Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HeerhugowaardStaatscourant 2019, 49189Instelling gemeenschappelijke regelingen



Instellingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard houdende regels omtrent samenwerking middels ambtelijke krachtenbundeling Gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard

Logo Heerhugowaard

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd;

 

overwegende dat

 

samenwerking middels een volledige ambtelijke krachtenbundeling de beste bijdrage kan leveren aan de complexe uitdagingen waar de beide gemeenten voor staan, omdat de ambtelijke werkorganisatie gezien haar omvang krachtig is, efficiënt kan werken en aantrekkelijk is door innovatieve dienstverlening en als werkgever;

 

de gemeenteraden gefaseerd hebben besloten tot een ambtelijke fusie tussen Langedijk en Heerhugowaard en opdracht hebben gegeven tot het maken van een Gemeenschappelijke regeling

 

gelet op

 

hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995;

 

de toestemming van de raden van de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

besluiten

 

de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

 

Gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    archivaris: de persoon die is belast met de zorg voor de archiefbescheiden, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Archiefwet 1995;

  • b.

    belastingdeurwaarder: de ambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder e, van de Gemeentewet;

  • c.

    bestuur: het bestuur van de werkorganisatie, bedoeld in artikel 7;

  • d.

    colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;

  • e.

    directie: de directie van de werkorganisatie, bestaande uit de twee secretarissen van de gemeenten, bedoeld in hoofdstuk VII van de Gemeentewet, en een derde directielid;

  • f.

    werkorganisatie: de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3;

  • g.

    gedeputeerde staten: de gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland;

  • h.

    gemeenten: de gemeenten Langedijk en Heerhugowaard;

  • i.

    griffiemedewerkers: de ambtenaren, bedoeld in artikel 107e, tweede lid, van de Gemeentewet, van de gemeenten;

  • j.

    griffiers: de griffiers, bedoeld in hoofdstuk VII, van de Gemeentewet, van de gemeenten;

  • k.

    heffingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet;

  • l.

    invorderingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet;

  • m.

    leerplichtambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 16 van de Leerplichtwet 1969;

  • n.

    raden: de raden van de gemeenten;

  • o.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard;

  • p.

    gemeentesecretaris: een gemeentesecretaris als bedoeld in hoofdstuk VII, van de Gemeentewet;

  • q.

    secretaris-directeur: de secretaris-directeur, bedoeld in artikel 10 en 11;

  • r.

    taken: de taken van de werkorganisatie, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid;

  • s.

    voorzitter: de voorzitter van de werkorganisatie, bedoeld in artikel 9, en

  • t.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 2: Belang

Deze regeling wordt getroffen voor het instandhouden van een gezamenlijke ambtelijke werkorganisatie van de gemeenten om voor de colleges beleid en uitvoeringsbeleid te kunnen voorbereiden en uitvoeren, waaronder mede begrepen het uitoefenen van de daartoe benodigde bevoegdheden in mandaat. Daarmee biedt de werkorganisatie een kwalitatief hoogwaardige, efficiënte en innovatieve dienstverlening aan het bestuur en de inwoners van de gemeenten, en aan de bedrijven en instellingen in de gemeenten.

Artikel 3: Werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard

  • 1.

    Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd Werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard.

  • 2.

    Het rechtsgebied van de werkorganisatie omvat het grondgebied van de gemeenten.

  • 3.

    De werkorganisatie is gevestigd te Heerhugowaard. 

Hoofdstuk 2: Taken en bevoegdheden

Artikel 4: Taken

  • 1.

    De colleges belasten de werkorganisatie met het uitvoeren van alle collegetaken, dit betekent in ieder geval de taken op de volgende gebieden:

    • a.

      Publiekszaken: directe dienstverlening aan de inwoners, bedrijven en instellingen; het verstrekken van documenten, informatie en toegang tot diverse overheidsdiensten via verschillende kanalen; toezicht, handhaving en veiligheid;

    • b.

      Maatschappelijke ontwikkeling: ontwikkeling van beleid in het sociaal domein;

    • c.

      Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer: ontwikkeling van beleid in het fysieke domein en projectmanagement;

    • d.

      Omgevingsbeheer: het op orde houden en brengen van de openbare ruimte; het beheer van vastgoed;

    • e.

      Bedrijfsvoering: ondersteunende werkzaamheden op het gebied van financiën, ict, personeel en organisatie, communicatie, facilitaire en juridische zaken, en

    • f.

      Ondersteuning van de griffies van de gemeenten.

  • 2.

    De taakuitvoering, bedoeld in het eerste lid, ziet in ieder geval op:

    • a.

      het ontwikkelen en voorbereiden van beleid;

    • b.

      het uitvoeren van vastgesteld beleid en wettelijke regelingen;

    • c.

      het uitvoeren van beleidsopdrachten door de colleges verstrekt in het kader van uitvoering van door de gemeenteraden vastgestelde beleid;

    • d.

      het houden van toezicht op aan derden uitbesteed werk;

    • e.

      het handhaven van de uitvoering, genoemd onder a tot en met d;

    • f.

      het verrichten van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover hiertoe bevoegd is dan wel hiervoor mandaat of volmacht is verleend;

    • g.

      het verrichten van feitelijke handelingen, en

    • h.

      het verrichten van bedrijfsvoeringstaken op het gebied van financiën, ict, personeel en organisatie, communicatie, facilitaire en juridische zaken.

  • 3.

    De werkorganisatie kan met elke gemeente een dienstverleningsovereenkomst aangaan waarin kan worden gespecificeerd welke taken de werkorganisatie precies voor de betreffende gemeente uitvoert of doet uitvoeren en onder welke voorwaarden dit plaatsvindt.

  • 4.

    De op het moment van inwerkingtreding van deze regeling bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van de gemeenten afzonderlijk of gezamenlijk met derden blijven bestaan, tot het moment waarop ieder van de colleges van de gemeenten, na een gezamenlijke inventarisatie daarvan met het bestuur, besloten heeft welke van de per gemeente geïnventariseerde samenwerkingsverbanden door de betreffende gemeente gehandhaafd of opgezegd moet worden. In geval van opzegging kan een college besluiten de betreffende taken te laten uitoefenen door de werkorganisatie.

Artikel 5: Bevoegdheden

  • 1.

    De colleges kunnen, direct of indirect, bevoegdheden voor de uitvoering van de in artikel 11 genoemde taken aan de directie in mandaat opdragen. Mandaten als bedoeld in de vorige zin, worden opgenomen in een mandaatregeling.

  • 2.

    De colleges dragen aan het bestuur in ieder geval de bevoegdheid over tot het aanwijzen van heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, belastingdeurwaarders en leerplichtambtenaren.

  • 3.

    Aan het bestuur kunnen aanvullende bevoegdheden worden overgedragen door de colleges, zonder dat daarvoor de regeling hoeft te worden gewijzigd, een en ander met inachtneming van artikel 10, tweede lid, van de wet.

  • 4.

    De bevoegdheden van het bestuur bestaan in ieder geval uit:

    • a.

      het vaststellen en wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      het vaststellen van de kadernota;

    • d.

      het vaststellen van de benodigde verordeningen, regelingen en nota’s ten behoeve van de werkorganisatie;

    • e.

      de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet;

    • f.

      het beheer van de inkomsten en uitgaven van de werkorganisatie;

    • g.

      het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de werkorganisatie;

    • h.

      benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van de werkorganisatie;

    • i.

      het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening;

    • j.

      het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de werkorganisatie, en

    • k.

      het behartigen van de belangen van de werkorganisatie bij andere overheden, instellingen of personen.

  • 5.

    Het bestuur neemt alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit van de werkorganisatie.

Artikel 6: Kwaliteitsborging

  • 1.

    De werkorganisatie draagt zorg voor een kwalitatief goede en doelmatige uitvoering van de taken.

  • 2.

    Indien sprake is van onvoldoende kwalitatief of onzorgvuldig of onrechtmatig handelen van de werkorganisatie ten aanzien van een of meer gemeenten als gevolg waarvan schade is ontstaan of dreigt te ontstaan, wordt dit zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na het constateren van de geleden of dreigende schade, bij het betreffende college of de betreffende colleges gemeld.

  • 3.

    Het bestuur draagt zorg voor beperking en zo nodig tot herstel van geleden schade.

  • 4.

    In het verlengde van het derde lid, draagt de werkorganisatie zorg voor een adequate verzekering van de risico’s die samenhangen met de uitvoering van zijn taken en die niet vallen onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering van de gemeenten.

  • 5.

    Over de wijze van afhandeling van aan de werkorganisatie toe te rekenen schade die in het kader van de uitvoering van de taken van de werkorganisatie is ontstaan, maar niet voor vergoeding door een verzekeraar in aanmerking komt, wordt besloten door het bestuur.

Hoofdstuk 3: Bedrijfsvoeringsorganisatie

Artikel 7: Samenstelling bestuur

  • 1.

    Het bestuur bestaat uit vier leden. De colleges wijzen elk uit hun midden twee leden aan als lid van het bestuur.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het college uit wiens midden men is aangewezen.

  • 3.

    De leden van het bestuur hebben ieder één stem.

  • 4.

    Voor het nemen van geldige besluiten is vereist dat alle bestuursleden aanwezig zijn.

  • 5.

    Het bestuur beslist bij gewone meerderheid van stemmen.

  • 6.

    Indien de stemmen ten aanzien van een specifiek onderwerp duurzaam staken, wordt de geschillenregeling, bedoeld in artikel 28, van kracht.

  • 7.

    De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.

Artikel 8: Reglement van orde

  • 1.

    Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en werkzaamheden vast.

  • 2.

    Het bestuur vergadert ten minste vier keer per jaar en voorts zo vaak als het daartoe besloten heeft.

Artikel 9: Voorzitter

  • 1.

    Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan en benoemt de voorzitter steeds voor een periode van één kalenderjaar, een en ander onverminderd artikel 7, tweede lid. Het voorzitterschap rouleert jaarlijks op 1 januari tussen de gemeenten, tenzij het bestuur anders besluit.

  • 2.

    De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 3.

    De voorzitter is, onverminderd de taken van de secretaris-directeur, verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en de vergaderorde binnen het bestuur, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 8.

  • 4.

    Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen.

  • 5.

    Het bestuur regelt de vervanging van de voorzitter.

Artikel 10: De secretaris-directeur

  • 1.

    Het bestuur benoemt een secretaris-directeur. Deze fungeert als secretaris van het bestuur en is tevens directeur van de werkorganisatie.

  • 2.

    Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris-directeur.

  • 3.

    Het bestuur stelt de arbeidsvoorwaarden vast.

  • 4.

    De secretaris-directeur is bij de vergaderingen van het bestuur aanwezig en staat het bestuur bij.

  • 5.

    De secretaris-directeur medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 6.

    De secretaris-directeur is bestuurder in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden.

  • 7.

    Het bestuur wijst een vervanger van de secretaris-directeur aan, die de secretaris-directeur bij diens afwezigheid kan vervangen.

Artikel 11: De directie

  • 1.

    De werkorganisatie heeft een directie.

  • 2.

    De directie bestaat uit de twee gemeentesecretarissen en een derde directeur.

  • 3.

    De directie is onder verantwoordelijkheid van het bestuur belast met de leiding van de werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard en met de zorg voor een juiste taakvervulling door de werkorganisatie. Ter uitvoering hiervan draagt de directie zorg voor de kwaliteit van financiën, ict, personeel en organisatie, communicatie, facilitaire en juridische zaken.

  • 4.

    De gemeentesecretarissen, blijven in dienst van de gemeenten en nemen vanuit die functie onbezoldigd deel aan de directie.

  • 5.

    De directie kan een directiestatuut vaststellen, waarin ten minste de portefeuilleverdeling en de vergaderorde worden geregeld.

Artikel 12: Personeel

  • 1.

    Het personeel van de gemeenten treedt in dienst van de werkorganisatie met uitzondering van de secretarissen, de griffiers en de griffiemedewerkers.

  • 2.

    Het bestuur stelt de arbeidsvoorwaarden van het personeel vast.

  • 3.

    Bij de overgang van personeel van de gemeenten naar de werkorganisatie draagt het bestuur zorg voor de verdere toepassing en uitvoering van de afspraken tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen van de gemeenten.

Artikel 13: Heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar

  • 1.

    De werkorganisatie heeft een heffingsambtenaar, een invorderingsambtenaar, een belastingdeurwaarder en een leerplichtambtenaar.

  • 2.

    Het bestuur wijst een of meerdere ambtenaren van de werkorganisatie aan als heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar.

  • 3.

    De ambtenaren, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de wet aan hen toegekend zijn. 

Hoofdstuk 4: Inlichtingen en verantwoording

Artikel 14: Inlichtingen

  • 1.

    Het bestuur verstrekt aan de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden verstrekt.

  • 2.

    Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt.

  • 3.

    Een lid van het bestuur verstrekt aan de raad van het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van die raad gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt.

Artikel 15: Verantwoording

  • 1.

    Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen.

  • 2.

    Een lid van het bestuur legt aan de raad van het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen.

  • 3.

    Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit.

Hoofdstuk 5: Financiën

Artikel 16: Financiële verantwoordelijkheid

  • 1.

    De gemeenten dragen er zorg voor dat de werkorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    De begroting van de werkorganisatie bestaat uit een basisbegroting, waarin loonkosten, loonkosten-overig, ICT, materieel, overig en huisvesting, wordt aangevuld met ICT-budgetten.

  • 3.

    De kosten worden verdeeld op basis van de volgende verdeelsleutel: Heerhugowaard draagt 67,2% van de structurele kosten en Langedijk 32,8%. Er vindt geen nacalculatie plaats.

  • 4.

    Indien een gemeente weigert de in het eerste lid bedoelde uitgaven op de gemeentelijke begroting te zetten, dan doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

Artikel 17: Gemeentewet

  • 1.

    De artikelen 186 tot en met 213, van de Gemeentewet, zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de wet niet is afgeweken.

  • 2.

    Het bestuur stelt overeenkomstig artikel 35, zesde lid, van de wet, een financiële verordening vast waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 212, van de Gemeentewet.

  • 3.

    Het bestuur stelt overeenkomstig artikel 35, zesde lid, van de wet, een financiële controleverordening vast waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 213, van de Gemeentewet.

Artikel 18: Kadernota

Het bestuur zendt uiterlijk 1 januari van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden.

Artikel 19: Zienswijzeprocedure en vaststelling begroting

  • 1.

    Het begrotingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

  • 2.

    Het bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste twaalf weken, maar in ieder geval ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 4.

    De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 5.

    Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient.

  • 6.

    Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 7.

    Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten, vergezeld van de zienswijze, bedoeld in het vierde lid. 8. Het tweede, vierde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, waarbij wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het vijfde en zevende lid zijn ook van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten binnen vier weken na vaststelling plaatsvindt.

Artikel 20: Jaarrekening

  • 1.

    Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden.

  • 3.

    Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 6: Bepalingen over de regeling

Artikel 21: Duur

De regeling wordt getroffen voor bepaalde tijd, eindigend op de datum van herindeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet algemene regels herindeling, van beide gemeenten tot één nieuwe gemeente.

Artikel 22: Evaluatie

  • 1.

    Indien de herindeling, bedoeld in artikel 21, wordt uitgesteld tot na 2022, draagt het bestuur zorg voor een vierjaarlijkse evaluatie van de regeling. De eerste evaluatie vindt dan plaats in 2023.

  • 2.

    Onderdeel van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval:

    • a.

      de wijze waarop de werkorganisatie bijdraagt aan het belang waarvoor het is ingesteld en de kwaliteit van zijn taakuitvoering;

    • b.

      de kostenverdeling op basis van artikel 16, derde lid, en

    • c.

      de governance van de werkorganisatie; waaronder de rollenscheiding, sturing en verantwoording.

Artikel 23: Toetreding

  • 1.

    Andere colleges dan die bedoeld in artikel 1, onder c, kunnen een verzoek tot toetreding indienen bij het bestuur. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op colleges van provinciale staten, dagelijkse besturen van waterschappen en bestuursorganen anders dan van decentrale overheden.

  • 2.

    Het bestuur zendt het verzoek tot toetreding onverwijld door aan de colleges.

  • 3.

    Toetreding tot de regeling is slechts mogelijk indien de colleges daartoe unaniem besluiten.

  • 4.

    De toetreding is tot stand gekomen indien de beoogd toetreder en de colleges, met toestemming van hun raden, bedoeld in artikel 1, tweede lid van de wet, daartoe besluiten. Voorgaande onverminderd artikel 40, tweede en derde lid, en artikel 50, tweede en derde lid, van de wet.

  • 5.

    Het bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding, voordat over de toetreding wordt besloten.

Artikel 24: Uittreding en opheffing

  • 1.

    Een college richt een verzoek tot uittreding aan het bestuur. Het bestuur neemt het verzoek tot uittreding in behandeling en spant zich in binnen zes maanden een voorstel gereed te hebben over de condities en voorwaarden voor uittreding. Indien na uittreding slechts een college deelnemer blijft aan deze regeling, is een verzoek tot uittreding een verzoek tot opheffing.

  • 2.

    Een college dient een verzoek tot uittreding een volledig kalenderjaar voorafgaand aan de beoogde ingangsdatum van de uittreding aanhangig te maken bij het bestuur. Het bestuur kan een college ontheffing verlenen van de termijn van een volledig kalenderjaar als hiervoor bedoeld.

  • 3.

    Een besluit tot uittreding kan niet worden genomen gedurende de eerste vijf jaren na de inwerkingtreding van de regeling of toetreding, indien het de toetreder betreft.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid kan een besluit tot uittreding binnen de periode van vijf jaar worden genomen vanaf het moment dat er bestuurlijke besluitvorming heeft plaatsgevonden over de herindeling van de gemeenten tot één nieuwe gemeente conform de Wet algemene regels herindeling.

  • 5.

    Bij het vaststellen van de condities en voorwaarden voor uittreding baseert het bestuur zich op de kosten van desintegratie en, voor zover van toepassing, beëindiging van de activiteiten van de werkorganisatie, de kosten die de werkorganisatie maakt voor de dienstverlening aan de betreffende gemeente, de door die gemeente verschuldigde betalingen aan de werkorganisatie en de inbreng van de betreffende gemeenten.

  • 6.

    Een college dat heeft verzocht tot uittreding kan, nadat de hoogte van de kosten van desintegratie en, voor zover van toepassing, beëindiging van de activiteiten van de werkorganisatie overeenkomstig het vijfde lid, ervoor kiezen om indien van toepassing en voor zover akkoord bevonden door het bestuur personeel of verplichtingen van de werkorganisatie over te nemen in ruil voor kwijtschelding van dat deel van de verschuldigde kosten van desintegratie of beëindiging van activiteiten.

  • 7.

    De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers.

Artikel 25: Wijziging

  • 1.

    Het bestuur kan een voorstel voor wijziging van de regeling aan de colleges zenden.

  • 2.

    De regeling is gewijzigd indien de colleges unaniem met de wijziging instemmen, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid, van de wet.

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen

Artikel 26: Archief

  • 1.

    Het bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, met inachtneming van het bepaalde in de Archiefwet 1995.

  • 2.

    Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, stelt het bestuur een regeling vast, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld. 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zorg, komen ten laste van de werkorganisatie.

  • 3.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats aan.

  • 4.

    De archivaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

  • 5.

    Ten aanzien van de in het vijfde lid genoemde archiefbescheiden, is de archivaris, onder de bevelen van het bestuur, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995. Met betrekking tot dit toezicht bevat de regeling, bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen.

  • 6.

    De archivaris wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. 8. In aanvulling op het zevende lid kan het bestuur ook de archivaris van een van de gemeenten aanwijzen als archivaris van de werkorganisatie.

  • 9.

    Voor de door de deelnemers uitgevoerde taken op basis van gemandateerde bevoegdheden berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij de gemeenten.

Artikel 27: Klachtenregeling

  • 1.

    Overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder een klacht indienen over gedragingen van een bestuursorgaan van de werkorganisatie.

  • 2.

    Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast.

Artikel 28: Geschillen

  • 1.

    Indien zich een geschil voordoet als bedoeld in artikel 28 van de wet, spant het bestuur zich sterk in om een en ander minnelijk op te lossen.

  • 2.

    Indien een minnelijke oplossing niet wordt bereikt, wordt het geschil voorgelegd aan een onafhankelijke mediator.

  • 3.

    De mediator, bedoeld in het tweede lid, wordt door de partijen bij het geschil gezamenlijk benoemd en krijgt een door partijen in gezamenlijkheid geformuleerde opdracht.

  • 4.

    Slechts in geval partijen bij een geschil niet eens kunnen worden over de benoeming van de mediator, bedoeld in het derde lid dan wel zijn opdracht of in het geval partijen van mening zijn dat de mediation, bedoeld in het tweede lid, inhoudelijk of qua proces niet voldeed aan daarvoor geldende eisen wordt de beslissing van gedeputeerde staten, als bedoeld in artikel 28, van de wet, ingeroepen.

  • 5.

    Elke gemeente draagt de eigen kosten, voortvloeiend uit de procedures betreffende dit artikel. Eventuele gezamenlijke kosten zullen gelijkelijk worden verdeeld.

Artikel 29: Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 oktober 2019, onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid van de wet.

Artikel 30: Citeerwijze

De regeling wordt aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling werkorganisatie Langedijk en Heerhugowaard”.

Artikel 31: Inzenden regeling en bekendmaking

  • 1.

    Het college van de gemeente Heerhugowaard zendt deze regeling, alsmede de wijzigingen daarvan, aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het college van de gemeente Heerhugowaard draagt zorg voor bekendmaking als bedoeld in artikel 26, van de wet.

  • 3.

    De colleges nemen de regeling op in het door hen bij te houden register als bedoeld in artikel 27, van de wet.