Beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, houdende ontheffing RPA-L, speciaal-BvL en zichtafstand, Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen voor het NLR voor het uitvoeren van BVLOS-experimenten met RPA in EHR 8

Datum 10 september 2019

Nummer ILT-2019/46338 inzake ILT-2019/35427 & 46851

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gelezen de verzoeken van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum, verder te noemen het NLR, ontvangen op 12 juni 2019 en 4 september 2019 van contactpersoon dhr.;

Overwegende dat:

  • volgens artikel 3, eerste lid, van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen (Roabl) alleen een RPA-L met een algemene bevoegdverklaring VLOS of EVLOS aan de piloot kan worden afgegeven;

  • volgens artikel 10, eerste lid, sub c, van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen (Roabl) de bestuurder beschikt over een bewijs van bevoegdheid voor het besturen van RPA’s;

  • volgens artikel 13, eerste lid, van de Roabl, zijnde een regel als bedoeld in artikel 4, van het Besluit luchtverkeer 2014, en artikel 5.5, eerste lid, van de Wet luchtvaart, het verboden is een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA buiten zichtafstand van de bestuurder of waarnemer;

  • volgens artikel 13, tweede lid, van de Roabl, zijnde een regel als bedoeld in artikel 4, van het Besluit luchtverkeer 2014, en artikel 5.5, eerste lid, van de Wet luchtvaart, het verboden is een VFR-vlucht uit te voeren op een afstand van meer dan 500 meter van de bestuurder of een waarnemer;

  • volgens bijlage 3 van de Roabl, zijnde voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 3.13, derde lid, van de Wet luchtvaart, het speciaal-Bewijs van Luchtwaardigheid voor het RPA (uitsluitend) kan worden afgegeven indien het RPA voldoet aan de in deze bijlage opgenomen voorschriften;

  • dat deze voorschriften niet voorzien in het uitvoeren van BVLOS vluchten;

  • deze beperkingen niet passen bij het maatschappelijk belang van vluchten uit te voeren in opdracht van Defensie in de EHR 8 ten behoeve van experimenten met betrekking tot BVLOS-vliegen van op afstand bestuurde luchtvaartuigen;

  • het NLR voldoet aan de in artikel 10 van de Roabl genoemde eisen en daarmee beroepsmatig vluchten kan uitvoeren met een op afstand bestuurd luchtvaartuig (RPA);

  • dat het NLR dit doet met RPA’s in alle, volgens de Roabl, mogelijke klassen en categorieën;

  • het NLR beschikt over ROC 09/2016 waarin is opgenomen het privilege om vluchten uit te voeren ten behoeve van het experimenteren met op afstand bestuurde luchtvaartuigen die niet beschikken over een S-BvL;

  • het NLR beschikt over ROC 09/2016 waarin is opgenomen het privilege om vluchten uit te voeren in militaire CTR’s.

  • het NLR niet beschikt over bijzondere goedkeuring NSAA op het ROC 09/2016, echter tijdens het vliegen in het gebied EHR8 is er sprake van een beperkt toegankelijk luchtruim en geen noodzaak voor de NSAA eisen;

  • het NLR beschikt over een operationeel plan ten behoeve van het uitvoeren van experimenten in EHR 8 waarin aanwijzingen en procedures zijn opgenomen voor het veilig uitvoeren van experimenten met een RPA;

  • dat bij het opstellen van dit operationeel plan rekening is gehouden met de technische toestand van de te gebruiken RPA-systemen, de kwalificatie van de bemanning en operationele aspecten die kenmerkend voor het uitvoeren van BVLOS-vluchten;

  • ontheffingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze vluchten, mits daarbij wordt gewaarborgd dat de risico’s voor derden, zowel medeluchtruimgebruikers als personen en zaken op water en de grond, bij het uitvoeren van experimenten en demonstraties met een RPA, tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt;

  • de vluchten plaatsvinden in een geactiveerde EHR 8 en de luchtverkeersleiding van Maritiem Vliegkamp De Kooy actief meekijkt ter voorkoming van indringers;

Gelet op de artikel 2.1, vierde lid, artikel 3.21, eerste lid, artikel 4.4, tweede en derde lid, en artikel 5.5, derde lid, van de Wet luchtvaart;

BESLUIT:

Artikel 1

  • 1. Aan intern gekwalificeerde RPA-piloten werkzaam onder verantwoordelijkheid van het NLR wordt ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart, een RPA te bedienen voor het uitvoeren van BVLOS-vluchten zonder dat de piloot in het bezit is van een geldig bewijs van bevoegdheid RPA-L met een algemene bevoegdverklaring BVLOS.

  • 2. Ten behoeve van de RPA-systemen die worden gebruikt voor het uitvoeren van BVLOS-experimenten in EHR8, wordt aan de houder van deze luchtvaartuigen ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet luchtvaart om een vlucht uit te voeren met een luchtvaartuig dat niet is voorzien van een geldig bewijs van luchtwaardigheid.

  • 3. Aan het NLR wordt ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 13, eerste lid, van de Roabl, om een VFR vlucht uit te voeren met een RPA buiten zichtafstand van de bestuurder.

  • 4. Aan het NLR wordt ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 13, tweede lid, van de Roabl, om een VFR-vlucht uit te voeren op een afstand van meer dan 500 meter van de bestuurder of waarnemer.

  • 5. Aan het NLR wordt ontheffing verleend van de voorwaarde in het ROC dat vluchten moeten worden uitgevoerd binnen zichtafstand.

Artikel 2

Aan deze ontheffingen zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:

  • a. de ontheffingen, genoemd in artikel 1 van deze beschikking, hebben uitsluitend betrekking op RPA-vluchten die worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van het NLR in het kader van het experimenteren met BVLOS-vluchten in de EHR8, zoals beschreven in het operationeel plan “BVLOS Marine drone”, inclusief de nodige voorbereidingen;

  • b. vluchtuitvoering vindt plaats volgens het operationeel handboek van het NLR en het operationeel plan “BVLOS Marine drone”, waarin tevens opgenomen de aanwijzingen en procedures voor het veilig vliegen met RPA’s die niet zijn voorzien van een geldig speciaal-Bewijs van Luchtwaardigheid, en rekening is gehouden met kenmerkende BVLOS aspecten;

  • c. de vluchten vinden plaats in het geactiveerde gebied EHR8;

  • d. de vluchten vinden plaats tot een maximale afstand tussen piloot en RPA van 15 kilometer;

  • e. de vluchten vinden plaats tot een maximale hoogte van 2000 ft AMSL;

  • f. de vluchten vinden plaats binnen UDP;

  • g. de vluchten vinden plaats met een door het NLR experimenteel gekeurde UAS klasse OA < 25 kg, A < 25 kg en H < 25 kg;

  • h. de vluchten vinden plaats met gebruik van geofencing;

  • i. de operator spreekt met de verkeersleiding van Maritiem Vliegkamp De Kooy procedures af dat er tijdens vliegen in de EHR8 actief wordt gemonitord op indringers in de EHR8 en de piloot daarover tijdig wordt geïnformeerd.

Artikel 3

Het handelen in strijd met deze beschikking levert een strafbaar feit op, in overstemming met artikel 11.9, eerste lid, onderdeel a, onder 5, Wet luchtvaart en artikel 11.10, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet luchtvaart.

Artikel 4

De beschikking ILT-2019/43277 van 30 augustus 2019 vervalt.

Artikel 5

Deze beschikking treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening en vervalt met ingang 1 juli 2020.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, namens deze, Coördinerend / Specialistisch Inspecteur ILT/Vergunningen,

Bezwaarclausule

Indien u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u hiertegen op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de datum waarop deze beslissing is verzonden, schriftelijk bezwaar aantekenen.

Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;

  • de gronden van het bezwaar.

Tevens ontvangen wij graag uw telefoonnummer dan wel e-mailadres.

Het bezwaarschrift kunt u richten aan:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Afdeling Juridische zaken

Postbus 16191

2500 BD DEN HAAG

Naar boven