TOELICHTING
ALGEMEEN
1. Inleiding en doel subsidieverstrekking
De Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023 (hierna: regeling)
biedt het kader voor het verstrekken van een subsidie voor vier kalenderjaren aan
het openbaar lichaam Bonaire voor het dekken van de kosten van projecten ter uitvoering
van het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’, dat is opgesteld door het openbaar lichaam
Bonaire. De regeling is zodanig geformuleerd dat deze in de toekomst ook kan gelden
voor andere subsidies voor het financieel ondersteunen van effectief milieubeheer
op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zoals beoogd door de Wet Volkshuisvesting, ruimtelijke
ordening en milieubeheer BES (hierna: Wet VROM BES). Indien er opnieuw geld beschikbaar
wordt gesteld, zal deze regeling met het oog daarop worden aangepast of zal een nieuwe
regeling worden vastgesteld met (soort)gelijke bepalingen als in deze regeling zijn
opgenomen.
In beginsel bereidt het bestuurscollege van het openbaar lichaam het milieuprogramma
voor dat door de eilandsraad wordt vastgesteld. In het milieuprogramma worden het
te voeren beleid en de prioriteiten op basis van het milieubeleidsplan van de Minister
van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: minister) nader geconcretiseerd. In het
milieuprogramma van Bonaire zal in ieder geval aandacht worden besteed aan de te ontwikkelen
acties ter bescherming en verbetering van het milieu in het algemeen, het beheer van
afvalstoffen en afvalwater en de sanering van de bodem in het bijzonder. Die acties
worden vormgegeven met ‘projecten’ die zijn opgenomen in het rapport ‘Afvalbeheer
op Maat’.
Het doel van het rapport ‘Afvalbeheer op Maat is het bijdragen aan een bestuurlijk-
en maatschappelijk breed gedragen, milieuhygiënisch verantwoord, technisch betrouwbaar,
financieel realistisch en economisch haalbaar afvalmanagement, waarmee in voldoende
mate invulling wordt gegeven aan een ‘duurzame identiteit’ voor Bonaire. Bonaire heeft
de ambitie de achterstand in het afvalbeheer ten opzichte van Europees Nederland spoedig
in te lopen. Het besef dat er iets aan het afvalbeheer op Bonaire moet gebeuren en
de wil om dat te doen, zijn in hoge mate aanwezig. Uit het oogpunt van volksgezondheid,
zorg voor de leefomgeving en economie is verbetering dringend noodzakelijk. Aan eerdergenoemd
rapport zal in beginsel door middel van 21 projecten uitvoering worden gegeven.
In 2013 is door de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu een bedrag
van € 11 miljoen toegezegd aan het openbaar lichaam Bonaire als onderdeel van afspraken
die zijn gemaakt om het afvalbeheer op Bonaire te verbeteren. Het geld wordt gefaseerd
verstrekt voor o.a. het afdekken van stortplaatsen, het opzetten van gescheiden afvalinzameling,
inrichting van milieustraten en het opzetten van een afvaldata- en managementsysteem.
Een deel van dit bedrag (ca. € 1.398.886,–) is al verstrekt door middel van privaatrechtelijke
opdrachten. Voor de jaren vanaf 2018 is gekozen voor het verstrekken van subsidies.
Voor 2018 is op aanvraag een op deze regeling anticiperende beschikking op grond van
artikel 92, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Wet FIN BES) verleend, vooruitlopend op de
inwerkingtreding van deze regeling. Voor 2019 zal geen subsidie worden verstrekt omdat
de subsidie voor 2018 ook in 2019 mag worden besteed. Het is niet haalbaar in 2019
nog meer activiteiten te verrichten waardoor het niet nodig is voor 2019 extra middelen
beschikbaar te stellen. Voor het verstrekken van de subsidies voor de jaren 2020–2023
geldt deze regeling.
2. Juridisch kader
De financiering van het afvalbeheer op Bonaire is een subsidie die tevens is aan te
merken als bijzondere uitkering van het Rijk aan het openbaar lichaam Bonaire. Een
bijzondere uitkering is een bijdrage uit ’s Rijks kas die door de Minister wie het
aangaat onder voorwaarden wordt verstrekt ten behoeve van een bepaalde publieke taak,
zoals bepaald in artikel 91 van de Wet FIN BES. In deze regeling ziet die publieke
taak op een effectief afvalbeheer op Bonaire. De Wet FIN BES bepaalt dat bijzondere
uitkeringen worden geregeld bij of krachtens de wet. Die wet is voor deze regeling
de Kaderwet subsidies I en M (hierna: Kaderwet) en het Kaderbesluit subsidies I en
M (hierna: Kaderbesluit). Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet kan
de minister subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake
de daar genoemde gebieden, waaronder milieubeheer (onderdeel b).
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de te subsidiëren activiteiten
nader worden bepaald en kunnen criteria voor de verstrekking worden vastgesteld. In
artikel 4, derde lid, van de Kaderwet wordt voorts bepaald dat, indien de bedoelde
regels bepalen dat de subsidie kan worden verstrekt in de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, de kaderwet voor die subsidie aldaar van toepassing is. Op
grond van artikel 5 van de Kaderwet kunnen voorts regels dan wel nadere regels worden
gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling.
Artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit bepaalt dat de minister op aanvraag subsidie
kan verstrekken voor activiteiten op de in artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet
genoemde gebieden. Voor zover het Kaderbesluit bepaalde regels stelt, worden die in
deze regeling niet herhaald, maar zullen in de artikelsgewijze toelichting worden
toegelicht. Op enkele plaatsen worden wel aanvullende regels gesteld. De subsidietitel
van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is niet van toepassing op de BES-eilanden
(zie artikel 3 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba).
Aangezien enkele artikelen uit de subsidietitel van de Awb (titel 4.2 Awb) relevant
zijn voor deze regeling, zijn die integraal opgenomen.
De kwalificatie van de subsidie als bijzondere uitkering heeft tot gevolg dat over
een voorstel voor een regeling ter verstrekking van een financiële bijdrage overleg
heeft plaatsgevonden met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de Minister van Financiën en dat het verstrekken van de financiële bijdrage in
US dollars moet plaatsvinden.
De regeling bevat een uitwerking van de wijze waarop de subsidies aan het openbaar
lichaam Bonaire ter beschikking worden gesteld en de wijze waarop het openbaar lichaam
verantwoording moet afleggen over de besteding van die middelen.
3. Gevolgen
De regeling heeft geen directe regeldrukgevolgen voor burgers, bedrijven of professionals.
De bestuurlijke lasten voor Bonaire zijn beperkt omdat aangesloten wordt op het rapport
‘Afvalbeheer op Maat’ genoemd in artikel 2 en omdat het juiste financiële instrument
wordt gebruikt namelijk de Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023.
Er worden positieve gevolgen voor het milieu verwacht, aangezien deze regeling ten
doel heeft om een effectief afvalbeheer te ondersteunen.
4. Voorbereiding
De regeling is voorbereid in overleg met het openbaar lichaam Bonaire. De regeling
en de toelichting zijn op 14 juni 2019 voor advies aan het bestuurscollege van het
openbaar lichaam Bonaire voorgelegd. Het bestuurscollege heeft geen aanleiding gezien
tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
De ontwerpregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk. Het adviescollege
heeft ambtelijk geadviseerd en geconstateerd dat deze regeling niet zal leiden tot
(omvangrijke) regeldrukeffecten.
Van internetconsultatie is afgezien omdat het een regeling betreft zonder gevolgen
voor burgers, bedrijven en instellingen. Er wordt geen verandering gebracht in rechten
en verplichtingen, administratieve lasten of uitvoeringslasten. Bovendien kan internetconsultatie
niet in betekenende mate leiden tot aanpassing van het ontwerp van de regeling.
5. Risicoanalyse
De Regeling is getoetst aan de uitkomsten van de risicoanalyse die ingevolge aanwijzing
20 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking2 verplicht is. Uit de risicoanalyse blijken slechts enkele kleine risico’s. In deze
regeling zijn diverse artikelen opgenomen om deze risico’s te minimaliseren.
6. Inwerkingtreding
De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.
Dit is conform de vaste verandermomenten van ministeriële regelingen en met inachtneming
van de voorgeschreven invoeringstermijn van drie maanden3.
Artikelsgewijs
Artikel 1 (Begripsbepalingen)
In het eerste lid van dit artikel is een begripsomschrijving van ‘openbaar lichaam’
opgenomen. De begripsomschrijving sluit aan bij die van ‘openbaar lichaam’ in artikel
1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet FIN BES, maar is beperkt tot het openbaar lichaam
Bonaire.
Verder is omschreven welke projecten voor een subsidie in aanmerking komen. Het gaat
om projecten die voortvloeien uit het milieuprogramma, bedoeld in artikel 1.5 van
de Wet VROM BES. In het geval een milieuprogramma ontbreekt, kunnen projecten die
niet ter uitvoering zijn van een milieuprogramma, maar wel zien op het milieubeheer
zoals bedoeld in artikel 1.5 van de Wet VROM BES, ook worden aangemerkt als ‘projecten’
waarvoor een subsidie kan worden verleend.
In het tweede lid is bepaald dat een subsidie tevens is aan te merken als ‘bijzondere
uitkering’ in de zin van artikel 91, eerste lid, van de Wet FIN BES. Aangezien de
Kaderwet subsidies IenM en het Kaderbesluit subsidies IenM de grondslag zijn voor
de regeling, wordt in de regeling het begrip ‘subsidie’ gebruikt.
Artikel 2 (Doel en projecten)
Deze regeling betreft projecten die ten goede komen aan een effectief afvalbeheer
op Bonaire zoals opgenomen in het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’. Het gaat om projecten
in het algemeen belang die moeten leiden tot een beter milieu op Bonaire als deel
van Caribisch Nederland. Dit zal een positief effect hebben op het toerisme, de belangrijkste
inkomstenbron van Bonaire en daardoor op de economie van het eiland. Zie daarover
verder het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel 3 (Subsidiabele kosten)
Dit artikel bevat de voor regelingen van deze aard gebruikelijke bepalingen. Kosten
die in aanmerking komen voor subsidie zijn uitsluitend kosten die direct verbonden
zijn aan de uitvoering van de projecten, bedoeld in artikel 2. Het betreft projecten
die niet worden verricht in concurrentie met derden, dat wil zeggen het aanbieden
van goederen en diensten op de markt.
Uitgesloten is een structurele bijdrage in kosten die verband houden met het exploiteren
van met projecten gerealiseerde voorzieningen, zoals milieustraten. De minister kan
besluiten tot een eenmalige bijdrage in de exploitatiekosten. Daartoe kan hij bijvoorbeeld
besluiten indien voor de start van de exploitatie van een voorziening onvoldoende
geld beschikbaar is. Uiteraard dient deze eenmalige bijdrage te passen binnen het
subsidieplafond.
Artikel 4 (Subsidieplafond)
In dit artikel is het maximale subsidiebedrag voor 2020 opgenomen zoals dat tevens
is opgenomen op de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
De subsidieplafonds voor de jaren 2021–2023 zal de Minister jaarlijks bij besluit
vaststellen en voorafgaand aan het betreffende jaar waarvoor de subsidie wordt verleend,
publiceren in de Staatscourant.
Artikel 5 (Aanvraag tot verlening)
Tweede lid
In aanvulling op de tijdsplanning, op grond van artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit,
dient te worden aangegeven wanneer de activiteiten naar verwachting voltooid zullen
zijn.
Tevens dient het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’ te worden overgelegd, met daarin de
projecten waarvoor de aanvraag wordt ingediend, zodat de relatie tussen rapport en
projecten duidelijk is.
Artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit
Behalve hetgeen in het tweede lid van de regeling staat, worden op grond van artikel
10, vierde lid, van het Kaderbesluit, bij de aanvraag de volgende gegevens en bescheiden
gevoegd:
-
– een overzicht van de activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;
-
– een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie
wordt gevraagd een bijdrage leveren aan de doelstellingen van deze regeling;
-
– een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de kosten van de activiteiten
waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
-
– een tijdplanning van de activiteit;
-
– het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort, inclusief
een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat.
Artikel 6 (Beschikking tot verlening)
Eerste lid
De formulering ‘in ieder geval’ is opgenomen om eventueel nog andere zaken in de beschikking
op te kunnen nemen. Het eerste lid, onderdeel b, is opgenomen omdat het voor een kalenderjaar
beschikbare bedrag wordt toebedeeld aan een of meer projecten. Per jaar zullen meerdere
aanvragen worden ingediend. Per aanvraag zal een maximumbedrag worden bepaald.
Tweede lid
Omdat niet zeker is dat de projecten waarvoor in een kalenderjaar een subsidie wordt
verstrekt, ook in dat jaar voltooid zullen zijn, maakt dit lid het mogelijk de subsidie
ook te gebruiken om die projecten in het daarop volgende kalenderjaar te voltooien.
Derde lid
Het begrotingsvoorbehoud houdt in dat de subsidie wordt verstrekt ten laste van een
begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd. Deze voorwaarde komt overeen
met artikel 4:34, eerste lid, van de Awb.
Artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit
In deze artikelen zijn de afwijzingsgronden opgenomen en hieronder, voor zover ze
van toepassing kunnen zijn, opgenomen. De minister beslist afwijzend op een aanvraag,
indien:
ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;
-
– het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd;
-
– onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;
-
– onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;
-
– de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;
-
– onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten
naar behoren uit te voeren;
-
– de kosten die in aanmerking komen voor subsidie niet aannemelijk of redelijk zijn;
-
– er naar het oordeel van de Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering
van een voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de economische,
ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.
Er is geen noodzaak andere afwijzingsgronden op te nemen.
Artikel 7 (Verplichtingen)
Op grond van dit artikel geldt de verplichting om jaarlijks uiterlijk op 30 juni een
tussentijds voortgangsverslag bij de minister in te dienen, zodat de minister op de
hoogte is van de voortgang van de uitvoering van de projecten. In navolging van artikel
4:37, eerste lid, onderdeel a, van de Awb, is de minister bevoegd, indien nodig, verplichtingen
op te leggen ten aanzien van de aard en de omvang van de projecten.
Artikelen 17 t/m 20 van het Kaderbesluit
Voor zover deze artikelen van toepassing kunnen zijn, gelden de volgende verplichtingen.
Artikel 17 Kaderbesluit
Het openbaar lichaam is verplicht:
-
– de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteiten
in de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling;
-
– te voldoen aan de verplichtingen die door de minister aan de subsidie zijn verbonden;
-
– op de wijze zoals aangegeven in artikel 8, eerste lid, van deze regeling, aan te tonen
dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan
aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
-
– op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door de
minister ter zake van de toepassing en de effecten van het Kaderbesluit of op grond
van deze regeling ingesteld evaluatieonderzoek, die de minister redelijkerwijs nodig
heeft voor de uitvoering van dat evaluatieonderzoek;
-
– medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de
activiteit, tenzij openbaarmaking daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Artikel 18 Kaderbesluit
Het openbaar lichaam doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk
is dat:
-
– de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel
zullen worden verricht, of
-
– niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal
worden voldaan.
Artikel 19 Kaderbesluit
Het openbaar lichaam voert een zodanige administratie dat daaruit op eenvoudige en
duidelijke wijze is af te leiden:
-
– de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten;
-
– de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte kosten.
De administratie wordt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling
bewaard.
Artikel 20 Kaderbesluit (in samenhang met artikel 6, tweede lid, van de regeling)
Indien de periode van uitvoering van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking
komen meer dan twaalf maanden in beslag neemt, wordt bij de beschikking tot subsidieverlening
de verplichting opgelegd tot indiening van één of meer rapportages, maar ten hoogste
één rapportage per jaar. Deze situatie doet zich voor indien gebruik wordt gemaakt
van de mogelijkheid van artikel 6, tweede lid, van de regeling.
Artikel 8 (Aanvraag tot vaststelling)
Eerste lid
Op grond van artikel 24, eerste lid van het Kaderbesluit wordt afgeweken van de reguliere
termijn van dertien weken en een termijn van 22 weken aangehouden. Bij subsidies hoger
dan € 125.000 dient volgens het Uniform subsidiekader de verantwoording met een accountantsverklaring
plaats te vinden. Daar is meer tijd voor nodig dan 13 weken.
De aanvraag tot subsidievaststelling wordt gericht aan:
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat
t.a.v.: IBI-F&I/team Subsidies
Postbus 20906
2500 EX Den Haag.
Tweede lid
In dit lid is op grond van artikel 5 van de Kaderwet een nadere uitwerking opgenomen
van de financiële verantwoording in artikel 24, vierde lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit.
Derde lid
In dit lid is op grond van artikel 5 van de Kaderwet een nadere uitwerking opgenomen
van de controleverklaring in artikel 24, vierde lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit.
Artikel 24, vierde lid, Kaderbesluit
Indien de gemaakte kosten 10% of meer afwijken van de onderbouwde begrotingspost van
de aanvraag voegt het openbaar lichaam, in aanvulling op artikel 8 van de regeling,
bij de aanvraag tot subsidievaststelling een toelichting daarop.
Artikel 9 (Beschikking tot vaststelling)
Eerste lid
In het eerste lid is conform artikel 4:46, eerste lid, van de Awb de hoofregel vastgelegd.
Die houdt in dat de subsidievaststelling gelijk is aan de subsidieverlening. Dat betekent
dat wordt gekeken naar de projecten zoals gepresenteerd in de aanvraag tot vaststelling
en de in de beschikking tot verlening omschreven projecten. Zijn in de aanvraag tot
vaststelling opgenomen projecten gelijk aan de verrichte projecten die zijn neergelegd
in de beschikking tot verlening dan wordt, mits ook aan de verplichtingen is voldaan,
de subsidie vastgesteld op het bedrag dat in de verlening is bepaald.
Tweede lid
Het tweede lid is conform artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. De subsidie kan lager
of op nihil worden vastgesteld. De minister is niet verplicht de subsidie lager vast
te stellen. Dit betekent dat aan een lagere vaststelling op grond van het tweede lid
een belangenafweging ten grondslag dient te liggen. Er zal een belangenafweging dienen
te worden gemaakt tussen onder meer het belang van een juiste vaststelling en de gevolgen
van de verlaging voor het openbaar lichaam. Verplichtingen die in de praktijk tot
gevolg hebben dat een verlening lager of nihil plaatsvindt, hebben veelal betrekking
op het voeren van een inzichtelijke administratie. Een dergelijke administratie kan
ook een rol spelen bij de vraag of het openbaar lichaam de activiteiten heeft verricht
op de wijze zoals bij de verlening vastgesteld. De administratie moet zodanig zijn
gevoerd, dat de minister daaruit eenvoudig het benodigde inzicht kan krijgen. Dat
betekent dat de loutere aanwezigheid van alle benodigde gegevens op zich soms onvoldoende
is. De minister moet niet gedwongen worden zelf samenhang aan te brengen in de gegevens.
Dat moet het openbaar lichaam doen.
Derde lid
Het derde lid is conform artikel 4:47, onderdelen b en c, van de Awb.
Artikel 25 Kaderbesluit
In dit artikel is de afgiftetermijn van 13 weken geregeld. Deze termijn kan eenmaal
met 13 weken worden verlengd indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden
gegeven.
Artikel 10 (Intrekken of wijzigen subsidieverstrekking)
Artikel 10 bevat de gronden voor intrekking of wijziging van de subsidieverstrekking.
Deze gronden zijn overgenomen uit de Awb.
Eerste en derde lid
Het eerste lid betreft de beschikking tot subsidieverlening (conform artikel 4:48,
eerste lid, van de Awb), het derde lid de beschikking tot subsidievaststelling (conform
artikel 4:49, eerste lid, Awb). De systematiek van subsidies brengt met zich mee dat
bij de vaststelling wordt geoordeeld over de bij verlening genoemde projecten en het
naleven van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij de vaststelling wordt
een beslissing genomen over de definitieve uitkering welke tot gevolg kan hebben dat
tot betaling moet worden overgegaan of tot terugvordering van het te veel betaalde
wordt overgegaan. Er kunnen zich omstandigheden voordoen dat de minister niet wil
wachten tot het moment van de vaststelling, maar op een eerder tijdstip wil ingrijpen.
Het eerste en derde lid geven daarvoor een regeling. Er is een verschillend regiem
voor het intrekken of wijzigen van de verlening en voor het intrekken of wijzigen
van de vaststelling.
Tweede en vierde lid
Het tweede en vierde lid regelen de terugwerkende kracht van het intrekken of wijzigen
van de beschikking waarmee de subsidie werd verleend, onderscheidenlijk vastgesteld,
tenzij anders is bepaald. De gronden van het eerste en derde lid hebben een ‘verwijtbaar’
karakter. Zijn er al betalingen gedaan in de vorm van, met name, voorschotten dan
zijn deze door de intrekking onverschuldigd betaald en kunnen dan worden teruggevorderd.
Het tweede lid is conform artikel 4:48, tweede lid, van de Awb en het vierde lid is
conform artikel 4:49, tweede lid, van de Awb.
Vijfde lid
Dit lid is conform artikel 4:49, derde lid, van de Awb. Daarin is een verjaringstermijn
van vijf jaren opgenomen voor de wijziging of intrekking van de vaststelling.
Zesde en zevende lid
In deze leden is de inhoud van artikel 4:50 van de Awb overgenomen. Daarin is bepaald
dat de subsidieverlening kan worden ingetrokken of ten nadele van het openbaar lichaam
kan worden gewijzigd. De gronden van het zesde lid hebben geen verwijtbaar karakter.
De subsidieverlening is onjuist. Aangezien van een niet verwijtbare intrekkingsgrond
sprake is, kan deze niet gebruikt worden als het openbaar lichaam wist dat de verlening
onjuist was (zou dat het geval zijn dan dient de mogelijkheid van het eerste lid,
onderdeel d, te worden gebruikt). Deze beschikking werkt voor de toekomst. Reeds betaalde
uitkeringen blijven behouden. Indien het openbaar lichaam in vertrouwen op de subsidieverlening
heeft gehandeld dan komt het openbaar lichaam in aanmerking voor vergoeding van de
geleden schade.
Artikel 11 (Bevoorschotting)
Eerste lid
De financiële stromen tussen de rijksoverheid en de openbare lichamen vinden plaats
in US dollars. In artikel 91, tweede lid, van de Wet FIN BES is bepaald: ‘Bijzondere
uitkeringen worden vastgesteld in US dollars en kunnen worden verstrekt aan een openbaar
lichaam voor de bestrijding van in de regeling van de uitkering aangeduide kosten
van de ontvangers’. De wisselkoersrisico’s komen bij betalingen tussen overheden volgens
afspraak voor rekening van de rijksoverheid. De positieve of negatieve gevolgen van
wisselkoersfluctuaties voor de rijksbegroting zijn beperkt.
Tweede lid
De gespecificeerde begroting (wat zijn de voorgenomen projecten en wat gaan die kosten)
is opgenomen in de aanvraag op grond van artikel 10, vierde lid, onderdeel e, van
het Kaderbesluit.
Artikel 12 (Betaling)
Op grond van het eerste lid dient de minister het bij de subsidievaststelling bepaalde
bedrag uit te keren. De vaststelling geldt als beschikking waarbij de betalingsverplichting
wordt vastgesteld. Dat betekent dat naast het te betalen bedrag eveneens de termijn
waarbinnen betaling dient plaats te vinden, wordt vermeld. In navolging van de standaardtermijn
in artikel 4:87 van de Awb is dat zes weken.
Op grond van het tweede lid kan de minister, indien hij overweegt de subsidie ten
nadele van het openbaar lichaam te wijzigen of in te trekken (zoals geregeld in artikel
10, eerste of derde lid), daarop anticiperen door daarmee samenhangende betalingsverplichtingen
op te schorten.
Artikel 13 (Onverschuldigde betaling)
In de toelichting op artikel 91 Wet FIN BES is bepaald dat voor bijzondere uitkeringen
geldt dat zij voor een bepaald doel worden gegeven. Indien het geld niet wordt besteed
aan het voorgeschreven doel of als een doelstelling niet wordt gerealiseerd, kan het
Rijk het geld terugvorderen.
In artikel 13 is de inhoud van artikel 4:57 van de Awb opgenomen. Onverschuldigd betaalde
subsidies kunnen worden teruggevorderd. Het is dus geen verplichting. De terugvordering
kan betrekking hebben op subsidies die onverschuldigd betaald zijn, bijvoorbeeld omdat
de subsidieverlening is ingetrokken op grond van artikel 10, derde lid. Ook is het mogelijk dat bij de subsidievaststelling een lager bedrag
wordt vastgesteld dan aan voorschotten is uitbetaald. Ook dan is sprake van onverschuldigde
betaling.
De minister kan ervoor kiezen een dwangbevel te gebruiken. Voordat een dwangbevel
kan worden uitgevaardigd, moet er eerst worden aangemaand.
De minister kan er ook voor kiezen om het onverschuldigd betaalde subsidie bedrag
te verrekenen met eventuele andere aan het openbaar lichaam verschuldigde subsidies.
Uiteraard kan dit alleen indien aan eisen van verrekening (compensatie) wordt voldaan.
Artikel 14 (Evaluatie)
Evaluatie is niet verplicht maar in dit artikel wel voorgeschreven om de doelmatigheid
en doeltreffendheid van de subsidie in kaart te brengen en om eventueel aanpassingen
in deze regeling aan te brengen.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer