Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17-09-2019, nr. 16607745, houdende instelling van een commissie ter evaluatie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (Instellingsbesluit Evaluatiecommissie KNAW)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op art. 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

1. minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

2. commissie:

commissie, bedoeld in artikel 2;

3. KNAW:

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Artikel 2. Instelling en taak

  • 1. Er is een Evaluatiecommissie KNAW.

  • 2. De commissie heeft tot taak de KNAW te evalueren aan de hand van de in de toelichting bij dit besluit geformuleerde vragen. Bij het uitvoeren van deze evaluatie wordt ook de eigen evaluatie van de KNAW door de commissie betrokken.

Artikel 3.Instellingsduur commissie

De commissie wordt ingesteld voor de periode van 1 september 2019 tot 1 april 2020.

Artikel 4. Leden

  • 1. Voor instellingsduur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd:

    • dr. K. Dittrich, tevens voorzitter;

    • prof. dr. W. van Gunsteren;

    • prof. dr. A Bergmans; en

    • prof. dr. K.I. van Oudenhoven-van der Zee.

  • 2. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een vervanger benoemen.

  • 3. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris, ter beschikking gesteld door Technopolis BV. De secretaris is geen lid van de commissie.

Artikel 5. Werkwijze

  • 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is, waaronder op persoonlijke titel ambtelijke deskundigen.

Artikel 6. Informatieplicht

De commissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 7. Eindrapport

De commissie brengt vóór 1 april 2020 haar eindrapport uit aan de minister.

Artikel 8. Vergoeding

  • 1. De voorzitter en de andere leden ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van art. 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en hiermee niet het in art. 6, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies bedoelde maximumbedrag overschrijden.

  • 2. De vergoeding per vergadering van de leden bedraagt maximaal 3% van het maximum van salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 3. De vergoeding per vergadering van de voorzitter van de commissie bedraagt maximaal 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van de commissie is toegekend.

Artikel 9. Kosten van de commissie

  • 1. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

    • de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning,

    • de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en

    • de kosten voor publicatie van rapportages.

  • 2. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting en een planning aan de minister aan.

Artikel 10. Verantwoording

De commissie biedt de minister gelijktijdig met het eindrapport een eindverslag aan waarin verslag wordt gedaan over de activiteiten van de periode waarin de commissie werkzaam is geweest.

Artikel 11. Openbaarmaking

Rapporten, notities, verslagen, adviezen en andere producten die door of namens de commissie worden vervaardigd of vergaard, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de minister uitgebracht of overgedragen.

Artikel 12. Archiefbescheiden

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de directie Organisatie en Bedrijfsvoering van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 13. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2019.

  • 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 14. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Evaluatiecommissie KNAW.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

TOELICHTING

Algemeen

Sinds de laatste evaluatie van de KNAW in 2014 hebben zich de nodige veranderingen voltrokken in het Nederlands wetenschappelijke bestel. Zo is in verschillende gremia de discussie ontstaan over de ‘waarde van wetenschap’. Ook in de onlangs verschenen Wetenschapsbrief ‘nieuwsgierig en betrokken’ staat de ‘waarde van wetenschap’ centraal. Deze wordt vertaald in drie ambities.

  • 1. Nederlandse wetenschap heeft mondiale impact,

  • 2. Wetenschap is verbonden met de samenleving,

  • 3. Nederland is een kweekvijver en haven voor talent.

De KNAW wordt geëvalueerd tegen de achtergrond van bovengenoemde veranderingen en ambities in relatie tot de rol die zij vervult in en voor het Nederlandse wetenschapsbestel en op internationaal vlak. Verder evalueert de commissie de manier waarop de KNAW uitvoering geeft aan haar wettelijke taken en de rollen die zij zelf onderscheidt in het Strategisch Plan 2016–2020 (genootschap, adviesorgaan en institutenorganisatie).

In 2014 heeft de KNAW een Akademie van Kunsten opgericht; een platform voor kunstenaars uit alle artistieke disciplines. Ook deze Akademie van Kunsten dient te worden geëvalueerd.

Ik verzoek de commissie specifiek de volgende vragen te beantwoorden.

Wettelijke taken en missie

  • Is de KNAW effectief en doelmatig in de vervulling van haar taken ten aanzien van het genootschap, de adviesfunctie en de institutenorganisatie? En wat betekent het dat deze drie functies bij één organisatie zitten?

  • Is de samenstelling van het Genootschap adequaat? Wat is het resultaat van de veranderingen die de KNAW de afgelopen jaren naar aanleiding van de uitkomsten van de vorige evaluatie heeft doorgevoerd, bijvoorbeeld ten aanzien van de diversiteit binnen het ledenbestand?

  • Is de KNAW in staat gebleken over de volle breedte van het wetenschappelijk werkveld adviezen uit te brengen aan de overheid en aan het wetenschapsveld? Zijn de adviezen effectief?

  • Beheert de KNAW haar instituten effectief en doelmatig en hoe vervult zij haar rol als institutenbeheerder? Hoe verhoudt dit zich tot de uitkomsten van de evaluatie van het Institutenstelsel?

  • Is te voorzien dat de KNAW erin zal slagen haar missie, zoals geformuleerd in het Strategisch Plan 2016–2020, waar te maken?

Rol van de KNAW in het bestel

  • In de laatste Strategische Agenda 2016-2020 stelt de KNAW ‘verbinden’ centraal. Hoe vervult de KNAW haar rol in het leggen van verbindingen en als verbinder? Is in dit kader de wijze waarop de KNAW haar (bestuurlijke) relaties onderhoudt optimaal?

  • Welke rol speelde de KNAW in de ontwikkelingen en veranderingen in het wetenschapsbestel in de afgelopen jaren en vervulde zij deze rol adequaat? Hoe past de rol van de KNAW in het bestel bij het in praktijk brengen van de ambities van de onlangs verschenen Wetenschapsbrief? Tegen de achtergrond van de ontwikkelingen is het wenselijk de evaluatie van de KNAW niet beperkt te houden tot het interne functioneren van de Akademie, maar juist ook de rol in het Nederlandse kennislandschap te belichten.

  • Welke aanbevelingen kan de commissie doen voor de rol die de KNAW zou moeten vervullen in het Nederlandse wetenschapsbestel van de komende tien tot twintig jaar, gegeven de wetenschappelijke, maatschappelijke en internationale eisen die aan de Nederlandse wetenschap worden gesteld?

Akademie van Kunsten

  • Is de Akademie van Kunsten erin geslaagd nieuwe verbindingen tussen kunstenaars en wetenschappers tot stand te brengen? En heeft het onderbrengen bij de KNAW hierbij een rol gespeeld?

  • Heeft de Akademie van Kunsten kunnen bijdragen aan een bredere aandacht voor de rol van de kunsten in het primair en voortgezet onderwijs?

  • Is er met de oprichting van de Akademie van Kunsten sprake van een grotere samenhang en verbinding tussen de verschillende kunstdisciplines onderling?

  • Is de Akademie van Kunsten aanjager van publiek debat over de kunsten en over de kunsten in relatie tot andere disciplines?

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

Naar boven