De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
Gelet op artikel 6, tweede lid, van het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk
onderwijsachterstandenbeleid;
Besluit:
Artikel 1. Definitief percentage vermindering specifieke uitkeringen 2019
Het percentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit specifieke uitkeringen
gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid, wordt voor het jaar 2019 vastgesteld op
15,44%.
Artikel 2. Voorlopig percentage vermindering specifieke uitkeringen 2020
Het percentage, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit specifieke uitkeringen
gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid, wordt voor het jaar 2020 vastgesteld op
6,15%.
Artikel 3. Intrekking andere regeling
De Regeling vaststelling percentage vermindering specifieke uitkeringen gemeentelijk
onderwijsachterstandenbeleid 2019 wordt ingetrokken.
Artikel 4. Inwerkingtreding
-
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie
van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari
2019.
-
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2030.
Artikel 5. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling percentage vermindering
specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2019 en 2020.
TOELICHTING
Doel van de regeling
Het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid heeft tot doel onderwijsachterstanden,
waaronder taalachterstanden, van kinderen vroegtijdig te signaleren en te bestrijden
zoals bedoeld in de artikelen 165, 166, 167 en 167a van de Wet op het primair onderwijs
(hierna: WPO). Gemeenten hebben op grond van de artikelen 165, 166 en 167 WPO een
verplichting tot het aanbieden van voldoende voorzieningen met voorschoolse educatie
in zowel aantal als spreiding voor kinderen met een risico op een onderwijsachterstand
binnen de gemeente. Ter tegemoetkoming in de kosten van deze verplichting ontvangen
gemeenten een specifieke uitkering op grond van artikel 168a WPO.
Vanaf 2019 ontvangen gemeenten hun specifieke uitkering op grond van het Besluit specifieke
uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, waarbij gebruik wordt gemaakt
van een nieuwe verdeelsystematiek gebaseerd op een nieuwe indicator. Deze indicator
brengt het risico van een kind op een achterstand beter in beeld. De nieuwe verdeelsystematiek
heeft als uitgangspunt te komen tot een verdeling van de middelen die beter aansluit
bij de onderwijsachterstandenproblematiek in gemeenten dan de oude systematiek.
De nieuwe systematiek leidt tot herverdeeleffecten. Om deze effecten te mitigeren
en gemeenten in staat te stellen tijdig en zorgvuldig (noodzakelijke) wijzigingen
door te voeren in hun beleid en bedrijfsvoering, wordt gebruik gemaakt van een overgangsregeling
voor de jaren 2019, 2020 en 2021. De specifieke uitkering, zoals die zou zijn toegekend
wanneer de nieuwe systematiek onverkort zou zijn ingevoerd, wordt in elk van deze
drie overgangsjaren vergeleken met de specifieke uitkering die een gemeente heeft
ontvangen in 2018 op basis van de oude verdeelsystematiek.
Voor gemeenten die op basis van de nieuwe systematiek minder middelen ontvangen dan
het vastgestelde bedrag op basis van de oude systematiek in 2018, is de overgangsregeling
volledig geregeld in het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.
Voor deze gemeenten wordt het verschil tussen beide bedragen in de jaren 2019, 2020
en 2021 meegenomen met respectievelijk 75%, 50% en 25%.
Voor gemeenten die op basis van de nieuwe systematiek meer middelen ontvangen dan
het vastgestelde bedrag op basis van de oude systematiek in 2018, wordt gedurende
de overgangsregeling jaarlijks per ministeriële regeling vastgesteld met welk percentage
het oude bedrag wordt meegenomen. Dit wordt gedaan zodat het totaal aan beschikbare
middelen voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid kan worden uitgekeerd.
Aan deze gemeenten wordt de zekerheid geboden dat zij ten minste na drie overgangsjaren
de middelen ontvangen waarop zij volgens de nieuwe systematiek aanspraak hebben. Hierdoor
kunnen deze gemeenten sneller toegroeien naar hun nieuwe budget dan wanneer gebruik
gemaakt zou worden van de percentages die gebruikt worden voor gemeenten die op basis
van de nieuwe systematiek minder budget zullen ontvangen. Voor het kalenderjaar 2019
wordt het verminderingspercentage definitief vastgesteld op 15,44%. Dit percentage
was voor het kalenderjaar 2019 voorlopig vastgesteld op 15,53%. Voor het kalenderjaar
2020 wordt het verminderingspercentage voorlopig vastgesteld op 6,15%. In 2020 zal
het percentage definitief worden vastgesteld voor 2020 en voorlopig worden vastgesteld
voor 2021.
Prijs per achterstandseenheid
De hoogte van het totaal aan beschikbare middelen voor de specifieke uitkeringen onderwijsachterstanden
wordt jaarlijks vastgesteld in de begroting van OCW. In de begroting van 2019 is €
462 miljoen beschikbaar voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid, dit leidt
tot een definitieve prijs per achterstandseenheid van € 483,39. In de begroting van
2020 is naar verwachting € 492 miljoen beschikbaar voor het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid,
dit leidt tot een voorlopige prijs per achterstandseenheid van € 514,36. Deze prijs
wordt gedurende 2020 definitief vastgesteld.
Administratieve lasten
Gemeenten leggen middels de jaarrekening verantwoording af aan het Rijk over de besteding
van de uitkering, via de single information single audit-verantwoordingssystematiek
(SiSa). Deze regeling leidt niet tot aanvullende informatieverplichtingen, daarom
is er geen sprake van aanvullende administratieve lasten. Met betrekking tot de uitvoerings-
en handhavingsaspecten van deze regel is geconstateerd dat de regeling uitvoerbaar
en handhaafbaar wordt geacht
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob