Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
De Nederlandsche BankStaatscourant 2019, 5577Overig

Besluit van De Nederlandsche Bank N.V. van 28 januari 2019 tot wijziging van de Beleidsregel Reikwijdte en Uitvoering Depositogarantiestelsel ter verduidelijking van enkele aspecten die van belang zijn in de uitvoering van het depositogarantiestelsel

De Nederlandsche Bank N.V.;

Na overleg met representatieve organisaties;

Gelet op de artikelen 29.02 en 29.06 Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantiestelsel Wft en artikel 26a Besluit prudentiële maatregelen Wft;

Na consultatie van de betrokken representatieve organisaties en het bredere publiek;

Besluit:

ARTIKEL I

De Beleidsregel Reikwijdte en Uitvoering Depositogarantiestelsel wordt gewijzigd als volgt:

A. Definities

Aan artikel 1.1 wordt de volgende definitie toegevoegd:

1. Tijdelijk hoog deposito:

een deposito als bedoeld in artikel 29.02, vierde lid van het Besluit;

B. Rangorde van in aanmerking komende deposito’s

1. Aan de rangorde in artikel 3.1, derde lid, wordt een categorie toegevoegd:

  • e. Rekeningen waarvan DNB niet op grond van door de betreffende bank aangeleverde gegevens het in aanmerking komende bedrag kan vaststellen.

2. Aan artikel 3.1 wordt het volgende lid toegevoegd:

  • 4. In het geval een depositohouder over meerdere deposito’s beschikt binnen één categorie uit de rangorde in het derde lid, en het in aanmerking komende bedrag het dekkingsniveau overschrijdt, bepaalt de hoogte van de verschillende in aanmerking komende deposito’s in welke volgorde deze worden uitgekeerd of beschermd bij de toepassing van een afwikkelingsregeling als bedoeld in het eerste lid. Het kleinste in aanmerking komende deposito wordt als eerste vergoed respectievelijk beschermd.

C. Wisselkoersen

Aan Hoofdstuk 3, Uitvoering wordt na artikel 3.1 het volgende artikel toegevoegd:

Artikel 3.2

In het geval van deposito’s die worden aangehouden in een vreemde valuta waarvoor de Europese Centrale Bank geen referentiekoers bepaalt, stelt DNB de referentiekoers vast die gold op de datum bedoeld in het tweede lid van artikel 29.06 van het Besluit, aan de hand van:

  • 1. De door de centrale bank behorende bij de valuta waarin de deposito’s worden aangehouden gepubliceerde referentiekoers die behoort bij de valuta waarin de deposito’s worden aangehouden, of als een dergelijke referentiekoers ontbreekt:

  • 2. Het berekenen van een middenkoers, in het geval de betreffende centrale bank geen referentiekoers publiceert maar wel aankoopkoersen en verkoopkoersen; dan wel

  • 3. Valutakoersen zoals gepubliceerd door een koersinformatieleverancier, in het geval het niet mogelijk is om een referentiekoers vast te stellen aan de hand van de mogelijkheden in het eerste of tweede lid.

D. Negatieve saldi

Aan Hoofdstuk 3, Uitvoering wordt het volgende artikel toegevoegd:

Artikel 3.3

Bij het vaststellen van de vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel, als bedoeld in artikel 3:261 van de Wet, worden verplichtingen van de depositohouder jegens de bank als volgt buiten beschouwing gelaten:

  • a. indien sprake is van een negatief rekeningsaldo, veronderstelt DNB bij het vaststellen van de vergoeding het saldo als nihil;

  • b. indien het bedrag aan aangegroeide maar nog niet gecrediteerde rente negatief is, veronderstelt DNB bij de bepaling van de vergoeding het te crediteren rentebedrag als nihil.

E. Tijdelijk hoge deposito's

Aan Hoofdstuk 3, Uitvoering wordt het volgende artikel toegevoegd:

Artikel 3.4

  • 1. Bij toepassing van het depositogarantiestelsel dient een depositohouder DNB op de hoogte te stellen van de aanwezigheid van een tijdelijk hoog deposito. DNB stelt daartoe een formulier beschikbaar.

  • 2. In het geval een depositohouder aanspraak maakt op aanvullende bescherming als bedoeld in het eerste lid, stelt DNB de aanvullende bescherming per depositohouder per bank gelijk aan de hoogte van de oorspronkelijke storting waarbij geldt dat:

    • a. de aanvullende bescherming per depositohouder per bank niet hoger kan zijn dan 500.000 euro;

    • b. het totale gegarandeerde bedrag per depositohouder niet hoger kan zijn dan het totale saldo van de tegoeden die de depositohouder bij de bank aanhoudt.

  • 3. In het geval van doorstorting van een deposito als bedoeld in het eerste lid naar een andere rekening, vangt de beschermingstermijn van drie maanden, als bedoeld in artikel 29.02, vierde lid van het Besluit, aan op de datum van storting op de oorspronkelijke rekening.

  • 4. Ten behoeve van het onderzoek naar het bestaan van een tijdelijk hoog deposito, kan DNB een depositohouder verzoeken om aanvullende informatie te verstrekken die samenhangt met het tijdelijk hoog deposito.

F. Rekeningen bij meerdere bijkantoren van dezelfde bank

Aan Hoofdstuk 3 Uitvoering wordt het volgende artikel toegevoegd:

Artikel 3.5

  • 1. In het geval een depositohouder over één of meerdere rekeningen beschikt bij een bank in Nederland en tevens over één of meerdere rekeningen beschikt bij een bijkantoor van dezelfde bank in een andere lidstaat, keert DNB het toegekende bedrag aan de deposant uit en geschiedt de uitkering niet via het DGS van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd.

  • 2. In het geval een depositohouder over rekeningen beschikt bij bijkantoren van dezelfde bank in verschillende andere lidstaten dan Nederland, keert DNB het gedekte bedrag aan de deposant uit en geschiedt de uitkering niet via één van de DGS-autoriteiten van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd.

G. Gestructureerde deposito’s

Aan Hoofdstuk 3, Uitvoering wordt het volgende artikel toegevoegd:

Artikel 3.6

De berekening van aangegroeide rente, zoals vastgelegd in artikel 29.06, tweede lid van het Besluit, wordt als volgt toegepast in het geval sprake is van een gestructureerd deposito als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 43, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014:

  • a. voor zover de hoogte van nog niet gecrediteerde rente op de datum, bedoeld in artikel 29.06, tweede lid van het Besluit, niet meer afhankelijk is van externe (markt)factoren, kwalificeert deze als te zijn aangegroeid als bedoeld in 29.06, tweede lid, van het Besluit;

  • b. voor zover de hoogte van nog niet gecrediteerde rente of premie op de datum, bedoeld in artikel 29.06, tweede lid van het Besluit, nog onderhevig is aan externe (markt)factoren, kwalificeert deze niet als te zijn aangegroeid als bedoeld in 29.06, tweede lid, van het Besluit.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na publicatie daarvan in de Staatscourant.

De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam, 29 januari 2019

De Nederlandsche Bank N.V. N. Stolk, directeur

TOELICHTING

Algemeen

Met de voorgenomen wijziging van de beleidsregel reikwijdte en uitvoering DGS geeft DNB nadere duidelijkheid richting depositohouders hoe wordt omgegaan met een aantal situaties dat zich kan voordoen tijdens een DGS-uitkering. De voornaamste aanvullingen aan de beleidsregel betreffen de omgang met tijdelijk hoge deposito’s, gestructureerde deposito’s, negatieve saldi en situaties waarin klanten in meerdere landen deposito’s aanhouden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

A. Definities

Aan artikel 1.1 van de beleidsregel wordt om praktische redenen de definitie van de term ‘tijdelijk hoog deposito’ toegevoegd. De beleidsregel definieert de term ‘tijdelijk hoog deposito’ als een deposito als bedoeld in artikel 29.02, vierde lid van het Besluit. Uit het Bbpm volgt dat het hierbij thans gaat om een deposito voor zover dat direct verband houdt met de nakoming van een koopovereenkomst die betrekking heeft op een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gedurende de eerste drie maanden na storting van het deposito (artikel 29.02, vierde lid van het Besluit).

B. Rangorde van in aanmerking komende deposito’s

Aan de categorieën in het derde lid van artikel 3.1 wordt een categorie rekeningen toegevoegd. Deze categorie betreft rekeningen waarvan – ongeacht de reden – DNB het in aanmerking komende bedrag niet kan vaststellen op basis van de door de bank aangeleverde gegevens. In dit geval dient aanvullende informatie te worden verkregen en kan niet onmiddellijk worden uitgekeerd. Indien een depositohouder over meerdere rekeningen beschikt, bevindt een dergelijke rekening zich onderaan de rangorde. Deze (toevoeging aan de) rangorde helpt DNB in de vaststelling welke in aanmerking komende deposito’s worden uitgekeerd of beschermd, maar verlangt geen administratieve handeling van banken. De productcategorieën bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de beleidsregel individueel klantbeeld, en daarmee het voorgeschreven datamodel, worden niet uitgebreid als gevolg van deze toevoeging aan de rangorde.

Het nieuwe vierde lid van artikel 3.1 beschrijft hoe wordt omgegaan met de situatie waarin een depositohouder over meerdere deposito’s beschikt binnen eenzelfde categorie uit de rangorde van in aanmerking komende deposito’s. In dat geval wordt de rekening met het kleinste in aanmerking komende bedrag als eerste aangesproken, gevolgd door de rekening met het op één na kleinste bedrag, enzovoorts, waarbij het maximale gegarandeerde bedrag per depositohouder per bankvergunning in acht wordt genomen. Door deze uitkeringsvolgorde worden zoveel mogelijk rekeningen uitbetaald.

C. Wisselkoersen
Artikel 3.2

Conform artikel 29.06, derde lid van het Besluit wordt de waarde van deposito’s die worden aangehouden in vreemde valuta in beginsel gebaseerd op de referentiekoersen van de Europese Centrale Bank. Het kan echter zijn dat een deposito wordt aangehouden in een valuta waarvoor de Europese Centrale Bank geen referentiekoersen bepaalt. In die gevallen bepaalt DNB de referentiekoers. Artikel 3.2 legt vast aan de hand van welke bronnen dit gebeurt.

Het eerste lid bepaalt dat, indien beschikbaar, DNB zal kijken naar de relevante referentiekoers zoals bepaald door de centrale bank die de valuta uitgeeft waarin het deposito wordt aangehouden.

In sommige gevallen bepalen buitenlandse centrale banken geen referentiekoersen, maar worden wel aankoopkoersen en verkoopkoersen gepubliceerd. Het tweede lid bepaalt dat DNB in dat geval een middenkoers hanteert, oftewel het gemiddelde van de aankoopkoers en verkoopkoers.

Het derde lid bepaalt dat DNB, in het geval de opties uit het eerste of tweede lid niet beschikbaar zijn, gebruik kan maken van valutakoersen beschikbaar gesteld door koersinformatieleveranciers – zoals Bloomberg of Thomson Reuters – om een referentiekoers vast te stellen.

D. Negatieve saldi
Artikel 3.3

Op grond van artikel 7, vierde lid van de DGSD, wordt bij de berekening van het terugbetaalbare bedrag geen rekening gehouden met verplichtingen van de deposant jegens de bank. Eventuele schulden van de depositohouder worden bij de bepaling van het gegarandeerde bedrag dus niet verrekend met positieve saldi (bankspaardeposito’s voor een Eigen Woning vormen hierop een uitzondering). Dit is ook het uitgangspunt in het Bbpm (artikel 29.07, derde lid, Bbpm).

Een roodstand op een betaalrekening kwalificeert als een verplichting van de deposant jegens de bank. Ook deze verplichting zal door DNB bij het bepalen van de vergoeding niet worden verrekend met de vordering die de deposant heeft op de bank (het deposito). Dat laat onverlet dat de verplichting van de deposant zal moeten worden nagekomen jegens (de boedel van) de bank.

Artikel 3.3 expliciteert dat deze handelwijze zowel van toepassing is op het rekeningsaldo als op de aangegroeide maar nog niet gecrediteerde rente. Artikel 29.06, tweede lid van het Besluit legt immers vast dat ook het aangegroeide rentebedrag gerekend wordt tot de deposito's. Een negatief rentebedrag dat nog niet met het deposito is verrekend kwalificeert ook als een verplichting van de deposant aan de bank.

Voorbeeld: indien een depositohouder een betaalrekening heeft met een positief saldo van EUR 10 en een negatief bedrag van EUR 30 aan aangegroeide maar nog niet gecrediteerde gedebiteerde rente (vanwege een eerdere roodstand), veronderstelt DNB het rentebedrag als nihil en stelt de vergoeding vast op EUR 10. Als sprake is van een negatief saldo op de betaalrekening van EUR 20 en een positief saldo aan aangegroeide maar nog niet gecrediteerde rente van EUR 5 (vanwege een eerder positief saldo), veronderstelt DNB het saldo rekeningsaldo als nihil en stelt de vergoeding vast op EUR 5.

E. Tijdelijk hoge deposito's
Artikel 3.4

Deposito's die worden aangehouden in verband met het nakomen van een koopovereenkomst die betrekking heeft op een eigen woning ("tijdelijk hoge deposito's"), vormen de uitzondering op het in artikel 29.02, eerste lid van het Bbpm beschreven dekkingsniveau van EUR 100.000 per depositohouder per bank. Dit is geregeld in artikel 29.02, vierde lid van het Bbpm. Bij een dergelijk tijdelijk hoog deposito is er gedurende drie maanden aanvullende bescherming tot een bedrag van maximaal EUR 500.000 per depositohouder. Artikel 3.4 regelt de wijze waarop DNB uitvoering geeft aan deze aanvullende bescherming.

Omdat een tijdelijk hoog deposito niet uit de administratie van een bank kan worden afgeleid, is het op het moment dat het DGS in werking treedt aan een depositohouder om kenbaar te maken dat er een saldo is dat voortvloeit uit het nakomen van een recente koopovereenkomst die betrekking had op een eigen woning. Zoals vastgelegd in artikel 29.05, vijfde lid van het Besluit is een ruimere terugbetalingstermijn mogelijk voor een dergelijk deposito.

Het eerste lid regelt een procedure waarbij depositohouders kenbaar kunnen maken dat zij aanspraak hebben op de aanvullende bescherming voor een tijdelijk hoog deposito. DNB stelt een formulier beschikbaar om depositohouders in staat te stellen kenbaar te maken dat een banksaldo een tijdelijk hoog deposito bevat dat aanleiding vormt voor aanvullende bescherming.

Het tweede lid regelt de wijze waarop DNB de aanvullende bescherming tot een bedrag van maximaal EUR 500.000 per depositohouder verwerkt in de bepaling van het gegarandeerde bedrag. Omdat een tijdelijk hoog deposito niet separaat wordt aangehouden, kan DNB aan de hand van de omvang van het rekeningsaldo geen onderscheid maken tussen reguliere deposito's en tijdelijke hoge deposito's. Om geen afbreuk te doen aan de aanvullende bescherming voor depositohouders, berekent DNB in het geval sprake is van een tijdelijk hoog deposito de hoogte van de aanvullende bescherming aan de hand van de omvang van de oorspronkelijke storting die voortvloeide uit de koopovereenkomst voor een eigen woning tot een maximum van EUR 500.000 per depositohouder (sub a). Uiteraard geldt dat de totale hoogte van het beschermde bedrag – de som van de reguliere bescherming tot EUR 100.000 euro per depositohouder per bank en de aanvullende bescherming voor een tijdelijk hoog deposito – niet hoger kan zijn dan het totale saldo van de tegoeden van een depositohouder bij de bank (sub b).

Voorbeeld: een depositohouder heeft op 5 januari een bedrag gestort gekregen van EUR 300.000 op een betaalrekening. Dit bedrag hangt samen met de verkoop van een eigen woning. Op 10 januari treedt het DGS in werking voor de bank waarop het deposito is gestort. De bescherming onder het DGS voor de depositohouder is in deze situatie maximaal EUR 400.000. Stel dat het totale saldo van de rekeninghouder van de depositohouder (en het aandeel in rekeningen met meerdere rekeningen met meerdere depositohouders) EUR 400.000 is, dan ontvangt de depositohouder direct EUR 100.000 en kan vervolgens via de aanvullende vergoeding aanspraak maken op EUR 300.000 aanvullende vergoeding.

Het totale gegarandeerde bedrag kan ook nooit hoger zijn dat het totale saldo van de tegoeden die bij de bank worden aangehouden. Indien het totale saldo van de rekeninghouder uit dit voorbeeld op het moment van in werking treden van het DGS EUR 300.000 zou zijn, ontvangt hij direct EUR 100.000 en aanvullend EUR 200.000.

De aanvullende garantie kan ook niet hoger zijn dan de koopprijs van de eigen woning. Mocht het totale saldo van de rekeningen van de depositohouder in dit voorbeeld 600.000 euro zijn, dan ontvangt de depositohouder EUR 100.000 op basis van de reguliere bescherming en aanvullend EUR 300.000.

Het derde lid regelt de situatie waarbij een depositohouder het tijdelijk hoog deposito doorstort naar een andere rekening bij dezelfde of een andere bank, dan waar het saldo oorspronkelijk werd gestort. Gedacht kan worden aan de situatie waarbij een depositohouder het tijdelijke hoog deposito wil aanhouden op een spaarrekening met een hogere rente dan de betaalrekening waarop het tijdelijk hoog deposito in eerste instantie werd ontvangen. Het derde lid maakt duidelijk dat de beschermingstermijn van drie maanden geldt vanaf het moment van initiële ontvangst door de depositohouder van het tijdelijk hoog deposito.

Het vierde lid benadrukt dat DNB een depositohouder om informatie kan vragen aanvullend op het in het eerste lid bedoelde formulier om meer duidelijkheid te krijgen over de koopovereenkomst die aanleiding vormt voor de aanspraak op de aanvullende bescherming. Het gaat daarbij in het bijzonder om informatie ten behoeve van het bepalen van de hoogte van de transactie en datum van en betrokkenen bij de koopovereenkomst.

F. Rekeningen bij meerdere bijkantoren van dezelfde bank
Artikel 3.5

Op grond van artikel 14 van de DGSD dient het DGS uit de lidstaat van ontvangst deposanten van een bijkantoor in deze lidstaat terug te betalen namens het DGS uit de lidstaat van herkomst. Met de toevoeging van artikel 3.5 wordt duidelijk gemaakt door welke DGS-autoriteit deposanten terugbetaald worden wanneer zij rekeningen aanhouden bij meerdere bijkantoren van een bank met zetel in Nederland.

Als een depositohouder beschikt over rekeningen bij zowel een vestiging van de bank in Nederland als bij een bijkantoor in het buitenland, zal DNB als DGS van het land waar de bankvergunning is verstrekt deze deposant terugbetalen en zal de uitkering niet via het DGS van de lidstaat geschieden. Dit geldt zowel bij deposanten in Nederland als deposanten in een andere lidstaat.

In het geval een depositohouder géén rekening aanhoudt bij een vestiging in Nederland van de bank (‘hoofdbank’), maar over meerdere rekeningen beschikt bij twee of meer bijkantoren in andere lidstaten, zal DNB als DGS van het land waar de bankvergunning is vertrekt deze deposant terugbetalen.

De huidige DGSD biedt geen aanpak voor dergelijke situaties. De oplossing waarbij een deposant in een dergelijke situatie naar rato uitgekeerd wordt door verschillende DGS-autoriteiten in verschillende lidstaten kan tot onduidelijkheid leiden bij deposanten en is daarom niet wenselijk. De voorgenomen aanpak, waarbij de deposant één vergoeding ontvangt van één DGS-autoriteit is in het belang van de deposant. In Europa zullen in ieder geval meerdere DGS-autoriteiten deze aanpak hanteren.

In de tabel zijn een aantal voorbeelden opgenomen ter verduidelijking. Deposant 1 wordt conform artikel 14 van de DGSD terugbetaald door het Belgische DGS. Deposant 2 wordt conform artikel 3.5, eerste lid terugbetaald door DNB. Deposant 3 wordt conform artikel 3.5, tweede lid terugbetaald door DNB.

 

Rekening bij hoofdbank in Nederland

Rekening bij bijkantoor in België

Rekening bij bijkantoor in Duitsland

Het DGS dat uitbetaalt in deze situatie

Deposant 1

 

x

 

België

Deposant 2

x

x

 

Nederland

Deposant 3

 

x

x

Nederland

G. Gestructureerde deposito’s
Artikel 3.6

De richtlijn Markets in Financial Instruments 2014 (2014/65/EU, “MiFID II”) definieert gestructureerde deposito’s als een deposito, zoals bedoeld in de DGSD, dat op de vervaldatum volledig wordt terugbetaald (conform artikel 2, derde lid, sub B van de DGSD). Gestructureerde deposito’s komen daarmee in aanmerking voor bescherming door het DGS.

Het verschil met reguliere deposito’s is dat de te vergoeden rente bij gestructureerde deposito’s niet wordt bepaald aan de hand van een rentevoet, maar afhankelijk is van externe (markt)factoren zoals bijvoorbeeld de stand van indices.

Met in achtneming van artikel 29.06, tweede lid van het Besluit – waarin is vastgelegd dat aangegroeide maar niet gecrediteerde rente wordt gerekend tot de deposito’s – regelt artikel 3.6 ten behoeve van de bepaling van het gegarandeerde bedrag de omgang met niet gecrediteerde rente in het geval sprake is van een gestructureerd deposito.

De bepalingen in artikel 3.6 houden rekening met het feit dat bij gestructureerde deposito’s in zekere zin geen sprake is van aangegroeide rente zolang de observatiedatum nog niet is bereikt die bepalend is voor de definitieve berekening van de te crediteren rente. Immers, zolang de observatiedatum nog niet is bereikt, kan de koersontwikkeling van de externe factor die bepalend is voor de te vergoeden rente nog zorgen voor opwaartse of neerwaartse bijstelling van de te vergoeden rente. Dit is met andere woorden de niet-beschermde beleggingscomponent van het gestructureerde deposito.

Een voorbeeld om het voorgaande te verduidelijken. Een depositohouder heeft op 1 januari voor een periode van 1 jaar een gestructureerd deposito afgesloten, waarbij het te vergoeden rentepercentage is gekoppeld aan een aandelenindex. Op 1 januari is de index gelijk aan 100. Voor de bepaling van het te crediteren rentebedrag wordt gekeken naar de slotstand van de index op 28 december (de observatiedatum). Creditering van het rentebedrag vindt vervolgens plaats op 31 december. Indien de slotstand van de index hoger is dan 105, ontvangt de depositohouder een rentevergoeding van 5% op jaarbasis. Indien de slotstand van de index op de observatiedatum hoger is dan 100 maar lager dan 105, ontvangt de depositohouder een rentevergoeding op jaarbasis gelijk aan de stijging van de index. Indien de slotstand van de index op de observatiedatum lager is dan 100, ontvangt de depositohouder een rentevergoeding op jaarbasis van nihil.

Indien de datum waarop de hoogte van de DGS-dekking bepaald moet worden in dit geval eerder is dan 28 december, is er geen zekerheid over de hoogte van de te crediteren rente, zelfs als de index op dat moment gelijk is aan bijvoorbeeld 120. Dit is het risico dat inherent is aan de beleggingscomponent. Het gegarandeerde bedrag strekt zich in dat geval dan ook enkel uit tot de hoofdsom van het deposito. Het gegarandeerde bedrag bevat in het geheel geen rentevergoeding.

Indien de datum waarop de hoogte van de DGS-dekking zich echter zou bevinden tussen de observatiedatum en het moment waarop de rente of wordt gecrediteerd, bijvoorbeeld 30 december, is er wel zekerheid over het rentebedrag. Het gegarandeerde bedrag strekt zich in dat geval uit tot en met het rentebedrag dat met zekerheid nog gecrediteerd moet worden.

Artikel II

Artikel II bepaalt dat de regeling in werking treedt op de dag na publicatie ervan in de Staatscourant.

Amsterdam, 29 januari 2019

De Nederlandsche Bank N.V. N. Stolk, directeur