Voorschriften voor zeeschepen op het Kanaal van Gent naar Terneuzen, GNB beheersgebied

Bass nr. 125-2019

Vaarweg: GNB beheersgebied

Omschrijving: Voorschriften voor zeeschepen op het Kanaal van Gent naar Terneuzen

De Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit publiceert hierbij de in bijlage gevoegde Gezamenlijke Bekendmaking:

GB 04-2019 Voorschriften voor zeeschepen op het Kanaal van Gent naar Terneuzen

Deze bekendmaking wordt in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Vlissingen, 7 november 2019

De Rijkshavenmeester Westerschelde, namens deze, De GNA adviseur V.H.J. Baetens

De Administrateur-generaal van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, namens deze, De Nautisch Dienstchef GNA P. Bonte

GEZAMENLIJKE BEKENDMAKING

nr. 04-2019

Voorschriften voor zeeschepen op het Kanaal van Gent naar Terneuzen

De Nederlandse Rijkshavenmeester Westerschelde, tevens Hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Zee en Delta, en de Vlaamse administrateur-generaal van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust maken het volgende bekend:

dat ter verzekering van het belang van de veiligheid van het scheepvaartverkeer alsmede het belang van de instandhouding van de werken het noodzakelijk is de nodige voorschriften vast te stellen;

dat de Gezamenlijke Bekendmaking nr. 03-2012 is geëvalueerd en het noodzakelijk is gebleken om deze te actualiseren;

dat het voorts noodzakelijk is gebleken om voor de inzet van bootlieden op en rond het sluizencomplex te Terneuzen voorschriften te stellen;

gelet op artikel 38, artikel 39, zesde lid en artikel 53, tweede lid, van het Nederlandse Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen en gelet op artikel 52, tweede paragraaf, van het Belgische Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen;

alsdan worden de volgende voorschriften vastgesteld:

Hoofdstuk I – Zeeschepen ingericht voor het vervoer van (break)bulk of vloeibare lading met een breedte tot en met maximaal 34 meter en een lengte tot en met maximaal 265 meter

Artikel 1. Opvarende en afvarende zeeschepen

In aanvulling op artikel 38, eerste lid, respectievelijk artikel 38, eerste paragraaf, van het Nederlandse respectievelijk het Belgische Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen mogen zeeschepen met een diepgang vanaf 12,30 meter tot en met maximaal 12,50 meter en met een kielspeling van tenminste 1 meter opvaren dan wel afvaren, waarbij zowel de diepgang als de kielspeling gelden in een situatie van zoetwater en bij stilliggend schip, indien:

  • a. voorafgaand aan de opvaart de diepgang van het schip wordt gemeten door een daartoe erkend en gecertificeerd bedrijf waarbij de meting wordt uitgevoerd in de Put van Terneuzen of ten laatste in de Westbuitenhaven van het sluizencomplex te Terneuzen;

  • b. voorafgaand aan de afvaart de diepgang van het schip op de plaats van vertrek wordt gemeten door een daartoe erkend en gecertificeerd bedrijf;

  • c. de resultaten van de onder a en b bedoelde metingen op eerste vraag aan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit worden overlegd;

  • d. een gekwalificeerde roerganger wordt ingezet;

  • e. sleepboten worden ingezet conform hetgeen in artikel 2 is bepaald.

Artikel 2. Inzet van sleepboten
  • 1. Afhankelijk van de lengte of de diepgang van het zeeschip dienen sleepboten met de hierna vermelde trekkracht in tonforce (Bollard-Pull) als volgt te worden ingezet:

    Lengte over alles

    Diepgang

    Aantal sleepboten*

    in meters

    in meters

       

    ≥ 175 en < 215

    > 10 en ≤ 12,30

    2 x ≥ 35 tonf

    ≥ 215 en ≤ 265

    > 12,30 en ≤ 12,50

    Voor: 2 x ≥ 35 tonf**

    Achter: 1 x ≥ 39 tonf

    Bij het verlaten van de Westsluis in afvaart, mag 1 sleepboot in mindering worden gebracht.

    * De lengte of de diepgang die de meeste sleepboten vereist, is van toepassing.

    ** 1 sleepboot mag flexibel worden ingezet bij de passage van de Westsluis.

  • 2. Indien een schip is uitgerust met een goed werkende boegschroef mag 1 sleepboot in mindering worden gebracht.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan, indien naar het oordeel van de loods de omstandigheden en de manoeuvreereigenschappen van het schip dat veilig mogelijk maken, door de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit worden besloten tot een afwijkende sleepbootconfiguratie.

Hoofdstuk II – Zeeschepen ingericht voor het vervoer van (break)bulk of vloeibare lading met een breedte vanaf 34 meter tot en met maximaal 37 meter en een lengte tot en met maximaal 230 meter

Artikel 3. Opvarende en afvarende zeeschepen

In aanvulling op artikel 38, eerste lid, respectievelijk artikel 38, eerste paragraaf, van het Nederlandse respectievelijk het Belgische Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen mogen zeeschepen met een diepgang vanaf 12,30 meter tot en met maximaal 12,50 meter en met een kielspeling van tenminste 1 meter opvaren dan wel afvaren, waarbij zowel de diepgang als de kielspeling gelden in een situatie van zoetwater en bij stilliggend schip, indien:

  • a. voorafgaand aan de opvaart de diepgang van het schip wordt gemeten door een daartoe erkend en gecertificeerd bedrijf waarbij de meting wordt uitgevoerd in de Put van Terneuzen of ten laatste in de Westbuitenhaven van het sluizencomplex te Terneuzen;

  • b. voorafgaand aan de afvaart de diepgang van het schip op de plaats van vertrek wordt gemeten door een daartoe erkend en gecertificeerd bedrijf;

  • c. de resultaten van de onder a en b bedoelde metingen op eerste vraag aan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit worden overlegd;

  • d. twee gekwalificeerde loodsen worden ingezet;

  • e. een gekwalificeerde roerganger wordt ingezet;

  • f. een ledig schip vaart onder zijn maximale ballastmogelijkheden (heavy ballast conditions);

  • g. sleepboten worden ingezet conform hetgeen in artikel 7 en artikel 8 is bepaald.

Artikel 4. Passage van de Westsluis

Gedurende het naderen, het invaren en het uitvaren van de Westsluis te Terneuzen dient een door de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit aanvaard sluisnaderingssysteem actief te zijn.

Artikel 5. Zicht

Gedurende de opvaart en de afvaart dient het horizontale zicht rondom het schip minstens 1.000 meter te bedragen.

Artikel 6. Windkracht
  • 1. De opvaart en de afvaart van een geladen schip wordt slechts toegestaan tot en met windkracht 6 Beaufort.

  • 2. De opvaart en de afvaart van een schip in ballast wordt slechts toegestaan tot en met windkracht 5 Beaufort.

  • 3. De windkracht (gebaseerd op de gemiddelde windkracht gedurende 10 minuten) en de windrichting worden gemeten op de Westsluis te Terneuzen.

Artikel 7. Inzet van sleepboten ten behoeve van de passage van de Westsluis
  • 1. Afhankelijk van de windkracht, de vaarsnelheid en de manoeuvreersnelheid bij dead slow dienen sleepboten met de hierna vermelde trekkracht in tonforce (Bollard-Pull), waarbij de achtersleepboten van het type “Z-peller” of vergelijkbaar zijn, als volgt te worden ingezet:

    Wind

    Aantal sleepboten ter assistentie van een geladen schip

    Aantal sleepboten ter assistentie van een schip in ballast*

     

    Vaarsnelheid

    < 5 knopen bij dead-slow

    Vaarsnelheid

    ≥ 5 knopen

    bij dead-slow

    Vaarsnelheid

    < 5 knopen bij dead-slow

    Vaarsnelheid

    ≥ 5 knopen

    bij dead-slow

    ≥ 0 Bft.

    ≤ 5 Bft.

    Voor: 1 x ≥ 35 tonf

    Midden: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 39 tonf

    Voor: 1 x ≥ 35 tonf

    Midden: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    Voor: 1 x ≥ 35 tonf

    Midden: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 39 tonf

    Voor: 1 x ≥ 35 tonf

    Midden: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    > 5 Bft.

    ≤ 6 Bft.

    Voor: 1 x ≥ 35 tonf

    Midden: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    Voor: 1 x ≥ 35 tonf

    Midden: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    > 6 Bft.

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    * Onder schepen in ballast wordt hier verstaan: schepen met een diepgang minder dan 11,50 meter.

  • 2. Indien een schip is uitgerust met een goedwerkende boegschroef mag 1 sleepboot in mindering worden gebracht.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan voor het uitvaren van de sluis in afvaart en indien naar het oordeel van de loods de omstandigheden en de manoeuvreereigenschappen van het schip dat veilig mogelijk maken, door de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit worden besloten tot de inzet van slechts één sleepboot met voldoende trekkracht.

Artikel 8. Inzet van sleepboten ten behoeve van de vaart op het Kanaal tussen de Westsluis te Terneuzen en Gent
  • 1. Afhankelijk van de windkracht, de vaarsnelheid en de manoeuvreersnelheid bij dead-slow dienen sleepboten met de hierna vermelde trekkracht in tonforce (Bollard-Pull), waarbij de achtersleepboten van het type “Z-peller” of vergelijkbaar zijn, als volgt te worden ingezet:

    Wind

    Aantal sleepboten ter assistentie van een geladen schip

    Aantal sleepboten ter assistentie van een schip in ballast*

     

    Vaarsnelheid

    < 5 knopen bij dead-slow

    Vaarsnelheid

    ≥ 5 knopen

    bij dead-slow

    Vaarsnelheid

    < 5 knopen bij dead-slow

    Vaarsnelheid

    ≥ 5 knopen

    bij dead-slow

    ≥ 0 Bft.

    ≤ 5 Bft.

    Voor: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 39 tonf

    Voor: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    Voor: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 39 tonf

    Voor: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    > 5 Bft.

    ≤ 6 Bft.

    Voor: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    Voor: 2 x ≥ 35 tonf

    Achter: 1 x ≥ 60 tonf

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    > 6 Bft.

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    Vaart niet toegestaan

    * Onder schepen in ballast wordt hier verstaan: schepen met een diepgang minder dan 11,50 meter.

  • 2. Indien een schip is uitgerust met een goedwerkende boegschroef mag 1 sleepboot in mindering worden gebracht.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan, indien naar het oordeel van de loods de omstandigheden en de manoeuvreereigenschappen van het schip dat veilig mogelijk maken, door de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit worden besloten tot een afwijkende sleepbootconfiguratie.

Hoofdstuk III – Zeeschepen ingericht voor het vervoer van auto’s

Artikel 9. Opvarende en afvarende zeeschepen
  • 1. In aanvulling op artikel 38, eerste lid, respectievelijk artikel 38, eerste paragraaf, van het Nederlandse respectievelijk het Belgische Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen mogen zeeschepen ingericht voor het vervoer van auto’s (i.e. de Pure Car Carriers) opvaren dan wel afvaren na toestemming van de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt minimaal zes weken voor opvaart aangevraagd. Aan de toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk IV – Bootlieden

Artikel 10. Inzet van bootlieden

Op en rond het sluizencomplex te Terneuzen dienen bij het meren en ontmeren van zeeschepen gekwalificeerde bootlieden als volgt te worden ingezet:

  • a. in de Westsluis:

    • zeeschepen < 180 meter: 2 bootlieden per zeeschip.

    • zeeschepen > 180 meter: 2 bootlieden per zeeschip waarbij verplicht gebruik wordt gemaakt van winches aan de wal.

  • b. in de Oostsluis:

    • toegelaten zeeschepen: 2 bootlieden per zeeschip.

  • c. zeeschepen mogen de sluizen slechts invaren indien per zeeschip voldoende bootlieden aanwezig zijn.

  • d. op de wachtpalen voor de Westsluis:

    • alle zeeschepen: 2 bootlieden per zeeschip.

  • e. aan de Goese Kade:

    • alle zeeschepen: 2 bootlieden per zeeschip.

Hoofdstuk V – Slotbepalingen

Artikel 11. Inwerkingtreding

Deze voorschriften treden in werking met ingang van 1 december 2019.

De Gezamenlijke Bekendmaking nr. 03-2012 komt te vervallen met de inwerkingtreding van deze voorschriften.

Deze voorschriften zullen worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en het Belgisch Staatsblad.

Antwerpen, 6 november 2019

De Rijkshavenmeester Westerschelde, tevens Hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Zee en Delta, Th.F.J. van de Gazelle

De administrateur-generaal van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, N. Balcaen

Naar boven