021–2024. Als u vragen hebt of meer informatie wilt, kunt u contact met ons opnemen.