TOELICHTING
Algemeen
1. Inleiding
Een zorgverzekeraar dient iedere verzekeringsplichtige die een zorgverzekering bij
hem wenst af te sluiten, te accepteren. Dat is in de Zorgverzekeringswet (hierna:
Zvw) geregeld. Die wet bepaalt ook dat de premie die de zorgverzekeraar voor een dergelijke
zorgverzekering vraagt niet mag worden afgestemd op het gezondheidsrisico of op andere
kenmerken van de verzekerde. Zonder nadere maatregelen is het gevolg van de acceptatieplicht
en het verbod van premiedifferentiatie dat zorgverzekeraars met relatief veel ongezonde
verzekerden in de zorgverzekeringsportefeuille in het nadeel zijn ten opzichte van
zorgverzekeraars met een relatief gezonde populatie, omdat zij gegeven hun populatie
welhaast gedwongen zijn een hogere premie te vragen dan hun concurrent met een gezondere
populatie. Deze ongelijkheid, die ontstaat door verschil in het risicoprofiel van
de verzekerdenportefeuille, ondermijnt het gelijke speelveld waarop de concurrentie
tussen zorgverzekeraars zich moet afspelen. Om dit te voorkomen is in paragraaf 4.2
van de Zvw bepaald dat zorgverzekeraars jaarlijks van het Zorginstituut Nederland
(hierna: het Zorginstituut) een ’vereveningsbijdrage’ ontvangen, die uit het Zorgverzekeringsfonds
(hierna: Zvf) gefinancierd wordt.
Deze bijdrage wordt gebaseerd op een inschatting vooraf (ex ante) van de zorgkosten
van een zorgverzekeraar aan de hand van een aantal objectieve kenmerken van de verzekerden
van die zorgverzekeraar. Deze systematiek beoogt zorgverzekeraars te compenseren voor
kostenverschillen als gevolg van onbeïnvloedbare verschillen in risicoprofielen in
hun zorgverzekerdenportefeuilles, zodat zij op dit punt in een gelijke uitgangspositie
worden gebracht en daardoor eerlijk met elkaar kunnen concurreren. Weet de zorgverzekeraar
welk bedrag hij in het komende jaar aan vereveningsbijdrage zal krijgen, dan zal hij
vervolgens de nominale premie kunnen vaststellen die hij over dat jaar voor zijn zorgverzekering
vraagt. De vereveningsbijdrage wordt na afloop van het vereveningsjaar (ex post) door
het Zorginstituut definitief vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met de werkelijke
situatie bij de zorgverzekeraar zoals deze zich gedurende het vereveningsjaar heeft
voorgedaan (de werkelijke verzekerdenaantallen en verzekerdenkenmerken; deze kunnen
namelijk afwijken van datgene waar ex ante mee rekening was gehouden).
Hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering (Bzv) bevat de belangrijkste nadere regels
over de vereveningsbijdragen: er wordt bepaald welke vereveningscriteria bij de berekening
van die bijdragen worden gebruikt, en hoe de bijdragen op hoofdlijnen ex ante en ex
post worden berekend. De gedetailleerde uitwerking van deze regels is voor het vereveningsjaar
2020 vervolgens te vinden in voorliggende ’Regeling risicoverevening 2020’ (hierna:
Rrv 2020). De hoofdstukken 1 tot en met 5 van de Rrv 2020 bevatten de regels die gelden
voor de toekenning (ex ante) en vaststelling (ex post) van de vereveningsbijdrage
over 2020. Zo wordt bepaald welke middelen beschikbaar zijn voor het jaar 2020 en
hoe deze middelen over zorgverzekeraars worden verdeeld. De vaststelling van de beschikbare
middelen is gebaseerd op artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de Zvw.
De omvang van de beschikbare middelen is afgeleid uit het macro-prestatiebedrag. In
de Rrv 2020 worden zowel het bedrag van de beschikbare middelen 2020, als het macro-prestatiebedrag
2020 vastgesteld. Het macro-prestatiebedrag wordt voor het vereveningsjaar 2020 ingevolge
artikel 3.1, eerste lid, van het Bzv, verdeeld in drie macro-deelbedragen:
-
• het macro-deelbedrag variabele zorgkosten;
-
• het macro-deelbedrag vaste zorgkosten;
-
• het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (hierna:
geneeskundige GGZ).
De verdeling van de macro-deelbedragen vindt plaats op basis van de criteria, genoemd
in het Bzv. In voorliggende regeling wordt nader ingegaan op de invulling van deze
criteria in klassen en de bijbehorende gewichten. De bijdrage aan zorgverzekeraars
wordt aangevuld met de bedragen berekend op grond van paragraaf 1.5 van hoofdstuk
3 van het Bzv. Dit betreft een bedrag in verband met de uitvoeringskosten voor verzekerden
jonger dan 18 jaar. De slotbepalingen in hoofdstuk 6 bevatten regels over de inwerkingtreding
en terugwerkende kracht van de voorliggende regeling.
2. Inhoudelijke wijzigingen
2.1 Belangrijkste wijzigingen
De belangrijkste wijzigingen voor het vereveningsjaar 2020 zijn:
-
• Het vereveningscriterium AVI (aard van het inkomen) wordt uitgebreid met klassen voor
0–17 jarigen en 65–69 jarigen. Als gevolg hiervan verandert ook de klassenindeling
bij de vereveningscriteria SES (sociaaleconomische status) en PPA (personen per adres).
-
• Aan het vereveningscriterium DKG’s psychische aandoeningen (diagnosekostengroepen
psychische aandoeningen) wordt een klasse toegevoegd voor verzekerden die in het voorafgaande
jaar in de basis GGZ zaten.
-
• De risicoloze periode voor ex-sluismiddelen liep tot 31 december van het kalenderjaar
na het kalenderjaar waarin het geneesmiddel uit de sluis het pakket is ingestroomd.
Dit wordt uitgebreid. In modeljaar 2020 geldt de risicoloosheid voor de middelen die
in 2018, 2019 of 2020 in het pakket instromen.
-
• Bij het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ wordt hogekostencompensatie toegepast.
-
• Verzekerden in de DKG’s psychische aandoeningen 15 t/m 18 worden bij het vereveningscriterium
SES ingedeeld in de klasse ‘1 (zeer laag)’.
-
• Vanaf 2020 worden de zogenaamde kwaliteitsgelden ondergebracht bij ZonMw. Deze kosten
vallen daarom niet meer onder het macroprestatiebedrag en hoeven door het Zorginstituut
niet meer te worden aangemerkt als kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’.
2.2 Proces vormgeving vereveningsmodel en bepaling normatieve gewichten
Bepaling uitgangsmodel
Voor de vaststelling van het ex ante vereveningsmodel brengt de Werkgroep Ontwikkeling
Risicoverevening (hierna: WOR) een advies uit. De WOR is een technische werkgroep,
met als belangrijkste taken het adviseren over de opzet van een jaarlijks onderzoeksprogramma
naar de risicoverevening en het adviseren over de technische verbetermogelijkheden
van het (ex ante) risicovereveningsmodel, op basis van onderzoeken die zijn uitgevoerd
in het kader van het onderzoeksprogramma risicoverevening. In de WOR nemen deskundigen
van zorgverzekeraars, Zorgverzekeraars Nederland, het Zorginstituut, onderzoeksbureaus
en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport deel.
Bepaling normbedragen
Ten behoeve van de bepaling van de normatieve gewichten wordt een aantal stappen doorlopen.
Eerst wordt een onderzoeksbestand samengesteld met historische (basis)gegevens, verschillende
kenmerken van verzekerden, en hun zorgkosten onder het basispakket op individuniveau.
Het betreft (elk jaar) gegevens over het laatste jaar waarvan (vrijwel) alle declaraties
zijn afgerond. Voor het vereveningsjaar 2020 wordt daarom gebruikgemaakt van kostengegevens
over 2017 en verzekerdenkenmerken over 2012 tot en met 2017. Vervolgens worden, indien
nodig, deze zorgkosten representatief gemaakt voor de situatie van het komende vereveningsjaar.
Bij het representatief maken van de kosten worden de gevolgen van wijzigingen in bekostiging,
aanpassingen in het basispakket van de Zvw en andere beleidsmaatregelen verwerkt.
Daarna worden de achtergrondkenmerken van de verzekerdenpopulatie representatief gemaakt
en de zorgkosten opgehoogd voor de raming voor het komende vereveningsjaar. Vervolgens
worden drie econometrische modellen geschat voor de variabele zorgkosten, de kosten
van geneeskundige GGZ, en de eigen betalingen ten gevolge van het verplicht eigen
risico. Dit resulteert in de normatieve gewichten per vereveningscriterium.
2.3 Onderzoeksgegevens
Basisgegevens
De ex ante vereveningsmodellen voor somatische zorg, de geneeskundige GGZ en de kosten
onder het verplicht eigen risico zijn gebaseerd op kostengegevens over 2017 en verzekerdenkenmerken
over 2012 tot en met 2017. De kwaliteit en volledigheid van de onderzoeksbestanden
is goed te noemen. De gegevens over ziektekosten en verzekerdenkenmerken geven een
goed beeld van de Zvw-populatie in 2017, zowel qua kosten als qua demografische kenmerken.
Bewerkingen onderzoeksgegevens
De ex ante vereveningsmodellen voor 2020 zijn gebaseerd op de schadegegevens (declaraties)
over 2017 en verzekerdenkenmerken over 2012 tot en met 2017. De schadegegevens zijn
representatief gemaakt voor het te verwachten schadebeeld in 2020 door correcties
uit te voeren voor de pakket- en beleidsmaatregelen die in 2018, 2019 en 2020 zijn
of worden genomen.
Gegevensbewerking somatische zorg
De ziekenhuiskosten in het onderzoeksbestand zijn afkomstig uit het QZ-informatiesysteem
van Vektis. Er is geen conversie van dbc’s uitgevoerd, omdat de veranderingen in de
dbc-zorgproductstructuur tussen 2017 en 2020 beperkt zijn. Vanwege lumpsummen en omzetplafonds
zijn de kosten representatief gemaakt door de gedeclareerde bedragen te vervangen
door de mediaanbedragen.
Bij de verzekerdenkenmerken en kosten van overige prestaties is sprake van 100 procent
dekking. Deze gegevens zijn gebaseerd op de database BASIC 2017 van Vektis. Vergelijking
met gegevens van het Zorginstituut laat zien dat BASIC 2017 een goed beeld geeft van
de zorgkosten en demografische kenmerken van de Zvw-populatie. Ook de gegevens over
het eerstelijnsverblijf zijn in tegenstelling tot vorig jaar nu in BASIC opgenomen.
Hiervoor was dus geen aparte aanlevering meer nodig.
Gegevensbewerking geneeskundige GGZ
De kostengegevens met betrekking tot de geneeskundige GGZ zijn gebaseerd op een databestand
van het Zorginstituut met gegevens over gedeclareerde dbc’s van 2017. Er is sprake
van 100% dekking. De tarieven uit de declaraties zijn vervangen door maximumtarieven
van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), zodat kosten zijn geschoond voor (nog niet
verwerkte) contractafspraken. De kosten voor het tweede en derde jaar intramurale
GGZ zijn nu volledig in BASIC opgenomen zodat er geen rekening meer hoeft te worden
gehouden met een ingroeitraject.
2.4 Vormgeving variabele zorgkosten
Het ex ante risicovereveningsmodel voor de variabele zorgkosten kent voor het vereveningsjaar
2020 op basis van artikel 3.4, eerste lid, van het Bzv, de volgende vereveningscriteria:
‘leeftijd en geslacht’, ‘farmaciekostengroepen’ (FKG’s), ‘primaire diagnosekostengroepen’
(primaire DKG’s), ‘secundaire diagnosekostengroepen’ (secundaire DKG’s), ‘hulpmiddelenkostengroepen’
(HKG’s), ‘aard van het inkomen’ (AVI), het ‘regiocriterium somatisch’ (regio), ‘sociaal
economische status’ (SES), ‘personen per adres’ (PPA), ‘meerjarig hoge kosten’ (MHK),
‘fysiotherapiediagnosegroepen’ (FDG), en ‘meerjarig hoge kosten verpleging en verzorging’
(MVV).
Op advies van de WOR worden voor het vereveningsjaar 2020 de volgende wijzigingen
in de vormgeving van het ex ante risicovereveningsmodel voor de somatische zorg doorgevoerd:
-
• het vereveningscriterium AVI wordt uitgebreid met klassen voor 0–17 jarigen en 65–69
jarigen. Als gevolg hiervan verandert ook de klassenindeling bij SES en PPA;
-
• verzekerden ingedeeld in DKG’s psychische aandoeningen 15-18 worden bij het vereveningscriterium
SES ingedeeld in de klasse ‘1 (zeer laag)’.
Daarnaast wordt de risicoloze periode voor de sluismiddelen die het pakket zijn ingestroomd
uitgebreid.
2.5 Vormgeving geneeskundige GGZ
Het ex ante risicovereveningsmodel voor de geneeskundige GGZ kent voor het vereveningsjaar
2020 op basis van artikel 3.6, eerste lid, van het Bzv, de volgende vereveningscriteria:
‘leeftijd en geslacht’, ‘farmaciekostengroepen psychische aandoeningen’ (FKG’s psychische
aandoeningen), ‘diagnosekostengroepen psychische aandoeningen’ (DKG’s psychische aandoeningen),
AVI, het ‘regiocriterium GGZ’ (GGZ-regio), SES, PPA, en ‘meerjarige hoge kosten GGZ’
(GGZ-MHK).
Op advies van de WOR wordt het ex ante vereveningsmodel voor de geneeskundige GGZ
voor het vereveningsjaar 2020 gewijzigd door:
-
• eerdergenoemde aanpassing voor de 65–69 jarigen bij de vereveningscriteria AVI, SES
en PPA;
-
• toevoeging van een extra klasse aan het vereveningscriterium DKG’s psychische aandoeningen
voor verzekerden die in het voorafgaande jaar in de basis GGZ zaten;
-
• verzekerden in DKG’s psychische aandoeningen 15 t/m 18 in te delen in SES-klasse ‘1
(zeer laag)’.
Daarnaast wordt bij het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ hogekostencompensatie
ingevoerd.
3. Fraudetoets
Jaarlijks wordt een ministeriële regeling opgesteld, waarin de risicovereveningsmodellen
voor het komende jaar in detail worden vastgelegd. Met onderhavige regeling gebeurt
dat voor het vereveningsjaar 2020. Deze regeling en de verschillen met eerdere jaren
zijn technisch van aard en leiden daarom niet tot additionele frauderisico´s.
4. Administratieve lasten voor de burger en het bedrijfsleven
De onderhavige regeling heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van de
burger en het bedrijfsleven. Het Adviescollege toetsing regeldruk kan zich verenigen
met dit standpunt.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Zorgverzekeraars zijn risicodragend voor vrijwel alle geneesmiddelen binnen de Zvw.
Een uitzondering wordt gemaakt voor de ‘dure intramurale geneesmiddelen’, die uitgesloten
zijn geweest van het pakket vanwege het uitzonderlijk hoge kostenbeslag (ex-sluismiddelen).
In het Besluit zorgverzekering (hierna: Bzv) is opgenomen dat bij ministeriële regeling
vormen van zorg kunnen worden uitgezonderd. Per 1 juli 2018 is in artikel 2.4a van
het Bzv deze uitzondering voor dure intramurale geneesmiddelen nadrukkelijk geregeld.
Daarin is expliciet opgenomen dat een geneesmiddel binnen een maand na registratie
voor een nieuwe indicatie bij ministeriële regeling kan worden uitgezonderd van het
basispakket (artikel 2.4a, eerste lid, van het Bzv). Op het moment dat er waarborgen
zijn voor gepast gebruik en sprake is van een succesvolle prijsonderhandeling, kan
de minister besluiten het betreffende middel in het basispakket, en wel tegen aanvaardbare
kosten, op te nemen. Op dit moment vallen deze middelen vanaf het moment van instroom
in het pakket tot en met 31 december van het volgende kalenderjaar onder de vaste
zorgkosten. Hierna worden deze middelen risicodragend, maar kan er door nog ontbrekende
declaratiegegevens niet direct optimaal worden gecompenseerd. Daarom wordt de risicoloosheid
voor deze middelen uitgebreid naar de periode van het moment van instroom in het pakket
tot en met 31 december van het vierde kalenderjaar hierop volgend. Deze nieuwe termijn
geldt voor ex-sluismiddelen die in 2018 of later het pakket instromen. In modeljaar
2020 geldt de risicoloosheid dus voor de middelen die in 2018, 2019 of 2020 in het
pakket instromen. Dit is in artikel 15, derde lid, geregeld.
Artikel 2
De hoogte van het macro-prestatiebedrag volgt uit de kostenramingen voor de zorg die
valt onder het te verzekeren basispakket voor de zorgverzekering. Dit bedrag is exclusief
de voor de desbetreffende zorg te innen eigen bijdragen, maar inclusief de te innen
bedragen aan verplicht of vrijwillig eigen risico. De basis voor het macro-prestatiebedrag
wordt gevormd door de geraamde Zvw-gefinancierde uitgaven 2020. Deze ramingen zijn
opgenomen in de memorie van toelichting bij de begroting van het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport 20201. Bij de onderverdeling van het macro-prestatiebedrag in deelbedragen is in principe
aangesloten bij de sectorindeling in de begroting, zij het met enkele uitzonderingen
en bijzonderheden (zie hierna). Het verschil tussen de beschikbare middelen uit het
Zvf en het macro-prestatiebedrag hangt samen met het gegeven dat zorgverzekeraars
de kosten van prestaties niet uitsluitend uit de hen ingevolge deze regeling toe te
kennen middelen dekken, maar tevens uit de opbrengsten van de nominale premie.
Bij de bepaling van de wijze waarop de middelen behoren te worden verdeeld over zorgverzekeraars
wordt uitgegaan van het macro-prestatiebedrag. De gewichten die gekoppeld zijn aan
de vereveningscriteria, kunnen daardoor uitsluitend aan de hand van het macro-prestatiebedrag
worden vastgesteld en zijn dus volledig onafhankelijk van de nominale rekenpremie,
die voor 2020 is bepaald op (afgerond) € 1.373. Bij de vaststelling van dit bedrag
is rekening gehouden met het feit dat zorgverzekeraars naast hun nominale premie,
ook nog inkomsten krijgen via hun verzekerden als gevolg van het verplichte eigen
risico van maximaal € 385 per verzekerde.
In het eerste lid van dit artikel wordt de hoogte van het macro-prestatiebedrag vastgesteld.
De beschikbare middelen, bedoeld in artikel 4, kunnen uit het macro-prestatiebedrag
worden afgeleid door daarop de geraamde opbrengsten van de nominale rekenpremie en
de geraamde financieringsverschuiving als gevolg van het verplicht eigen risico in
mindering te brengen. Het macro-prestatiebedrag wordt voor het vereveningsjaar 2020
ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van het Bzv, onderverdeeld in drie onderscheiden
macro-deelbedragen. De verschillende nominale bijstellingen en groeiruimten uit de
begroting zijn toegedeeld aan de verschillende (deel)prestaties, en er hebben op enkele
specifieke punten overhevelingen tussen (deel)prestaties plaatsgevonden. Zo telt bijvoorbeeld
ziekenvervoer tussen ziekenhuizen als ambulancevervoer mee. Aan de onderscheiden macro-deelbedragen
zijn componenten toegevoegd voor kosten in verband met de financiering van grensoverschrijdende
zorg. Deze kosten hangen zowel samen met Nederlandse ingezetenen die in het buitenland
zorg afnemen (bijvoorbeeld bij ziekte tijdens tijdelijk verblijf, of zorg in het buitenland
met toestemming van de zorgverzekeraar) als met ingezetenen van andere landen die
onder de Zvw vallen, omdat zij bijvoorbeeld in Nederlandse loondienst zijn.
De kosten voor de beschikbaarheidbijdragen vallen buiten het MPB. De geraamde kosten
hiervoor tellen daarom niet mee in de deelbedragen.
Artikel 3
De bedragen die geraamd worden als opbrengst van de nominale rekenpremie en van het
verplicht eigen risico worden in dit artikel genoemd. De opbrengst per zorgverzekeraar
wordt in mindering gebracht op het normatieve bedrag, bedoeld in artikel 3.9 en –
in de vaststellingsfase – artikel 3.18 van het Bzv. De berekening van deze opbrengsten
per zorgverzekeraar ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage is opgenomen
in de artikelen 7 en 8 (artikel 3.10 van het Bzv). Voor de vaststelling van de vereveningsbijdrage
gebeurt dit in artikel 17 (artikel 3.19 van het Bzv).
Artikel 4
In dit artikel wordt geregeld welke middelen voor bijdragen aan zorgverzekeraars ter
dekking van de kosten van prestaties in het kader van de Zvw in het jaar 2020 ten
laste van het Zvf beschikbaar zijn. Het Zorginstituut verdeelt deze middelen over
zorgverzekeraars op basis van de in het Bzv uiteengezette systematiek, met inachtneming
van voorliggende regeling. De grondslag hiervoor is opgenomen in artikel 32, vierde
lid, onderdeel a, van de Zvw. Het genoemde bedrag van € 26.092,0 miljoen is gebaseerd
op de in de memorie van toelichting bij de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport 2020 opgenomen gegevens. Het macro-prestatiebedrag (€ 48.546,3 miljoen)
verminderd met de opbrengst van de nominale rekenpremie (€ 19.264,6 miljoen) en de
opbrengst van het verplicht eigen risico (€ 3.189,7 miljoen) levert een bedrag op
van € 26.092,0 miljoen.
Artikel 5
In het eerste lid wordt geregeld dat de gewichten van de klassen van vereveningscriteria
die het Zorginstituut bij de toekenning van de ex ante vereveningsbijdrage hanteert
bij de berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar als
bijlagen 1 en 2 bij deze regeling zijn opgenomen. Deze gewichten zijn gebaseerd op
statistische analyse van het verband tussen de kosten per verzekerde en relevante
verzekerdenkenmerken. Uit de bijlagen 1 en 2 blijkt voorts welke klassen van verzekerden
worden gehanteerd bij de toepassing van de onderscheiden vereveningscriteria. Ook
blijkt uit deze bijlagen welke vereveningscriteria gelden voor de onderscheiden deelbedragen.
Het Zorginstituut bepaalt het normatieve bedrag per zorgverzekeraar voor de variabele
zorgkosten aan de hand van een raming van de verzekerdenaantallen onderverdeeld in
klassen van verzekerden en de normbedragen naar leeftijd en geslacht, en aan de hand
van de optelling van de toe- en afslagen op grond van FKG’s, primaire DKG’s, secundaire
DKG’s, HKG’s, AVI, regio, SES, PPA, MHK, FDG en MVV. Het Zorginstituut bepaalt het
normatieve bedrag per zorgverzekeraar voor de kosten van geneeskundige GGZ aan de
hand van een raming van de verzekerdenaantallen onderverdeeld in klassen van verzekerden
en de normbedragen naar leeftijd en geslacht, en aan de hand van de optelling van
de toe- en afslagen op grond van de FKG’s psychische aandoeningen, DKG’s psychische
aandoeningen, AVI, GGZ-regio, SES, PPA en GGZ-MHK. Er is gekozen voor een specifiek
regio-criterium voor de geneeskundige GGZ, genoemd GGZ-regio. In dit criterium wordt
rekening gehouden met verschillen in aanbod in de geneeskundige GGZ en met sociaaleconomische
omstandigheden.
De ex ante normgewichten worden voor alle deelbedragen dusdanig vastgesteld dat alle
beschikbare middelen per macro-deelbedrag via de kenmerken leeftijd en geslacht worden
verdeeld. Vervolgens vindt er verevening plaats tussen de verzekerden uit de verschillende
risicoklassen van de overige in het vereveningsmodel opgenomen vereveningscriteria.
De verdeling van vaste zorgkosten wordt ingevolge artikel 3.5, van het Bzv, gebaseerd
op de geraamde aantallen verzekerden per zorgverzekeraar in het jaar 2020. Hier is
derhalve, anders dan bij de verdeling van de kosten uit de overige clusters, geen
sprake van verevening op basis van verzekerdenkenmerken.
In de toelichting bij het Bzv respectievelijk, voor sinds 2006 toegevoegde vereveningscriteria,
in de toelichtingen bij de wijzigingen van dat besluit is al in algemene zin ingegaan
op de gehanteerde vereveningscriteria. In aanvulling daarop kan over de vereveningscriteria
nog het volgende worden opgemerkt:
-
• Leeftijd en geslacht worden in samenhang bezien, omdat het kostenpatroon naar leeftijd
tussen mannen en vrouwen verschilt. Dit verschil hangt onder meer samen met de kosten
van zwangerschap en geboorten bij vrouwen tussen (vooral) 20 en 40 jaar. Bij dit criterium
wordt gewerkt met vijfjaarsklassen. Om beter aan te sluiten bij de leeftijdsgrens
van premiebetaling (18 jaar) zijn de leeftijdsgrenzen in het interval 15-24 jaar onderverdeeld
in 15-17 en 18-24 jaar in plaats van 15-19 en 20-24 jaar. Om beter aan te kunnen sluiten
bij de werkelijke kosten werd het leeftijdsinterval 0-4 jaar gesplitst in een klasse
0 jarigen en een klasse 1-4 jaar. Vanaf het vereveningsjaar 2018 is eerstgenoemde
klasse gesplitst in een klasse 0 jarigen geboren in het vereveningsjaar en een klasse
nuljarigen geboren in het voorafgaande jaar. Voor verzekerden met onbepaald geslacht
gelden dezelfde gewichten als voor vrouwen.
-
• In het onderzoeksjaar 2017-2018 heeft groot onderhoud plaatsgevonden aan het vereveningscriterium
FKG’s. Dit groot onderhoud heeft onder meer geleid tot de introductie van vier nieuwe
FKG’s, de opsplitsing van een FKG en het vervallen van een FKG. Daarmee wordt met
ingang van het vereveningsjaar 2019 voor in Nederland wonende verzekerden gewerkt
met 37 FKG’s (zie bijlage 1, tabel 1.2). Verzekerden kunnen in principe in meerdere
FKG’s worden ingedeeld, waarbij bepaalde combinaties wel zijn uitgesloten. Daarnaast
wordt een klasse onderscheiden van verzekerden die in geen enkele FKG zijn ingedeeld.
Dit is de FKG-klasse ’Geen FKG’.
-
• Het genoemde groot onderhoud FKG’s heeft ook geleid tot aanpassing van de FKG’s psychische
aandoeningen. Zo is een FKG gesplitst en is een FKG toegevoegd. Voor het vereveningsmodel
voor de geneeskundige GGZ wordt daarmee met ingang van het vereveningsjaar 2019 gebruikgemaakt
van negen FKG’s psychische aandoeningen. Daarnaast is er een klasse (genaamd ‘Geen
FKG psychische aandoeningen’) van verzekerden die in geen enkele FKG psychische aandoeningen
zijn ingedeeld. In principe kan een verzekerde in meerdere FKG’s psychische aandoeningen
worden ingedeeld. Ook hier zijn bepaalde combinaties uitgesloten.
-
• Om de compensatie voor verzekerden met meerdere chronische aandoeningen te verbeteren,
zijn de DKG’s met ingang van het vereveningsjaar 2018 aangepast. Tot en met het vereveningsjaar
2017 werd bij de indeling in DKG’s alleen de dbc gebruikt met de hoogste vervolgkosten.
Vanaf het vereveningsjaar 2018 wordt, indien sprake is van een declaratie voor een
andere diagnose, ook een tweede dbc meegenomen. Het model voor de variabele zorgkosten
bevat daarom sinds het vereveningsjaar 2018 de vereveningscriteria primaire DKG’s
en secundaire DKG’s. Voor in Nederland wonende verzekerden is er binnen het criterium
primaire DKG’s sprake van 15 klassen bestaande uit clusters van aandoeningengroepen,
en van een klasse ‘Geen primaire DKG’ voor degenen die geen van de aandoeningen hebben.
Het criterium secundaire DKG’s kent 7 klassen bestaande uit clusters van aandoeningengroepen
en een klasse ‘Geen secundaire DKG’. De primaire en secundaire DKG’s worden gebaseerd
op diagnose-informatie van klinische en niet-klinische behandelingen. In de vormgeving
van de DKG’s worden de verschillende klinische en niet-klinische behandelingen samengenomen
zodat het risicovereveningsmodel een prikkel geeft om verzekerden – waar mogelijk
– goedkoper poliklinisch te behandelen in plaats van via duurdere klinische opnames.
Vanwege prikkelwerking worden zorgproducten van de typering ‘Lichte behandeling op
de polikliniek’ uitgezonderd. De aantallen verzekerden in de DKG’s worden vastgesteld
op basis van diagnose- en specialisme-informatie uit de dbc-zorgproducten. Er wordt
ingevolge artikel 9, eerste lid, uitgegaan van enkelvoudige primaire en secundaire
DKG’s. Dat betekent dat een verzekerde die meerdere relevante dbc’s heeft, uiteindelijk
in één primaire en in één secundaire DKG (de zwaarste) wordt ingedeeld.
-
• Bij het vereveningscriterium AVI worden op dit moment bij de verzekerden van 18 tot
en met 64 jaar zeven klassen onderscheiden, waarvoor uit statistisch onderzoek is
gebleken dat er sprake is van een verschillend kostenniveau. Het gaat om: ‘Duurzaam
en volledig arbeidsongeschikten (IVA)’, ‘Arbeidsongeschikten excl. IVA’, ‘Bijstandsgerechtigden’,
‘Studenten’, ‘Zelfstandigen’, ‘Hoogopgeleiden’ en een referentiegroep, die alle verzekerden
omvat die niet zijn ingedeeld bij de zes hiervoor genoemde groepen. Op basis van groot
onderhoud is besloten dit onderscheid ook bij verzekerden tot en met 17 jaar en bij
verzekerden van 65–69 jaar toe te gaan passen. Bij verzekerden van 0–17 jaar gebeurt
dat op basis van de laagste AVI van de volwassenen op hetzelfde adres. Bij verzekerden
van 65–69 wordt gekeken naar hun laatst bekende AVI (doorgaans hun AVI toen zij 64
jaar waren). De verzekerden van 70 jaar en ouder zijn ondergebracht in een aparte
klasse. Binnen de klassen ‘IVA’, ‘Arbeidsongeschikten excl. IVA’, ‘Bijstandsgerechtigden’,
‘Zelfstandigen’ en ‘Referentiegroep’ voor 0-69 jarigen wordt een nader onderscheid
gemaakt op basis van leeftijd van de verzekerde. Dat gebeurt ook bij de klasse ‘Hoogopgeleiden’,
alleen worden daar drie leeftijdsgroepen onderscheiden in plaats van zes. De klasse
‘Studenten’ kent twee leeftijdsgroepen: 0–17 jaar en 18–34 jaar. In artikel 9, vierde
lid, wordt aangegeven hoe om te gaan met samenloop van verschillende klassen AVI.
-
• Door het vereveningscriterium MHK kunnen structurele (voorspelbare) hoge kosten in
het ex ante model voor de somatische zorg substantieel beter verevend worden. Een
verzekerde van wie de variabele zorgkosten de afgelopen drie jaar steeds tot de hoogste
15 procent behoren, wordt, afhankelijk van het percentiel waartoe de som van deze
kosten in de verschillende jaren behoort, ingedeeld in één van de klassen ‘3 voorafgaande
jaren variabele zorgkosten in top 0,5 procent’, ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten
in top 1,5 procent’, ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 4 procent’,
‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten in top 7 procent’, ‘3 voorafgaande jaren
variabele zorgkosten in top 10 procent’ of ‘3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten
in top 15 procent’. Hierin is de top 0,5 procent de hoogste kostenklasse met het hoogste
normatieve gewicht en de top 15 procent de laagste kostenklasse met het laagste normatieve
gewicht. Een verzekerde wordt met inachtneming van het bovenstaande ingedeeld in de
hoogste klasse. Een verzekerde van wie de variabele zorgkosten de afgelopen twee jaar
tot de hoogste 10 procent hebben behoord, en die niet is ingedeeld in een van de eerdergenoemde
klassen, wordt ingedeeld in de klasse, ‘2 voorafgaande jaren variabel zorgkosten in
top 10 procent’. Een verzekerde die in geen van de drie voorafgaande jaren kosten
in de top 30 procent heeft, wordt ingedeeld in de klasse ‘Geen MHK’. De overige verzekerden
worden ingedeeld in de klasse ‘Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren variabele
zorgkosten in top 30 procent’. Het vereveningscriterium MHK is vanaf 2018 aan het
model voor het verplicht eigen risico toegevoegd. Dit criterium onderscheidt (analoog
aan de overeenkomstige klasse binnen het vereveningscriterium MHK in het model voor
de variabele zorgkosten) verzekerden die in geen van de drie voorafgaande jaren variabele
zorgkosten in de top 30 procent hebben van de overige verzekerden.
-
• Het vereveningscriterium PPA wordt gebruikt in de modellen voor de variabele zorgkosten
en voor de kosten van geneeskundige GGZ. Dit criterium komt tegemoet aan de constatering
dat alleenstaanden relatief meer gebruik maken van de zorg dan personen die deel uit
maken van een huishouden bestaande uit twee of meer personen. Daarnaast worden verzekerden
woonachtig in een Wlz-instelling onderscheiden. Binnen deze klasse wordt onderscheid
gemaakt naar verzekerden die in het vorig jaar ook al in een Wlz-instelling woonden
(‘blijvend’) en verzekerden waar dat niet het geval is (‘instromend’). Bij PPA wordt
onderscheid gemaakt naar leeftijd. De geldende leeftijdsgrens van 64 jaar schuift
in 2020 mee met de uitbreiding van het vereveningscriterium AVI naar 69 jaar.
-
• Het vereveningscriterium SES deelt verzekerden in klassen in op basis van inkomen
en leeftijd. Het criterium gaat uit van het totaal huishoudinkomen. Verzekerden die
in een Wlz-instelling wonen, worden op basis van artikel 9, zesde lid, binnen SES
ingedeeld in de klasse ‘1 (zeer laag)’. Datzelfde geldt op basis van artikel 9, zevende
lid, voor verzekerden die zijn ingedeeld in de DKG’s psychische aandoeningen 15-18.
Ook bij het vereveningscriterium SES schuift de leeftijdsgrens van 64 jaar in 2020
mee met de uitbreiding bij het vereveningscriterium AVI naar 69 jaar.
-
• Het vereveningscriterium regio, dat wordt gebruikt in het vereveningsmodel voor de
variabele zorgkosten, beoogt verschillen met betrekking tot sociaaleconomische omstandigheden
en resterende gezondheidsverschillen te meten. De berekeningswijze is met ingang van
het vereveningsjaar 2019 vereenvoudigd, waarbij minder kenmerken worden gebruikt (percentage
niet-westerse immigranten, percentage westers immigranten en percentage met een laag
inkomen) en waarbij het afzonderlijke verklaringsmodel voor de residuele kosten op
postcodeniveau is komen te vervallen. De postcodes worden nog steeds wel in tien gelijke
regioclusters ingedeeld. In het vereveningsmodel voor de geneeskundige GGZ voor verzekerden
van achttien jaar en ouder wordt de regioclustering specifiek voor dit deelbedrag
bepaald: GGZ-regio. Hierbij wordt nog wel een afzonderlijk verklaringsmodel voor de
residuele kosten toegepast. In dit model zijn als verklarende variabelen meegenomen:
percentage niet-westerse immigranten, regionaal klantenpotentieel, percentage verzekerden
jonger dan 18 jaar, stedelijkheid, locaties van intramurale GGZ-instelling, aantal
GGZ-bedden en het percentage huurwoningen.
-
• Het vereveningscriterium HKG’s onderscheidt (naast de klasse ‘Geen HKG’ van verzekerden
die in geen enkele HKG zijn ingedeeld) tien klassen. Een verzekerde kan op basis van
artikel 9, eerste lid, maar in één HKG-klasse (de zwaarste) worden ingedeeld.
-
• Door het vereveningscriterium DKG’s psychische aandoeningen worden zorgverzekeraars
gecompenseerd voor verzekerden die vanwege hun chronische psychiatrische problematiek
hoge voorspelbare kosten hebben in de geneeskundige GGZ. GGZ-gebruikers worden hierbij
geïdentificeerd op basis van diagnose en historisch zorggebruik, waaronder gebruik
van intramurale GGZ, ambulant gebruik, crisiszorg en onvrijwillige zorg. Er worden
bovendien gegevens tot en met drie jaar terug gebruikt. Met ingang van 2020 wordt
een klasse toegevoegd voor verzekerden die in het voorafgaande jaar in de basis GGZ
zaten. Dit wordt klasse 1, de overige klassen schuiven door. Het criterium bevat daarmee,
naast de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ 18 klassen. Er wordt op basis van
artikel 9, eerste lid, uitgegaan van enkelvoudige DKG’s. Dat betekent dat een verzekerde
die meer dan één relevante dbc heeft, uiteindelijk in één DKG (de zwaarste) wordt
ingedeeld.
-
• Het vereveningscriterium GGZ-MHK is met ingang van het vereveningsjaar 2015 toegevoegd
aan het vereveningsmodel voor de geneeskundige GGZ. Door het vereveningscriterium
‘GGZ-MHK’ kunnen structurele (voorspelbare) hoge kosten in het ex ante model voor
de geneeskundige GGZ substantieel beter verevend worden. Een verzekerde die in de
laatste vijf jaren elk jaar (zeer) hoge GGZ-kosten heeft, wordt ingedeeld in één van
de klassen, ‘5 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 2,5 promille’ of ‘5 voorafgaande
jaren kosten GGZ in top 5 promille’. Een verzekerde die niet in elk van de afgelopen
vijf jaren kosten in de top 5 promille heeft, maar die wel ten minste twee keer (zeer)
hoge GGZ-kosten heeft, wordt ingedeeld in één van de vier klassen waarbij ten minste
in twee jaar sprake van (zeer) hoge GGZ-kosten moet zijn geweest. Voor verzekerden
jonger dan 24 jaar geldt, gezien hun korte geschiedenis, dat slechts ten minste één
keer sprake moet zijn van (zeer) hoge GGZ-kosten om in een van deze klassen te worden
ingedeeld. Voldoet een verzekerde ook hier niet aan, dan kan die verzekerde nog ingedeeld
worden in de klasse ‘Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren kosten GGZ in top 98,5
procent met kosten > 10 euro’ indien hij/zij in de drie voorgaande jaren ten minste
één keer GGZ-kosten boven de genoemde drempel heeft. Een verzekerde die in de drie
voorafgaande jaren geen GGZ-kosten heeft of niet boven de genoemde drempel uitkomt,
komt in de klasse ‘Geen GGZ-MHK’ terecht.
-
• Het vereveningscriterium ‘fysiotherapiegebruikersgroepen’ (FGG) is met ingang van
het vereveningsjaar 2016 toegevoegd aan het model voor de variabele zorgkosten, en
met ingang van het vereveningsjaar 2017 vervangen door een verbeterd criterium ‘fysiotherapiediagnosegroepen’
(FDG) waarbij een verzekerde op basis van diagnose-informatie in vier klassen kan
worden ingedeeld. De vier groepen vormen een clustering van diagnoses die duiden op
een chronische aandoening. De clustering is gebaseerd op meerkosten. Een verzekerde
die niet in een van deze vier klassen wordt ingedeeld, komt in de klasse ‘Geen FDG’.
-
• Met ingang van het vereveningsjaar 2019 is op basis van het gewijzigde artikel 3.4,
eerste lid, van het Bzv, het vereveningscriterium ‘verpleging en verzorging gebruikersgroepen’
(VGG), gebaseerd op de kosten van verpleging en verzorging in het voorgaande jaar,
vervangen door het criterium ‘meerjarig hoge kosten verpleging en verzorging’ (MVV).
Het vereveningscriterium MVV onderscheidt, naast de referentiegroep ‘Geen MVV’ voor
verzekerden die niet in een van de overige klassen worden ingedeeld, negen klassen.
Acht klassen zijn gebaseerd op de som van de kosten van een verzekerde in de afgelopen
drie jaar. Door te kijken naar een langere periode is er meer onzekerheid of hoge
kosten in het verleden ook leiden tot een hogere bijdrage. De prikkel voor de verzekeraar
tot ondoelmatigheden wordt daarmee kleiner. Afhankelijk van het percentiel waartoe
de som van de kosten behoort, wordt een verzekerde in een van deze acht klassen ingedeeld.
Voor verzekerden jonger dan 18 jaar blijft een klasse bestaan voor hoge kosten van
verpleging en verzorging in het afgelopen jaar (intensieve kindzorg). Verzekerden
die in een Wlz-instelling wonen, worden ingevolge artikel 9, zesde lid, binnen MVV
ingedeeld in de klasse ‘Geen MVV’.
De gewichten die gehanteerd worden bij de berekening van het normatieve bedrag ten
behoeve van een zorgverzekeraar zijn gebaseerd op statistische analyses van het verband
tussen kosten per verzekerde en relevante verzekerdenkenmerken. Hierbij wordt de samenhang
tussen de verschillende criteria meegenomen. Bijvoorbeeld in het gewicht van leeftijdsklassen,
FKG’s en DKG’s is verdisconteerd dat chronisch zieken in het algemeen ouder zijn dan
verzekerden zonder chronische ziekte.
In het tweede en derde lid is vastgelegd dat het Zorginstituut bij de indeling van
verzekerden bij de klassen van de vereveningscriteria MHK en GGZ-MHK de kosten van
wijkverpleging respectievelijk de kosten van het tweede en derde jaar intramurale
geestelijke gezondheidszorg niet betrekt.
Artikel 6
De gewichten die gehanteerd worden bij de berekening van het normatieve bedrag ten
behoeve van een zorgverzekeraar zijn gebaseerd op statistische analyses van het verband
tussen kosten per verzekerde en relevante verzekerdenkenmerken. Voor verzekerden woonachtig
in het buitenland zijn echter minder verzekerdenkenmerken bekend dan voor verzekerden
die in Nederland wonen. Het is voor deze verzekerden niet mogelijk om uit de buitenlandse
nota’s af te leiden of er sprake is van een FKG, een primaire DKG, een secundaire
DKG, een HKG, een FDG, een FKG psychische aandoeningen of een DKG psychische aandoeningen.
Als hier niet voor wordt gecorrigeerd, komen alle verzekerden woonachtig in het buitenland
en met zorgkosten gemaakt in het buitenland in de afslagklassen van deze vereveningscriteria
(zoals ‘Geen FKG’, ‘Geen DKG’ en ‘Geen HKG’) terecht. Dit is voor de betreffende verzekerden
met een chronische aandoening onterecht in die zin, dat de bijbehorende gewichten
voor hen niet juist zijn.
In dit artikel wordt geregeld dat voor alle in het buitenland wonende verzekeren andere
gewichten gelden dan voor in Nederland wonende verzekerden die in deze afslagklassen
zijn ingedeeld. Het gewicht dat voor de buitenlandse verzekerden geldt, wordt door
het Zorginstituut vastgesteld op een percentage van laatstbedoelde gewichten en vastgelegd
in de beleidsregels. Het Zorginstituut bepaalt de toe te passen percentages door voor
de totale groep verzekerden woonachtig in het buitenland een inschatting te maken
op basis van de overige, wel bekende vereveningscriteria. Het resulterende gewicht
houdt zo als het ware rekening met de gemiddelde gezondheid van de totale groep verzekerden
woonachtig in het buitenland.
Artikel 7
In dit artikel wordt aangegeven hoe het Zorginstituut de opbrengst raamt van de nominale
rekenpremie ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage. Het bedrag wordt
in mindering gebracht op het normatieve bedrag per zorgverzekeraar. De nominale rekenpremie
per zorgverzekering waarvoor premie moet worden betaald, wordt jaarlijks bepaald en
in het eerste lid genoemd. Zorgverzekeringen van verzekerden jonger dan achttien jaar,
die niet premieplichtig zijn, worden om die reden in de berekening buiten beschouwing
gelaten. Dit geldt ook voor de zorgverzekeringen van verzekerden waarvoor de Minister
voor Rechtsbescherming in het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak
verantwoordelijk is voor de verstrekking van geneeskundige zorg (artikel 24 Zvw).
Daarbij valt te denken aan gedetineerden en ter beschikking gestelden. Het Zorginstituut
houdt bij de raming rekening met het feit dat gedetineerden vaak maar een gedeelte
van het jaar en dus niet het hele jaar gedetineerd zijn.
Artikel 8
In dit artikel wordt aangegeven hoe het Zorginstituut de opbrengst van het verplicht
eigen risico ten behoeve van de toekenning van de ex ante vereveningsbijdrage berekent.
Het bedrag van de opbrengst uit het verplicht eigen risico wordt in mindering gebracht
op het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar. Bij de bepaling van
de opbrengst van het verplicht eigen risico wordt alleen rekening gehouden met de
zorgverzekeringen van verzekerden voor wie dit risico geldt. Dit zijn alleen de verzekerden
van achttien jaar en ouder. Evenals in artikel 7 worden de zorgverzekeringen van de
verzekerden waarop artikel 24 Zvw van toepassing is (gedetineerden en ter beschikking
gestelden) buiten beschouwing gelaten. De te verwachten opbrengst van het verplicht
eigen risico voor een zorgverzekeraar is afhankelijk van de samenstelling van zijn
verzekerdenportefeuille. Zo zullen naar verwachting zorgverzekeraars met een jonge,
gezonde populatie een relatief lagere opbrengst aan eigen betalingen onder het verplicht
eigen risico innen, dan zorgverzekeraars met een oude, ongezondere populatie. Op het
moment dat hiermee in de risicoverevening geen rekening zou worden gehouden, treedt
verstoring van het gelijke speelveld op. Bij zorgverzekeraars met een jonge, gezonde
populatie wordt in dat geval een gemiddeld te hoge opbrengst aan verplicht eigen risico
in mindering gebracht op het normatieve bedrag ten behoeve van de zorgverzekeraar.
Bij zorgverzekeraars met een oude, ongezondere populatie geldt het omgekeerde; er
wordt een te lage opbrengst in mindering gebracht op het normatieve bedrag ten behoeve
van de zorgverzekeraar. Deze overweging heeft geleid tot differentiatie in de normering
van de bedragen die zorgverzekeraars van hun verzekerden naar verwachting ontvangen
in het kader van het verplicht eigen risico. De normering is samengesteld uit een
tweetal bedragen: opbrengsten verplicht eigen risico voor verzekerden van achttien
jaar of ouder met en zonder chronische aandoeningen.
Voor de verzekerden zonder een chronische aandoening is een normatief model van toepassing.
Voor de bepaling van de omvang van deze opbrengst verplicht eigen risico gaat het
Zorginstituut voor verzekerden die vallen in de klasse ‘Geen FKG’ èn vallen in de
klasse ‘Geen primaire DKG’ èn vallen in de klasse ‘Geen secundaire DKG’ èn vallen
in de klasse ‘Geen HKG’ èn vallen in de klasse ‘Geen MVV’ èn vallen in de klasse ‘Geen
FDG’ èn vallen in de klasse ‘Geen MHK’ of de klasse ‘Ten minste 1 van de 3 voorafgaande
jaren variabele zorgkosten in top 30 procent’ uit van verzekerdenaantallen onderverdeeld
in klassen naar leeftijd en geslacht, AVI, regio en MHK en de in bijlage 4 genoemde
gewichten. Hierbij wordt de in bijlage 4 aangegeven klasse-indeling van de criteria
aangehouden.
Voor de verzekerden met een chronische aandoening, ingedeeld in een van de 37 FKG’s
(niet ingedeeld in de FKG-klasse ‘Geen FKG’), 15 primaire DKG’s (niet ingedeeld in
de primaire DKG-klasse ‘Geen primaire DKG’), 7 secundaire DKG’s (niet ingedeeld in
de secundaire DKG-klasse ‘Geen secundaire DKG’), 7 MHK-klassen (niet ingedeeld in
MHK-klassen ‘Geen MHK’ of ‘Ten minste 1 van de 3 voorafgaande jaren variabele zorgkosten
in top 30 procent’), 10 HKG’s (niet ingedeeld in de HKG-klasse ‘Geen HKG’), 9 MVV-klassen
(niet ingedeeld in MVV-klasse ‘Geen MVV’) of 4 FDG’s (niet ingedeeld in de FDG-klasse
‘Geen FDG’), wordt uitgegaan van een forfaitaire eigen betaling van € 359,53. Dit
is het gemiddelde verwachte bedrag aan eigen betalingen voor deze totale groep verzekerden.
Dit is vastgelegd in het derde lid.
Artikel 9
Indien een verzekerde in meerdere klassen van een vereveningscriterium ingedeeld kan
worden (bijvoorbeeld als deze verzekerde in het voorgaande jaar meerdere operaties
heeft ondergaan of meerdere hulpmiddelen heeft gebruikt), dan is het uitgangspunt
dat het Zorginstituut deze verzekerde in slechts één klasse van dat criterium indeelt,
en wel de hoogste. Hiermee wordt de hoogste klasse bedoeld in de rangordening van
de klassen van het betreffende criterium. Dit is geregeld in het eerste lid.
In het tweede lid is geregeld dat het Zorginstituut een verzekerde, in afwijking van
het eerste lid, bij het vereveningscriterium FKG’s wel in alle van toepassing zijnde
klassen indeelt. Hierbij gelden wel uitzonderingen. Ditzelfde geldt voor de FKG’s
psychische aandoeningen (vijfde lid). Bij het vereveningscriterium AVI wordt een verzekerde,
conform het algemene principe, slechts in één klasse ingedeeld, maar hierbij geldt
wel een afwijkende volgorde. Deze is opgenomen in het vierde lid. In dit lid is daarnaast
geregeld dat het Zorginstituut een verzekerde van 0–17 jaar indeelt op basis van de
AVI-indeling van de volwassenen op hetzelfde adres en een verzekerde van 65–69 jaar
op de laatst bekende AVI-indeling.
Zoals geregeld in artikel 15, derde lid, worden dure intramurale geneesmiddelen die
in 2018, 2019 of 2020 het pakket instromen door het Zorginstituut in 2020 aangemerkt
als kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’. Een zorgverzekeraar krijgt de kosten
van het gebruik van deze geneesmiddelen in 2020 dus (exact) vergoed via de vaste kosten.
Om te voorkomen dat deze kosten nogmaals (deels) worden vergoed, wordt in het derde
lid geregeld dat het gebruik van deze middelen in 2019 (van dure intramurale geneesmiddelen
die in 2018 of 2019 het pakket zijn ingestroomd) niet betrokken wordt bij het bepalen
of een verzekerde ingedeeld moet worden in een FKG (in 2020).
Op grond van het zesde lid worden verzekerden in een Wlz-instelling (ongeacht hun
inkomen) ingedeeld in de SES-klasse ‘1 (zeer laag)’ en bij het vereveningscriterium
MVV in de klasse ‘Geen MVV’. Ook verzekerden in de DKG’s psychische aandoeningen 15-18
worden, op grond van het zevende lid, bij het vereveningscriterium SES ingedeeld in
de klasse ‘1 (zeer laag)’.
Op basis van het achtste en negende lid deelt het Zorginstituut bij de vereveningscriteria
GGZ-MHK en MVV verzekerden met kosten gelijk aan de percentielgrens naar rato in bij
de klassen waar deze percentielgrens relevant is. Bij het criterium GGZ-MHK gebeurt
dit alleen bij de percentielgrens ’98,5 procent met kosten > 10 euro’. Op die manier
wordt, ook als veel verzekerden kosten gelijk aan de percentielgrens hebben, een aantal
verzekerden in elk van de klassen ingedeeld dat aansluit bij de vastgestelde percentielen.
Mocht een percentielgrens gelijk zijn aan nul euro, dan zorgt het tiende lid ervoor
dat verzekerden met kosten op de percentielgrens (in dit geval dus verzekerden zonder
kosten) bij het criterium MVV altijd in de afslagklasse worden ingedeeld.
In het elfde lid is een juridische grondslag gecreëerd op basis waarvan het Zorginstituut
de benodigde referentiebestanden kan opstellen. In deze referentiebestanden is op
detailniveau vastgelegd wanneer een verzekerde in een klasse van een vereveningscriterium
wordt ingedeeld. Voor de FKG’s is bijvoorbeeld vastgelegd welke middelen, en in welke
mate, moeten zijn gebruikt om tot indeling in een FKG over te gaan.
Artikel 10
Door bijvoorbeeld geboorte, overlijden, emigratie of immigratie kan het voorkomen
dat een verzekerde slechts een gedeelte van het jaar een zorgverzekering had. Om te
voorkomen dat de zorgverzekeraar ook een vereveningsbijdrage ontvangt over het gedeelte
van het jaar dat de betreffende persoon geen verzekerde was, wordt deze bijdrage gerelateerd
aan de verzekerde periode (eerste lid).
Hoewel het aantal dubbel verzekerden sinds de inwerkingtreding van de wet van 26 februari
2011 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Zorgverzekeringswet,
houdende maatregelen tot opsporing en verzekering van personen die ondanks hun verzekeringsplicht
geen zorgverzekering hebben en beperking van het aantal zorgverzekeringen tot één
per verzekeringsplichtige (opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering)
(Stb. 2011, 111) gering is2, wordt in het tweede lid de regel gehandhaafd dat een zorgverzekeraar voor een verzekerde
die in een periode bij meerdere zorgverzekeraars was ingeschreven, over die periode
een vereveningsbijdrage krijgt die gedeeld wordt door het aantal zorgverzekeraars
waarbij de verzekerde in die periode was ingeschreven. Dit geschiedt om te voorkomen
dat zorgverzekeraars onbedoeld voordeel ontlenen aan dubbele inschrijvingen. Deze
regel sluit aan bij de in artikel 961 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen
regel, dat ingeval een verzekerde voor eenzelfde schade bij meerdere zorgverzekeraars
is ingeschreven, de door de verzekerde aangesproken zorgverzekeraar de andere zorgverzekeraars
kan aanspreken om de schade naar evenredigheid te dragen. Ten slotte wordt opgemerkt
dat het eerste en tweede lid ook tegelijkertijd van toepassing kunnen zijn (één van
de zorgverzekeringen van een dubbel verzekerde eindigt gedurende een vereveningsjaar).
Artikel 11
In de artikelen 12 tot en met 15 van deze regeling wordt bepaald aan welke clusters
van prestaties bepaalde kostensoorten dienen te worden toegerekend. Pas nadat dat
gebeurd is, kan het Zorginstituut de gerealiseerde kosten per cluster van prestaties
bepalen. Het eerste lid van artikel 11 expliciteert dit nog eens voor die clusters
van prestaties, waarvoor vereveningscriteria gelden en derhalve de bijdragen dienen
te worden herberekend. Dat wil zeggen voor alle clusters met uitzondering van het
cluster ’vaste zorgkosten’. In artikel 3.11, tweede lid, van het Bzv is geregeld dat
het Zorginstituut na het vereveningsjaar de gerealiseerde kosten per cluster van prestaties
herberekent3 en in het vierde lid van dit artikel staat dat het Zorginstituut de ex ante geraamde
kosten per cluster van prestaties corrigeert voor het werkelijke aantal verzekerden
en hun werkelijke verzekerdenkenmerken in het vereveningsjaar. Vervolgens berekent
het Zorginstituut, uitgaande van deze kosten en het gerealiseerde aantal verzekerden
per klasse van ieder vereveningscriterium, voor iedere zorgverzekeraar en voor ieder
cluster van prestaties een ‘tussendeelbedrag’ (art. 3.12, eerste lid, Bzv). Dit ‘tussendeelbedrag’
wordt in het kader van het flankerend beleid eerst nog omgerekend naar een ’herberekend
deelbedrag’ (art. 3.12, tweede en derde lid, Bzv), zodanig dat kostenoverschrijdingen
die niet het gevolg zijn van verschillen tussen geraamde en werkelijk gerealiseerde
aantallen verzekerden of verzekerdenkenmerken, voor rekening van de zorgverzekeraars
blijven.
Het tweede en derde lid bepalen aan de hand van welke gegevens het Zorginstituut de
bijdragen herberekent. Ten eerste zijn dit de over het vereveningsjaar gerealiseerde
kosten per cluster van prestaties. Daarnaast zijn dit de gerealiseerde aantallen verzekerden
per klasse van ieder relevant vereveningscriterium. In het derde lid is wat dit betreft
per criterium aangegeven uit welk jaar de gegevens betrokken dienen te worden. In
het tweede lid is tevens geregeld welke gewichten bij de herberekening worden toegepast.
Bij het model voor de kosten van geneeskundige GGZ zijn dit de gewichten uit bijlage
3, waarbij rekening is gehouden met de toepassing van hogekostencompensatie. De toe
te passen gewichten wijken dus af van de bij de ex ante toekenning gehanteerde gewichten
(uit bijlage 2).
Het derde lid geeft aan dat bij de herberekening van de bijdragen, het Zorginstituut
voor de criteria uitgaat van realisatiecijfers uit het jaar 2020 wat betreft de vereveningscriteria
‘leeftijd en geslacht’, AVI, regio en GGZ-regio. Voor de vereveningscriteria FKG’s,
HKG’s, FKG’s psychische aandoeningen en FDG wordt gekeken naar realisatiecijfers over
2019. Voor de vereveningscriteria SES en PPA gaat het Zorginstituut uit van realisatiecijfers
over 2019 en 2020. Voor de vereveningscriteria primaire DKG’s en secundaire DKG’s
wordt gekeken naar realisatiecijfers over 2018 en 2019. Voor de vereveningscriteria
MHK, MVV en DKG’s psychische aandoeningen gaat het Zorginstituut uit van realisatiecijfers
over de jaren 2017, 2018 en 2019 en voor het vereveningscriterium GGZ-MHK van realisatiecijfers
over de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019.
Bij de (ex ante) toekenning zijn deze realisaties nog niet bekend, en gaat het Zorginstituut
uit van ramingen met betrekking tot aantallen verzekerden per zorgverzekeraar, onderverdeeld
naar de verschillende criteria. Dit sluit aan bij het concept dat voorspelbare vervolgkosten
dienen te worden gecompenseerd. Bij grote onzekerheid rondom de raming van de aantallen
verzekerden in de klassen van een vereveningscriterium kan ‘criteriumneutraliteit’
worden ingezet. Omdat bij toepassing van criteriumneutraliteit rekening wordt gehouden
met de werkelijke verzekerdenaantallen en de risicoverevening in beginsel een ex ante
systeem is, wordt dit instrument zo beperkt mogelijk en alleen in uitzonderlijke gevallen
ingezet. Dit uitgangspunt kan ook betekenen dat de ‘neutraliteit’ niet voor het volledige
criterium wordt toegepast, maar alleen voor de klassen waarvoor onzekerheid bestaat.
In 2020 wordt een vorm van ‘criteriumneutraliteit’ toegepast voor de vereveningscriteria
FKG’s, primaire DKG’s, secundaire DKG’s, MHK en DKG’s psychische aandoeningen. Dit
is vastgelegd in het vierde, vijfde, zesde en zevende lid.
Voor het vereveningscriterium DKG’s psychische aandoeningen is sprake van een klasse,
waarin verzekerden zijn ingedeeld als zij niet in aanmerking komen voor een vergoeding
op basis van het betreffende criterium. Het Zorginstituut krijgt in het zevende lid
de opdracht om in afwijking van het tweede lid het gewicht van deze klasse zodanig
vast te stellen, dat het totaal van de toe- en afslagen voor dit vereveningscriterium
– bezien over alle verzekerden en rekening houdend met de gerealiseerde verzekerdenaantallen
per klasse – op nul uitkomt.
Bij de primaire DKG’s en de secundaire DKG’s is sprake van een gedetailleerde vorm
van neutraliteit, namelijk per klasse. Dit is vastgelegd in het vijfde lid. Door aanpassing
van het gewicht van elke klasse wordt bewerkstelligd dat per klasse de vermenigvuldiging
van de werkelijke verzekerdenaantallen met het aangepaste gewicht gelijk is aan de
vermenigvuldiging van de bij de toekenning van de vereveningsbijdrage geraamde verzekerdenaantallen
met het gewicht in tabel 1.3 respectievelijk tabel 1.4.
Aan het vereveningscriterium FKG’s zijn met ingang van het vereveningsjaar 2017 drie
klassen toegevoegd met het oog op de verbetering van de compensatie voor verzekerden
met voorspelbaar extreem hoge kosten. Het gaat hier om kleine aantallen, maar om grote
bedragen. Ook voor de vijf klassen voor FKG’s o.b.v. add-ons is sprake van onzekerheid.
Voor de bovenbedoelde acht klassen geldt dat ontwikkelingen soms moeilijk te voorspellen
zijn, waardoor het aantal verzekerden moeilijk te ramen is. Voor de overige FKG’s
is de onzekerheid beperkt. Daarom wordt de ‘neutraliteit’ alleen vastgesteld voor
de acht genoemde FKG’s, en wel door aanpassing van het gewicht van de klasse ‘Geen
FKG’. Voor de acht FKG’s zullen de werkelijke verzekerdenaantallen afwijken van de
geraamde verzekerdenaantallen. De uitkomst van de vermenigvuldiging van het gewicht
behorend bij deze klassen met de bijbehorende verzekerdenaantallen verandert daardoor.
In het vierde lid is bepaald dat deze verandering wordt opgevangen door het gewicht
van de klasse ‘Geen FKG’ aan te passen. Binnen het vereveningscriterium MHK wordt
dezelfde vorm van criteriumneutraliteit toegepast voor de drie hoogste klassen. Dit
is vastgelegd in het zesde lid.
In het achtste lid is geregeld dat het Zorginstituut de referentiebestanden (artikel
9, elfde lid) ook gebruikt bij de vaststelling van de vereveningsbijdrage.
Artikel 12
In dit artikel is aangegeven hoe kosten van prestaties van grensoverschrijdende zorg
in het risicovereveningssysteem moeten worden verwerkt. Deze kosten worden of vergoed
via de zorgverzekeraars (lid 1) of via het CAK (lid 2). Declaraties die bij de zorgverzekeraars
worden ingediend zijn meestal zodanig gespecificeerd dat daaruit blijkt dat het gaat
om kosten voor medisch-specialistische zorg, al dan niet inclusief verblijf (onderdeel
a) of voor geneeskundige GGZ, al dan niet inclusief verblijf (onderdeel b). Het Zorginstituut
deelt deze kosten toe aan kosten van de betreffende clusters van prestaties. Is er
wel een specificatie maar blijkt daaruit niet dat de kosten gemaakt zijn voor de eerder
genoemde medisch-specialistische zorg of psychische zorg, dan gaat het om kosten van
overige medische zorg, en die worden volledig aangemerkt als ‘variabele zorgkosten’
(onderdeel c).
De verdeelsleutel die in het tweede lid wordt gehanteerd heeft betrekking op de kosten
voor prestaties van grensoverschrijdende zorg die door verzekerden zijn gemaakt met
toepassing van internationale regelingen inzake sociale zekerheid, zoals een bepaling
van de Europese verordening voor sociale zekerheid dan wel bilaterale verdragen of
multilaterale verdragen, zoals het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden.
Hieronder vallen de kosten van zorg die slechts vergoed wordt na toestemming van de
zorgverzekeraar (de zogenaamde toestemmingsgevallen), kosten van verzekerden die tijdelijk
in het buitenland verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie) en kosten van verzekerden
die in het buitenland wonen. De kosten buitenland die via het CAK worden afgehandeld
worden op kasbasis door het Zorginstituut in de risicoverevening verwerkt. Op basis
van eerdere schadecijfers blijkt dat de zogenaamde kosten buitenland als bedoeld in
het tweede lid, voor het overgrote deel onder de kosten van ziekenhuisverpleging en
specialistische hulp vallen en slechts zeer beperkt onder de kosten van geneeskundige
GGZ. De kosten worden daarom volledig toegewezen aan het cluster variabele zorgkosten.
Artikel 13
Binnen het Zvw-stelsel nemen verzekerden in een aantal situaties een deel van de zorgkosten
voor eigen rekening. Deze eigen betalingen worden niet betrokken bij de risicoverevening.
Een uitzondering wordt in het eerste lid echter gemaakt voor de eigen betalingen van
verzekerden in geval van een verplicht of vrijwillig eigen risico. In de risicoverevening
moeten deze kosten wel betrokken worden in de vaststelling van de gewichten voor de
clusters ‘variabele zorgkosten’ en ‘kosten van geneeskundige GGZ’. Op deze wijze wordt
initieel bij de herberekening van de normatieve bedragen ten behoeve van de zorgverzekeraar
rekening gehouden met de zorgkosten, exclusief de eigen betalingen die niet het gevolg
zijn van het verplicht of vrijwillig eigen risico. Omdat niet exact te bepalen is
voor welke kostensoorten een verzekerde nu daadwerkelijk eigen betalingen heeft gedaan
onder het eigen risico wordt het normatief bedrag voor eigen betalingen in verband
met het verplicht eigen risico ingevolge artikel 3.19, eerste lid, van het Bzv, in
mindering gebracht op het totaal van de normatieve bedragen van de hierboven genoemde
clusters. Dit resulteert – na aftrek van de berekende opbrengst van de nominale rekenpremie
ingevolge artikel 3.19, eerste lid, van het Bzv – in de vereveningsbijdrage. Bij de
bepaling van de uiteindelijke vereveningsbijdrage wordt op die wijze normatief rekening
gehouden met een financieringsverschuiving van zorgverzekeraar naar verzekerde voor
kosten die onder het verplicht eigen risico vallen. Bij een vrijwillig eigen risico
krijgt de verzekerde een premiereductie. Deze inkomstenderving voor de zorgverzekeraar
wordt gecompenseerd doordat de betalingen uit hoofde van het vrijwillig eigen risico
bij de zorgkosten worden meegerekend; voor de bepaling van de vereveningsbijdrage
hoeft er dan ook geen normatief bedrag in mindering te worden gebracht. De renteheffingstarieven,
dit zijn de tarieven die zorginstellingen in rekening mogen brengen bij zorgverzekeraars
bovenop de reguliere tarieven in het geval de zorgverzekeraar niet overgaat tot bevoorschotting
van zorg gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, worden, om de prikkel tot bevoorschotting
te maximeren, buiten de risicoverevening gehouden. Dit is in het tweede lid geregeld.
Artikel 14
De basis voor de toedeling van de kosten van instellingen voor medisch-specialistische
zorg naar de diverse deelbedragen, zoals deze wordt weergegeven in dit artikel en
in artikel 15, is gelegen in de artikelen 3.14 en 3.15 van het Bzv. In dit artikel
vindt de toedeling plaats van deze kosten naar het cluster ’variabele zorgkosten’.
De Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) biedt ingevolge artikel 58 van die wet,
mogelijkheden voor experimenten waarbij ook voor dbc-zorgproducten die niet behoren
tot het zogenoemde vrije segment toch sprake kan zijn van vrije prijsvorming. Het
eerste lid geeft aan dat de vast/variabel-verhouding, die voor de kosten van deze
experimenten geldt, door het Zorginstituut wordt vastgesteld. De Stichting Kinderoncologie
Nederland (SKION) en de Nederlandse Transplantatiestichting (NTS) zullen in 2020 nog
niet zijn overgegaan op financiering op basis van dbc-zorgproducten. Daarom moet worden
bepaald hoe de kosten van hun prestaties worden gesplitst in een vast- en een variabel
deel: voor 75 procent worden deze kosten aan het cluster ‘variabele zorgkosten’ toegedeeld
(tweede lid).
Artikel 15
Het eerste lid gaat in op de toedeling van kosten van prestaties, geleverd door instellingen
die meedoen aan experimenten in de zin van de Wmg. Het percentage van de kosten hiervan
dat aan het cluster ‘vaste zorgkosten’ wordt toegedeeld, is gelijk aan 100 procent
minus het percentage van deze kosten dat het Zorginstituut aan het cluster ‘variabele
zorgkosten’ heeft toegedeeld op grond van artikel 14, eerste lid.
De Stichting Kinderoncologie Nederland (SKION) en de Nederlandse Transplantatiestichting
(NTS) zullen in 2020 nog niet zijn overgegaan op financiering op basis van dbc-zorgproducten.
Daarom moet worden bepaald hoe de kosten van hun prestaties worden gesplitst in een
vast en een variabel deel. Het tweede lid regelt dat deze kosten voor 25 procent aan
het cluster ‘vaste zorgkosten’ worden toegedeeld.
In het derde lid zijn regels gesteld over de risicodragendheid van de dure intramurale
geneesmiddelen. De betaalbaarheid van zogenoemde dure geneesmiddelen is in toenemende
mate een punt van zorg voor behandelaren, voorschrijvers, zorgverzekeraars en overheid.
Gezien het potentieel uitzonderlijk hoge kostenbeslag van bepaalde geneesmiddelen
wordt instroom in het pakket alleen dan maatschappelijk verantwoord geacht indien
er waarborgen zijn dat de uitgaven op een aanvaardbaar niveau blijven. Op grond van
artikel 11, vierde lid, onder a, van de Zvw en artikel 2.4, tweede lid en 2.4a van
het Bzv kunnen bij ministeriële regeling vormen van zorg worden uitgezonderd van het
basispakket van de Zvw. Per 1 juli 2018 is in artikel 2.4a van het Bzv deze uitzondering
voor dure intramurale geneesmiddelen nadrukkelijk geregeld. Deze uitzonderingen zijn
nader uitgewerkt in artikel 2.1 van de Regeling zorgverzekering.
Op het moment dat er waarborgen zijn voor gepast gebruik en sprake is van een succesvolle
prijsonderhandeling, kan de minister besluiten het betreffende middel in het basispakket,
en wel tegen aanvaardbare kosten, op te nemen. Voorheen waren de dure intramurale
geneesmiddelen na instroom in het pakket tot het einde van het kalenderjaar daarna
risicoloos. Deze risicoloze periode wordt uitgebreid voor geneesmiddelen die in 2018
of later in het pakket zijn gestroomd / stromen. Voor alle overige (intramurale) geneesmiddelen
is de zorgverzekeraar vanaf het vereveningsjaar 2016 volledig risicodragend. Ingevolge
het derde lid worden voor het vereveningsjaar 2020 de dure intramurale geneesmiddelen
die in 2018, 2019 of 2020 het pakket zijn ingestroomd door het Zorginstituut aangemerkt
als kosten van het cluster ‘vaste zorgkosten’.
Het Zorginstituut past op het deelbedrag ‘vaste zorgkosten’ 100 procent nacalculatie
toe (vierde lid). Hiermee lopen zorgverzekeraars in het geheel geen risico over kosten
van het cluster ‘vaste zorgkosten’. De basis voor deze nacalculatie is te vinden in
artikel 3.15, derde lid, van het Bzv.
Artikel 16
In 2020 wordt hogekostencompensatie (her)ingevoerd. Dit is met het besluit houdende
wijziging van het Besluit zorgverzekering in verband met de vereveningsbijdrage over
het jaar 20204mogelijk gemaakt. Voor een nadere onderbouwing van de (her)invoering van hogekostencompensatie
wordt verwezen naar de nota van toelichting bij dit besluit. In dit artikel is vastgelegd
hoe het Zorginstituut hogekostencompensatie toepast. Allereerst wordt een drempelwaarde
bepaald, zodanig dat 0,5% van de GGZ-patiënten kosten gelijk aan of boven deze drempelwaarde
heeft. Voor de betreffende verzekerden wordt 75% van de kosten boven de drempelwaarde
gecompenseerd. Gesommeerd over alle verzekerden bij een zorgverzekeraar leidt dit
tot een vergoeding voor de betreffende zorgverzekeraar. Het totaal benodigde bedrag
voor de hogekostencompensatie is de optelsom van deze bedragen over alle zorgverzekeraars.
Bij de toepassing van hogekostencompensatie wordt geen bedrag toegevoegd aan het aan
zorgverzekeraars uit te keren bedrag. Dat betekent dat het benodigde bedrag door zorgverzekeraars
moet worden ingebracht. Dit gebeurt naar rato van de herberekende deelbedragen.
Ten slotte wordt het herbekende deelbedrag voor een zorgverzekeraar nogmaals herberekend
door het bedrag voor de hogekostencompensatie hierbij op te tellen en de inbreng ervan
af te trekken.
In het tweede lid is vastgelegd dat het Zorginstituut bij een voorlopige vaststelling,
als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, van het Bzv de toepassing van hogekostencompensatie
achterwege kan laten. In dat geval past het Zorginstituut op grond van het tweede
lid en in afwijking van artikel 11, tweede lid, niet de gewichten uit bijlage 3, maar
de gewichten uit bijlage 2 toe.
Artikel 17
In dit artikel gaat het om de herberekening van het normatieve bedrag ten behoeve
van de vaststelling van de vereveningsbijdrage. De berekeningswijze die hiervoor wordt
gehanteerd, komt overeen met die genoemd in artikel 7 respectievelijk artikel 8. Alleen
wordt nu gerekend met het gerealiseerde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moest
worden betaald bij de zorgverzekeraar, respectievelijk waarvoor het verplicht eigen
risico geldt. De berekende opbrengst van de nominale premie en het verplicht eigen
risico wordt op basis van artikel 3.19, eerste lid, van het Bzv, in mindering gebracht
op het in artikel 3.18 van het Bzv bedoelde normatieve bedrag per zorgverzekeraar.
Artikel 18
In dit artikel is vastgelegd dat de regels omtrent de buiten beschouwing te laten
kosten bij de vereveningscriteria MHK en GGZ-MHK en indeling in klassen van de in
het buitenland wonende verzekerden en de aan die klassen verbonden gewichten, zoals
neergelegd in artikel 5, tweede en derde lid, respectievelijk artikel 6, tevens van
toepassing zijn bij de vaststelling van de vereveningsbijdragen. Bij de definitieve
vaststelling van de vereveningsbijdrage of een voorlopige vaststelling met toepassing
van hogekostencompensatie moet het Zorginstituut ingevolge artikel 11, tweede lid,
de gewichten in de tabellen van bijlage 3 toepassen. Een in het buitenland wonende
verzekerde wordt in afwijking van die tabellen in de klassen ‘Geen FKG psychische
aandoeningen’ en ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ ingedeeld.
In dit artikel is verder vastgelegd dat de regels omtrent de indeling in de klassen
van de vereveningscriteria bij de toekenning van de vereveningsbijdragen aan zorgverzekeraars,
zoals neergelegd in artikel 9, tevens van toepassing zijn bij de vaststelling van
de vereveningsbijdragen.
Artikel 19
Verzekerden jonger dan achttien jaar zijn geen nominale premie verschuldigd. Zorgverzekeraars
hebben voor verzekerden jonger dan achttien jaar naast zorgkosten, ook beheerskosten
(administratie en zorginkoop), waarvoor ze uit het Zvf compensatie ontvangen. De vergoeding
uit het Zvf is voor 2020 op € 41 per verzekerde jonger dan achttien jaar vastgesteld.
Dit bedrag is bepaald op basis van historische gegevens over beheerskosten, waarbij
is verdisconteerd dat verzekerden jonger dan 18 jaar gemiddeld lagere beheerskosten
kennen dan andere verzekerden, omdat voor hen gemiddeld minder declaraties verwerkt
hoeven worden. Jonge verzekerden zijn immers gemiddeld gezonder dan oudere verzekerden.
Er is tevens rekening gehouden met een te verwachten afname van de beheerskosten als
gevolg van de overheveling van de GGZ voor deze verzekerden naar de Jeugdwet.
Artikel 20
In de beleidsregels van het Zorginstituut is opgenomen op grond van welke data de
uitbetaling van de vereveningsbijdrage aan de zorgverzekeraars plaatsvindt. Er wordt
rekening gehouden met het declaratiepatroon van zorgaanbieders, waarbij verschillen
in de snelheid waarmee bijvoorbeeld farmaciekosten of dbc’s gedeclareerd worden, meegenomen
worden. Als gevolg van de risicoverevening kan de betaling op enig moment ook negatief
zijn. Dat wil zeggen dat in dat geval een zorgverzekeraar op genoemde datum in het
betaalschema een betaling aan het Zorginstituut dient te doen.
Artikel 21
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
de Staatscourant waarin zij wordt geplaats en werkt terug tot en met 30 september
2019. De terugwerkende kracht houdt verband met artikel 32, vierde lid, onderdeel
a, van de Zvw. Op grond van dat artikel dient voor 1 oktober voorafgaand aan een vereveningsjaar
te worden bepaald welk bedrag in totaal ex ante over dat vereveningsjaar kan worden
toegekend.
Artikel 22
Aangezien deze regeling de regels bevat met betrekking tot de aan de zorgverzekeraars
te verstrekken risicovereveningsbijdragen over het vereveningsjaar 2020, krijgt zij
de citeertitel ’Regeling risicoverevening 2020’.
De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins