Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 september 2019, nr. IENW/BSK-2018/210508, houdende regels inzake bijzondere uitkeringen voor afvalbeheer op Bonaire voor de jaren 2020 tot en met 2023 (Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 4 en 5 van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste lid, 6, tweede lid, onderdeel b, en zesde lid, 10, tweede en vierde lid, 20, eerste lid, 22, tweede lid, en 24, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze regeling en daarop gebaseerde besluiten wordt verstaan onder:

    kaderbesluit:

    Kaderbesluit subsidies I en M;

    minister:

    Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

    openbaar lichaam:

    openbaar lichaam Bonaire;

    project:

    activiteiten ter uitvoering van het milieuprogramma, bedoeld in artikel 1.5 van de Wet Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES op Bonaire dan wel een daarmee vergelijkbaar project.

  • 2. In deze regeling wordt onder ‘subsidie’ mede verstaan ‘bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba’.

Artikel 2 Doel en projecten

De minister kan op aanvraag per kalenderjaar een subsidie verstrekken aan het openbaar lichaam voor projecten, opgenomen in het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’1, die strekken tot een effectief afvalbeheer op Bonaire.

Artikel 3 Subsidiabele kosten

  • 1. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de projecten, bedoeld in artikel 2.

  • 2. Kosten voor de exploitatie van voorzieningen die zijn gerealiseerd met de projecten komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, kan de minister besluiten tot een eenmalige bijdrage in de kosten van exploitatie van voorzieningen.

Artikel 4 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor de projecten, bedoeld in artikel 2, bedraagt, inclusief eventueel verschuldigde BTW, voor 2020 € 2.387.000,–.

  • 2. De Minister stelt de subsidieplafonds voor de jaren 2021 tot en met 2023 jaarlijks vast en maakt die bekend in de Staatscourant voor aanvang van het tijdvak waarvoor ze worden vastgesteld.

Artikel 5 Aanvraag tot verlening

  • 1. Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend vóór 1 september van het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 2. Onverminderd artikel 10, vierde lid, van het kaderbesluit bevat de aanvraag:

    • a. het rapport, genoemd in artikel 2, waarin de projecten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, zijn opgenomen;

    • b. indien aanwezig, als bijlage offertes van middelen die nodig zijn om de projecten uit te voeren, voorzien van een paraaf van een daartoe bevoegde bestuurder van het openbaar lichaam, en

    • c. het geraamde tijdstip waarop de projecten zullen zijn voltooid.

Artikel 6 Beschikking tot verlening

  • 1. In de beschikking tot subsidieverlening worden in ieder geval vermeld:

    • a. de projecten, bedoeld in artikel 2, waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;

    • b. de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald en het bedrag waarvoor de subsidie ten hoogste kan worden verleend.

  • 2. In de beschikking kan worden toegestaan dat de subsidie voor projecten als bedoeld in het eerste lid, wordt besteed gedurende een periode van twee kalenderjaren.

  • 3. Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot subsidieverlening vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 7 Verplichtingen

  • 1. Onverminderd de artikelen 17, 18, 19, eerste lid, onderdelen a en e, tweede lid en artikel 20 van het kaderbesluit is het openbaar lichaam verplicht ieder jaar uiterlijk op 30 juni de voortgang van de uitvoering van de projecten op te nemen in een tussentijds voortgangsverslag en dat bij de minister in te dienen.

  • 2. De minister kan verplichtingen opleggen over de aard en omvang van de projecten waarvoor de subsidie wordt verleend.

Artikel 8 Aanvraag tot vaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 24, eerste lid, van het kaderbesluit wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen 22 weken nadat de projecten waarvoor de subsidie is verleend, zijn voltooid.

  • 2. Het openbaar lichaam toont bij de aanvraag door middel van een financiële verantwoording aan dat de projecten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de daaraan verbonden verplichtingen.

  • 3. Bij de aanvraag legt het openbaar lichaam een financieel verslag over waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd over de aan de projecten verbonden uitgaven en inkomsten. Dit verslag gaat vergezeld van een goedkeurende verklaring van een registeraccountant, accountant administratieconsulent of andere onafhankelijke accountant volgens het bij de beschikking tot subsidieverlening gevoegde controleprotocol van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waarin wordt verklaard dat de subsidie rechtmatig is besteed aan de projecten en dat de aan de subsidie verbonden verplichtingen zijn nageleefd.

Artikel 9 Beschikking tot vaststelling

  • 1. De minister stelt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de subsidie lager worden vastgesteld dan het bij beschikking verleende subsidiebedrag als:

    • a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

    • b. het openbaar lichaam niet heeft voldaan aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de subsidie;

    • c. het openbaar lichaam onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

    • d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en het openbaar lichaam dit wist of behoorde te weten.

  • 3. De minister is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen van de subsidie indien:

    • a. het openbaar lichaam niet tijdig de aanvraag tot vaststelling heeft ingediend, of

    • b. de beschikking tot subsidieverlening wordt ingetrokken of ten nadele van het openbaar lichaam wordt gewijzigd.

Artikel 10 Intrekken of wijzigen subsidieverstrekking

  • 1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan de minister de verlening intrekken of ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen indien:

    • a. de projecten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

    • b. het openbaar lichaam niet heeft voldaan aan de verplichtingen die aan de verlening zijn verbonden;

    • c. het openbaar lichaam onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening zou hebben geleid;

    • d. de verlening anderszins onjuist was en het openbaar lichaam dit wist of behoorde te weten, of

    • e. met toepassing van artikel 6, derde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

  • 3. De minister kan de vaststelling van de subsidie intrekken of ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen:

    • a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het openbaar lichaam bij de vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de verlening zou worden vastgesteld;

    • b. indien de vaststelling onjuist was en het openbaar lichaam dit wist of behoorde te weten, of

    • c. indien het openbaar lichaam na de vaststelling niet heeft voldaan aan de daaraan verbonden verplichtingen.

  • 4. De intrekking of wijziging op grond van het derde lid werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

  • 5. De vaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van het openbaar lichaam worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, sinds de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.

  • 6. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan de minister de verlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van het openbaar lichaam wijzigen:

    • a. voor zover de subsidieverlening onjuist is;

    • b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of

    • c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.

  • 7. Bij intrekking of wijziging op grond van het zesde lid, onderdeel a of b, vergoedt de minister de schade die het openbaar lichaam lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.

Artikel 11 Bevoorschotting

  • 1. Gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening wordt een voorschot van maximaal 100 procent verstrekt van het in die beschikking opgenomen maximum bedrag van de subsidie.

  • 2. Het voorschot wordt uitgekeerd op basis van een bij de aanvraag tot subsidieverlening verstrekte gespecificeerde begroting.

Artikel 12 Betaling

  • 1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling binnen 6 weken na bekendmaking van de beschikking tot vaststelling betaald.

  • 2. De verplichting tot betaling van het subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de minister aan het openbaar lichaam schriftelijk kennisgeeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 10, eerste of derde lid, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden 13 weken zijn verstreken.

Artikel 13 Onverschuldigde betaling

  • 1. De minister kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.

  • 2. De minister kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.

  • 3. De minister kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan het openbaar lichaam voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.

  • 4. Terugvordering van een bedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 10, derde lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.

Artikel 14 Evaluatie

De minister publiceert eenmaal in de vier jaar een verslag van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de subsidie.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Artikel 16 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding en doel subsidieverstrekking

De Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023 (hierna: regeling) biedt het kader voor het verstrekken van een subsidie voor vier kalenderjaren aan het openbaar lichaam Bonaire voor het dekken van de kosten van projecten ter uitvoering van het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’, dat is opgesteld door het openbaar lichaam Bonaire. De regeling is zodanig geformuleerd dat deze in de toekomst ook kan gelden voor andere subsidies voor het financieel ondersteunen van effectief milieubeheer op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zoals beoogd door de Wet Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES (hierna: Wet VROM BES). Indien er opnieuw geld beschikbaar wordt gesteld, zal deze regeling met het oog daarop worden aangepast of zal een nieuwe regeling worden vastgesteld met (soort)gelijke bepalingen als in deze regeling zijn opgenomen.

In beginsel bereidt het bestuurscollege van het openbaar lichaam het milieuprogramma voor dat door de eilandsraad wordt vastgesteld. In het milieuprogramma worden het te voeren beleid en de prioriteiten op basis van het milieubeleidsplan van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: minister) nader geconcretiseerd. In het milieuprogramma van Bonaire zal in ieder geval aandacht worden besteed aan de te ontwikkelen acties ter bescherming en verbetering van het milieu in het algemeen, het beheer van afvalstoffen en afvalwater en de sanering van de bodem in het bijzonder. Die acties worden vormgegeven met ‘projecten’ die zijn opgenomen in het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’.

Het doel van het rapport ‘Afvalbeheer op Maat is het bijdragen aan een bestuurlijk- en maatschappelijk breed gedragen, milieuhygiënisch verantwoord, technisch betrouwbaar, financieel realistisch en economisch haalbaar afvalmanagement, waarmee in voldoende mate invulling wordt gegeven aan een ‘duurzame identiteit’ voor Bonaire. Bonaire heeft de ambitie de achterstand in het afvalbeheer ten opzichte van Europees Nederland spoedig in te lopen. Het besef dat er iets aan het afvalbeheer op Bonaire moet gebeuren en de wil om dat te doen, zijn in hoge mate aanwezig. Uit het oogpunt van volksgezondheid, zorg voor de leefomgeving en economie is verbetering dringend noodzakelijk. Aan eerdergenoemd rapport zal in beginsel door middel van 21 projecten uitvoering worden gegeven.

In 2013 is door de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu een bedrag van € 11 miljoen toegezegd aan het openbaar lichaam Bonaire als onderdeel van afspraken die zijn gemaakt om het afvalbeheer op Bonaire te verbeteren. Het geld wordt gefaseerd verstrekt voor o.a. het afdekken van stortplaatsen, het opzetten van gescheiden afvalinzameling, inrichting van milieustraten en het opzetten van een afvaldata- en managementsysteem. Een deel van dit bedrag (ca. € 1.398.886,–) is al verstrekt door middel van privaatrechtelijke opdrachten. Voor de jaren vanaf 2018 is gekozen voor het verstrekken van subsidies. Voor 2018 is op aanvraag een op deze regeling anticiperende beschikking op grond van artikel 92, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Wet FIN BES) verleend, vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze regeling. Voor 2019 zal geen subsidie worden verstrekt omdat de subsidie voor 2018 ook in 2019 mag worden besteed. Het is niet haalbaar in 2019 nog meer activiteiten te verrichten waardoor het niet nodig is voor 2019 extra middelen beschikbaar te stellen. Voor het verstrekken van de subsidies voor de jaren 2020–2023 geldt deze regeling.

2. Juridisch kader

De financiering van het afvalbeheer op Bonaire is een subsidie die tevens is aan te merken als bijzondere uitkering van het Rijk aan het openbaar lichaam Bonaire. Een bijzondere uitkering is een bijdrage uit ’s Rijks kas die door de Minister wie het aangaat onder voorwaarden wordt verstrekt ten behoeve van een bepaalde publieke taak, zoals bepaald in artikel 91 van de Wet FIN BES. In deze regeling ziet die publieke taak op een effectief afvalbeheer op Bonaire. De Wet FIN BES bepaalt dat bijzondere uitkeringen worden geregeld bij of krachtens de wet. Die wet is voor deze regeling de Kaderwet subsidies I en M (hierna: Kaderwet) en het Kaderbesluit subsidies I en M (hierna: Kaderbesluit). Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet kan de minister subsidies verstrekken voor activiteiten die passen in het beleid inzake de daar genoemde gebieden, waaronder milieubeheer (onderdeel b).

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de te subsidiëren activiteiten nader worden bepaald en kunnen criteria voor de verstrekking worden vastgesteld. In artikel 4, derde lid, van de Kaderwet wordt voorts bepaald dat, indien de bedoelde regels bepalen dat de subsidie kan worden verstrekt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de kaderwet voor die subsidie aldaar van toepassing is. Op grond van artikel 5 van de Kaderwet kunnen voorts regels dan wel nadere regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling.

Artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit bepaalt dat de minister op aanvraag subsidie kan verstrekken voor activiteiten op de in artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet genoemde gebieden. Voor zover het Kaderbesluit bepaalde regels stelt, worden die in deze regeling niet herhaald, maar zullen in de artikelsgewijze toelichting worden toegelicht. Op enkele plaatsen worden wel aanvullende regels gesteld. De subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is niet van toepassing op de BES-eilanden (zie artikel 3 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Aangezien enkele artikelen uit de subsidietitel van de Awb (titel 4.2 Awb) relevant zijn voor deze regeling, zijn die integraal opgenomen.

De kwalificatie van de subsidie als bijzondere uitkering heeft tot gevolg dat over een voorstel voor een regeling ter verstrekking van een financiële bijdrage overleg heeft plaatsgevonden met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën en dat het verstrekken van de financiële bijdrage in US dollars moet plaatsvinden.

De regeling bevat een uitwerking van de wijze waarop de subsidies aan het openbaar lichaam Bonaire ter beschikking worden gesteld en de wijze waarop het openbaar lichaam verantwoording moet afleggen over de besteding van die middelen.

3. Gevolgen

De regeling heeft geen directe regeldrukgevolgen voor burgers, bedrijven of professionals. De bestuurlijke lasten voor Bonaire zijn beperkt omdat aangesloten wordt op het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’ genoemd in artikel 2 en omdat het juiste financiële instrument wordt gebruikt namelijk de Regeling bijzondere uitkeringen afvalbeheer Bonaire 2020–2023.

Er worden positieve gevolgen voor het milieu verwacht, aangezien deze regeling ten doel heeft om een effectief afvalbeheer te ondersteunen.

4. Voorbereiding

De regeling is voorbereid in overleg met het openbaar lichaam Bonaire. De regeling en de toelichting zijn op 14 juni 2019 voor advies aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire voorgelegd. Het bestuurscollege heeft geen aanleiding gezien tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

De ontwerpregeling is voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk. Het adviescollege heeft ambtelijk geadviseerd en geconstateerd dat deze regeling niet zal leiden tot (omvangrijke) regeldrukeffecten.

Van internetconsultatie is afgezien omdat het een regeling betreft zonder gevolgen voor burgers, bedrijven en instellingen. Er wordt geen verandering gebracht in rechten en verplichtingen, administratieve lasten of uitvoeringslasten. Bovendien kan internetconsultatie niet in betekenende mate leiden tot aanpassing van het ontwerp van de regeling.

5. Risicoanalyse

De Regeling is getoetst aan de uitkomsten van de risicoanalyse die ingevolge aanwijzing 20 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking2 verplicht is. Uit de risicoanalyse blijken slechts enkele kleine risico’s. In deze regeling zijn diverse artikelen opgenomen om deze risico’s te minimaliseren.

6. Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Dit is conform de vaste verandermomenten van ministeriële regelingen en met inachtneming van de voorgeschreven invoeringstermijn van drie maanden3.

Artikelsgewijs

Artikel 1 (Begripsbepalingen)

In het eerste lid van dit artikel is een begripsomschrijving van ‘openbaar lichaam’ opgenomen. De begripsomschrijving sluit aan bij die van ‘openbaar lichaam’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet FIN BES, maar is beperkt tot het openbaar lichaam Bonaire.

Verder is omschreven welke projecten voor een subsidie in aanmerking komen. Het gaat om projecten die voortvloeien uit het milieuprogramma, bedoeld in artikel 1.5 van de Wet VROM BES. In het geval een milieuprogramma ontbreekt, kunnen projecten die niet ter uitvoering zijn van een milieuprogramma, maar wel zien op het milieubeheer zoals bedoeld in artikel 1.5 van de Wet VROM BES, ook worden aangemerkt als ‘projecten’ waarvoor een subsidie kan worden verleend.

In het tweede lid is bepaald dat een subsidie tevens is aan te merken als ‘bijzondere uitkering’ in de zin van artikel 91, eerste lid, van de Wet FIN BES. Aangezien de Kaderwet subsidies IenM en het Kaderbesluit subsidies IenM de grondslag zijn voor de regeling, wordt in de regeling het begrip ‘subsidie’ gebruikt.

Artikel 2 (Doel en projecten)

Deze regeling betreft projecten die ten goede komen aan een effectief afvalbeheer op Bonaire zoals opgenomen in het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’. Het gaat om projecten in het algemeen belang die moeten leiden tot een beter milieu op Bonaire als deel van Caribisch Nederland. Dit zal een positief effect hebben op het toerisme, de belangrijkste inkomstenbron van Bonaire en daardoor op de economie van het eiland. Zie daarover verder het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3 (Subsidiabele kosten)

Dit artikel bevat de voor regelingen van deze aard gebruikelijke bepalingen. Kosten die in aanmerking komen voor subsidie zijn uitsluitend kosten die direct verbonden zijn aan de uitvoering van de projecten, bedoeld in artikel 2. Het betreft projecten die niet worden verricht in concurrentie met derden, dat wil zeggen het aanbieden van goederen en diensten op de markt.

Uitgesloten is een structurele bijdrage in kosten die verband houden met het exploiteren van met projecten gerealiseerde voorzieningen, zoals milieustraten. De minister kan besluiten tot een eenmalige bijdrage in de exploitatiekosten. Daartoe kan hij bijvoorbeeld besluiten indien voor de start van de exploitatie van een voorziening onvoldoende geld beschikbaar is. Uiteraard dient deze eenmalige bijdrage te passen binnen het subsidieplafond.

Artikel 4 (Subsidieplafond)

In dit artikel is het maximale subsidiebedrag voor 2020 opgenomen zoals dat tevens is opgenomen op de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De subsidieplafonds voor de jaren 2021–2023 zal de Minister jaarlijks bij besluit vaststellen en voorafgaand aan het betreffende jaar waarvoor de subsidie wordt verleend, publiceren in de Staatscourant.

Artikel 5 (Aanvraag tot verlening)

Tweede lid

In aanvulling op de tijdsplanning, op grond van artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit, dient te worden aangegeven wanneer de activiteiten naar verwachting voltooid zullen zijn.

Tevens dient het rapport ‘Afvalbeheer op Maat’ te worden overgelegd, met daarin de projecten waarvoor de aanvraag wordt ingediend, zodat de relatie tussen rapport en projecten duidelijk is.

Artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit

Behalve hetgeen in het tweede lid van de regeling staat, worden op grond van artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit, bij de aanvraag de volgende gegevens en bescheiden gevoegd:

  • een overzicht van de activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;

  • een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een bijdrage leveren aan de doelstellingen van deze regeling;

  • een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • een tijdplanning van de activiteit;

  • het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat.

Artikel 6 (Beschikking tot verlening)

Eerste lid

De formulering ‘in ieder geval’ is opgenomen om eventueel nog andere zaken in de beschikking op te kunnen nemen. Het eerste lid, onderdeel b, is opgenomen omdat het voor een kalenderjaar beschikbare bedrag wordt toebedeeld aan een of meer projecten. Per jaar zullen meerdere aanvragen worden ingediend. Per aanvraag zal een maximumbedrag worden bepaald.

Tweede lid

Omdat niet zeker is dat de projecten waarvoor in een kalenderjaar een subsidie wordt verstrekt, ook in dat jaar voltooid zullen zijn, maakt dit lid het mogelijk de subsidie ook te gebruiken om die projecten in het daarop volgende kalenderjaar te voltooien.

Derde lid

Het begrotingsvoorbehoud houdt in dat de subsidie wordt verstrekt ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd. Deze voorwaarde komt overeen met artikel 4:34, eerste lid, van de Awb.

Artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit

In deze artikelen zijn de afwijzingsgronden opgenomen en hieronder, voor zover ze van toepassing kunnen zijn, opgenomen. De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

  • onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;

  • het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij

ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;

  • het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd;

  • onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;

  • onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;

  • de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;

  • onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;

  • de kosten die in aanmerking komen voor subsidie niet aannemelijk of redelijk zijn;

  • er naar het oordeel van de Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.

Er is geen noodzaak andere afwijzingsgronden op te nemen.

Artikel 7 (Verplichtingen)

Op grond van dit artikel geldt de verplichting om jaarlijks uiterlijk op 30 juni een tussentijds voortgangsverslag bij de minister in te dienen, zodat de minister op de hoogte is van de voortgang van de uitvoering van de projecten. In navolging van artikel 4:37, eerste lid, onderdeel a, van de Awb, is de minister bevoegd, indien nodig, verplichtingen op te leggen ten aanzien van de aard en de omvang van de projecten.

Artikelen 17 t/m 20 van het Kaderbesluit

Voor zover deze artikelen van toepassing kunnen zijn, gelden de volgende verplichtingen.

Artikel 17 Kaderbesluit

Het openbaar lichaam is verplicht:

  • de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteiten in de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling;

  • te voldoen aan de verplichtingen die door de minister aan de subsidie zijn verbonden;

  • op de wijze zoals aangegeven in artikel 8, eerste lid, van deze regeling, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • op verzoek van de minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door de minister ter zake van de toepassing en de effecten van het Kaderbesluit of op grond van deze regeling ingesteld evaluatieonderzoek, die de minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat evaluatieonderzoek;

  • medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, tenzij openbaarmaking daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Artikel 18 Kaderbesluit

Het openbaar lichaam doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

  • de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of

  • niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 19 Kaderbesluit

Het openbaar lichaam voert een zodanige administratie dat daaruit op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:

  • de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten;

  • de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte kosten.

De administratie wordt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard.

Artikel 20 Kaderbesluit (in samenhang met artikel 6, tweede lid, van de regeling)

Indien de periode van uitvoering van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen meer dan twaalf maanden in beslag neemt, wordt bij de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opgelegd tot indiening van één of meer rapportages, maar ten hoogste één rapportage per jaar. Deze situatie doet zich voor indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van artikel 6, tweede lid, van de regeling.

Artikel 8 (Aanvraag tot vaststelling)

Eerste lid

Op grond van artikel 24, eerste lid van het Kaderbesluit wordt afgeweken van de reguliere termijn van dertien weken en een termijn van 22 weken aangehouden. Bij subsidies hoger dan € 125.000 dient volgens het Uniform subsidiekader de verantwoording met een accountantsverklaring plaats te vinden. Daar is meer tijd voor nodig dan 13 weken.

De aanvraag tot subsidievaststelling wordt gericht aan:

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat

t.a.v.: IBI-F&I/team Subsidies

Postbus 20906

2500 EX Den Haag.

Tweede lid

In dit lid is op grond van artikel 5 van de Kaderwet een nadere uitwerking opgenomen van de financiële verantwoording in artikel 24, vierde lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit.

Derde lid

In dit lid is op grond van artikel 5 van de Kaderwet een nadere uitwerking opgenomen van de controleverklaring in artikel 24, vierde lid, onderdeel c, van het Kaderbesluit.

Artikel 24, vierde lid, Kaderbesluit

Indien de gemaakte kosten 10% of meer afwijken van de onderbouwde begrotingspost van de aanvraag voegt het openbaar lichaam, in aanvulling op artikel 8 van de regeling, bij de aanvraag tot subsidievaststelling een toelichting daarop.

Artikel 9 (Beschikking tot vaststelling)

Eerste lid

In het eerste lid is conform artikel 4:46, eerste lid, van de Awb de hoofregel vastgelegd. Die houdt in dat de subsidievaststelling gelijk is aan de subsidieverlening. Dat betekent dat wordt gekeken naar de projecten zoals gepresenteerd in de aanvraag tot vaststelling en de in de beschikking tot verlening omschreven projecten. Zijn in de aanvraag tot vaststelling opgenomen projecten gelijk aan de verrichte projecten die zijn neergelegd in de beschikking tot verlening dan wordt, mits ook aan de verplichtingen is voldaan, de subsidie vastgesteld op het bedrag dat in de verlening is bepaald.

Tweede lid

Het tweede lid is conform artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. De subsidie kan lager of op nihil worden vastgesteld. De minister is niet verplicht de subsidie lager vast te stellen. Dit betekent dat aan een lagere vaststelling op grond van het tweede lid een belangenafweging ten grondslag dient te liggen. Er zal een belangenafweging dienen te worden gemaakt tussen onder meer het belang van een juiste vaststelling en de gevolgen van de verlaging voor het openbaar lichaam. Verplichtingen die in de praktijk tot gevolg hebben dat een verlening lager of nihil plaatsvindt, hebben veelal betrekking op het voeren van een inzichtelijke administratie. Een dergelijke administratie kan ook een rol spelen bij de vraag of het openbaar lichaam de activiteiten heeft verricht op de wijze zoals bij de verlening vastgesteld. De administratie moet zodanig zijn gevoerd, dat de minister daaruit eenvoudig het benodigde inzicht kan krijgen. Dat betekent dat de loutere aanwezigheid van alle benodigde gegevens op zich soms onvoldoende is. De minister moet niet gedwongen worden zelf samenhang aan te brengen in de gegevens. Dat moet het openbaar lichaam doen.

Derde lid

Het derde lid is conform artikel 4:47, onderdelen b en c, van de Awb.

Artikel 25 Kaderbesluit

In dit artikel is de afgiftetermijn van 13 weken geregeld. Deze termijn kan eenmaal met 13 weken worden verlengd indien de beschikking niet binnen 13 weken kan worden gegeven.

Artikel 10 (Intrekken of wijzigen subsidieverstrekking)

Artikel 10 bevat de gronden voor intrekking of wijziging van de subsidieverstrekking. Deze gronden zijn overgenomen uit de Awb.

Eerste en derde lid

Het eerste lid betreft de beschikking tot subsidieverlening (conform artikel 4:48, eerste lid, van de Awb), het derde lid de beschikking tot subsidievaststelling (conform artikel 4:49, eerste lid, Awb). De systematiek van subsidies brengt met zich mee dat bij de vaststelling wordt geoordeeld over de bij verlening genoemde projecten en het naleven van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij de vaststelling wordt een beslissing genomen over de definitieve uitkering welke tot gevolg kan hebben dat tot betaling moet worden overgegaan of tot terugvordering van het te veel betaalde wordt overgegaan. Er kunnen zich omstandigheden voordoen dat de minister niet wil wachten tot het moment van de vaststelling, maar op een eerder tijdstip wil ingrijpen. Het eerste en derde lid geven daarvoor een regeling. Er is een verschillend regiem voor het intrekken of wijzigen van de verlening en voor het intrekken of wijzigen van de vaststelling.

Tweede en vierde lid

Het tweede en vierde lid regelen de terugwerkende kracht van het intrekken of wijzigen van de beschikking waarmee de subsidie werd verleend, onderscheidenlijk vastgesteld, tenzij anders is bepaald. De gronden van het eerste en derde lid hebben een ‘verwijtbaar’ karakter. Zijn er al betalingen gedaan in de vorm van, met name, voorschotten dan zijn deze door de intrekking onverschuldigd betaald en kunnen dan worden teruggevorderd.

Het tweede lid is conform artikel 4:48, tweede lid, van de Awb en het vierde lid is conform artikel 4:49, tweede lid, van de Awb.

Vijfde lid

Dit lid is conform artikel 4:49, derde lid, van de Awb. Daarin is een verjaringstermijn van vijf jaren opgenomen voor de wijziging of intrekking van de vaststelling.

Zesde en zevende lid

In deze leden is de inhoud van artikel 4:50 van de Awb overgenomen. Daarin is bepaald dat de subsidieverlening kan worden ingetrokken of ten nadele van het openbaar lichaam kan worden gewijzigd. De gronden van het zesde lid hebben geen verwijtbaar karakter. De subsidieverlening is onjuist. Aangezien van een niet verwijtbare intrekkingsgrond sprake is, kan deze niet gebruikt worden als het openbaar lichaam wist dat de verlening onjuist was (zou dat het geval zijn dan dient de mogelijkheid van het eerste lid, onderdeel d, te worden gebruikt). Deze beschikking werkt voor de toekomst. Reeds betaalde uitkeringen blijven behouden. Indien het openbaar lichaam in vertrouwen op de subsidieverlening heeft gehandeld dan komt het openbaar lichaam in aanmerking voor vergoeding van de geleden schade.

Artikel 11 (Bevoorschotting)

Eerste lid

De financiële stromen tussen de rijksoverheid en de openbare lichamen vinden plaats in US dollars. In artikel 91, tweede lid, van de Wet FIN BES is bepaald: ‘Bijzondere uitkeringen worden vastgesteld in US dollars en kunnen worden verstrekt aan een openbaar lichaam voor de bestrijding van in de regeling van de uitkering aangeduide kosten van de ontvangers’. De wisselkoersrisico’s komen bij betalingen tussen overheden volgens afspraak voor rekening van de rijksoverheid. De positieve of negatieve gevolgen van wisselkoersfluctuaties voor de rijksbegroting zijn beperkt.

Tweede lid

De gespecificeerde begroting (wat zijn de voorgenomen projecten en wat gaan die kosten) is opgenomen in de aanvraag op grond van artikel 10, vierde lid, onderdeel e, van het Kaderbesluit.

Artikel 12 (Betaling)

Op grond van het eerste lid dient de minister het bij de subsidievaststelling bepaalde bedrag uit te keren. De vaststelling geldt als beschikking waarbij de betalingsverplichting wordt vastgesteld. Dat betekent dat naast het te betalen bedrag eveneens de termijn waarbinnen betaling dient plaats te vinden, wordt vermeld. In navolging van de standaardtermijn in artikel 4:87 van de Awb is dat zes weken.

Op grond van het tweede lid kan de minister, indien hij overweegt de subsidie ten nadele van het openbaar lichaam te wijzigen of in te trekken (zoals geregeld in artikel 10, eerste of derde lid), daarop anticiperen door daarmee samenhangende betalingsverplichtingen op te schorten.

Artikel 13 (Onverschuldigde betaling)

In de toelichting op artikel 91 Wet FIN BES is bepaald dat voor bijzondere uitkeringen geldt dat zij voor een bepaald doel worden gegeven. Indien het geld niet wordt besteed aan het voorgeschreven doel of als een doelstelling niet wordt gerealiseerd, kan het Rijk het geld terugvorderen.

In artikel 13 is de inhoud van artikel 4:57 van de Awb opgenomen. Onverschuldigd betaalde subsidies kunnen worden teruggevorderd. Het is dus geen verplichting. De terugvordering kan betrekking hebben op subsidies die onverschuldigd betaald zijn, bijvoorbeeld omdat de subsidieverlening is ingetrokken op grond van artikel 10, derde lid. Ook is het mogelijk dat bij de subsidievaststelling een lager bedrag wordt vastgesteld dan aan voorschotten is uitbetaald. Ook dan is sprake van onverschuldigde betaling.

De minister kan ervoor kiezen een dwangbevel te gebruiken. Voordat een dwangbevel kan worden uitgevaardigd, moet er eerst worden aangemaand.

De minister kan er ook voor kiezen om het onverschuldigd betaalde subsidie bedrag te verrekenen met eventuele andere aan het openbaar lichaam verschuldigde subsidies. Uiteraard kan dit alleen indien aan eisen van verrekening (compensatie) wordt voldaan.

Artikel 14 (Evaluatie)

Evaluatie is niet verplicht maar in dit artikel wel voorgeschreven om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de subsidie in kaart te brengen en om eventueel aanpassingen in deze regeling aan te brengen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
2

Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking.

X Noot
3

Aanwijzing voor de regelgeving nr. 4.17, tweede en vierde lid.

Naar boven