Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 4 oktober 2019, nr. WJZ/ 19229334, tot wijziging van de Postregeling 2009

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 22, derde lid, van de Postwet 2009;

Besluit:

ARTIKEL I

Aan artikel 7, tweede lid, van de Postregeling 2009 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. kosten die veroorzaakt worden door het tot stand brengen van een concentratie als bedoeld in artikel 27 van de Mededingingswet met een ander postvervoerbedrijf.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 4 oktober 2019

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat M.C.G. Keijzer

TOELICHTING

1. Betaalbaarheid van de UPD

De regulering van de universele postdienst (UPD) is gericht op het borgen van een kwalitatief goede uitvoering van de postdiensten die daaronder vallen en op het voor gebruikers van de UPD betaalbaar houden van postdiensten, hetgeen tevens een belangrijk uitgangspunt is van de Europese Postrichtlijn.1 Om de betaalbaarheid te borgen, moet de UPD-regulering ervoor zorgen dat de verlener van de UPD alleen de daadwerkelijke kosten toerekent aan de UPD. Anders ontstaat het risico dat gebruikers teveel betalen voor de UPD.

In artikel 24 van de Postwet 2009 wordt onder meer geregeld dat de tarieven op de kosten gebaseerd dienen te zijn. In artikel 25 wordt vervolgens bepaald dat de Minister van Economische Zaken en Klimaat bij ministeriële regeling de ruimte kan bepalen waarbinnen de verlener van de UPD zijn tarieven kan vaststellen en dat deze tariefruimte gebaseerd dient te zijn op de daadwerkelijke kosten en een redelijk rendement. Ten aanzien van de wijze van toerekening van kosten worden op grond van artikel 22, derde lid, van de Postwet 2009 nadere regels gesteld.

Deze nadere regels over kostentoerekening zijn opgenomen in de artikelen 7 tot en met 7d van de Postregeling 2009. Artikel 7, tweede lid, van de Postregeling 2009 bepaalt welke kosten de UPD-verlener niet mag toerekenen aan de UPD. Artikelen 7c en 7d stellen eisen aan de toerekening van gezamenlijke en gemeenschappelijke kosten, die zowel voor de UPD als voor andere activiteiten van de UPD-verlener worden gemaakt.

2. Kosten van concentratie

Een concentratie levert in beginsel voordelen op voor de onderneming die een concentratie tot stand wil brengen. Wanneer de UPD-verlener een concentratie tot stand brengt met een andere onderneming die eveneens een postvervoerbedrijf exploiteert, leidt dat tot efficiëntievoordelen en daarmee tot kostenbesparingen voor de UPD-verlener, onder meer door de samenvoeging van postnetwerken.

Aan de andere kant brengt het tot stand brengen van een concentratie ook kosten met zich. Het gaat daarbij in het geval van de UPD-verlener bijvoorbeeld om herstructureringskosten, implementatiekosten, tijdelijke kosten voor het in stand houden van beide netwerken, afschrijving op de afkoopsom en overige (transactie)kosten. Deze kosten zijn naar verwachting aan te merken als gezamenlijke of gemeenschappelijke kosten als bedoeld in artikel 7c, onderscheidenlijk artikel 7d, van de Postregeling 2009. Ingevolge de artikelen 7c en 7d rekent de UPD-verlener gezamenlijke en gemeenschappelijke kosten deels toe aan de universele postdienst.

Zoals hierboven vermeld is een doel van de regels ten aanzien van kostentoerekening om te voorkomen dat gebruikers te veel betalen voor de UPD-diensten. Bij het tot stand brengen van een concentratie voegt de UPD-verlener (voornamelijk) niet UPD-activiteiten toe aan zijn onderneming. Het zou dan ook onwenselijk zijn als de kosten die gepaard gaan met het tot stand brengen van een concentratie terecht zouden komen bij de gebruiker van de UPD, de consument. Voorts mag de ruimte die de verlener van de UPD heeft om kosten toe te rekenen, niet leiden tot concurrentieverstoring op het gebied van aanpalende niet-UPD gerelateerde diensten. In verband daarmee wordt aan artikel 7, tweede lid, van de Postregeling 2009 toegevoegd dat de kosten die veroorzaakt worden door het tot stand brengen van een concentratie met een ander postvervoerbedrijf niet mogen worden toegerekend aan de UPD.

De Autoriteit Consument en Markt is ingevolge artikel 37 van de Postwet 2009 belast met het toezicht op deze regeling.

3. Inwerkingtreding

De inwerkingtreding van deze regeling wijkt af van het kabinetsstandpunt inzake de vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn, omdat de regeling niet twee maanden van te voren wordt gepubliceerd en niet per 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober in werking treedt. Eerdere inwerkingtreding van deze regeling is van belang, omdat bij besluit van 27 september 2019 op grond van artikel 47, eerste lid, van de Mededingingswet een vergunning is verleend aan PostNL N.V. voor het tot stand brengen van een concentratie met SHM Beheer II B.V. (Sandd) (Stcrt. 2019, 54519). Zoals hiervoor vermeld, is het onwenselijk als de kosten die gepaard gaan met het tot stand brengen van een concentratie terecht zouden komen bij de consumenten. Gelet hierop is het van belang dat deze regeling zo snel mogelijk in werking treedt, om te voorkomen dat kostentoerekening in strijd met deze regeling al zou hebben plaatsgevonden.

Afwijking van het kabinetsstandpunt is derhalve in dit geval toegestaan op grond van uitzonderingsgrond a: uitzondering op de vaste verandermomenten of de minimuminvoeringstermijn is mogelijk voor zover dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat M.C.G. Keijzer


X Noot
1

Richtlijn 97/67/EG van het Europees parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/6/EG.

Naar boven